Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

PickleBob en de metrosexuele verstopping – een dialoog met mezelf

images (16)

Datingsites en 45+ers. Ik deed mijn schaamtekleed af en schreef me in. 

Ik bevind me sinds 48 uur in de krochten van andermans zielen, vreemde plannen, frustraties, lusten, rugzakken. Maar ook hele grappige, waarvan ik serieus van het lachen van mijn stoel val.

Ik ben ingelogd op OKcupid. Die is gratis en je kunt er partners zoeken uit alle exotische oorden ter wereld. Je vult ongeveer 5 miljoen vragen in en je matching-feest kan beginnen. Bij ‘matches’ zie je 2 cijfers boven de profielfoto: Matchpercentage in procenten en daarnaast in rood: het ‘niet-matchpercentage’. Ook belangrijk. Ik kan er om lachen, maar sophisticated en razendsnel is het systeem wel. Nog even uitzoeken hoe de filters werken, want ik heb zoveel matches dat ik ongeveer tot mijn 90ste kan daten.

Dat geeft geen hoop, maar wanhoop. Ik werd bij het zien van de aantallen ook meteen overvallen door een zware vermoeidheid bij de gedachte aan zo’n zoekklus.

Ik weet nog steeds niet precies wat ik verkeerd heb gedaan bij het invullen, maar binnen no-time kreeg ik een container mannen uit Texas, Parijs, Brussel, Londen, Rotterdam Noord en Kuwait die de meest stompzinnige openingszinnen hadden die ik ooit in mijn leven gelezen had.

”Hi, I’m PickleBob – Love your smile. Sent me a message if you like me too. Love to hear from you, Picklebob.”

Soortgelijke knallers kwamen ook van o.a. BigBlack78 (te jong) en LoveUBisexual en Amore4u50 (te oud?) en…PickleBob dus.

Ik bedoel, stel zelfs al is dit een ontzettende metroseksuele Antonio Bandoleras-achtige man. Met de naam PickleBob. Daar schiet je toch van in de kramp. Of stel je voor, je moet hem aan je getrouwde vrienden voorstellen op een verjaardagsfuif. Jongens, dit is PickleBob uit Texas. We hebben elkaar leren kennen op de datingsite waarover ik jullie vertelde. Ik zie een zwart gat voor me zonder sociaal leven en alleen met PickleBob in het noord Texas.

Tegen de tijd dat mijn fantasie uitgeblust is op PickleBobs obesitasprobleem, en BigBlack78 uit Luik eindelijk van mijn virtuele been heb geschud ben ik leeg en lusteloos en helemaal niet meer op zoek naar een man, een compliment of iets in die richting.

Kijk, het is wel heel komisch, maar ook van een grote treurigheid. Treurig komisch. En dat treurige overvalt me als ik uitgelachen ben en besef hoe veel mensen er jagen op eenzame mensen en hoeveel mensen zoals ik er lachen omdat iemand onzeker of lelijk, te dik of te dun is.

Nu ben ik een van hen. De anderen. De mensen die naar elkaar gluren en elkaar vanachter de anonieme beeldschermen aftasten, de kwade en de goede bedoelingen van elkaar proberen te scheiden, sommigen met een filter, een ander net te gulzig of met een leugen.

Het is heel mooi dat online dating bestaat en ik weet zeker dat er heel veel mooie relaties uit voortkomen. Maar het heeft voor mij vandaag een schaduwkant die verder gaat dan alleen fakeprofielen en sexjagers. Want hoe sophisticated ook, er rollen minstens zoveel leugens en teleurstellingen uit dit geniale systeem als echte liefde. En dat maakt het internet-daten een schemergebied, een casino voor de ziel – verslavend en een tikje gevaarlijk. Voor mij, maar ook voor die arme PickleBob uit Texas, die thuis geen meisje krijgen kan.

En fascinerend is het ook: miljoenen mensen die elkaar niet kennen en hunkerend naar iets rondzweven op het web. En sommigen zijn desnoods, als het dan toch niet wil lukken in het echt, al blij als er een vrouwmens aan de andere kant van de wereld iets leuks tegen ze zegt waar ze misschien wel de dag leuk mee doorkomen.

Een vriendin had me getipt om niet te ‘slim’ op mijn profiel over te komen. Ik hoefde niet dommig, maar ook niet zoals ik BEN, vond ze. Ik had nooit nagedacht over het verband tussen mijn handige hersens en het vinden van een partner en juist altijd gedacht dat het alleen maar goed is dat ik zo slim ben, omdat ik niet zo knap ben. Maar nee, ik moest knapper op de foto en dommer in mijn omschrijvingen en antwoorden. Te slim schrikt af en voila! Haar strategie werkte zo goed (of misschien nam ik het te letterlijk) dat ik amper twee uur nadat ik mijn virtuele contactpoort open gooide, alle mate nen soorten PickleBobs en BigBlack78’s van deze aarde in mijn postbus gekwakt kreeg. Tientallen!

Ik dobber vertwijfelt een uur rond in deze oceaan van sneuheid.

Wat is mijn rol, mijn doel ook alweer? Verhef ik mezelf boven ‘de anderen’ door er een beetje als een nep-antropoloog in te gaan zitten roeren en van bovenuit er naar te kijken? Dat is arrogant.

Wil ik me in die oceaan bevinden? Nee, ook niet. Dus ik lach wel om PickleBob, maar wie lacht er om mij?

Opeens, terwijl ik dit schrijf, een bericht in mijn liefdesmailbox. Het is de eerste man die er leuk en interessant uitziet en ook nog leuke dingen schrijft die het voorgenoemde level met mijlen overstegen. De match-statistieken ontploffen in mijn hoofd er bijna van, zelfs onze 17% niet-match lonkt als kerstverlichting. Ik laat PickleBob en mijn schaamte en doemdenkerij vallen als een baksteen en spoed me naar zijn profiel.

Kijk daar hebben we het al. Zo werkt het dus. De ‘trap’ is dat je net op het moment dat je wil kiezen voor afhaken in plaats van in die sneue oceaan verdrinken, valt er een type metroseksueel zo in je inbox en gelooft een mens weer spontaan in wonderen.  Hij is ook de eerste die zijn best heeft gedaan om een indrukwekkende eerste boodschap te formuleren. Van sneu gaan mijn filters op alert-stand: ik lees hersens, elegantie, interesse, humor, twijfel en gepaste afstand met voldoende prikkel.

Dus opeens ben ik de enige drenkeling in de sneue oceaan die een mooi stuk drijfhout vindt?

Zo snel kan dat gaan soms.

Maar toch. Tegen beter catfish-weten in heb ik mijn weak spots laten op-vlijen en probeer ik te verzinnen wat ik terug moet schrijven aan zoveel woordelijk evenwicht.

Bevind ik mij op de rand van het leugenravijn van een vreemdeling, of ben ik ook maar een mens dat goed wil ontmoeten en door zwemt?

Na een kop koffie weet ik het en ik schrijf terug:

 ‘Je hebt een leuke lach’ 

(ps: Ik meen het)

Rashid de knikker-engel

Afbeelding

Ik ben 8 jaar en hang met een buurmeisje bij ‘het muurtje’ – een hangplek zoals vele hangplekken in vinex wijken in die tijd: een muurtje naast een veldje vol hondenpoep. We hebben knikkers bij ons; het is lente en knikkertijd. Maar we mogen niet meedoen, omdat we te jong zijn en bovendien meisjes. Rashid springt op en houdt een vurig pleidooi tegen de veel grotere jongen die ons weg wil sturen. We mogen toch meedoen, maar ik moet maar liefs vier inleg-knikkers dokken. Ik heb als beginner nog niet zo heel veel mooie knikkers en wil alsnog afhaken. Rashid komt naast me staan en frommelt snel een handje knikkers in mijn washandje. Er zitten twee dubbele 3-ogers bij. Ik win drie potjes van de jongens. En als we – op vleugels-  naar huis terug lopen tegen etenstijd, ben ik verliefd op Rashid. Kinderliefde. Mijn buurmeisje zegt dat buitenlanders niet met Venlose meisjes kunnen trouwen, omdat ze met hun nichtjes moeten trouwen.

We groeiden op in de zelfde buurt en onder zijn stoerheid was hij misschien niet lief, maar wel goed en ruim van hart. Rashid kwam uit een traditioneel, eerste generatie Marokkaans gezin, maar sprak platter Venloos dan mijn eigen broer. Hij was intelligent, al zette hij zijn snelle hersens al op jonge leeftijd in dienst van minder intelligente praktijken.

Ik ben 18. Ik heb net mijn rijbewijs en rij naar huis van een vriendinnenavond. Enkele meters voor mijn straat komt er een auto in een rotvaart van rechts, rijdt door rood licht, we maken een soort dans van blik en glas en als papier verkreukelend metaal en enkele seconden later zit ik in een verdovende stilte en met een gek gevoel op mijn middenrif beklemd in mijn auto. Er verschijnen mensen in pyama’s. Een vrouw in een ei-gele badjas klopt op het raampje, roept iets en verdwijnt weer. Ik begrijp niet wat er is gebeurd en begrijp al helemaal niet waarom niemand iets doet, behalve om mijn auto heen rennen, tot ik Rashids gezicht naast me zie opduiken. 10 jaar ouder, met baard, maar toch helemaal Rashid. Ik ben nog nooit zo opgelucht geweest een oude vriend te zien. Hij praat me de tijd door. Ik ben niet gewond, maar wel redelijk in paniek zodra ik merk dat er een stuur tussen mijn ribben zit. De tijd rekt zich in zulke situaties tot abnormale lengte.

Ik word uiteindelijk netjes uit de auto geknipt door een brandweermeneer met een pneumatische schaar en krijg –  net als in de film – een deken over mijn schouders gelegd. Op wat kneuzingen en een klein trauma na, mankeer ik niks. Een vriendelijke agent brengt me naar huis.

De ochtend na het ongeluk gaat de bel. Een verlegen jongeman van Marokkaanse afkomst staat voor de deur met een bos bloemen. Het zijn beterschapbloemen van Rashid en zijn familie. Opeens herinner ik me dat Rashid gisteravond plotsklaps verdwenen was, zodra de politie bij mijn ongeluksplek arriveerden.

Ik ben 44 en zit te wachten bij de ING bank om mijn nieuwe pasje op te halen. Naast me zegt iemand: ‘Doa bisse toch weer..’ Ik herken zijn gezicht in eerste instantie niet, tot zijn platte Venlose accent tot me door dringt en de lichtjes in zijn pretogen me bereiken. Rashid, mijn reddende engel. We hebben nummertje 245 en 246. Nog 7 wachtenden voor ons. We informeren naar elkaars ouders, oude buurtvrienden en vallen even stil bij de doden. Het is een aangenaam  diep zwijgen. Te weinig tijd om twee levens bij te praten, te veel verleden om ongemak te voelen.

Het is fijn om elkaar te zien. En bovendien, mocht er op dat moment een bankoverval hebben plaatsgevonden; dan was ik in goed gezelschap. Rashid zou me altijd redden. Net als toen ik 8 was.

 

de Bottom- en de Upwereld – clash of civilisations #2

AfbeeldingEen collega uit Nijmegen zette vanochtend dit bericht op Facebook:

 

“Waar gebeurd vandaag. Bijzondere bijstand aanvragen, zodat een mevrouw eindelijk een bed kan kopen. Zegt dame van bureau inkomensondersteuning…”als ze al tien jaar op de bank slaapt zoals u zegt, waarom heeft ze dan een bed nodig?”

 

Van dit soort berichten ga ik janken. Dit geeft in een notendop weer hoe groot de kloof kan zijn tussen de echte wereld en de papieren natte droom van onze top-ambtenaren en hun wijze adviseurs die zelfsturende burgers willen boetseren. Blijkbaar wordt die kracht aan de onderkant, achter de balie of tijdens een lastig intakegesprek, al in de oorsprong verkracht. Weten de beleidsmakers en beslissers eigenlijk wel hoe cru er vaak omgegaan wordt met mensen die het moeilijk hebben? Ik ben bang van niet.

 

Met argwaan zie ik al jaren in de media de juichberichten en hijgrapporten voorbij komen over ontzettend zinvolle achter-de-deur-communicatie-modellen bij de mensen van de bottom. Want die kunnen soms hun huren niet betalen en hebben misschien wel een rollator met veel te luxe rubberbandjes in hun schuur staan, of een losgeslagen inwonende zoon die zich voordoet als mantelzorger, maar eigenlijk in het diepste geheim een wietplantage op de badkamer van zijn door een herseninfarct getroffen moeder exploiteert, vechthonden fokt in de schuur van zijn blinde buurvrouw, of gewoon echt elke dag een uur in de weer is met het zwachtelen van ma’s oedeembenen. Je hebt goed getrainde mensen nodig om deze bottom-bewoners op de juiste wijze in het juiste rapport te stoppen. Want alleen dan – zeggen de bottom-up-deskundigen van ons land – kun je ze begeleiden naar een meer zelfregisserend leven, co-creatieve wijk-activiteiten, goed buurmanschap enzo.

 

Een van de meest misbruikte en verkeerd geïnterpreteerde begrippen die erg in zwang is geraakt bij o.a. ambtenaren vind ik dus “Bottom Up”.  ‘’De echte beweging moet van onderuit komen!” Roept beleidsmaker, hoogleraar, afdelingshoofd of manager. Klein detail: zelf hebben de top-down-denkers die ‘bottom-up’ prediken, meestal weinig met de ‘bottom’.  Want als bottom-up filmer, en verhalenmaker met een bottom-bottom-jeugd, wonende in een (heel gezellige) bottombuurt, weet ik als geen ander dat dezelfde mannen en vrouwen die vanuit de top onze bottom moeten gaan prikkelen, mediaten of consulten om meer autonomie, zelfregie en  (jawel) zelfs burgerlijk geluk en maatschappelijk verantwoord gedrag te genereren, ’s avonds in hun mooie Volvo naar hun vrijstaande villa in up-land zoefen.  En met een grote bocht de bottom-buurt omzeilen, hun zeilende tieners en culinair getalenteerde kleuters krampachtig weghouden van de bottom-scholen (voor de Zwarte Piet discussie nog zwarte scholen genaamd) en de knutselclubs in het ordinaire buurthuis.

 

Bottom-up bestaat niet. Tenminste niet zolang de bottom behandeld wordt door de up, alsof het een prachtig innovatief sociologisch experiment betreft. Er  is een parallelwereld ontstaan die voornamelijk bestaat uit woorden, rapporten, onderzoeken en systemen. Er gaan miljoenen om in het onderzoeken naar de wijze waarop de ‘upwereld’ de bottomwereld moet leren begrijpen (en betreden) zonder dat er volksopstanden of andere vervelende wrijving ontstaat die klauwen vol geld kosten.  Heisessies, trainingen, adviestrajecten, postacademische masterclasses – De bottom is de nieuwe markt, de gewone mensen zijn hot!  Hun problemen worden omgetoverd tot uitdagingen, hun positie in de maatschappij gedegradeerd tot een ordinaire kostenpost. Jawel, de bottom-mensen mogen zelfs participeren (als ze een goed voorbeeld zijn) in de  ‘upwereld’    de wereld waar mensen ruim voldoende geld verdienen om zich 100% aan diezelfde ‘bottom’ te kunnen onttrekken – behalve als het binnen werktijd valt. Nederland formatland – ooit een land van vrijdenkers – schiet weer onelegant terug in de kramp van verzuiling en maatschappelijke stigmatisering.

 

Ik werk en leef in beide werelden en zie steeds meer up-land-bewoners die (emotioneel of spiritueel geraakt door de crisis?) vastberaden hun carrière omgooien om de bottom-up-mensen te leren begrijpen, adviseren, sturen, interpreteren of onderzoeken. (Maar zelden financieren trouwens – hoe zou dat eigenijk komen?) De visie en denkwijze die heerst, leidt tot een compleet nieuwe markt in deze crisis: Want wie wil nu niet vet betalen voor DE oplossing waarmee je de bottom rustig en economisch stabiel kunt houden?

 

De up-elite zou in theorie dus de hele transitie van maatschappelijk Nederland moeten runnen en in goede banen leiden, maar dat is natuurlijk een hele ouderwetse en typisch manier van veranderen zonder te veranderen. Al is ‘top-down’  inmiddels een vieze term geworden en helemaal niet meer hip in de up-wereld, het is wel nog de enige term die recht doet aan het gedrag van onze nieuwe generaties up-veranderaars.

 

In mijn film Droomwijk in 2008 vroeg ik een destijds naar verandering snakkende wethouder wat het doel was van de destijds al in Venlo ingevoerde ‘achter-de-deur-gesprekken’ bij mensen die moeite hadden met het feit dat hun wijk werd afgebroken en dat ze werden verkast naar een ander stadsdeel. Zijn antwoord was vrij duidelijk: “Sommige mensen moet je dwingen om gelukkig te maken.”

 

Ga ik even terug naar de ambtenaar die zich afvroeg waarom mevrouw de bottom-burger niet gewoon op de bank kon blijven slapen. Ik zou deze ambtenaar graag eens een dagje meenemen op een heisessie. Als schaap wel te verstaan – en haar een heel droog grasveld laten opkauwen. Mag ze daarna een maandje ‘couchsurfen’ op mijn goedkope Ikea-bank.

 

Misschien wel een idee: Een Couch-Surf-project met alleen Uplanders en bottomlanders. Mag meneer Rabobank of meneer ambtenaar een weekje bij mij of de buurvrouw op de bank, en wij vice versa een weekje op de Breuer designsofa van meneer ambtenaar.  

 

(Met dank aan Louis de Mast – die mij vanochtend met zijn FB-bericht tot deze kleine kortsluiting triggerde)