Een nieuw begin

In memoriam: Blas

Voor Jacques L, Lies W, Francisco C en Jacques G.

Dat haarspeldbochten en contouren van bergen zich nestelen in een geheugen, wist ik niet. Misschien omdat ik in mijn leven net een paar haarspeldbochten te veel nam, of misschien heb ik gewoon een heel selectief geheugen. Precies zoals in mijn herinneringen, na de bocht met de overhangende rotsblok, manifesteerde het dorp zich als in een beginscene van een dramatische film; een stille klont witte huisjes, tegen de grillige contouren van El Riesgo en met de glooiende groene heuvels van de Genal-vallei aan haar voeten. Niets kan zo dramatisch en mooi zijn als een landschap zonder mensen.

Juamo was de eerste die mij had zien rijden. Zijn beperkte verstandelijke vermogens, dito woordenschat en bijziendheid maakte dat zijn woorden dubbel zo hard binnenkwamen. ‘’Ik zag twee kleine glimmende oogjes en zei: daar is Tanja.’’ Een groter compliment en opluchting, een meer complete bevestiging van dat is nog leef, zaten in die woorden. Ik glim nog en dat was alles wat ik vandaag weten wilde. En Juamo had dat gezien en bewaard in zijn mooie geheugen.

Gezien worden in een gehucht dat zo stil is dat zelfs de kakkerlakken op hakjes leken te lopen, was niet zo moeilijk. Maar dat iemand mij in zijn geheugen, tussen de haarspeldbochten van de weg naar het dorp, had bewaard als twee glimmende oogjes, stelde me gerust. Ik had niet ongezien hier een halve droom gebouwd en weer afgebroken, in stilte geleefd, in afzondering op een paar vierkante kilometer met mensen die mij niet kenden en nooit zouden leren kennen. De jaren na mijn vertrek waren voorbijgevlogen, mijn jaren hier waren destijds voorbij getikt in langere seconden, tragere dagen, in uitgerekte seizoenen, brandende zonnen en af en toe een storm. Mijn tijd hier voelde niet als jaren, maar als een groots fragment, een overhangende rots op mijn tijdspad.

In de Estanco was het stil. ‘’Goed volk’’ riep ik richting achterkamer. Juan en Carmen waren blij me te zien en trokken blikjes cola uit de ijskast. We maakten grappen over ons ouder worden. Zij kregen met de jaren de kilo’s cadeau, ik de rimpels. Binnen tien minuten wist ik wie er allemaal dood was en waaraan overleden. Iedereen die ik kende ongeveer. De postbode, de bakker en zijn vrouw, hun zonen, de loodgieter, mijn buurman, zijn broers en neven.

Eén naam werd niet genoemd en ik stelde mijn brandende vraag uit. Ik wilde nog even het idee-fixe vasthouden dat hij nog leefde, al was het tegen beter weten en logica in.

‘’En Blas?’’.

Er viel een korte stilte. Carmen wendde haar blik even af. Ze had de vriendschap tussen Blas en mij altijd onbegrijpelijk en ongemakkelijk gevonden. Vriendschappen tussen oude mannen en jonge vrouwen, waren nog steeds ongebruikelijk hier. ‘’Ook dood’’. Ze voelde dat het gevoelig lag en trok met veel lawaai een paar lades van haar toonbank open en ging over op en droogte van de afgelopen jaren en de lente die al veel te vroeg kwam dit jaar.

Blas, mijn muze. Drie jaar geleden overleden. Van hem leerde ik hoe je een stok kunt snijden, hoe je een vuur maakt dat langer brandt, hoe je vijgen plukt zonder ze te krassen, hoe je een amandelboom moet enten, een dier doden, een slang kan zien naderen, of een klootzak uit het dorp, hoe je in het vuur kan staren, het water in de beek kan laten zingen, hoe je een boom na kunt doen, paddenstoelen vinden, mest kan maken van vleermuizenpoep en vals zingen in de ochtenddauw. Van Blas leerde ik hoe je alleen kunt zijn en hoe je langzaam bergop kunt lopen en toch niet moe wordt.

In de brandende lentezon liepen we het twee kilometer lange pad af naar mijn oude boerderij. Waar het geluid van water hoorbaar werd, zag ik de kleine groene oase met het witte huisje en bijgebouwtjes opdoemen tussen het groen langs de beek. Twee mannen, vader en zoon, staken tegelijk hun arm omhoog, zodra ze ons zagen. Enigszins aarzelend liep ik het terrein op. Struikelend over herinneringen liep ik richting het huis. Het graf van mijn honden Kika en Mosje. De agaven die ik tegen de rotswanden plantte, de stenen stapelmuurtjes langs de kruidentuin. De kuil in de weg die na elke regenbui moest worden opgevuld met stenen. Elke steen had ik in mijn handen gehad en losgelaten. De planten waren imposant gegroeid; de tijd had alles nog mooier gemaakt dan in mijn herinneringen.

De vader begroette me met twee amicale zoenen alsof we oude vrienden waren. ‘’Pedro. Jij moet Tanja zijn’’, zei hij glunderend, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik hier na 13 jaar tijdens de siësta op een doordeweekse dinsdag zou aanwippen. ‘’Neem je tijd, kijk rond. Mijn huis is jouw huis. Je kent de weg.’’ Hij beende naar binnen en twintig seconden later stond ik met een glas rode wijn in mijn hand op het erf; ‘’Van jouw druiven – de lekkerste wijn ooit.’’ We proostten op het leven en op Blas en het voorrecht om in een verborgen paradijsje te kunnen zijn. We lachten onze tranen weg, wisselden hugs en telefoonnummers uit en gingen samen op de foto. Het was een gelukkig afscheid. Een einde en nieuw begin.

Er viel een rotsblok van tijd van mijn schouders af.

Influencersmarketing: worden wij als de Chinezen?

orwell

In China gaan ze vanaf 2020 de burger digitaal monitoren. Een pilot loopt al, met echte oefenburgers. 1.3 miljard Chinezen wonen er in China. George Orwell klimt van schrik uit zijn graf, want hier hebben we de volledig opgepoetste Big Brother 4.0, waar zelfs de bedenkers van Black Mirror zich van achter de oren krabben. Een nieuw game-level in onze datadictatuur: belonen of straffen op sociaal gedrag, maatschappelijke participatie en burgerlijke gehoorzaamheid. Stel je eens voor; punten verdienen voor het inslikken en verspreiden van staatspropaganda, je vuilnis op tijd wegzetten en een goede daad verrichten. Enge bedoening. Maar dat is in China. In Limburg heb ik nu de microvariant gevoeld: Ik werd uitgenodigd als (vak)mens met inzicht en enkele dagen later weer van de gastenlijst gekiept als datagehandicapte, omdat ik onvoldoende punten bleek te scoren online via mijn social media. Afgeserveerd na een online snelheidscontrole door de Social Media politie. Inzicht is voor ouwe baksels, de wereld draait nu om insights. 

”Wij stellen uw aanwezigheid zeer op prijs!” stond er in de enthousiaste uitnodigingsmail voor een persreis ter introductie van een nieuwe route-app. De persreis werd georganiseerd door een marketingbedrijf dat in opdracht van Provincie en andere toeristische gebiedspartners een stuk van Limburg vernieuwend op de kaart wil zetten. Natuurlijk zou het op prijs worden gesteld als wij, de genodigden – ook wel influencers genoemd – positief zouden berichten over de app en de route, mailde de organisatie.

Mooi. Ik blokte de dag in mijn agenda en bevestigde mijn deelname per mail. Er was zelfs een onkostenvergoeding voor de deelnemers en ik hoefde niet mijn eigen boterhammen mee te nemen. ”Wat leuk dat je meegaat!” Schreef de enthousiaste medewerkster terug op mijn aanmelding. ”Mijn collega neemt nog contact met je op voor de verdere afhandeling.”

Deze collega, specialiste in afhandeling naar later inderdaad bleek, vroeg mij enkele dagen later om de bezoekersdata van mijn social media-kanalen; de zogeheten analytics & insights. Oei. Een lastig puntje, want mijn Facebook, Instagram en Blog bestier ik op persoonlijke titel en ik heb geen tools in huis om zulke data-analyses te maken. Had het wel gekund, had ik het ook geweigerd, want ik zag eigenlijk niet in waarom ik met mijn private digitale databillen bloot moest om als filmmaker of blogger te mogen meegaan, op een door mijn eigen provincie gesponsorde persreis waar ik al voor uitgenodigd was.

Haar volgende mail was zo duidelijk als een stuk hout op je hoofd: ”Helaas kunnen wij geen samenwerking bij deze persrelease aangaan met je. Wellicht kunnen we in een ander project gebruik maken van je diensten.”

Huh? Diensten? Samenwerking? Maar ik was toch uitgenodigd? Had ik dan alles verkeerd begrepen? Waarom word ik dan uitgenodigd in the first place? Dat die 30 likes op mijn kiekje van de Maas met hashtag #Limburg op mijn Instagram geen mensenmassa’s naar een nieuwe Limburgse Point of Interest-route zal lokken, snapt mijn kont ook nog wel. Maar…om mij zo gemakkelijk af te schepen zonder een online kijkje te nemen in mijn werkverleden, waaronder 25 jaar (Limburgse) filmzalen, (Limburgse) festivals, (Limburgse) media, blogs, podium-discussies, interviews, lezingen, opdrachtfilms en exposities in Limburgse musea. Heel even voelde ik mij een argeloos afgedankt, nutteloos, analoog meubelstuk dat niet meer in de hedendaagse hedonistische data-entourage past.

Ik ga te rade bij de betere marketing-Goden bij Dr. Google. Mijn probleem is, volgens een Amerikaanse collega, dat ik een nano-influencer ben met een verregaand specialisme. Heb ik weer. Nano-Nabben. Enigszins gerustgesteld dat ik toch een naam heb in Data-rijk, kruip ik lekker in mijn mega grote bed en tel mijn laatste Instagram-likes even. Vijf stuks vandaag, dat schiet niet op. Sorrie Limburg!

Duizenden online communicatieprofessionals blinken uit in massatrends volgen, risicoanalyses, veilige prognoses voor opdrachtgevers toveren en economische algoritmes in diensten, producten en gebieden pompen. Bloggers worden reviewverkopers, bartering-sletten. Instagrammers worden ambassadeurs van schoenen, gezondheid, roze olifanten, regio’s, perfecte levens of maken gewoon zachte propaganda voor overheidsinstanties. Natuurlijk vraag ik mij weleens af of ik als Nano Nabben in deze tijd van koude data-analytics en massa-propaganda nog wel van algemeen inzetbaar nut in de communicatiebranche ben? Soms overweeg ik dan ook om mijn ziel te gaan verkopen aan de brand-managers, strategisch online content specialisten. De verleiding is groot. Waarom zou ik een mens zijn als ik ook een merk kan wezen?

Maar als ik mijn innerlijk insight en analytics echt laat spreken, blijf ik toch liever wie ik ben. Nano-mezelf in het grote Limburg, dat na deze persreis wellicht, zoals het Outlet Centrum in Roermond, ontdekt zal worden door de Chinezen.  dan is deze cirkel ook weer rond.

 

Wil je weten hoe dit er in China in 2020 ongeveer in de praktijk uit gaat zien? Doe dan deze TEST van de NOS 

#delenisgezelliger

Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.

 

De coming out of mijn Beta-klontje

Ik ben een Alfa mens. Dat is ergens op de Havo bij me er in gepompt door een wiskundelerares en natuurkundeleraar. Pretpakketkind. Geen knobbels at all, alleen voor lezen. Sinds enkele maanden werk ik voor de Technische Universiteit Eindhoven waar ik mijn Alfahersenhelft laat snuffelen (en soms potje vechten) met de Beta-helft. Mijn Beta-hersendeel is nooit verder uitgegroeid dan een nanoscuul klein klontje kortsluiting en ik vermoed qua infrastructuur zo simpel als een eenrichtingstunnel: Beta vliegt er aan de ene kant in en aan de andere kant weer net zo maagdelijk onbegrepen weer uit. Als ik bijvoorbeeld een paar cijferreeksen zie met een x of een haakje ertussen, of een ingewikkelde diagram, dan blokkeert de boel en zet mijn kleine beta-klontje hersenen de hele rambam op ERROR.

Stel je voor, tot voor kort dacht ik bijvoorbeeld nog dat Nano een uitspraak was van Mork van Ork.

Maar gelukkig blijkt ook de Beta-wetenschap een kant waarvan ik een kloppend hart kan krijgen, zweethanden, een stroeve keel, statisch geladen haar en al die andere symptomen die mij bekruipen als ik mij beroepsmatig warmdraai of opwind. En met opwindends bedoel ik geen knappe studenten in blote torso’s op de studentenkalender voor een goed doel, maar ik bedoel WERELDOPWINDEND, game changing, wereldverbeterend. Er lopen hier zoveel slimme mensen rond, baanbrekers, doorgravers, game-changers met doelen, met dromen, met lef. Alles lijkt wel slim hier; de koffieapparaten, de gebouwen, de mensen, de kunst. Ik had dat nooit verwacht, maar ik word daar heel vrolijk van.

Het bijzondere van een slimme omgeving zoals een campus is dat je de dagelijkse hufterigheid volledig buitensluit: niemand rijdt je van de sokken met een scoot-mobiel of brommer, geen brallende PSV mannen voor je voeten of schijtende herdershonden in het gras, geen chagrijnige koppen achter kassa’s en balies, geen parkeerpolitie, hondenpolitie of uitpuilende vuilniscontainers.

En daar, in deze biotoop zonder hufterige domheid, knalde ik vanochtend door mijn zelf opgeworpen Beta-Barriere heen. Geen ERROR in rode LED meer, geen knetterende bedrading in de bovenleiding van mijn eenrichtingstunnel meer.

Mijn Beta-klontje kwam uit de kast denk ik.

Ik deed wat testen online, nam de rest van de dag vrij om het úit de kast gevoel’nog even vast te houden en mailde een (Beta)vriend:

‘Weet jij dat ik eigenlijk best ook heel erg Beta ben?’

Hij schreef terug: ‘Vreemd, ik heb je altijd heel erg Gamma gevonden.’

Game changer, die man.

 

Ps. Ik deed 4 testen, waaronder deze: http://www.leaufort.nl/alfa-beta-test

Your Assessment: hersenen%20resultaten%20-%2038%25%20links
De score duidt erop dat je qua persoonseigenschappen in balans bent tussen de rechter- en linkerhersenhelft. Je beschikt over eigenschappen van zowel alfa’s als bèta’s. Deze personen worden ook wel verbinders genoemd.

 

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html

 

 

De stiltecoupé

nightrain home

foto: Tanja Nabben

Ik zit in de stiltecoupé en denk na over dit fenomeen. Met mijn klas oud-studenten uit Japan en Korea heb ik wel eens een rel veroorzaakt in een stiltecoupé, omdat iemand me sssst-end belette de studenten uit te leggen wat de bedoeling was van de stiltecoupé. Tja leg dat maar eens uit op een eerste fieldtrip ‘Dutch culture – public transport’.

Soms moet je in een stiltecoupe gaan zitten omdat je geen keuze hebt. Tenzij je het lekker vindt om met je scheenbeen tegen een hippe vouwfiets te zitten en uit te kijken op een houthakkersblouse en afzakkontbroek terwijl je nieuwe nette broek zich volzuigt met het warm geworden kauwgumpje van het pubertje dat geen zin had om het naar rotte bananen stinkende, overvolle prullenbakje aan te raken.

Ik vind stilte en plakkerige viezigheid niet bij elkaar passen. Dat is zoiets als ‘niet sptteren’ op een publiek urinoir schrijven en dan boos worden op de dronken kerels die naast dat kleine potje pissen. NS is tegen het einde van de spitsuren een soort rijdend publiek toilet, dus die stilte is vechten tegen gespetter na een vat bier.

In de stiltecoupé is het een ietsiepietsie schoner dan in andere coupé’s. En er zitten meestal wat meer zuurpruimen. Van die interessante boekenlezers die thuis geen tijd en puf hebben om te lezen. De Sssss-t roepers. De 1e klas-gedegradeerden, de protocollen-gelovigen. Niet dat ik van herrie hou, juist verre van dat, maar bevind ik me in zo’n naar scholierenzweet-rotte bananen-verwelkte-krantjes-en-gesmolten-kauwgum lucht van een NS veewagon met een 70 decibel aircoblazer boven mijn hoofd, dan kan ik er best nog een bak herrie bij verdragen.

Een ssssstilte coupe in en rond Amsterdam is een onmogelijke utopiaanse poging tot civilisatie in een niet geciviliseerde omgeving. En Amsterdammers zijn bovendien van nature luidruchtig, zelfs als ze zelf van mening zijn dat ze stil zijn. Limburgers die een dagje op stap naar Amsterdam gaan trouwens ook. De opwinding van de reizende mens in een plakkerige afgeragde wagon, zal het altijd blijven winnen van de Sssss-t roepers.

In treinen hoor je flarden van andermans levens. Ik hou ervan. Gluren met mijn ogen dicht. Ik vind het op zichzelf al een amusant fenomeen dat mensen in bijzijn van volslagen vreemden een luidruchtige duik in hun privéleven durven nemen. Een man die tegen zijn vrouw klaagt over dat hij alweer moest overwerken. Een zoon die aan zijn zusje vraagt wat mam heeft gekookt en dan z’n mattie belt om bij de pizzeria af te spreken. Een meisje dat verliefd is en giechelend ‘I missed you too’ fluistert. Ik hou van flarden van andermans gesprekken in treinen.

En met ogen open: De meisjes met lange witte benen in te korte broeken die ongemakkelijk zitten op warme dagen in volle treinen. En het pruilende jongetje met zijn vermoeide moeder die nog lang niet terug naar Limburg wil. Het Japanse stelletje dat hun bedeesde verliefdheid in blauw en fuchsia haar en serene glimlachjes laat dansen in het stoffige avondlicht door de vuil-gele ramen.

We rollen een station binnen. Het is avond.

Als ik de broeiende avondlucht instap, lijkt de stad en mijn ziel in het staartje  van ‘9th & Hennepin’ van Tom Waits te zijn geschoten.

Het is lekker. Bedank NS voor de inspirerende stille tochten die ik met jullie mag maken.

 

They all started out with bad directions

And the girl behind the counter has a tattooed tear

One for every year he’s away she said, such

A crumbling beauty, but there’s

Nothing wrong with her that

$100 won’t fix, she has that razor sadness

That only gets worse

With the clang and the thunder of the

Southern Pacific going by

As the clock ticks out like a dripping faucet

Till you’re full of rag water and bitters and blue ruin

And you spill out

Over the side to anyone who’ll listen

And I’ve seen it

All through the yellow windows

Of the evening train

 

 

Idiopatische wereld

Eva’s apple

‘Heddeguh-ut-werrem-ofzo?’ zegt een dame die naast me haar fiets parkeert. Oh ja, ik woon in Brabant. Ik kijk haar alleen maar aan, want het zweet druipt als een mini-Niagara over mijn voorhoofd, negeert mijn wenkbrauwen en spat uiteen op mijn zwarte fietsentas, via een bocht over mijn kin. Het is buiten 37C, ik heb een opvlieger die ergens gisteravond begonnen is en niet meer opgehouden. In het land der opvliegers ben ik ronduit ervarings-specialist geworden. Enkele jaren geleden vertelde mijn dermatoloog namelijk dat ik idiopatische hyperhidrosis heb. Ja, zoek dat maar eens op. Het verklaarde waarom ik sinds mijn 10e met een eeuwige zweetsnor en een nat voorhoofd rondliep en ik me later op de boerderij zo lichamelijk lekker voelde, ondanks de Andalusische zinderende zonne-uren. (Want op een boerderij mag je ongegeneerd zweten als een rund en als je zweet tussen de mensen, dan wapper je met je waaier en roep je van olé, que calor..

Ik heb het ooit aan een goeie vriend verteld, die mij vervolgens verklapte dat hij niet kon zweten. Hij was inderdaad een heel droog type, helaas veel te vroeg er tussenuit gepiept. Ik weet niet of er een verband is, maar sindsdien neig ik mezelf wijs te maken, dat zweten gezond is. Ik hoef nooit naar de sauna, ik draag altijd een sauna met me mee – instant. Gratis. No sweat-pants for me dus.

Zelf noem ik het liever de gekke zweetziekte, niet te verwarren met de Engelse Zweetziekte. Behalve de Gekke Zweetziekte heb ik ook een aangeboren huidziekte, waarvoor ik soms medicijnen gebruik waarmee ik niet in de zon mag. Ach, ik blog nooit over mijn lichamelijke kwalen, maar nu ik toch tot in de poriën ga, moet ik ook een complete beeld neerzetten.

Tijdens een hittegolf moet ik dus niet naar buiten, want dan loop ik leeg en voel ik me op het einde van een fietstochtje of een rondje airco-supermarkt als een stuk beef jerkey dat in een open verpakking te lang in het keukenkastje heeft gelegen.

Ik loop er niet te koop mee, maar soms voel ik de druk om het uit te leggen. ‘Wat zit dat mens nu te zweten?’ ‘Gaat het mevrouw?’ Bij vliegvelden bijvoorbeeld is het vreselijk. Krijg ik een aanval terwijl ik in de rij bij de douane sta, word ik steevast door een besnorde mevrouw of meneer uit de rij getrokken en tot nadere lichamelijke visitatie onderworpen en duikt er iemand met glanzende oogjes achter het röntgenscherm in de hoop een kilo drugs of een reusachtige partij neushoorn aan te treffen. Ik neem dus ook nooit pikante zaken mee in mijn koffer en ben altijd het dunst gekleed van de hele rij op vliegvelden.

Twee zomers geleden moest ik voor een TV serie naar Dubai en Abu-Dhabi. Ik herinner me die trip als een natte droom; ik was een wandelende oase.

De foto van de vrouw op het strand in Frankrijk, die zich moest ontkleden van de politie, greep me om verschillende redenen naar mijn strot. Als ik een strand bezoek dan lig ik ook met een doek over mijn hoofd en volledig bedekt namelijk. Niet omdat ik moslima ben, maar omdat ik anders als een lopende plas water met rode bulten de dag moet zien door te komen. En geloof me, dat is lastig op een Grieks strand of tussen de zwarte vulkaankorrels op La Gomera.

Ik ga dus zelden naar een strand in de zomerhitte. Omdat ik het geen reet aan vind om mijn kekke lijfje te verstoppen achter H&M doeken, terwijl ik overal om me heen moet kijken naar bobbelbillen met reetveters, kreeftrode schouderbladen met mee-eters, en ander visueel ongemak. Mocht iemand mij op het strand aantreffen, dat is dat net als vorige zomer, omdat ik mijn mannen een lol wil doen. Ik lees een boek of drie onder de parasol en volledig gesluierd en probeer de blik van mijn buurvrouw met aangeschroeide roodharige kindertjes en dito man te negeren. Ze vinden het gek dat ik hier ingepakt lig, kijken tersluiks naar mijn multiculturele respectievelijk geel-bruin en mokka-bruin gekleurde samengestelde gezin dat in de branding met een balletje speelt. ‘Ze mag vast niet zwemmen of bloot’ van d’er man’, hoor ik haar denken. ‘s Avonds toen zij met haar jengelende verschroeide grut en dito man naast ons in een restaurantje zat, bleek ze van Duitse bloede: ‘Guck mal, der Auslander hat zwei Frauen mit.’

Nu terug naar die foto. Ben ik blij dat we vorig jaar naar Griekenland gingen, ondanks dat het een beetje knaagde vanwege de vluchtelingen die aan de andere kant van het eiland maar bleven aanspoelen. De politie had zijn handen vol hier en van een bedekkings-verbod hadden de Grieken nog nooit gehoord. Ik kon dus lekker los met alle kleuren burkini’s en doeken die ik mee had genomen, zeven dagen lang. In Frankrijk had ik zo dus niet mogen recreëren. Zoals ook niet die meneer met die huidziekte, die dame die even voor het avondeten een kwartiertje naar de golven wil staren met haar kleren aan, de nonnetjes die hier pootje baden, of mijn buurvrouw die net haar zevende chemokuur achter de rug heeft. En ik.

Ik heb besloten dat ik een geplastificeerde kaart ga maken waarop mijn arts verklaart waarom ik wel (of niet) gekleed/bedekt ben. En dat het heel normaal is dat ik zweet/van kleur verander. (voor de douane). In vier talen. En op mijn donorcodicil laat ik opnemen: ALLES, behalve mijn gelaatsporiën!

Er zijn aanwijzingen dat de prikkel om te zweten ontstaat door een overactief zenuwstelsel waardoor er vanuit de hersenen een verkeerd signaal gestuurd wordt naar de zweetklieren. Ik zie het maar als een compliment van Moeder Natuur. Dat mijn hersenen verkeerde prikkels sturen naar mijn zweetklieren, is beter dan andersom denk ik dan maar. Dat ik zweet maar niet gek ben bedoel ik. 😉

Vive la liberté des nos pores!

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Zorgzaam – overleven in de rommelige achtertuin van Edith Schippers

Jeannes_gang_still9

Werken in de zorg lijkt me geen kattenpis. Het lijkt me hartstikke moeilijk om op basis van je menselijkheid je beroep uit te oefenen, terwijl de organisatie waarvoor je werkt en de politiek je het gevoel geven dat je een nummer bent – een vervangbaar radertje dat zich voortdurend maar moet aanpassen aan nieuwe regels, wetten, reorganisaties, bezuinigingen, nieuwe managers, teams, locaties, vooruitzichten of geen vooruitzichten. Een radertje in een puffende en krakende klok die achter zijn eigen tijd aansukkelt. 

In de jaren tachtig en negentig werkte ik zelf in de zorg voor –destijds nog veroorloofde termen – verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten. De wereld van de psychiatrie en zorg was mij dus niet geheel onbekend toen ik enkele jaren geleden besloot tot het maken van deze film. Toch sloeg ik niet bepaald van verrassing achterover toen ik voor de film in 2011 weer achter de schermen van de zorg mocht rondkijken. Ja, de tilliften waren wat handiger inmiddels, het beleid was her en der van nieuwe terminologie voorzien. De snoezelkamer werd (weer) opslagruimte en de tandems stonden te roesten in het schuurtje.  Het groepje bewoners dat ik filmde woonde al vele jaren langer dan de bedoeling in een ‘tijdelijke’ noodbouw die bestond uit geschakelde porta-cabins. En ondanks de goedbedoelde pogingen van de medewerkers om er nog iets leuks van te maken, en het gebouw wettelijk gezien nog aan de eisen voldeed, was het zo’n gebouw waarvan je hoopt dat je er nooit per ongeluk terecht komt.

En ondanks dat het er allemaal niet zo fleurig en gezellig uitzag, voelde ik meteen: er werd goed gezorgd voor de patiënt en voor elkaar. Er was warmte, genegenheid en een zoete chaos die een beetje hoort bij afdelingen als deze. Ik zag een vermoeid, maar ook keihard werkend team, dat misschien wel moeilijkste afdeling van de GGZ runde met ervaring en liefde, met hart en kunde – en met de bescheiden middelen die ze hadden.

In de grote kantoortoren slechts 60 meter van de afdeling, ruikt het naar toner, tandpasta en linoleumvloeren. Er zitten managers en medewerkers in ergonomisch verantwoorde stoelen. ‘Dit is het oude instellingsgebouw, de kliniek.’ vertelt de medewerkster mij als we in het trappenhuis langs de witte anti-zelfmoordnetten omhoog lopen. We praten over de leaflets en de filmposters. Ik probeer me voor te stellen hoe hier mensen gewoond hebben. Ook Jeanne uit mijn film heeft in deze toren gezeten.  iet de leukste tijd van de psychiatrie. Iemand had – met resultaat – goed zijn best gedaan om het psychiatrische ziekenhuis te verstoppen achter rustgevende kantoorkleuren en lompe meubels. Maar er hinh een tristesse in de gangen, die je met geen Heuga-tapijt of lachende patiënten op folderrekken wegpoetst. Alsof het gebouw zichzelf niet meer was, of misschien wel nooit geweest. Vanuit de vergadertafel van de beleidsafdeling keek ik neer op de kleine, naargeestige crèmekleurige dozen waar mijn film zich zou afspelen. 

Naastenliefde en zorg, dus empathie kun je niet doorvergaderen, tot communicatie- of marktmodel vertimmeren, of ‘bij-injecteren’ in een maatschappij waar iedereen zich rot rent om zijn eigen ziel en zaligheid geregeld te krijgen. We hebben het veel te druk om onze gekke zus, tante of vader in huis te nemen. Of we hebben er simpelweg niet de middelen voor om intensief voor een ander te zorgen. Of niet de puf of expertise. Je kunt het zelfs niet afdwingen met een wet. Empathie, leerde ik tijdens de film, is nu juist datgene dat door de huidige zorgpolitiek zachtjes gedood wordt. Ons zorgsysteem ontwikkelt visies en beleid dat antipathie, verwarring en uiteindelijk nog meer zorg oplevert.

Voor de film interview ik Marja, een ervaren GGZ-professional en ten tijde van de opnames teamleider van de afdeling. Marja vertelt dat er te weinig tijd is, maar dat ze er alles aan probeert te doen om toch zoveel mogelijk aandacht aan haar bewoners te geven. Met sommige patiënten is Marja afgelopen veertig jaar meeverhuisd van de ene transitie naar het volgende gebouw. Ze heeft levens begeleidt die lastig waren, levenslang. En dwars door alle politieke gezeik en reorganisaties heen. Mensen als Marja hebben onze zorg mee opgebouwd. Ze begrijpen de binnenkant, de ziel van de zorg en zetten die vanuit hart en ziel voort, ondanks alle reorganisaties, transities en vergaderingen. Zonder die bezieling van al die professionals en vrijwilligers zoals Marja, is onze zorg helemaal niks. Edith Schippers is bijvoorbeeld inwisselbaar als een tillift; bij de volgende verkiezingen nemen we een poppetje waaraan we een paar jaartjes minder zwaar hoeven te tillen.

De Marja’s zijn niet inwisselbaar. Sterker nog, ze zijn enkele decennia onderworpen aan roofbouw en worden uitgeput door het systeem dat hen tot hun pensioen behandelde als een radertje. Helaas wordt er te weinig naar mensen zoals Marja geluisterd (en gekeken).

En toch doen die tien duizenden mensen elke dag gewoon hun werk. Ze ZORGEN. Ook voor Edith’s gekke achterneef en verlamde tante, de moeder van van Rijn, voor haar verslaafde achterbuurvrouw of doorgedraaide neef en misschien wel voor jou of mij ooit.

Dat vind ik een ongelooflijke prestatie.

Dus eigenlijk gaat de film niet over problemen in de zorg. Maar over datgene dat we in onze drang naar systeemvernieuwing neigen te vergeten: het simpele kijken naar de mens en hoe die overleeft in de rommelige achtertuin van Edith en de anderen.

Update 7 september 2016: : De toernee zit erop en het was inspirerend. De film is te bestellen op DVD voor 12,50

Ps. Wie ik nooit in levende lijve heb mogen ontmoeten tijdens deze filmproductie:  de bewindvoerders en door rechters aangewezen mentors, de afdelingspsychiater die met open mond achterin het zaaltje zat bij de premiere, maar nooit reageerde op mijn mails, de afdeling juridische zaken die mij aangetekende brieven stuurde en mij sommeerde tot een hermontage van de film na een klacht van familie, de familie die klaagde dat hun familielid niet mocht vertellen voor de camera dat ze nooit bezoek kreeg, haar mentor, die bepaalde namens de wilsonbekwame bewoonster dat zij niet haar verhaal mocht vertellen, de directeur die nooit op de premiere kwam, de nieuwe manager die het teamhoofd en de andere helft van het team ontsloeg en nu een nieuwe werkwijze implementeert met haar nieuwe stagiaires. 

filmagenda 2015 – 2016: 

12 mei: Rosmalen, GGZ terrein + livemuziek van Peter

12 november Cacaofabriek Helmond & Q+A

24 november Noordkade Veghel & Q+A

12 januari: Theater De Wijer Boxmeer

20 januari: Oss

23 januari: De Nieuwe Scene Venlo + podiumprogramma

17 februari: ECI Roermond + zaalgesprek

1 maart: Huize Padua Oss

6 september: Eer en Waardeer podium Amsterdam + workshop

Herinneringen maken doe je zo – zusje

10958726_499563703515910_7122651598902611824_n (1)foto: Ge Steijn

Soms komen er herinneringen binnen die niet eens de mijne zijn. Ik herinner me mijn familie bijvoorbeeld soms middels foto’s uit een tijd waar ik niet eens geboren was. Hoe dat kan, geen idee, maar de hersenen zijn een creatief zooitje mysterie als het gaat om het ‘produceren’ van herinneringen aan je jeugd.

Vandaag is de sterfdag van mijn zusje Astrid. Dan regent het herinneringen. Sommige geleend uit andermans geheugen, verhalen of een vergeeld fotootje. Haar jongste dochter Joan heeft haar lach. We drinken vandaag koffie, doen boodschappen en maken foute grappen over herdenkingen. Humor is erfelijk. Ik heb dat rondje boodschappen met haar moeder honderden keren gedaan. ”Zullen we iets lekkers halen en nog een kop koffie doen?”

Deze foto van mijn zus herinner ik mij niet. Ik was een jaar of zeven en herinner me wel nog wat fragmenten van die zomer. Ritten naar Munster Geleen over de Napoleonsbaan. De geur van zonnebrandolie, de geluiden van de zomer, opspattend water, met z’n allen buiten eten, een rokende BBQ, een potje kaarten, in slaap dommelen op de achterbank van de auto.

Mijn neef Jan, een familielid dat ik nog niet eens zo heel lang geleden beter leerde kennen, stuurde mij vandaag een paar prachtige foto’s gemaakt door zijn vader. Alweer beelden van een tijd waarin ik nog niet eens bestond. En toch werd ik meteen in die warme rommelige huiskamer geslingerd, rook de caballero’s zonder filter en zat als nog ongeborene in een hoekje erbij en keek ernaar, genietend van de rotherrie.

En wat waren ze leuk vroeger – vooral in zwart wit. Ik ga er ongegeneerd goud van spinnen. Want ook dat mag met herinneringen die niet eens de jouwe zijn.

fotografie: Sef Dael

IMG_20150127_0056

IMG_20150127_0058IMG_20150127_0059  IMG_20150127_0063 IMG_20150127_0064