El caminante (Uit het boek van Blas)

Voor R.
Paco el Pintor had bij het vreemdelingenlegioen gezeten en daarna jaren op de Atlantische gevaren. Trots liet hij mij een keer zijn vervaagde tattoos zien op zijn onderarmen; een soort wazige orgie tussen een schorpioen, een palmboom en de Maagd Maria. ‘’Dat verhaal vertel ik je nog een keer..’’ Zo had Paco wel vaker een ‘cliffhanger’ voor ons, maar uiteindelijk vertelde hij nooit iets. Hij zat dromerig en afwezig aan het dode hoekje van de bar en dronk zijn wijntje.

Iedereen in de stad wist wie Paco was, maar niemand kende hem echt.

Soms, als Julio el Ciego er was met zijn gitaar, kwam Paco even tot leven. Zodra Julio ‘El Caminante’ voorzichtig inzette, stond Paco heel langzaam op, alsof hij aanstalten maakte om te gaan dansen. Hij vouwde zijn grote eeltige schildershanden, trok zijn brede schouders hoog, deed zijn ogen dicht en zong. Het was dan een en al plechtige stilte in Bar Luna. Stem en gitaar sleurden ons, de stamgasten langs diepe afgronden en we kregen er allemaal tranen van. Behalve Paco zelf natuurlijk. Want die vond huilen voor mietjes.

Maar zoals Julio el Ciego zei: Paco kon zeven jaar huilen in 1 lied, dan heb je geen traanbuisjes nodig.

‘’…va
yo voy andando camino adelante
siempre buscando donde descansar’’

Uit: El caminante, Camerón de la Isla. (bulería)