Een ode aan Sintermertes Veugelke

Voor J.

f5f925001442ee12d899411a7ac8344dfdc9734d

”Leuk he, die lichtgevende schoenen van die kinderen.”

Ik vond het helemaal niks, die fluorescerende LED-zenuwzooltjes in het donker. Ik wilde een rij kinderen met lampionnen en luidkeels meebrullen met ”Sintermertes veugelke” zoals ik dat vroeger ook deed. Ik wilde geen kinderen volgehangen met LED lampjes van de Action! Fakkels en rijstpapieren lampions waar een week lang bloedserieus aan gewerkt was! Dat wilde ik zien vanavond! Want ik had me er 20 jaar op verheugd om weer eens Sintermerte te zien.

Ik had zojuist een half uur lang doorgezaagd over een paar van mijn beste jeugdherinneringen: de prachtige Venlose Sintermerte-optochten en -vuren.

Eerder die dag had ik al proberen uit te leggen dat we in de wintermaanden en rond Sint Maarten als kinderen altijd ”wierksten” op straat; we slingerden met lege conservenblikken met gaatjes en gloeiende kooltjes aan een lange ijzerdraad rondjes, om een aardappel gaar te poffen, die onze moeders voorgekookt hadden, omdat het anders veel te lang duurde. Later deden we er ook weleens andere dingen in, zoals een plastic Smurfje met nagellakremover van onze oudere zussen, of koffiemelkpoeder, dan kreeg je vliegende blauwe vlammen of een cirkel-steekvlam.

Ik had er niet zo heel veel indruk mee gemaakt, merkte ik. Maar dat ging ik vanavond goed maken met het prachtige Sintermertesfeest. 

Zodra ik het gevoel van tradities zoals wierksen, sintermerte en vastelaovend probeer uit te leggen aan iemand van buiten Limburg, loop ik hartstikke klem tussen mijn nostalgische beleving van vroeger en de rauwe werkelijkheid van de moderne tijd. LED is het nieuwe kaarslicht, wierksen klinkt alsof ik drie eeuwen oud ben en in een vochtige grot geboren, vastelaovend krijg ik alleen nog maar uitgelegd als ik iemand dwing naar de film ”Truuk noa ’t Zuuje” van Rob Hodselmans en Lex Uiting te kijken en Sinter Merte lijkt ook al niet meer wat het in mijn herinneringen was, nu ik mij een ongeluk moest zoeken naar een lampion of zingend kind.

”Dus hij heeft ook een paard? Geen mijter? Geen schimmel? Maar wat doet hij dan met die mantel?”

”Het is een Romeinse Soldaat geloof ik. Hij snijdt zijn mantel in twee stukken en geeft die aan een arme bedelaar die het koud heeft.”

Nu leek hij een beetje onder de indruk.

”En dat doet hij allemaal op dat paard bij dat vuur? Een halve mantel? Maar die bedelaar kan zich toch warmen aan dat vuur? Het is nu al bloedheet hier.”

Ik gaf het op. Soms word je als Limburger nu eenmaal niet helemaal serieus genomen. Sintermerte moet je zien. Of beleefd hebben.

”Wacht maar af, je ziet het vanzelf.”

Het vuur begon al aardig volume te krijgen en we wachtten geduldig op het steigerende paard met die wilde en jongere, Romeinse variant van Sinterklaas, die in een groots en theatraal gebaar zijn mantel zou afzwaaien en aan een geknielde man schenken, geflankeerd door honderden kindertjes en ouders die luidkeels ”Sintermertes Veugelke – Haet ein roed wit keugelke” zongen. Ik voelde de brok in mijn keel al groter worden bij het vooruitzicht. Dit lied, een lied waarvan niemand sinds 1928 eigenlijk de tekst begrijpt, maar wel onthoudt, maakt Sinterklaas Kapoentje tot een minkukel, legde ik uit.

Ik vond Sintermerte als kind al een stuk leuker dan Sinterklaas. Hij had geen zak, geen groot big-brother-is-watching-you-boek en geen zwarte pieten of ongeloofwaardig verhaal over schoorstenen en wortels in je schoen. Ik wist al vanaf mijn 5e dat de GoedHeiligman Nummer Een gewoon de voorzitter van de buurtvereniging was, of juffrouw Ans met een diepere stem en een baard. Bij gebrek aan iets om in te geloven ben ik destijds al overgestapt naar GoedHeiligman Nummer Twee: Sintermerte. Want niets uit zijn verhaal leek een leugen. En ik hield altijd al van overzichtelijke feesten en verhalen: 1 lied, 1 vuur, 1 Heiligman, 1 lampion, 1 avond. Lekker duidelijk.

Het vuur begon alweer aardig over haar hoogtepunt heen te raken en de ouders met jonge kinderen druppelden weg, de donkere avond in en terug naar warme huiskamers, grote LED-tv’s en pyjamaatjes. Met enige moeite klom ik uit mijn nostalgische euforie en aanvaardde het heden: Goed-Heiligman-Nummer-Twee, zijn paard en bedelaar waren wegbezuinigd. De fanfare en het kinderkoor, waarvan ik vond dat ze perfect in toon en ritme bleven, bleken uit de luidsprekers te komen van een Daihatsu die langs de weg geparkeerd stond. En toch waren er een paar honderd mensen op de been, die allemaal een beetje genoten hadden van dat grote vuur. Datdanweerwel.

”Wel apart hoor, zo’n groot vuur met verder niks erbij. Kijk, daar lopen die kids met die LED-schoenen weer!”

Op de terugweg naar huis, zag ik een bedelaar zitten bij de stille roltrappen van de Jumbo; in elkaar gedoken onder een grote jas. In de verte meende ik hoefgetrappel te horen en het hinniken van een paard. Maar dat kon verbeelding zijn geweest..

 

ps: in onderstaand filmpje (van voor mijn tijd) zowel de traditie van het wierksen, Sintermerte en het prachtige lied Sintermertes Veugelke 😉

Sintermertes Veugelke in Venlo 1924 en 1939

Sintermerte en het Sinterklaassyndroom

Afbeelding

 

Sintermerte en Sinterklaassyndroom

Jawel. Ook ik heb een Sinterklaas-syndroom. Ik ben er nooit mee naar een psycholoog geweest en herinner me slechts fragmenten. Zoals een lange witte baard met het gezicht van de buurvrouw, pepernoten in mijn gezicht terwijl mijn oudere broer riep dat het ome Sjaak was. Mijn moeder die me een cadeautje gaf dat ik meteen af moest geven aan kinderen die geen Sinterklaas vierden. Ik herinner me dit laatste pedagogische geintje als zwaar traumatisch; dat ik een bestwel leuke nep-barbiepop moest afgeven aan een zielig kind dat ik niet eens kende. Want als kind van zes ben je gewoon hebberig en rond Sinterklaas nog hebberiger. Ik herinner me de verboden lade in mijn ouders slaapkamer waarin de cadeautjes vanaf oktober werden opgespaard en mijn broer die me uitlegde dat achterin de zachte pakjes met Hema-handschoenen en zelfgebreide shawls waren en dat dit eigenlijk dus geen cadeaus waren, maar meer opvulling.

Ik was dus niet zo dol op Sinterklaas. Niet dat het niet gezellig was, maar omdat ik het nut er nooit echt van begreep.  Wie kocht nu wat en waarom deed iedereen alsof het niet onze hond was die de wortel uit mijn schoen vrat elke avond. Ik had al drie afgeknaagde exemplaren terug gevonden in zijn mand, Het aller ergste van Sinterklaas vond ik dat we de eerstvolgende schooldag na pakjesavond elk 1 cadeautje mee moesten nemen naar de klas in het kringgesprek. Er kwamen kinderen met complete Plamobile kastelen of een nieuwe fiets. En er kwamen ook kinderen met niks. Mijn Griekse vriend Teo bijvoorbeeld. Die hoefde ook niks te vertellen. Geen cadeau, geen verhaal. Dat vond ik vreselijk. Begreep ik meteen in een klap wel die Barbie-actie van mijn moeder. Mooi mens, mooier dan Sinterklaas in die tijd.

Sint Maarten vond ik wel heel tof. In Venlo noemen we hem Sintermerte, we lopen met fakkels en lampionnen, stoken heel grote vuren en we zingen keihard dat hij een rood-wit-vogeltje heeft. Veel opwindender dan Sinterklaas. Korte en krachtige feesten, ik hield er toen al van. Ik had meestal de mooiste lampion, want mijn oom Sef die kunstenaar was, hielp me met de lampjes terwijl mam de loodzware batterijen in mijn jasje naaide. Dat was erg high tech in die tijd – met lampen lopen zonder verlengsnoer.  En ook Teo liep mee met zijn lampion, een beetje ongemakkelijk in zijn zondagje pak dat hij van zijn moeder aan moest.

Het licht van alle lampionnen, de lange kinderoptocht naar het vuur op het plein en dan als hoogtepunt een soepel paardrijdende Sint Maarten die zwierig zijn mantel in tweeën scheurde, om een helft aan een arme sloeber te geven. En wij die keihard zongen: ‘Sintermertes Veugelke – Haet ein roëd-wit-keugelke-en-heaeaeaeat ein blauw stertje, van zien Hoepsa Sintermerte.’

Al begreep ik geen snars van dat lied, ik zong het altijd met een brok in de keel mee en rende nog weken lang met mijn ‘wierkspot’ (voor niet Limburgers: een blik met hete kooltjes aan een ijzerdraad en een lapje, dat je door de lucht slingerde om het vuur aan te wakkeren) door de straat, omdat ik met de geur en het gevoel van Sintermerte wilde vasthouden.

Als er dan toch Gesint moet worden in Nederland en we er –zoals het er naar uiziet- nog lang niet uit zijn met deze ontzettende discussie, dan stel ik voor dat we Sintermerte als  interim-Sinterklaas vragen. Hij is een Goed Man, ook Heilig en het scheelt een vermogen, zonder al die knechten en paarden, jute zakken, wortels en dakdekkers.  

Op de 11e van de 11e is het weer zover. Dan wordt niet alleen officieel de ‘Vastelaovend’ ingeluid, maar vieren alle kinderen (ja – in alle kleuren en soorten) Sintermerte. Een spreekwoord in het Venloos luidt: As de kinder Sintermertes Veugelke zinge, make de verkes eur testament

 

(Als de kinderen een Sint-Maarten liedje zingen, dan schrijven varkens hun testament). Varkens werden traditioneel geslacht vanaf 11 november.

Mooi toch.

Ik nodig alle niet-Limburgers uit om 11 november aanstaande hart en handen te komen warmen aan ons Heidense vreugdevuur.