Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

Luchtpost

 

images

Een brief van overzee leest altijd anders dan een ordinaire mail van de om de hoek. Mijn moeder stuurde me in Spanje altijd lichtblauwe luchtpostbrieven. NIet dat het nodig was, maar ze vond het mooi. Net als ik, hield ze van de romantiek van Juan de postbode die helemaal naar de stad moest rijden voor haar brief, mij dan op zijn brommer of ezel kwam uitnodigen in het postkantoortje van zijn moeder, waar die blauwe brief lag. Juans moeder die mij vervolgens vroeg om haar de brief voor te lezen al verstond ze er niks van.

Een blauwe luchtpostbrief was als een geschenkje uit de lucht, een cadeautje van een plek waar ik me soms heel ver vandaan voelde. En niet alleen voor mij, ook Juan, zijn oude moeder en de vrouw van de bakker hadden een goeie dag als ik een blauwe enveloppe kreeg.

De kleine bolle letters, die naarmate de brief vorderde minder witruimte kregen in de breedte en van het papier afglipten op het einde van de te lange zinnen. Het knisperende papier als je de envelop voorzichtig openvouwde. Soms meende ik zelfs de geur van mijn ouders huis in het papier te ontwaren. Er zat een zekere tederheid in een luchtpostbrief.

De onderwerpen waren koetjes, kalfjes, soms een geboorte, een dode en meestal eindigend met ”het gaat hier zijn gangetje”. Er waren geen diepe analyses, geen vragen, maar een volledig gedetailleerde omschrijving van de verzamelde levens van mijn zussen, broer, ouders, buren, kleinkinderen of soms zelf mensen die ik niet eens meer kende.

Zo’n brief was mijn substituut voor het normale familieleven dat ik in de afgelegen bergen niet leefde. Zo’n brief waren 30 kopjes koffie met mijn moeder aan de keukentafel, 15 ritjes van Venlo naar Blerick. 100 diepe zuchten. 15 zachte zoenen op mijn wang als ik weer wegging. 15 kopjes soep. 15 x ben je wel voorzichtig?

De mooie blauwe ogen –dezelfde kleur als het luchtpostpapier – en de kleine oude hand van Catalina als ze met een plechtig gebaar de brief voor me neerlegde. Cuentame! Zei ze, terwijl ze twee kopjes cola-cao maakte en het vel van de melk voor me eraf roerde. En ik las voor, in het Nederlands, over hoe mijn moeders leven haar gangetje ging, inclusief geboortes, af en toe een dode en een oninteressant verhaal over iemand die ik niet meer kende.

Al verstond Catalina er niks van, ze pinkte altijd een traantje weg tegen het einde.

Als ik wegging gaf ze me twee zachte zoenen op mijn linkerwang.

En zo keerde ik terug naar onze vallei, met een blauwe brief vol tranen en een onbestemd gevoel dat tussen heimwee en weemoed hing.

We digitaliseren. En dat is mooi, maar nu ik een oude luchtpostbrief van mijn moeder in mijn handen heb, voel ik weer dat onbestemde: tussen heimwee en weemoed. Mijn moeder en ik. Samen waren we de allerlaatste luchtpostpenvriendinnen.

 

Just a normal day?

Unknown

Buiten is alles normaal. Fietsers fietsen, vrachtwagens lossen, een hond pist tegen het bord van de Jumbo. Just a normal day.

ME busjes. Knuppels. Ik kruis mijn blik met een man met een oortje in en een kogelvrij vest aan – niet onaantrekkelijk kaal – net als in de film. Opgefokte jeugd met telefoontjes, heel opvallend en toch ongezien – lopen zich vast in een oploopje. Verdwijnen tussen schouders en capuchons. Stemmen vol adrenaline, bleke, boze gezichten van mannen, ooms, neven, buren. Bloemen op straat. Alweer opwaaiend cellofaan. Een huilende vrouw. Waar hij lag. Met een opgetrokken knie. Te jong en te dood. Boosheid, verdriet, begrijpelijk maar beangstigend. Een groepje agenten trekt een sprint naar een onzichtbare finish om de hoek. Omroepbusje, twee nerveuze cameramannen met een veel te zwaar statief.

Twee straten verderop. Uitgestorven. Mijn vader luistert radio. De kranten op tafel, een halve kop thee. De hond slaapt, hij lijkt wel dood, maar ik durf niks te zeggen. Hij hoort me denken en zegt: ”17 jaar en 4 maanden is hij nu.” Een hond van de dag. De hond zucht diep en ademt uit met een rochel. Apneu misschien. Opluchting. Niet vandaag aub.

”Ik ga de hond uitlaten, dat beest moet pissen.”

” Zal ik even meelopen?”

”Nee gek, ze zijn nu wel klaar met schieten.”

”Ga je niet te ver?”

”Nee kind.”

Ik blijf achter met het nieuws op de radio en volg mijn vader en hond vanachter de vitrages. Onrust in Blerick, daders voortvluchtig, bewoners boos, na de reclame. Ik pak mijn camera en film mijn vader die helemaal alleen over de verder lege straat slentert, in gedachten verzonken.

”Ben je niet bang?” vraag ik als hij terug is.

”Als mijn tijd gekomen is, dan is dat zo. Ik ben niet bang. En ik zeg nog steeds iedereen in de buurt hallo. Of ze dat nu gek vinden of niet. Kijk je wel uit op de terugweg kind?”Hij legt een oude beddensprei over mijn camera die op de bijrijdersstoel ligt.

”Je moet die auto eens wassen en uitmesten, wat een puinhoop kind. Ben voorzichtig.”

”Jij ook pa.”

Ik beloof beter tegen beter weten in. We lachen. We zoenen. Ik toeter, hij zwaait. Ik rij. Met een hele grote boog (van een kilometer of twaalf) om de realiteit en de boosheid heen. Ik wandel, ik winkel, ik werk, steek een kaars aan, maak spaghetti carbonara, ik bel met vrienden, drink een borrel, kijk het nieuws, draai Lou Reed.

Maar het helpt niet.

Ik pak een boek. Een grappig boek. En val na de titel uitgeput in slaap op de bank. Ergens tussen ontwaken en echt wakker worden zie ik door mijn vitrage de wereld die een fractie donkerder lijkt dan gisteren rond deze tijd. Mijn kaars brandt nog. Mijn ogen moeten nog wennen aan het nieuwe donker. Voorzichtig tast ik mijn verse herinneringen af op de valreep van de zonsopgang.

Buiten fietsen fietsers. Een vrachtwagen lost zijn vracht, bovenbuur klettert een ochtendplas. Aarzelend omarm ik deze dag. Just a normal day

 

Loslaatrotsdag

 

blerick

In Cartjima was de dood dagelijkse kost. Al was het maar omdat het kleine, verhoogde bergkerkhof pal aan de ingang van het dorp lag. Elke dag zaten de dorpsoudsten op de grote rotsblok tegenover het kerkhofje elkaar en zichzelf op te warmen met herinneringen en roddels.

‘’Heb je gezien dat Maria bloemen bij Paco op het graf heeft gelegd gisteravond? Ze heeft wel lef.  Vertel het maar niet tegen Pepa!” De vetes, de familieruzies, de liefdesaffaires en roddels; als je dood was in Cartajima, leefde je nog jaren voort in de scherpe tongen van de roddelaars op de rots. Dat had wel iets geruststellends.

Het hoort erbij, die vervelende dood. En het went nooit. Mijn familie lijkt er de laatste jaren Airmiles voor te krijgen.

Ingeklemd tussen een jongen met te veel Axe en een meisje met een roze nepbontkraag dat al vanaf Helmond afscheid probeert te nemen van haar vriendje aan de telefoon, teleporteer ik mezelf tussen Eindhoven en Venlo op de rots van Cartajima met Blas en de twee Juans.

Op de rots werd nooit gehuild. We roddelden al onze tranen weg. En als iemand over die onzichtbare grens van venijn sprak, dan riepen de anderen: Over de doden niets dan goeds!

Als ik mijn ogen open, is de trein bijna leeg en rolt mijn eindbestemming, het station van Blerick binnen en ik ben blij dat ik niet met de auto ben gegaan vandaag.

Ik moet aan het werk, een interview filmen op oud, bekend terrein voor mijn nieuwe docu Tegenpolen in Blerick. Als ik de voetgangerstunnel uit loop, zoeken mijn ogen tegen beter weten in naar het grimmige welkom van de afwijzende koppen van de twee Juans en Blas. Geen rots in Blerick.

Herinneringen als regenplassen ontwijkend, laveer ik richting de straten van mijn jeugd. Hoofd op focus, geest op scherp, rugpijn en weemoed in de rugzak naast mijn camera. Aan de overkant steekt een oude man joviaal zijn hand op. Ik herken hem niet, maar hij heet vast Juan, Juan, of Blas.

Vandaag is mijn interviewthema loslaten. Van rotsen. Van mensen. Van oude levens. Komt dat even mooi uit.

 

 

 

De stiltecoupé

nightrain home

foto: Tanja Nabben

Ik zit in de stiltecoupé en denk na over dit fenomeen. Met mijn klas oud-studenten uit Japan en Korea heb ik wel eens een rel veroorzaakt in een stiltecoupé, omdat iemand me sssst-end belette de studenten uit te leggen wat de bedoeling was van de stiltecoupé. Tja leg dat maar eens uit op een eerste fieldtrip ‘Dutch culture – public transport’.

Soms moet je in een stiltecoupe gaan zitten omdat je geen keuze hebt. Tenzij je het lekker vindt om met je scheenbeen tegen een hippe vouwfiets te zitten en uit te kijken op een houthakkersblouse en afzakkontbroek terwijl je nieuwe nette broek zich volzuigt met het warm geworden kauwgumpje van het pubertje dat geen zin had om het naar rotte bananen stinkende, overvolle prullenbakje aan te raken.

Ik vind stilte en plakkerige viezigheid niet bij elkaar passen. Dat is zoiets als ‘niet sptteren’ op een publiek urinoir schrijven en dan boos worden op de dronken kerels die naast dat kleine potje pissen. NS is tegen het einde van de spitsuren een soort rijdend publiek toilet, dus die stilte is vechten tegen gespetter na een vat bier.

In de stiltecoupé is het een ietsiepietsie schoner dan in andere coupé’s. En er zitten meestal wat meer zuurpruimen. Van die interessante boekenlezers die thuis geen tijd en puf hebben om te lezen. De Sssss-t roepers. De 1e klas-gedegradeerden, de protocollen-gelovigen. Niet dat ik van herrie hou, juist verre van dat, maar bevind ik me in zo’n naar scholierenzweet-rotte bananen-verwelkte-krantjes-en-gesmolten-kauwgum lucht van een NS veewagon met een 70 decibel aircoblazer boven mijn hoofd, dan kan ik er best nog een bak herrie bij verdragen.

Een ssssstilte coupe in en rond Amsterdam is een onmogelijke utopiaanse poging tot civilisatie in een niet geciviliseerde omgeving. En Amsterdammers zijn bovendien van nature luidruchtig, zelfs als ze zelf van mening zijn dat ze stil zijn. Limburgers die een dagje op stap naar Amsterdam gaan trouwens ook. De opwinding van de reizende mens in een plakkerige afgeragde wagon, zal het altijd blijven winnen van de Sssss-t roepers.

In treinen hoor je flarden van andermans levens. Ik hou ervan. Gluren met mijn ogen dicht. Ik vind het op zichzelf al een amusant fenomeen dat mensen in bijzijn van volslagen vreemden een luidruchtige duik in hun privéleven durven nemen. Een man die tegen zijn vrouw klaagt over dat hij alweer moest overwerken. Een zoon die aan zijn zusje vraagt wat mam heeft gekookt en dan z’n mattie belt om bij de pizzeria af te spreken. Een meisje dat verliefd is en giechelend ‘I missed you too’ fluistert. Ik hou van flarden van andermans gesprekken in treinen.

En met ogen open: De meisjes met lange witte benen in te korte broeken die ongemakkelijk zitten op warme dagen in volle treinen. En het pruilende jongetje met zijn vermoeide moeder die nog lang niet terug naar Limburg wil. Het Japanse stelletje dat hun bedeesde verliefdheid in blauw en fuchsia haar en serene glimlachjes laat dansen in het stoffige avondlicht door de vuil-gele ramen.

We rollen een station binnen. Het is avond.

Als ik de broeiende avondlucht instap, lijkt de stad en mijn ziel in het staartje  van ‘9th & Hennepin’ van Tom Waits te zijn geschoten.

Het is lekker. Bedank NS voor de inspirerende stille tochten die ik met jullie mag maken.

 

They all started out with bad directions

And the girl behind the counter has a tattooed tear

One for every year he’s away she said, such

A crumbling beauty, but there’s

Nothing wrong with her that

$100 won’t fix, she has that razor sadness

That only gets worse

With the clang and the thunder of the

Southern Pacific going by

As the clock ticks out like a dripping faucet

Till you’re full of rag water and bitters and blue ruin

And you spill out

Over the side to anyone who’ll listen

And I’ve seen it

All through the yellow windows

Of the evening train

 

 

Idiopatische wereld

Eva’s apple

‘Heddeguh-ut-werrem-ofzo?’ zegt een dame die naast me haar fiets parkeert. Oh ja, ik woon in Brabant. Ik kijk haar alleen maar aan, want het zweet druipt als een mini-Niagara over mijn voorhoofd, negeert mijn wenkbrauwen en spat uiteen op mijn zwarte fietsentas, via een bocht over mijn kin. Het is buiten 37C, ik heb een opvlieger die ergens gisteravond begonnen is en niet meer opgehouden. In het land der opvliegers ben ik ronduit ervarings-specialist geworden. Enkele jaren geleden vertelde mijn dermatoloog namelijk dat ik idiopatische hyperhidrosis heb. Ja, zoek dat maar eens op. Het verklaarde waarom ik sinds mijn 10e met een eeuwige zweetsnor en een nat voorhoofd rondliep en ik me later op de boerderij zo lichamelijk lekker voelde, ondanks de Andalusische zinderende zonne-uren. (Want op een boerderij mag je ongegeneerd zweten als een rund en als je zweet tussen de mensen, dan wapper je met je waaier en roep je van olé, que calor..

Ik heb het ooit aan een goeie vriend verteld, die mij vervolgens verklapte dat hij niet kon zweten. Hij was inderdaad een heel droog type, helaas veel te vroeg er tussenuit gepiept. Ik weet niet of er een verband is, maar sindsdien neig ik mezelf wijs te maken, dat zweten gezond is. Ik hoef nooit naar de sauna, ik draag altijd een sauna met me mee – instant. Gratis. No sweat-pants for me dus.

Zelf noem ik het liever de gekke zweetziekte, niet te verwarren met de Engelse Zweetziekte. Behalve de Gekke Zweetziekte heb ik ook een aangeboren huidziekte, waarvoor ik soms medicijnen gebruik waarmee ik niet in de zon mag. Ach, ik blog nooit over mijn lichamelijke kwalen, maar nu ik toch tot in de poriën ga, moet ik ook een complete beeld neerzetten.

Tijdens een hittegolf moet ik dus niet naar buiten, want dan loop ik leeg en voel ik me op het einde van een fietstochtje of een rondje airco-supermarkt als een stuk beef jerkey dat in een open verpakking te lang in het keukenkastje heeft gelegen.

Ik loop er niet te koop mee, maar soms voel ik de druk om het uit te leggen. ‘Wat zit dat mens nu te zweten?’ ‘Gaat het mevrouw?’ Bij vliegvelden bijvoorbeeld is het vreselijk. Krijg ik een aanval terwijl ik in de rij bij de douane sta, word ik steevast door een besnorde mevrouw of meneer uit de rij getrokken en tot nadere lichamelijke visitatie onderworpen en duikt er iemand met glanzende oogjes achter het röntgenscherm in de hoop een kilo drugs of een reusachtige partij neushoorn aan te treffen. Ik neem dus ook nooit pikante zaken mee in mijn koffer en ben altijd het dunst gekleed van de hele rij op vliegvelden.

Twee zomers geleden moest ik voor een TV serie naar Dubai en Abu-Dhabi. Ik herinner me die trip als een natte droom; ik was een wandelende oase.

De foto van de vrouw op het strand in Frankrijk, die zich moest ontkleden van de politie, greep me om verschillende redenen naar mijn strot. Als ik een strand bezoek dan lig ik ook met een doek over mijn hoofd en volledig bedekt namelijk. Niet omdat ik moslima ben, maar omdat ik anders als een lopende plas water met rode bulten de dag moet zien door te komen. En geloof me, dat is lastig op een Grieks strand of tussen de zwarte vulkaankorrels op La Gomera.

Ik ga dus zelden naar een strand in de zomerhitte. Omdat ik het geen reet aan vind om mijn kekke lijfje te verstoppen achter H&M doeken, terwijl ik overal om me heen moet kijken naar bobbelbillen met reetveters, kreeftrode schouderbladen met mee-eters, en ander visueel ongemak. Mocht iemand mij op het strand aantreffen, dat is dat net als vorige zomer, omdat ik mijn mannen een lol wil doen. Ik lees een boek of drie onder de parasol en volledig gesluierd en probeer de blik van mijn buurvrouw met aangeschroeide roodharige kindertjes en dito man te negeren. Ze vinden het gek dat ik hier ingepakt lig, kijken tersluiks naar mijn multiculturele respectievelijk geel-bruin en mokka-bruin gekleurde samengestelde gezin dat in de branding met een balletje speelt. ‘Ze mag vast niet zwemmen of bloot’ van d’er man’, hoor ik haar denken. ‘s Avonds toen zij met haar jengelende verschroeide grut en dito man naast ons in een restaurantje zat, bleek ze van Duitse bloede: ‘Guck mal, der Auslander hat zwei Frauen mit.’

Nu terug naar die foto. Ben ik blij dat we vorig jaar naar Griekenland gingen, ondanks dat het een beetje knaagde vanwege de vluchtelingen die aan de andere kant van het eiland maar bleven aanspoelen. De politie had zijn handen vol hier en van een bedekkings-verbod hadden de Grieken nog nooit gehoord. Ik kon dus lekker los met alle kleuren burkini’s en doeken die ik mee had genomen, zeven dagen lang. In Frankrijk had ik zo dus niet mogen recreëren. Zoals ook niet die meneer met die huidziekte, die dame die even voor het avondeten een kwartiertje naar de golven wil staren met haar kleren aan, de nonnetjes die hier pootje baden, of mijn buurvrouw die net haar zevende chemokuur achter de rug heeft. En ik.

Ik heb besloten dat ik een geplastificeerde kaart ga maken waarop mijn arts verklaart waarom ik wel (of niet) gekleed/bedekt ben. En dat het heel normaal is dat ik zweet/van kleur verander. (voor de douane). In vier talen. En op mijn donorcodicil laat ik opnemen: ALLES, behalve mijn gelaatsporiën!

Er zijn aanwijzingen dat de prikkel om te zweten ontstaat door een overactief zenuwstelsel waardoor er vanuit de hersenen een verkeerd signaal gestuurd wordt naar de zweetklieren. Ik zie het maar als een compliment van Moeder Natuur. Dat mijn hersenen verkeerde prikkels sturen naar mijn zweetklieren, is beter dan andersom denk ik dan maar. Dat ik zweet maar niet gek ben bedoel ik. 😉

Vive la liberté des nos pores!

Alle dingen met een A

 

10958726_499563703515910_7122651598902611824_n (1)

 

 

De A van alles dat gewoon doorgaat

Het was Aswoensdag. Mijn zusje Astrid was niet meer. Ik had haar zojuist in de lange lijkenwagen zien wegrijden. Een grote leegte maakte zich van mij meester. De familie druppelde in een grijze waas, net als de regen, terug naar hun auto’s, flats en gebroken levens.

Ze wilde iets heel eenvoudigs. Dat was gelukt. Mijn zus was altijd een beetje aan de luie kant geweest als het om haar eigen feestjes ging. Wel veel wierook. Mijn vader had het hele pakje wierook dat bij haar kist lag, in een keer aangestoken. Amber. Onze ogen traanden toch al. ‘Die penetrante geur, weet U, daar houden niet alle mensen van.’ De begrafenisondernemer vond het geen goed idee, want het was een drukke dag vandaag. Astrid zou zich niets hebben aangetrokken van de gevoelige neuzen van de volgende stoet rouwenden. Ik hoorde haar zeggen: Hoezo, ik betaal toch godverdomme voor die zaal? Het was haar feestje. Haar Aswoensdag.

Thuis werd ik bedolven onder de grijze stilte. Ik snakte naar mensen, vreemde mensen, buitenlucht. Iets troostends. Ik pakte de auto en reed naar de binnenstad waar de schoonmaakwagens de laatste restjes vasteloavend weg poetsten. Uit de kerk kwam een klein groepje vrouwen met een askruisje op het voorhoofd. Hun mollige lichamen deinden stevig gearmd voor me uit, in hun benen nog de kadans van vier dagen feest. Ik kende dat gevoel. Zwaar en heerlijk.

Ik slenterde de Martinuskerk binnen. Sinds mijn kinderjaren niet meer geweest. Een vage geur van wierook en boenwas. Amber-achtig, maar toch te veel Mirre voor mijn zus. De kerk was leeg, op een oude vrouw na, die geknield op de tweede bank bij het gangpad zat. Het was vastendag, maar ik vermoedde dat iedereen was eten. De carillonist had vrij vandaag. Ook geen klokken. Ik haalde geen askruisje, want veertig dagen vasten was ik niet van plan. De oude dame stond op en liep naar pastoor die murmelde: “Gedenk, mens, dat je stof bent en tot stof zult wederkeren”

(in het Latijn“”Memento, homo, quod pulvis es, et in pulverem reverteris”)

Ik hoefde daar vandaag door niemand aan herinnerd te worden.

De oude vrouw liep met gebogen hoofd de kerk uit. Ze had het deinen, net als ik, dit jaar duidelijk overgeslagen: haar tred was stram en stil.

In mij deinde er ook niets. Mijn binnenste was zo stil als de verlaten parkeergarage waar ik even later in mijn auto ging zitten. In de kraag van mijn winterjas rook ik een vleug amber. Thuis had ik nog een flesje Apfelcorn in de diepvries liggen. Ik lustte het niet, maar Astrid wel – ze werd er altijd zo gezellig van.

Astrid, Aswoensdag. Amber. As. Apfelcorn. De A van alles dat gewoon doorgaat. Afgelopen. Absurd.

 

Hemingway in de Action

Afbeelding

In mijn nieuwe straatje staat een gedicht op de muur van Daan Doesborgh. De woorden raakten me nu pas, alhoewel ik er al honderden keren voorbij moet zijn gelopen. Daan moet piepjong zijn geweest toen hij het geschreven heeft, want de kleuren en mijn herinnering aan Daans gezicht zijn beiden al een tikje vervaagd.

Ook de naam van de kroeg waar ik straks tegenover woon raakt me opeens: Hemingway. Ik was al eens eerder in een vlaag van romantiek beland in een stad waar Hemingway prominent aanwezig was en gedichten van Rilke me op de been hielden. Hier 2.500 kilometer vandaan. In deze kroeg had ik mijn rijbewijs ooit in twee carnavals bij elkaar getapt en talloze keren geluncht met collega’s in de tijd dat ik nog talloze keren lunchte met talloze collega’s (ooit voor de crisis).

Het leven herhaalt zich in golfjes van herinnering en weemoed vandaag. En ik fluister zacht: Hallo Venlo, ik ben terug, ken je me nog?

Mijn nieuwe huisje is niet groot, maar maakt niks. Ruimte zit opeens in mijn borstkas en hoofd, ik tel vierkante meters vandaag heel anders dan gisteren. Ik tel al sinds dagen in horizonten.

Ik ontdek twee grote lantaarns naast mijn toekomstige ramen en zie dat het Italiaanse restaurantje waar ik straks boven ga wonen een Spaanse naam draagt. Ook weer een prachtig woordelijk toeval dat een nieuw lusje maakt in mijn herinnering. Wat een geluk toch weer, om straks tegen bezoek van verre te kunnen zeggen: Daarginds, bij Ernest Hemingway en Daan Doesborgh, tussen die twee grote lantaarns.’ In het Spaans klinkt het nog romantischer. Ik schiet nu eenmaal vol van dit soort beeldromantiek.

Ik stel me voor hoe ik daar volgende week mijn eerste slapeloze nacht zal doorbrengen, met het schijnsel van die lantaarns zwakjes door de gordijnen. En hoe ik de eerste dagen ’s ochtends verwachtingsvol uit bed spring met een onbestemd vakantiegevoel om te kijken hoe het ochtendlicht binnenvalt in de keuken. Hoe ik koffie drink in een streep zonlicht in pyjama in de keuken en hoe ik voor het eerst de overbuurman groet.

En opeens is het daar: een plek die om je heen als een lekkere jas. Thuis. Kom binnen.

Zodra ik de straat uit loop, begint het echte leven weer. Ik struin na mijn werk 2e hands meubelzaken af, bel met de meest gekke figuren die je via Marktplaats opduikelen kunt en ik loop af en toe binnen bij de Action, voor alle onnozele dingen die je zoal vergeet bij een huishoudelijke herstart. Bij de Action – de andere kant van het spectrum opnieuw-beginnen-romantiek’- kom ik een collega tegen. Ik probeer inkijk in mijn mandje te voorkomen, maar moet toch met de billen bloot even later op de lopende band bij de kassa: 4 witte aardappelschilmesjes; vier witte hoeslakens, Een witte schemerlamp, Dove Antirimpel Bodycreme en een pyama met lichtgevende parkieten. (om toch een beetje op te vallen in al dat wit) Ik grijns wat en hij grijnst wat terug met een vette knipoog. Ik hoef niet eens iets uit te leggen, want hij zegt ‘sterkte’ en klopt op mijn schouders bij het weggaan. De wereld begrijpt elkaar beter bij de Action. Wat zou Hemingway daar van gedacht hebben..

Rashid de knikker-engel

Afbeelding

Ik ben 8 jaar en hang met een buurmeisje bij ‘het muurtje’ – een hangplek zoals vele hangplekken in vinex wijken in die tijd: een muurtje naast een veldje vol hondenpoep. We hebben knikkers bij ons; het is lente en knikkertijd. Maar we mogen niet meedoen, omdat we te jong zijn en bovendien meisjes. Rashid springt op en houdt een vurig pleidooi tegen de veel grotere jongen die ons weg wil sturen. We mogen toch meedoen, maar ik moet maar liefs vier inleg-knikkers dokken. Ik heb als beginner nog niet zo heel veel mooie knikkers en wil alsnog afhaken. Rashid komt naast me staan en frommelt snel een handje knikkers in mijn washandje. Er zitten twee dubbele 3-ogers bij. Ik win drie potjes van de jongens. En als we – op vleugels-  naar huis terug lopen tegen etenstijd, ben ik verliefd op Rashid. Kinderliefde. Mijn buurmeisje zegt dat buitenlanders niet met Venlose meisjes kunnen trouwen, omdat ze met hun nichtjes moeten trouwen.

We groeiden op in de zelfde buurt en onder zijn stoerheid was hij misschien niet lief, maar wel goed en ruim van hart. Rashid kwam uit een traditioneel, eerste generatie Marokkaans gezin, maar sprak platter Venloos dan mijn eigen broer. Hij was intelligent, al zette hij zijn snelle hersens al op jonge leeftijd in dienst van minder intelligente praktijken.

Ik ben 18. Ik heb net mijn rijbewijs en rij naar huis van een vriendinnenavond. Enkele meters voor mijn straat komt er een auto in een rotvaart van rechts, rijdt door rood licht, we maken een soort dans van blik en glas en als papier verkreukelend metaal en enkele seconden later zit ik in een verdovende stilte en met een gek gevoel op mijn middenrif beklemd in mijn auto. Er verschijnen mensen in pyama’s. Een vrouw in een ei-gele badjas klopt op het raampje, roept iets en verdwijnt weer. Ik begrijp niet wat er is gebeurd en begrijp al helemaal niet waarom niemand iets doet, behalve om mijn auto heen rennen, tot ik Rashids gezicht naast me zie opduiken. 10 jaar ouder, met baard, maar toch helemaal Rashid. Ik ben nog nooit zo opgelucht geweest een oude vriend te zien. Hij praat me de tijd door. Ik ben niet gewond, maar wel redelijk in paniek zodra ik merk dat er een stuur tussen mijn ribben zit. De tijd rekt zich in zulke situaties tot abnormale lengte.

Ik word uiteindelijk netjes uit de auto geknipt door een brandweermeneer met een pneumatische schaar en krijg –  net als in de film – een deken over mijn schouders gelegd. Op wat kneuzingen en een klein trauma na, mankeer ik niks. Een vriendelijke agent brengt me naar huis.

De ochtend na het ongeluk gaat de bel. Een verlegen jongeman van Marokkaanse afkomst staat voor de deur met een bos bloemen. Het zijn beterschapbloemen van Rashid en zijn familie. Opeens herinner ik me dat Rashid gisteravond plotsklaps verdwenen was, zodra de politie bij mijn ongeluksplek arriveerden.

Ik ben 44 en zit te wachten bij de ING bank om mijn nieuwe pasje op te halen. Naast me zegt iemand: ‘Doa bisse toch weer..’ Ik herken zijn gezicht in eerste instantie niet, tot zijn platte Venlose accent tot me door dringt en de lichtjes in zijn pretogen me bereiken. Rashid, mijn reddende engel. We hebben nummertje 245 en 246. Nog 7 wachtenden voor ons. We informeren naar elkaars ouders, oude buurtvrienden en vallen even stil bij de doden. Het is een aangenaam  diep zwijgen. Te weinig tijd om twee levens bij te praten, te veel verleden om ongemak te voelen.

Het is fijn om elkaar te zien. En bovendien, mocht er op dat moment een bankoverval hebben plaatsgevonden; dan was ik in goed gezelschap. Rashid zou me altijd redden. Net als toen ik 8 was.

 

Barbiebeentjes in Houthalen

AfbeeldingAfbeelding

Afbeelding

 

Vandaag bezochten we België. Als de zon schijnt is het altijd lachen die kilometers lange expositie van ultra-lelijke bouwsels langs de rijksweg richting Leopoldsbrug en dorpen met namen als ‘Balen’, Kwaadmechelen, Ham en Geel.  Alleen een ding dat ik vreselijk vind: de lekkere, gammele prachtige frietkotten zijn verdwenen. Ze huizen nu in anonieme apotheekachtige tussengebouwtjes langs de Vlaamse rijkswegen. Van die tentjes van donkerbruine steen en getinte ramen en een Ola-bord buiten. Dat is het toch niet. Ach, de frietkotten zijn verdwenen. Dat doet toch een beetje pijn. Ik had er ooit een film/fotoreportage van willen maken – over de laatste frietkotten langs de weg. Dat kan nu niet meer. Zo gaat dat met uitstervende dingen.

Maar gelukkig is er de Vrijmarkt van Houthalen. Het is even wennen bij binnenkomst, de lucht van giros, frieten, ongewassen oude kleren, koopmanszweet, vochtig hout, nep-parfums en lijm. Gelukkig, er speelt vandaag een Hollandse band. Het is een eenmansband (typisch Hollands, lekker zuinig). En jawel, de Hollandse band doet Duitse schlagers. Voor een luttele 50 cent ga ik op de tonen van Santa Marina..Ich hab meine Traüme verloren..pampam.. – in de rij staan voor een plas.

De vrijmarktorganisatie heeft niet zo goed nagedacht over luchtverversing, volksgezondheid, minder-validen, maar: de organisatie heeft zeker wel nagedacht over de inrichting: de smoezelige hallen zijn in landen en/of werelddelen verdeeld! In de China-hal liggen alleen telefoonhoesjes, op afstand bestuurbare helickopters en nep-TomTims. In de Hollandse hal staan vier groothandelaren met vreselijk lelijke witte betonnen tuinbeelden en fontijnen, wonderpoetsmiddelen, ruitenwissers  en vergulden Boeddha’s. De Vlaamse hal is het leukst, al stinkt het er naar een bejaardentehuis waar sinds 1978 niet meer gelucht is. Er zit een waarzegster die ook magnetisch ingestraalde wonderarmbanden en kettingen verkoopt. De waarzegster eet een broodje braadworst achter haar magische kraam. De meeste standhouders hebben niet eens moeite genomen om hun waar uit te stallen, maar gewoon een grote berg rotzooi op en naast hun kramen gestort. Een ronde dame trekt een barbie met een kaalgeknipt en met merkstift volgekladderd hoofd uit zo’n berg. ‘Jammer,’ zegt ze tegen haar vriendin, aan haar beenkes kon ik zien dat het een echte Barbie is.’  

Buiten, naast het Mercedesbusje waar ze escargots en broodjes braadworst verkopen, staat een man met de gezondheidskussens. ‘Voelen is gratis, kussen 10 euro!’ We voelen. Hij knipoogt als we even hardop overwegen hem stevig te kussen voor dat tientje. Tegenover hem staat een jonge knul met een klein tafeltje vol ambachtelijk snoepgoed in een wolk van chemische geurstoffen. Op zijn uitstalbord staat:  “Greetje, het lekkerste snoepje van de markt!” Greetje zelf is in geen velden of wegen te bekennen.

Ik moet steeds denken aan Jambers. Slimme man; je hoeft in deze contreien niet lang te vissen voor een Vlaams onderbuikverhaal of Fellini-achtige dorpelingen met knotsgekke koppen en een uitzichtloos bestaan op een deprimerende plek.

We keren terug naar Venlo en tevreden en moe beamen we dat het vreselijk en verschrikkelijk was. De zon schijnt, de huizen op de terugweg langs de Hasseltse rijksweg zijn nog prachtiger van lelijkheid dan op de heenweg en alles wat echt mooi is glimt als een stel gave barbie-benen die uit een berg rommel steken.

België. Moet ik eens wat vaker doen.Het is vreselijk verschrikkelijk en toch leuk. (ietsje minder vanwege het verdwijnen van de frietkot)