Nummer 152, de halve gare eend

frogduck

Het was een goeie, maar lange dag. Dus ik loop mezelf een paar kilometer rustig. Althans, dat is het voornemen. Na een kilometer loop ik achterop een grote groep Chinezen. Ik vertraag mijn pas en probeer een gaatje te zoeken in de muur van ruggen om in te halen.

Onbegonnen zaak, dus ik probeer me aan te passen aan hun tempo en fantaseer 500 meter lang dat ik een Chinees ben, op bezoek in Nederland. Wat doen Chinezen op een mooie zomeravond in Eindhoven bijvoorbeeld? Ze fotograferen elkaar en zichzelf. Aan het watertje in de stad bij de eenden en dan nog eens met z’n allen op het bruggetje. En dan? Open deur. Ze gaan naar de Chinees natuurlijk.

Chinezen gaan naar een goeie Chinees, is een oud Chinees gezegde. En ik heb vandaag geen zin om te koken. Uitstekende spontane ingeving.

Ik  beland in een eetzaal die lijkt op het penthouse van James Bond in Goldfinger. Niet het type nasi rames en een loempiaatje-Chinees. Geen lampionnetje te zien ook. Zelfs het Aquarium lijkt van out of space. Neonkleurige led-plantjes bewegen zacht ritmisch op en neer en er zwemt een kleine gouden goudvis. Ik ken goudvissen alleen in het oranje. Ja. Dit is een heel bijzondere Chinees.

Take Away? Vraagt de ober. Vluchten kan niet meer. Ik knik en vraag of ik de kaart mag zien. In een snelle beweging schuift de man een stoel in mijn knieholtes en dan een kaart onder mijn neus, loopt weg en keert een minuut later terug met een grote mok met verse Chinese thee. “Chinese Tea while you’re waiting!” roept hij en verdwijnt weer.

Dit is een heel bijzondere Chinees.

Bij het bestuderen van de kaart krijg ik lichte kortsluiting. Dat heb ik weleens bij te veel nummers en bij de ondergrondse in Parijs. De ober is er weer en roept in mijn oor: “Numbel?” Ik weet niet waarom, maar ik hoor mezelf nummer 152 bestellen. Het enige wat ik zonder leesbril van dat gerecht had kunnen oppikken was het woord ‘half’. Dat klinkt prima, ik ben immers geen grote eter en je komt al snel met een kilo of anderhalf te veel bij de Chinees vandaan.

Ik drink mijn thee en droom een loom kwartiertje weg in het James Bond decor,  en het geroezemoes van de groep Chinezen die enkele meters verderop waren neergestreken en foto’s van elkaar en de kroepoek, de lampen en het aquarium maakten.

Nummer 152 blijkt, als ik het witte papier thuis met kloppend hart uitvouw, een halve, helemaal niet gare eend, ruim hangend in zijn gaargekookte, flubberige zachte kippenvelvet. Terwijl ik mijn eend en bijgeleverde accessoires uitstal – de honger zakt al – komt de kat naar binnen met een schreeuwende kikker in zijn bek. De tweede al vandaag. (Het verbaast me nog steeds dat kikkers kunnen schreeuwen. Ik eet al jaren geen kikkerbillen meer om die reden.)

Net als ik begin te twijfelen of iemand LSD in mijn thee heeft gedaan, Appt een vriendin uit Venlo: ‘’Ga je nog iets spannends doen op je laatste vrije avond in Eindhoven?’’

Ik antwoord: “Ik heb zojuist gewandeld met een groep Chinese expats, zit nu met een halve gare eend op de bank en een schreeuwende kikker aan mijn voeten die niet gekust wenst te worden door de kat.

Hoe spannend wil je het hebben op maandagavond?

 

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html