De stiltecoupé

nightrain home

foto: Tanja Nabben

Ik zit in de stiltecoupé en denk na over dit fenomeen. Met mijn klas oud-studenten uit Japan en Korea heb ik wel eens een rel veroorzaakt in een stiltecoupé, omdat iemand me sssst-end belette de studenten uit te leggen wat de bedoeling was van de stiltecoupé. Tja leg dat maar eens uit op een eerste fieldtrip ‘Dutch culture – public transport’.

Soms moet je in een stiltecoupe gaan zitten omdat je geen keuze hebt. Tenzij je het lekker vindt om met je scheenbeen tegen een hippe vouwfiets te zitten en uit te kijken op een houthakkersblouse en afzakkontbroek terwijl je nieuwe nette broek zich volzuigt met het warm geworden kauwgumpje van het pubertje dat geen zin had om het naar rotte bananen stinkende, overvolle prullenbakje aan te raken.

Ik vind stilte en plakkerige viezigheid niet bij elkaar passen. Dat is zoiets als ‘niet sptteren’ op een publiek urinoir schrijven en dan boos worden op de dronken kerels die naast dat kleine potje pissen. NS is tegen het einde van de spitsuren een soort rijdend publiek toilet, dus die stilte is vechten tegen gespetter na een vat bier.

In de stiltecoupé is het een ietsiepietsie schoner dan in andere coupé’s. En er zitten meestal wat meer zuurpruimen. Van die interessante boekenlezers die thuis geen tijd en puf hebben om te lezen. De Sssss-t roepers. De 1e klas-gedegradeerden, de protocollen-gelovigen. Niet dat ik van herrie hou, juist verre van dat, maar bevind ik me in zo’n naar scholierenzweet-rotte bananen-verwelkte-krantjes-en-gesmolten-kauwgum lucht van een NS veewagon met een 70 decibel aircoblazer boven mijn hoofd, dan kan ik er best nog een bak herrie bij verdragen.

Een ssssstilte coupe in en rond Amsterdam is een onmogelijke utopiaanse poging tot civilisatie in een niet geciviliseerde omgeving. En Amsterdammers zijn bovendien van nature luidruchtig, zelfs als ze zelf van mening zijn dat ze stil zijn. Limburgers die een dagje op stap naar Amsterdam gaan trouwens ook. De opwinding van de reizende mens in een plakkerige afgeragde wagon, zal het altijd blijven winnen van de Sssss-t roepers.

In treinen hoor je flarden van andermans levens. Ik hou ervan. Gluren met mijn ogen dicht. Ik vind het op zichzelf al een amusant fenomeen dat mensen in bijzijn van volslagen vreemden een luidruchtige duik in hun privéleven durven nemen. Een man die tegen zijn vrouw klaagt over dat hij alweer moest overwerken. Een zoon die aan zijn zusje vraagt wat mam heeft gekookt en dan z’n mattie belt om bij de pizzeria af te spreken. Een meisje dat verliefd is en giechelend ‘I missed you too’ fluistert. Ik hou van flarden van andermans gesprekken in treinen.

En met ogen open: De meisjes met lange witte benen in te korte broeken die ongemakkelijk zitten op warme dagen in volle treinen. En het pruilende jongetje met zijn vermoeide moeder die nog lang niet terug naar Limburg wil. Het Japanse stelletje dat hun bedeesde verliefdheid in blauw en fuchsia haar en serene glimlachjes laat dansen in het stoffige avondlicht door de vuil-gele ramen.

We rollen een station binnen. Het is avond.

Als ik de broeiende avondlucht instap, lijkt de stad en mijn ziel in het staartje  van ‘9th & Hennepin’ van Tom Waits te zijn geschoten.

Het is lekker. Bedank NS voor de inspirerende stille tochten die ik met jullie mag maken.

 

They all started out with bad directions

And the girl behind the counter has a tattooed tear

One for every year he’s away she said, such

A crumbling beauty, but there’s

Nothing wrong with her that

$100 won’t fix, she has that razor sadness

That only gets worse

With the clang and the thunder of the

Southern Pacific going by

As the clock ticks out like a dripping faucet

Till you’re full of rag water and bitters and blue ruin

And you spill out

Over the side to anyone who’ll listen

And I’ve seen it

All through the yellow windows

Of the evening train

 

 

De date monologen #deel 2 – was ik maar reisleidster geworden

nightrain home

Ik hou van plekken die een tikje treurig zijn. Niet omdat ik een treurig mens ben, maar omdat ik op zulke plekken tussen de spleten in het beton, achter de afbladderende verflagen, de gesloten gezichten van vreemde mensen soms hartbrekende schoonheid ervaar. Deze schoonheid zit weliswaar verstopt achter een mislukte graffiti, in een regenplas met brommerdiesel en een doodgereden krant van gisteren, of in een gezicht van een vreemde dat zich heel even opent in een glimlach. Maar het zit er.

Ik ben zo’n type dat gaat dichten en driften van een deprimerende, verlaten havenkade, een roestige baggermachine of het missen van de laatste nachtaansluiting naar Limburg op Hoog Catharijne. Treurigheid is een klemmend bovenlichtje van mijn geest, dat ik soms open wrik om de gezapige warmte uit mijn luie zolder te laten verdwijnen.

Vandaag was ik op het Hoog Catharijne van de liefde; de datingsite. Ik riep de lege hal in: ‘Halloooooo schimmige wereld, zee vol drijfhout, woestijn vol fata morgana’s! Ik ben er weer.’ Vrolijke ik.

De eerste match die de matrixkoning mij op de deurmat knalde is niet onknap in gelaatstrekken maar wel heel klein. Ik bedoel echt klein. Heel.

Stop. Ho. Ik mag niet oordelen. Klein, groot, dik, dun, wie ben ik om deze aardige meneer te klein te vinden. Ook hij zelf had daar duidelijk over nagedacht:

Q: ‘What is the first thing people notice about you?’

A: ‘Well, most people think I’m quite a tall guy..’

Aan de rest van zijn profiel maak ik op dat hij het niet als zelf-spottende grap bedoelde. Hij wil met me flaneren in Gent. Gent is ver. Dus ik zet mijn filmische fantasie even in:

We kuieren door Gent in de februariregen. Hij met hakjes aan en ik op mijn platste gympen.

Ik heb de Pickle-Bob en rugzakfilters aangescherpt. Het werkt wel.

Eindelijk heb ik de hele stationshal voor mezelf. En dat zijn dan weer die momenten waarop ik wil dichten, muziek wil maken en alle treurige liedjes van Tom Waits in een klap zou kunnen verfilmen.

They all started out with bad directions. And the girl behind the counter has a tattooed tear. One for every year he’s away she said. Such a crumbling beauty.

Uit: 9th & Hennepin – Tom Waits

Ja. Daar word ik vrolijk van. Serieus vrolijk.

De paar naar heus leuk en heus echt neigende matches of bijna-matches stuurde ik mijn vorige blog. Wie niet lacht om mijn grappen is meteen klaar. Natuurlijke selectie. Beleefdheden zijn tijdrovend in deze wereld, had ik inmiddels begrepen. In koude stationshallen tenminste. En tevens meteen duidelijk dat ze niet te maken hebben met zomaar een standaard smachtend vrouwmens, maar met eentje met een mening, oren, ogen, een pen en een unieke not-to-get-methode.

Ongelooflijk effect heeft zo’n blogje. Je kunt net zo goed in een witte Hema-onderbroek tot onder je oksels de nachtclub ingaan – Of andersom: de Hema binnenlopen met alleen je tepelpiercings aan.

Maar ok, alles voor de research.

Heel soms kom ik een mens tegen met een mooie glimlach, of een wit paard.Ja echt! Er zijn mannen die zichzelf fotograferen op een wit paard! Een Noord Brabantse variant op een dwergpony vond ik ook wel sterk. Kleine mannen zijn vaak zo creatief om groter te lijken op de foto.

Eindelijk arriveert de eerste ochtendtrein. De stationshal stroomt vol mensen. De rolluiken van de koffietent rollen omhoog.

En de omroeper roept (om):

‘In verband met mogelijke sneeuwval, rijden er vandaag minder treinen.’

Het meisje van de koffie heeft moedervlek onder haar rechteroog. Heel even denk ik dat het een getatoeëerde traan is.

Ja hier word ik zo vrolijk van. Het leven is vurukkelijk. Je komt nog eens op plekken waar je niet dood gevonden zou willen worden.

Of such a crumbling beauty. 

(En daarom hou ik van ietwat treurige plekken)