Rashid de knikker-engel

Afbeelding

Ik ben 8 jaar en hang met een buurmeisje bij ‘het muurtje’ – een hangplek zoals vele hangplekken in vinex wijken in die tijd: een muurtje naast een veldje vol hondenpoep. We hebben knikkers bij ons; het is lente en knikkertijd. Maar we mogen niet meedoen, omdat we te jong zijn en bovendien meisjes. Rashid springt op en houdt een vurig pleidooi tegen de veel grotere jongen die ons weg wil sturen. We mogen toch meedoen, maar ik moet maar liefs vier inleg-knikkers dokken. Ik heb als beginner nog niet zo heel veel mooie knikkers en wil alsnog afhaken. Rashid komt naast me staan en frommelt snel een handje knikkers in mijn washandje. Er zitten twee dubbele 3-ogers bij. Ik win drie potjes van de jongens. En als we – op vleugels-  naar huis terug lopen tegen etenstijd, ben ik verliefd op Rashid. Kinderliefde. Mijn buurmeisje zegt dat buitenlanders niet met Venlose meisjes kunnen trouwen, omdat ze met hun nichtjes moeten trouwen.

We groeiden op in de zelfde buurt en onder zijn stoerheid was hij misschien niet lief, maar wel goed en ruim van hart. Rashid kwam uit een traditioneel, eerste generatie Marokkaans gezin, maar sprak platter Venloos dan mijn eigen broer. Hij was intelligent, al zette hij zijn snelle hersens al op jonge leeftijd in dienst van minder intelligente praktijken.

Ik ben 18. Ik heb net mijn rijbewijs en rij naar huis van een vriendinnenavond. Enkele meters voor mijn straat komt er een auto in een rotvaart van rechts, rijdt door rood licht, we maken een soort dans van blik en glas en als papier verkreukelend metaal en enkele seconden later zit ik in een verdovende stilte en met een gek gevoel op mijn middenrif beklemd in mijn auto. Er verschijnen mensen in pyama’s. Een vrouw in een ei-gele badjas klopt op het raampje, roept iets en verdwijnt weer. Ik begrijp niet wat er is gebeurd en begrijp al helemaal niet waarom niemand iets doet, behalve om mijn auto heen rennen, tot ik Rashids gezicht naast me zie opduiken. 10 jaar ouder, met baard, maar toch helemaal Rashid. Ik ben nog nooit zo opgelucht geweest een oude vriend te zien. Hij praat me de tijd door. Ik ben niet gewond, maar wel redelijk in paniek zodra ik merk dat er een stuur tussen mijn ribben zit. De tijd rekt zich in zulke situaties tot abnormale lengte.

Ik word uiteindelijk netjes uit de auto geknipt door een brandweermeneer met een pneumatische schaar en krijg –  net als in de film – een deken over mijn schouders gelegd. Op wat kneuzingen en een klein trauma na, mankeer ik niks. Een vriendelijke agent brengt me naar huis.

De ochtend na het ongeluk gaat de bel. Een verlegen jongeman van Marokkaanse afkomst staat voor de deur met een bos bloemen. Het zijn beterschapbloemen van Rashid en zijn familie. Opeens herinner ik me dat Rashid gisteravond plotsklaps verdwenen was, zodra de politie bij mijn ongeluksplek arriveerden.

Ik ben 44 en zit te wachten bij de ING bank om mijn nieuwe pasje op te halen. Naast me zegt iemand: ‘Doa bisse toch weer..’ Ik herken zijn gezicht in eerste instantie niet, tot zijn platte Venlose accent tot me door dringt en de lichtjes in zijn pretogen me bereiken. Rashid, mijn reddende engel. We hebben nummertje 245 en 246. Nog 7 wachtenden voor ons. We informeren naar elkaars ouders, oude buurtvrienden en vallen even stil bij de doden. Het is een aangenaam  diep zwijgen. Te weinig tijd om twee levens bij te praten, te veel verleden om ongemak te voelen.

Het is fijn om elkaar te zien. En bovendien, mocht er op dat moment een bankoverval hebben plaatsgevonden; dan was ik in goed gezelschap. Rashid zou me altijd redden. Net als toen ik 8 was.

 

Barbiebeentjes in Houthalen

AfbeeldingAfbeelding

Afbeelding

 

Vandaag bezochten we België. Als de zon schijnt is het altijd lachen die kilometers lange expositie van ultra-lelijke bouwsels langs de rijksweg richting Leopoldsbrug en dorpen met namen als ‘Balen’, Kwaadmechelen, Ham en Geel.  Alleen een ding dat ik vreselijk vind: de lekkere, gammele prachtige frietkotten zijn verdwenen. Ze huizen nu in anonieme apotheekachtige tussengebouwtjes langs de Vlaamse rijkswegen. Van die tentjes van donkerbruine steen en getinte ramen en een Ola-bord buiten. Dat is het toch niet. Ach, de frietkotten zijn verdwenen. Dat doet toch een beetje pijn. Ik had er ooit een film/fotoreportage van willen maken – over de laatste frietkotten langs de weg. Dat kan nu niet meer. Zo gaat dat met uitstervende dingen.

Maar gelukkig is er de Vrijmarkt van Houthalen. Het is even wennen bij binnenkomst, de lucht van giros, frieten, ongewassen oude kleren, koopmanszweet, vochtig hout, nep-parfums en lijm. Gelukkig, er speelt vandaag een Hollandse band. Het is een eenmansband (typisch Hollands, lekker zuinig). En jawel, de Hollandse band doet Duitse schlagers. Voor een luttele 50 cent ga ik op de tonen van Santa Marina..Ich hab meine Traüme verloren..pampam.. – in de rij staan voor een plas.

De vrijmarktorganisatie heeft niet zo goed nagedacht over luchtverversing, volksgezondheid, minder-validen, maar: de organisatie heeft zeker wel nagedacht over de inrichting: de smoezelige hallen zijn in landen en/of werelddelen verdeeld! In de China-hal liggen alleen telefoonhoesjes, op afstand bestuurbare helickopters en nep-TomTims. In de Hollandse hal staan vier groothandelaren met vreselijk lelijke witte betonnen tuinbeelden en fontijnen, wonderpoetsmiddelen, ruitenwissers  en vergulden Boeddha’s. De Vlaamse hal is het leukst, al stinkt het er naar een bejaardentehuis waar sinds 1978 niet meer gelucht is. Er zit een waarzegster die ook magnetisch ingestraalde wonderarmbanden en kettingen verkoopt. De waarzegster eet een broodje braadworst achter haar magische kraam. De meeste standhouders hebben niet eens moeite genomen om hun waar uit te stallen, maar gewoon een grote berg rotzooi op en naast hun kramen gestort. Een ronde dame trekt een barbie met een kaalgeknipt en met merkstift volgekladderd hoofd uit zo’n berg. ‘Jammer,’ zegt ze tegen haar vriendin, aan haar beenkes kon ik zien dat het een echte Barbie is.’  

Buiten, naast het Mercedesbusje waar ze escargots en broodjes braadworst verkopen, staat een man met de gezondheidskussens. ‘Voelen is gratis, kussen 10 euro!’ We voelen. Hij knipoogt als we even hardop overwegen hem stevig te kussen voor dat tientje. Tegenover hem staat een jonge knul met een klein tafeltje vol ambachtelijk snoepgoed in een wolk van chemische geurstoffen. Op zijn uitstalbord staat:  “Greetje, het lekkerste snoepje van de markt!” Greetje zelf is in geen velden of wegen te bekennen.

Ik moet steeds denken aan Jambers. Slimme man; je hoeft in deze contreien niet lang te vissen voor een Vlaams onderbuikverhaal of Fellini-achtige dorpelingen met knotsgekke koppen en een uitzichtloos bestaan op een deprimerende plek.

We keren terug naar Venlo en tevreden en moe beamen we dat het vreselijk en verschrikkelijk was. De zon schijnt, de huizen op de terugweg langs de Hasseltse rijksweg zijn nog prachtiger van lelijkheid dan op de heenweg en alles wat echt mooi is glimt als een stel gave barbie-benen die uit een berg rommel steken.

België. Moet ik eens wat vaker doen.Het is vreselijk verschrikkelijk en toch leuk. (ietsje minder vanwege het verdwijnen van de frietkot)

 

 

De brandende kerstboom en de WC van Adolf Hitler (Of: Gelukkig, het was maar een droom)

Afbeelding

Mijn moeder droomde vroeger rond de kerstdagen steeds weer dezelfde nachtmerrie: Ze wilde met een brandende kerstboom naar buiten rennen om te voorkomen dat ons huis afbrandde, maar haar benen deden het niet en ze kon ook de kerstboom niet loslaten. Au.

Achteraf gezien was dat waarschijnlijk wat men in de Viva, Libelle, Flow en op FeestBoek anno 2013 ‘kerststress’ noemt. Een zeer nutteloze, maar uiterst vervelende paniektoestand in het hoofd die volgend jaar zal prijken in de top 10 van de ‘woord-van-het-jaar-verkiezingen’, naast Zelfredzaamheids Burnout en Pop-Up-Cultuur-Aambeien (#PUCA)

 

Alhoewel je er in je jonge jaren van alles aan probeert te doen om het tegendeel te bewijzen; ik lijk toch op mijn moeder blijkbaar.

 

Want vannacht droomde ik hoe ik achterin een volle zaal zit te kijken naar mijn film Vleeswording en er pas bij de aftiteling achter kom dat ik vergeten ben kleren aan te doen. Ik weet niet of jij wel eens poedelnaakt in een bioscoop hebt gezeten op het moment dat de grote lichten aanfloepen, maar geloof me – het is niet lollig ofzo.

 

In mijn droom probeer ik dus ongezien op te staan en weg te lopen. Stom ik weet het. Maar in mijn dromen ben ik zelden slim of handig. Ik weet niet of jij wel eens ongezien weg bent proberen te lopen uit een volle bioscoopzaal met allemaal bekenden in Venlo,  geloof me – de weg naar de deur is lang. Ongeveer zo lang als naar Rome en dan keer zevenentwintig. 39.960 kilometer om precies te zijn. (Ik kan in mijn dromen wel altijd heel goed rekenen, in mijn echte leven niet.)

 

Als de Keizerin zonder kleren vervolg ik mijn tocht over de Parade. Dan maar alleen mijn pokerface op. Ik moet tenslotte toch naar huis om kleren aan te doen voor de afterparty. Ter hoogte van Take5 zie ik een heel groot gat in de weg – een mogelijke verdwijnoptie waarin ik kan wegkruipen tot iedereen slaapt? Niets is minder waar, want in dat gat blijkt Leon Giessen te zitten, die samen met een Venlose wethouder de badkamer van Hitler opgraaft. De WC-pot staat al op de rand en die wordt opgepoetst door twee Venlopartners om zolang dienst te doen bij een van de leegstaande winkelpanden als pop-up-publieksstruikelaar.

 

Als ik de Floddergats probeer in te glippen, doodmoe inmiddels, doen mijn benen het halverwege plots niet meer. Een gigantische verwarmde rode loper komt als een drakentong op me af rollen. Net voordat ik opgeslokt wordt door het rode tapijt hoor ik de stem van Huub Stapel vlak achter me brommen: ‘Schiet eens op, ik moet naar een première.’Hij is verkleed als anderhalve paardenkop, spreekt met een harde G, maar ik herken Huub in mijn dromen uit duizenden.

 

Gelukkig ging toen de wekker.

 

Nawoord: Ik zette koffie en googlede: ‘de WC van Hitler’.  En warempel, kijk nou: http://www.huffingtonpost.com/2013/02/01/hitlers-toilet-new-jersey-auto-repair-station_n_2592902.html

 

Een uur later sta ik met mijn hoofd tegen de etalageruit gedrukt om mijn Venlose premièrelocatie nog eens te bekijken. Ik denk aan de anderhalve paardenkop-boodschap, de brandende kerstboom, Pastoor Huub, de WC van Hitler en wat nog zoal door je hoofd kan schieten als je met je voorhoofd te lang tegen een koude ruit gedrukt staat.

 

Het is met een sisser afgelopen. Niemand heeft zijn rug verrekt aan het sjouwen van stoelen, of zich een hersenbreuk gedacht, of een participatie-feromoon verspild. En mijn eigen eer is gered want ik heb mijn film ternauwernood weten te redden van een publieke MP4-pixel-dood.

Het leven is wonderbaarlijk allemachtig prachtig, als je achteraf kijkt hoe goed de dingen aflopen en samenlopen. Hoe alles zichzelf oplost en de wereld toch gewoon doordraait daarna.Het is zo jammer dat Jeroen van Merwijk ermee stopt. Hij kan dat als geen ander verwoorden in bijvoorbeeld dit liedje.

 

Niemand vond het ook raar gelukkig dat ik niet in staat was om mijn eigen stoelen, publiek, drank en Blu Ray speler mee te nemen op de fiets. Ook al is het maar 1,5 kilometer fietsen en had ik het beloofd in een overspannen moment van burgerparticipatie.  

 

Dus sorrie  W, R, P, N, M, M2, P, H, V, G en J en S* dat ik jullie voor niets heb uitgenodigd als klapvee. Jullie kunnen gewoon lekker thuisblijven zondag en die Lidl bubbles zelf opkleppen. Ik ben er vantussen, ik zit in Brabant de komende maanden. Een film maken. In Brabant kan dat nog. De mensen bakken er spontaan Bossche Bollen waar we komen en ze dansen de Horlepiep. Hemels. Daar kunnen ze in Venlo nog wat van leren.

 

* Dit zijn de voorletters van de voornamen van mijn genodigden, inclusief de fans. Excuses als ik iemand vergeten ben. 😉

 

De weg naar Plasentia

Afbeelding

 

Aan de kust van Cadiz is wind en beweging. Veel wind en beweging. Een heerlijke onrust van altijd vertrekkende mensen en weer nieuwe mensen. Toeristen, maar ook havenarbeiders die bleven hangen, pensionados, hippies, verloren Zweedse zielen, Colombianen, Cubanen en Chinezen.  Ik schreef lyrisch mijn nieuwe belevingen aan een oude vriend die nog in de bergen woonde. Hij stond 8 uur later voor mijn neus en zei: ‘Ik geloof je niet.’ Ter tegenbewijsvoering. sleurde hem mee langs Bar Luna, de Colombiaanse snackbar om de hoek (de enige snackbar in Europa waar gedanst werd!) trakteerde hem op een kop koffie met liefde en een snufje zeezout bij Bar Vicente en stopte hem vol verse vis onder de TLbuizen in de haven.  Alsof het afgesproken werk was, kwam Julio de Blinde binnen slenteren en barstte uit in flamencosmart. De zon ging onder en mijn pen-vriend  – het koelbloedige schrijverstype dat nooit impressed is – zei: ‘Je hebt belachelijk overdreven, maar ook weer niet.’ Ik had hem gebroken. Nu was hij ook betoverd door deze stad.

We spraken af om een weekje van huis te ruilen: kon hij de stad eens goed proeven en de streek verkennen en ik even tot rust komen in de natuur, na al die herrie en feestelijke drukte. Ik voelde er weinig voor, maar deed het toch. Stiekem wilde ik wel eens weten hoe het kon dat ik er zes jaar over had gedaan om te wennen aan een leven in een bos – en slechts drie dagen om te wennen aan leven in een soort hysterische setting van herrie, feest, muziek en mensen.

Een week later huurde ik een autootje en karde het binnenland in. Het was heel simpel zei mijn vriend nog, bij onze sleuteluitwisseling in Sevilla waar ik twee uur gezocht had naar zijn favoriete Bar Pepe. (aansteller)  ‘Je hoeft alleen maar rechtdoor, op de bochten na.’ Het eerste stuk ging prima. Dus.

Tot ik in een Venta aan de bar bij de lunch gratis een zeer verwarrend reisadvies kreeg van drie boeren. Ze kregen ruzie over de kortste weg naar Plasentia en ik heb naar de grootste schreeuwlelijk geluisterd. Ik nam de weg binnendoor – ‘bij dat gelige huis rechtsaf, kan niet missen.’ Moet je nooit doen natuurlijk. En zo verdwaalde ik in de Extremadura.

Normaal vind ik verdwalen best leuk. Dat had ik van mijn moeder, een beroepsverdwaalster met het oriëntatievermogen van een fruitvlieg. Maar in de Extremadura is verdwalen anders als bij de HEMA of in  Hoog Catharijne. De vlaktes om je heen zijn zo groot en de luchten nog groter, dat je soms kilometers lang denkt dat je een kernoorlog gemist hebt. Dit immense landschap tovert gekke gedachten in je hersenpan.

Rampscenario’s bedenkend en billenknijpend reed ik inmiddels al een dik uur op een C-weg in de extremadura in een piepklein rood huurautootje vol chocolade, boeken en joggingpakken. En ik had het gevoel dat ik voor altijd het grote lege niets inreed of gewoon vermoord zou worden door een psychopaat met een kettingzaag terwijl ik zonder benzine en telefoonbereik door deze woestenij kruip op zoek naar een tankstation.

Don Quichotteriger kan bijna niet, als ik plotsklaps meen een stad te zien opdoemen aan de horizon.

Geen fata morgana, noch stad, maar een gehucht met zo’n 50 huizen rondom een beklinkerd pleintje. Midden in het grote, winderige niets. Opgelucht reed ik het dorpspleintje op, waar – natuurlijk want we zijn in Spanje – twee kroegen waren. Bij de tent met de meest aantrekkelijke vliegengordijnen, dook ik naar binnen. Een stuk of vijf norse koppen staarden me aan. Niemand zei hola terug. Ik was dat gewend uit mijn dorpstijd, dus negeerde de lomperiken en bestelde een broodje en een kop koffie. Aan de kunst bezweken ze meestal zodra ze hoorden dat ik gewoon Spaans sprak met een zachte G. Hier niet. Dit was het echte gehuchtenvolk. De eigenaar pakte de afstandsbedoening en klikte de TV harder –nog harder. Er begon net een stierengevecht.

In de pauze vroeg ik de weg naar Plasentia aan een norskop naast me. Hij veerde op en vertelde me dat zijn vrouw uit Plasentia kwam. De rode lopers en vlaggen gingen uit; de barman schoof me een schaaltje ham van de zaak voor (hij was de schoonbroer uit Plasentia) en zei dat ik niet meer moest gaan rijden op dit tijdstip. De zon ging onder, iemand belde Pepa van Mateo en ik had een kamer voor die nacht. We keken nog een twee samenvattingen van de stierengevechten van Valladolid, we aten aardappels met tomaten en draadjesvlees en dronken smerig zelfgestookt eikelbrouwsel. Het was heerlijk.

De volgende ochtend kon ik mijn reis naar Plasentia voortzetten. Met de oudste dochter van de schoonbroer en haar tante, die van het draadjesvlees, achterin. Tegen de tijd dat iedereen afscheid en instructies uitgewisseld had, alle tassen en taarten en worsten in het kofferbakje waren gepropt, was het bijna lunchtijd. Na een omweg van ongeveer 50 kilometer, omdat we ook nog een neef moesten ophalen die zonder vervoer zat, kwam er schot in. Inclusief de uitgebreide lunch bij Venta de Vier Winden hadden de laatste 200 kilometer me toch een hele dag gekost.

De zon was al bijna onder toen ik arriveerde in het ruilhuisje.

Dus. De weg naar Plasentia was lang. Maar soms is dat lekker. Verdwalen. Als je niet vermoord wordt natuurlijk. Of kleine onvriendelijk ogende stoffige gehuchtjes voorbij rijdt en dan per ongeluk opgaat in het grote lege niets van Don Quichotte.

Vlees verteren doe je zo – mEATing

Afbeelding

Op een niet al te knus industrieterrein te Udenhout bezocht ik vandaag  de #mEATing – een kunstmanifestatie met als titel: ‘’Kill your darlings”. Voor wie zijn vermoeide food-discussie-hersenen een keer een hele andere prikkel van jewelste wil geven, is deze expo een aanrader. Welkom in het paralleluniversum van onze wonderbaarlijke verhouding met VLEES.

In een lege, fel verlichte koelcel, op de vlekkerige vloer ligt een klein roze varkentje met twee hoofden.  Kwetsbaar en verloren – lief bijna. Je wil wegdraaien, maar ook kijken. Omdat het zo onnatuurlijk en zielig is –misvormd en eenzaam. Ik loop weg, het beeld kwetst me .

Op de gang bots ik tegen een jongeman die mij een hapje aanbiedt van een grote schaal. ‘Het zijn de testikels van een schaapje met groene peterseliemayonaise mevrouw.’ Bij het woord testikels – exact bij de tweede lettergreep (ti) had ik al gekauwd en geslikt – de andere helft nog in mijn mond. Dat is een vreemd gevoel: het woord tuimelt langzamer door je besef dan de testikel door je slokdam zakt. En er was ook geen plantenbak in de buurt. Dus ik ben met een halve schapetestikel in mijn handtas van Udenhout naar Venlo gereden vannacht.

Een naakte dame ontwaakt op een slachttafel, laat lapje vallen, kleedt zich aan – zwarte string, witte pyama, witte rubberlaarzen – en steekt met een groot slagersmes in de buik van een levensgroot varken van winegummiebeertjessnoep. Terwijl ze snijdt en hakt, vloeit er rode wijn over slachttafel en vloer. Het lijkt dan opeens een beetje echt – al weetje dat varkens van gummieberensnoep niet kunnen bloeden natuurlijk, of dat dames nooit slachten met witte pyama’s en strings aan. Het publiek mag proeven. Een flinkerik  neemt een slokje van het gummiebeertjesvarkensbloed en probeert neutraal te kijken. Ik probeer neutraal weg te glippen.

Mijn film #vleeswording draait in een prachtige koelcel – ik zou hem zelf uitgezocht kunnen hebben, die koelcel. Op de witte, glimmende wandtegeltjes zie ik Berend Vroom ham snijden met tegelvoegen in zijn gezicht. Ik krijg instant heimwee als ik  ook Manolo en Juan op de tegeltjes zie verschijnen. Een dame naast me hopst een beetje mee met de filmmuziek. Mooi, ik heb nog nooit iemand zien dansen bij mijn films.

Buiten bij de rokers, waar ook meestal de wijndrinkers zijn, vertelt een nette dame enthousiast en plastisch hoe ze op haar begrafenis alle gasten op bloedworst van eigen bloed gaat trakteren. Dacht ik hier te maken te hebben met een Udenhoutse ontsnapte kannibaal – nee. Ze maakte een grapje dat verwees naar een van de kunstwerken die ze zojuist binnen had gezien en waar ze nogal van onder de indruk was.

Als laatste de confrontatie met de naakte grote man van Virgilius Moldovan. Het zijn geen beelden, het zijn daadwerkelijke, bijna fysieke confrontaties, deze grote onplezierige lichamen vol adertjes en huidvlekken, de dood doorschemerend en toch zo levend. De naakte grote man kijkt naar een zwevende schijf boterhammenworst zo groot als een auto. Tien meter verderop hangen XL geslachte koeien van knuffelbaar stof uit te bloeden. Hun textiele ingewanden op de vloer. In deze hal zou ik wel een weekje willen vertoeven.

Weer een jongeman met zilveren dienblad; donkerbruine vierkantjes deze keer. Ik denk meteen enge bloedworst, zwarte schapenballen en ander onfris vleeswaar, maar het blijken heerlijke Italiaanse fondantachtig chocoladedroompjes met een toefje roomijs. ‘Pas op, het bolletje valt er altijd af!’ Italianen hebben altijd gelijk. Maar ach, een bolletje roomijs op je laars valt helemaal niet op hier, dus ik doe net of het zo hoort.

Het is misschien allemaal wat overweldigend voor een vrijdagavond na een zware week. Maar ik ga zeker nog eens kijken – de mEATing moet je in delen doen; vlees verteerd traag – net als testikels in slokdarmen.

Meating dus. Udenhout 1 – 30 november. Energieweg 30.

Deelnemende kunstenaars: Joep van Lieshout, Tinkebell, Arne Hendriks, John O’Shea, Sascha Landshoff, Moritz Ebinger, Startel, Ruangsak Anuwatwimon, Sonja Bäumel, Jak Beemsterboer, Eric Jan van de Geer, Sjim Hendrix, Jan van IJken, Fardou Keuning, Anna Lange, Virgilius Moldovan, Tanja Nabben, Jet Nijkamp, Marleen Oud, Marianne Peijnenburg, Annika Sakic, Tineke Schuurmans, Ajla Steinvåg, Andrea Stultiens, Tomm Velthuis, Hugo Palmar, Bert Frings.

de Bottom- en de Upwereld – clash of civilisations #2

AfbeeldingEen collega uit Nijmegen zette vanochtend dit bericht op Facebook:

 

“Waar gebeurd vandaag. Bijzondere bijstand aanvragen, zodat een mevrouw eindelijk een bed kan kopen. Zegt dame van bureau inkomensondersteuning…”als ze al tien jaar op de bank slaapt zoals u zegt, waarom heeft ze dan een bed nodig?”

 

Van dit soort berichten ga ik janken. Dit geeft in een notendop weer hoe groot de kloof kan zijn tussen de echte wereld en de papieren natte droom van onze top-ambtenaren en hun wijze adviseurs die zelfsturende burgers willen boetseren. Blijkbaar wordt die kracht aan de onderkant, achter de balie of tijdens een lastig intakegesprek, al in de oorsprong verkracht. Weten de beleidsmakers en beslissers eigenlijk wel hoe cru er vaak omgegaan wordt met mensen die het moeilijk hebben? Ik ben bang van niet.

 

Met argwaan zie ik al jaren in de media de juichberichten en hijgrapporten voorbij komen over ontzettend zinvolle achter-de-deur-communicatie-modellen bij de mensen van de bottom. Want die kunnen soms hun huren niet betalen en hebben misschien wel een rollator met veel te luxe rubberbandjes in hun schuur staan, of een losgeslagen inwonende zoon die zich voordoet als mantelzorger, maar eigenlijk in het diepste geheim een wietplantage op de badkamer van zijn door een herseninfarct getroffen moeder exploiteert, vechthonden fokt in de schuur van zijn blinde buurvrouw, of gewoon echt elke dag een uur in de weer is met het zwachtelen van ma’s oedeembenen. Je hebt goed getrainde mensen nodig om deze bottom-bewoners op de juiste wijze in het juiste rapport te stoppen. Want alleen dan – zeggen de bottom-up-deskundigen van ons land – kun je ze begeleiden naar een meer zelfregisserend leven, co-creatieve wijk-activiteiten, goed buurmanschap enzo.

 

Een van de meest misbruikte en verkeerd geïnterpreteerde begrippen die erg in zwang is geraakt bij o.a. ambtenaren vind ik dus “Bottom Up”.  ‘’De echte beweging moet van onderuit komen!” Roept beleidsmaker, hoogleraar, afdelingshoofd of manager. Klein detail: zelf hebben de top-down-denkers die ‘bottom-up’ prediken, meestal weinig met de ‘bottom’.  Want als bottom-up filmer, en verhalenmaker met een bottom-bottom-jeugd, wonende in een (heel gezellige) bottombuurt, weet ik als geen ander dat dezelfde mannen en vrouwen die vanuit de top onze bottom moeten gaan prikkelen, mediaten of consulten om meer autonomie, zelfregie en  (jawel) zelfs burgerlijk geluk en maatschappelijk verantwoord gedrag te genereren, ’s avonds in hun mooie Volvo naar hun vrijstaande villa in up-land zoefen.  En met een grote bocht de bottom-buurt omzeilen, hun zeilende tieners en culinair getalenteerde kleuters krampachtig weghouden van de bottom-scholen (voor de Zwarte Piet discussie nog zwarte scholen genaamd) en de knutselclubs in het ordinaire buurthuis.

 

Bottom-up bestaat niet. Tenminste niet zolang de bottom behandeld wordt door de up, alsof het een prachtig innovatief sociologisch experiment betreft. Er  is een parallelwereld ontstaan die voornamelijk bestaat uit woorden, rapporten, onderzoeken en systemen. Er gaan miljoenen om in het onderzoeken naar de wijze waarop de ‘upwereld’ de bottomwereld moet leren begrijpen (en betreden) zonder dat er volksopstanden of andere vervelende wrijving ontstaat die klauwen vol geld kosten.  Heisessies, trainingen, adviestrajecten, postacademische masterclasses – De bottom is de nieuwe markt, de gewone mensen zijn hot!  Hun problemen worden omgetoverd tot uitdagingen, hun positie in de maatschappij gedegradeerd tot een ordinaire kostenpost. Jawel, de bottom-mensen mogen zelfs participeren (als ze een goed voorbeeld zijn) in de  ‘upwereld’    de wereld waar mensen ruim voldoende geld verdienen om zich 100% aan diezelfde ‘bottom’ te kunnen onttrekken – behalve als het binnen werktijd valt. Nederland formatland – ooit een land van vrijdenkers – schiet weer onelegant terug in de kramp van verzuiling en maatschappelijke stigmatisering.

 

Ik werk en leef in beide werelden en zie steeds meer up-land-bewoners die (emotioneel of spiritueel geraakt door de crisis?) vastberaden hun carrière omgooien om de bottom-up-mensen te leren begrijpen, adviseren, sturen, interpreteren of onderzoeken. (Maar zelden financieren trouwens – hoe zou dat eigenijk komen?) De visie en denkwijze die heerst, leidt tot een compleet nieuwe markt in deze crisis: Want wie wil nu niet vet betalen voor DE oplossing waarmee je de bottom rustig en economisch stabiel kunt houden?

 

De up-elite zou in theorie dus de hele transitie van maatschappelijk Nederland moeten runnen en in goede banen leiden, maar dat is natuurlijk een hele ouderwetse en typisch manier van veranderen zonder te veranderen. Al is ‘top-down’  inmiddels een vieze term geworden en helemaal niet meer hip in de up-wereld, het is wel nog de enige term die recht doet aan het gedrag van onze nieuwe generaties up-veranderaars.

 

In mijn film Droomwijk in 2008 vroeg ik een destijds naar verandering snakkende wethouder wat het doel was van de destijds al in Venlo ingevoerde ‘achter-de-deur-gesprekken’ bij mensen die moeite hadden met het feit dat hun wijk werd afgebroken en dat ze werden verkast naar een ander stadsdeel. Zijn antwoord was vrij duidelijk: “Sommige mensen moet je dwingen om gelukkig te maken.”

 

Ga ik even terug naar de ambtenaar die zich afvroeg waarom mevrouw de bottom-burger niet gewoon op de bank kon blijven slapen. Ik zou deze ambtenaar graag eens een dagje meenemen op een heisessie. Als schaap wel te verstaan – en haar een heel droog grasveld laten opkauwen. Mag ze daarna een maandje ‘couchsurfen’ op mijn goedkope Ikea-bank.

 

Misschien wel een idee: Een Couch-Surf-project met alleen Uplanders en bottomlanders. Mag meneer Rabobank of meneer ambtenaar een weekje bij mij of de buurvrouw op de bank, en wij vice versa een weekje op de Breuer designsofa van meneer ambtenaar.  

 

(Met dank aan Louis de Mast – die mij vanochtend met zijn FB-bericht tot deze kleine kortsluiting triggerde)

Sintermerte en het Sinterklaassyndroom

Afbeelding

 

Sintermerte en Sinterklaassyndroom

Jawel. Ook ik heb een Sinterklaas-syndroom. Ik ben er nooit mee naar een psycholoog geweest en herinner me slechts fragmenten. Zoals een lange witte baard met het gezicht van de buurvrouw, pepernoten in mijn gezicht terwijl mijn oudere broer riep dat het ome Sjaak was. Mijn moeder die me een cadeautje gaf dat ik meteen af moest geven aan kinderen die geen Sinterklaas vierden. Ik herinner me dit laatste pedagogische geintje als zwaar traumatisch; dat ik een bestwel leuke nep-barbiepop moest afgeven aan een zielig kind dat ik niet eens kende. Want als kind van zes ben je gewoon hebberig en rond Sinterklaas nog hebberiger. Ik herinner me de verboden lade in mijn ouders slaapkamer waarin de cadeautjes vanaf oktober werden opgespaard en mijn broer die me uitlegde dat achterin de zachte pakjes met Hema-handschoenen en zelfgebreide shawls waren en dat dit eigenlijk dus geen cadeaus waren, maar meer opvulling.

Ik was dus niet zo dol op Sinterklaas. Niet dat het niet gezellig was, maar omdat ik het nut er nooit echt van begreep.  Wie kocht nu wat en waarom deed iedereen alsof het niet onze hond was die de wortel uit mijn schoen vrat elke avond. Ik had al drie afgeknaagde exemplaren terug gevonden in zijn mand, Het aller ergste van Sinterklaas vond ik dat we de eerstvolgende schooldag na pakjesavond elk 1 cadeautje mee moesten nemen naar de klas in het kringgesprek. Er kwamen kinderen met complete Plamobile kastelen of een nieuwe fiets. En er kwamen ook kinderen met niks. Mijn Griekse vriend Teo bijvoorbeeld. Die hoefde ook niks te vertellen. Geen cadeau, geen verhaal. Dat vond ik vreselijk. Begreep ik meteen in een klap wel die Barbie-actie van mijn moeder. Mooi mens, mooier dan Sinterklaas in die tijd.

Sint Maarten vond ik wel heel tof. In Venlo noemen we hem Sintermerte, we lopen met fakkels en lampionnen, stoken heel grote vuren en we zingen keihard dat hij een rood-wit-vogeltje heeft. Veel opwindender dan Sinterklaas. Korte en krachtige feesten, ik hield er toen al van. Ik had meestal de mooiste lampion, want mijn oom Sef die kunstenaar was, hielp me met de lampjes terwijl mam de loodzware batterijen in mijn jasje naaide. Dat was erg high tech in die tijd – met lampen lopen zonder verlengsnoer.  En ook Teo liep mee met zijn lampion, een beetje ongemakkelijk in zijn zondagje pak dat hij van zijn moeder aan moest.

Het licht van alle lampionnen, de lange kinderoptocht naar het vuur op het plein en dan als hoogtepunt een soepel paardrijdende Sint Maarten die zwierig zijn mantel in tweeën scheurde, om een helft aan een arme sloeber te geven. En wij die keihard zongen: ‘Sintermertes Veugelke – Haet ein roëd-wit-keugelke-en-heaeaeaeat ein blauw stertje, van zien Hoepsa Sintermerte.’

Al begreep ik geen snars van dat lied, ik zong het altijd met een brok in de keel mee en rende nog weken lang met mijn ‘wierkspot’ (voor niet Limburgers: een blik met hete kooltjes aan een ijzerdraad en een lapje, dat je door de lucht slingerde om het vuur aan te wakkeren) door de straat, omdat ik met de geur en het gevoel van Sintermerte wilde vasthouden.

Als er dan toch Gesint moet worden in Nederland en we er –zoals het er naar uiziet- nog lang niet uit zijn met deze ontzettende discussie, dan stel ik voor dat we Sintermerte als  interim-Sinterklaas vragen. Hij is een Goed Man, ook Heilig en het scheelt een vermogen, zonder al die knechten en paarden, jute zakken, wortels en dakdekkers.  

Op de 11e van de 11e is het weer zover. Dan wordt niet alleen officieel de ‘Vastelaovend’ ingeluid, maar vieren alle kinderen (ja – in alle kleuren en soorten) Sintermerte. Een spreekwoord in het Venloos luidt: As de kinder Sintermertes Veugelke zinge, make de verkes eur testament

 

(Als de kinderen een Sint-Maarten liedje zingen, dan schrijven varkens hun testament). Varkens werden traditioneel geslacht vanaf 11 november.

Mooi toch.

Ik nodig alle niet-Limburgers uit om 11 november aanstaande hart en handen te komen warmen aan ons Heidense vreugdevuur.

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.