Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

De stiltecoupé

nightrain home

foto: Tanja Nabben

Ik zit in de stiltecoupé en denk na over dit fenomeen. Met mijn klas oud-studenten uit Japan en Korea heb ik wel eens een rel veroorzaakt in een stiltecoupé, omdat iemand me sssst-end belette de studenten uit te leggen wat de bedoeling was van de stiltecoupé. Tja leg dat maar eens uit op een eerste fieldtrip ‘Dutch culture – public transport’.

Soms moet je in een stiltecoupe gaan zitten omdat je geen keuze hebt. Tenzij je het lekker vindt om met je scheenbeen tegen een hippe vouwfiets te zitten en uit te kijken op een houthakkersblouse en afzakkontbroek terwijl je nieuwe nette broek zich volzuigt met het warm geworden kauwgumpje van het pubertje dat geen zin had om het naar rotte bananen stinkende, overvolle prullenbakje aan te raken.

Ik vind stilte en plakkerige viezigheid niet bij elkaar passen. Dat is zoiets als ‘niet sptteren’ op een publiek urinoir schrijven en dan boos worden op de dronken kerels die naast dat kleine potje pissen. NS is tegen het einde van de spitsuren een soort rijdend publiek toilet, dus die stilte is vechten tegen gespetter na een vat bier.

In de stiltecoupé is het een ietsiepietsie schoner dan in andere coupé’s. En er zitten meestal wat meer zuurpruimen. Van die interessante boekenlezers die thuis geen tijd en puf hebben om te lezen. De Sssss-t roepers. De 1e klas-gedegradeerden, de protocollen-gelovigen. Niet dat ik van herrie hou, juist verre van dat, maar bevind ik me in zo’n naar scholierenzweet-rotte bananen-verwelkte-krantjes-en-gesmolten-kauwgum lucht van een NS veewagon met een 70 decibel aircoblazer boven mijn hoofd, dan kan ik er best nog een bak herrie bij verdragen.

Een ssssstilte coupe in en rond Amsterdam is een onmogelijke utopiaanse poging tot civilisatie in een niet geciviliseerde omgeving. En Amsterdammers zijn bovendien van nature luidruchtig, zelfs als ze zelf van mening zijn dat ze stil zijn. Limburgers die een dagje op stap naar Amsterdam gaan trouwens ook. De opwinding van de reizende mens in een plakkerige afgeragde wagon, zal het altijd blijven winnen van de Sssss-t roepers.

In treinen hoor je flarden van andermans levens. Ik hou ervan. Gluren met mijn ogen dicht. Ik vind het op zichzelf al een amusant fenomeen dat mensen in bijzijn van volslagen vreemden een luidruchtige duik in hun privéleven durven nemen. Een man die tegen zijn vrouw klaagt over dat hij alweer moest overwerken. Een zoon die aan zijn zusje vraagt wat mam heeft gekookt en dan z’n mattie belt om bij de pizzeria af te spreken. Een meisje dat verliefd is en giechelend ‘I missed you too’ fluistert. Ik hou van flarden van andermans gesprekken in treinen.

En met ogen open: De meisjes met lange witte benen in te korte broeken die ongemakkelijk zitten op warme dagen in volle treinen. En het pruilende jongetje met zijn vermoeide moeder die nog lang niet terug naar Limburg wil. Het Japanse stelletje dat hun bedeesde verliefdheid in blauw en fuchsia haar en serene glimlachjes laat dansen in het stoffige avondlicht door de vuil-gele ramen.

We rollen een station binnen. Het is avond.

Als ik de broeiende avondlucht instap, lijkt de stad en mijn ziel in het staartje  van ‘9th & Hennepin’ van Tom Waits te zijn geschoten.

Het is lekker. Bedank NS voor de inspirerende stille tochten die ik met jullie mag maken.

 

They all started out with bad directions

And the girl behind the counter has a tattooed tear

One for every year he’s away she said, such

A crumbling beauty, but there’s

Nothing wrong with her that

$100 won’t fix, she has that razor sadness

That only gets worse

With the clang and the thunder of the

Southern Pacific going by

As the clock ticks out like a dripping faucet

Till you’re full of rag water and bitters and blue ruin

And you spill out

Over the side to anyone who’ll listen

And I’ve seen it

All through the yellow windows

Of the evening train

 

 

Idiopatische wereld

Eva’s apple

‘Heddeguh-ut-werrem-ofzo?’ zegt een dame die naast me haar fiets parkeert. Oh ja, ik woon in Brabant. Ik kijk haar alleen maar aan, want het zweet druipt als een mini-Niagara over mijn voorhoofd, negeert mijn wenkbrauwen en spat uiteen op mijn zwarte fietsentas, via een bocht over mijn kin. Het is buiten 37C, ik heb een opvlieger die ergens gisteravond begonnen is en niet meer opgehouden. In het land der opvliegers ben ik ronduit ervarings-specialist geworden. Enkele jaren geleden vertelde mijn dermatoloog namelijk dat ik idiopatische hyperhidrosis heb. Ja, zoek dat maar eens op. Het verklaarde waarom ik sinds mijn 10e met een eeuwige zweetsnor en een nat voorhoofd rondliep en ik me later op de boerderij zo lichamelijk lekker voelde, ondanks de Andalusische zinderende zonne-uren. (Want op een boerderij mag je ongegeneerd zweten als een rund en als je zweet tussen de mensen, dan wapper je met je waaier en roep je van olé, que calor..

Ik heb het ooit aan een goeie vriend verteld, die mij vervolgens verklapte dat hij niet kon zweten. Hij was inderdaad een heel droog type, helaas veel te vroeg er tussenuit gepiept. Ik weet niet of er een verband is, maar sindsdien neig ik mezelf wijs te maken, dat zweten gezond is. Ik hoef nooit naar de sauna, ik draag altijd een sauna met me mee – instant. Gratis. No sweat-pants for me dus.

Zelf noem ik het liever de gekke zweetziekte, niet te verwarren met de Engelse Zweetziekte. Behalve de Gekke Zweetziekte heb ik ook een aangeboren huidziekte, waarvoor ik soms medicijnen gebruik waarmee ik niet in de zon mag. Ach, ik blog nooit over mijn lichamelijke kwalen, maar nu ik toch tot in de poriën ga, moet ik ook een complete beeld neerzetten.

Tijdens een hittegolf moet ik dus niet naar buiten, want dan loop ik leeg en voel ik me op het einde van een fietstochtje of een rondje airco-supermarkt als een stuk beef jerkey dat in een open verpakking te lang in het keukenkastje heeft gelegen.

Ik loop er niet te koop mee, maar soms voel ik de druk om het uit te leggen. ‘Wat zit dat mens nu te zweten?’ ‘Gaat het mevrouw?’ Bij vliegvelden bijvoorbeeld is het vreselijk. Krijg ik een aanval terwijl ik in de rij bij de douane sta, word ik steevast door een besnorde mevrouw of meneer uit de rij getrokken en tot nadere lichamelijke visitatie onderworpen en duikt er iemand met glanzende oogjes achter het röntgenscherm in de hoop een kilo drugs of een reusachtige partij neushoorn aan te treffen. Ik neem dus ook nooit pikante zaken mee in mijn koffer en ben altijd het dunst gekleed van de hele rij op vliegvelden.

Twee zomers geleden moest ik voor een TV serie naar Dubai en Abu-Dhabi. Ik herinner me die trip als een natte droom; ik was een wandelende oase.

De foto van de vrouw op het strand in Frankrijk, die zich moest ontkleden van de politie, greep me om verschillende redenen naar mijn strot. Als ik een strand bezoek dan lig ik ook met een doek over mijn hoofd en volledig bedekt namelijk. Niet omdat ik moslima ben, maar omdat ik anders als een lopende plas water met rode bulten de dag moet zien door te komen. En geloof me, dat is lastig op een Grieks strand of tussen de zwarte vulkaankorrels op La Gomera.

Ik ga dus zelden naar een strand in de zomerhitte. Omdat ik het geen reet aan vind om mijn kekke lijfje te verstoppen achter H&M doeken, terwijl ik overal om me heen moet kijken naar bobbelbillen met reetveters, kreeftrode schouderbladen met mee-eters, en ander visueel ongemak. Mocht iemand mij op het strand aantreffen, dat is dat net als vorige zomer, omdat ik mijn mannen een lol wil doen. Ik lees een boek of drie onder de parasol en volledig gesluierd en probeer de blik van mijn buurvrouw met aangeschroeide roodharige kindertjes en dito man te negeren. Ze vinden het gek dat ik hier ingepakt lig, kijken tersluiks naar mijn multiculturele respectievelijk geel-bruin en mokka-bruin gekleurde samengestelde gezin dat in de branding met een balletje speelt. ‘Ze mag vast niet zwemmen of bloot’ van d’er man’, hoor ik haar denken. ‘s Avonds toen zij met haar jengelende verschroeide grut en dito man naast ons in een restaurantje zat, bleek ze van Duitse bloede: ‘Guck mal, der Auslander hat zwei Frauen mit.’

Nu terug naar die foto. Ben ik blij dat we vorig jaar naar Griekenland gingen, ondanks dat het een beetje knaagde vanwege de vluchtelingen die aan de andere kant van het eiland maar bleven aanspoelen. De politie had zijn handen vol hier en van een bedekkings-verbod hadden de Grieken nog nooit gehoord. Ik kon dus lekker los met alle kleuren burkini’s en doeken die ik mee had genomen, zeven dagen lang. In Frankrijk had ik zo dus niet mogen recreëren. Zoals ook niet die meneer met die huidziekte, die dame die even voor het avondeten een kwartiertje naar de golven wil staren met haar kleren aan, de nonnetjes die hier pootje baden, of mijn buurvrouw die net haar zevende chemokuur achter de rug heeft. En ik.

Ik heb besloten dat ik een geplastificeerde kaart ga maken waarop mijn arts verklaart waarom ik wel (of niet) gekleed/bedekt ben. En dat het heel normaal is dat ik zweet/van kleur verander. (voor de douane). In vier talen. En op mijn donorcodicil laat ik opnemen: ALLES, behalve mijn gelaatsporiën!

Er zijn aanwijzingen dat de prikkel om te zweten ontstaat door een overactief zenuwstelsel waardoor er vanuit de hersenen een verkeerd signaal gestuurd wordt naar de zweetklieren. Ik zie het maar als een compliment van Moeder Natuur. Dat mijn hersenen verkeerde prikkels sturen naar mijn zweetklieren, is beter dan andersom denk ik dan maar. Dat ik zweet maar niet gek ben bedoel ik. 😉

Vive la liberté des nos pores!

Enge beestjes, Enzo Knol en andere puber-vriendelijke gespreksstof

pubers

“Worden wij nu ook van die ouwe zemelaars die op een verjaardag doorzemelen over hun verleden dat zo avontuurlijk was?” Dat vroeg laatst een vriendin aan me, tijdens een reünie-etentje. “Ik ben dat thuis al in elk geval.” Antwoordde ik. Ik trakteer man en zoon regelmatig ongevraagd op een avontuurlijke anekdote uit mijn Spaanse boerderij tijd. Want wat is nu leuker als indruk maken met stoere verhalen op twee jongens tegelijk?

Of.. Is dat echt leuk? Eigenlijk is het lastiger om indruk te maken op een 12 jarige dan een exelente marketingstrategie te bedenken voor een abstracte innovatie die nog gematerialiseerd moet worden. ..

Dus ik begin mijn anekdote; over enge beesten in de nacht deze keer. De 12 jarige kijkt me af en toe aan alsof hij denkt: ja, ja – en hier in Eindhoven ben je bang voor een spin in de huiskamer. Ik besef met de jaren die verstrijken hoe ongeloofwaardig mijn ecosofische avonturen soms moeten klinken in de oren van een jongen die ik nu een kop thee breng terwijl hij op zijn PlayStation mensen omver rijdt, voetballers transfert en zijn toekomstige stoere brugklassers-vocabulaire oefent op zijn mobieltje, terwijl hij met zijn derde oog op zijn ipad lacht om de slechte grappen van Enzo Knol.

Ik wil indruk maken met mijn stoere verleden, maar dat lukt niet altijd. Het online-avontuur lonkt altijd en is stukken meer ‘beleving’ dan die eendimensionale haardvuurverhalen van mij (zonder plaatjes, filmpjes en ontploffingsgeluiden).

Toch doe ik nog een poging, waaruit dat dit soort gesprekken rollen:

Hij: Zaten er grote spinnen in Spanje?

Ik: (dolblij met deze interessevraag) Heeeeele grote – en soms ook schorpioenen en reuze-duizendpoten! (ik werk naar het spannende scolupendra-avontuur en andere griezelverhalen toe..)

Hij: En was je dan niet de hele tijd bang? Hier ben je altijd bang voor beestjes..

Ik: nee, daar wen je wel aan, dat er allerlei beestjes rondkruipen (lieg-een-beetje)

Hij: verf jij je haren?

Ik: Hoezo? Wat heeft dat met die enge beesten te maken?

Hij: Gewoon, dat dacht ik. Je hebt zo’n vreemde kleur haar en het is zo dun.

Ik: zal ik je nog dat verhaal vertellen over de enge beestjes?

Hij: Heb je dat niet al verteld? Van dat je gebeten was door hoe-heet-zo’n-ding? En waarom ben jij nog niet grijs dan? Je bent toch al best oud?

Ik (nog net een opvlieger onderdrukkende) Ik ben wel grijs, maar dat zie je niet goed bij mijn kleur haar.

Hij ‘Maakte jij alle enge beesten meteen dood toen op de boerderij?’

Ik: Nee, alleen als ze in mijn huis rondkropen of als ze probeerden te steken of te bijten (ik rekende tot mijn huis ook het erf, de schuur en de bijgebouwtjes)

Hij: Heb je wel eens een heel groot dier doodgemaakt?

Ik: uh… (te lang nadenkend over de formulering ‘groot’ – bedoelde hij een groot insect of een koe hier?)

Hij (haakt alweer af): ..Weet je, iemand op youtube had voor een challenge een regenworm gegeten. Heb je wel eens een regenworm gegeten?

Van een ‘senior verhalenverteller’ was ik thuis in vijf vragen een ietwat schijterige beestjes-killingmachine met vreemd haar die niet eens ooit een regenworm had gegeten. Mijn opborrelende anekdote over ons geurloze wormen-compost-toilet op de boerderij, slikte ik nog net op tijd in.

We eten. (‘Je weet toch dat ik geen witlof lust!’ ) Geen spannend verhaal vandaag. Morgen nog eens proberen. De volhouder wint.

 

 

Zorgzaam – overleven in de rommelige achtertuin van Edith Schippers

Jeannes_gang_still9

Werken in de zorg lijkt me geen kattenpis. Het lijkt me hartstikke moeilijk om op basis van je menselijkheid je beroep uit te oefenen, terwijl de organisatie waarvoor je werkt en de politiek je het gevoel geven dat je een nummer bent – een vervangbaar radertje dat zich voortdurend maar moet aanpassen aan nieuwe regels, wetten, reorganisaties, bezuinigingen, nieuwe managers, teams, locaties, vooruitzichten of geen vooruitzichten. Een radertje in een puffende en krakende klok die achter zijn eigen tijd aansukkelt. 

In de jaren tachtig en negentig werkte ik zelf in de zorg voor –destijds nog veroorloofde termen – verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten. De wereld van de psychiatrie en zorg was mij dus niet geheel onbekend toen ik enkele jaren geleden besloot tot het maken van deze film. Toch sloeg ik niet bepaald van verrassing achterover toen ik voor de film in 2011 weer achter de schermen van de zorg mocht rondkijken. Ja, de tilliften waren wat handiger inmiddels, het beleid was her en der van nieuwe terminologie voorzien. De snoezelkamer werd (weer) opslagruimte en de tandems stonden te roesten in het schuurtje.  Het groepje bewoners dat ik filmde woonde al vele jaren langer dan de bedoeling in een ‘tijdelijke’ noodbouw die bestond uit geschakelde porta-cabins. En ondanks de goedbedoelde pogingen van de medewerkers om er nog iets leuks van te maken, en het gebouw wettelijk gezien nog aan de eisen voldeed, was het zo’n gebouw waarvan je hoopt dat je er nooit per ongeluk terecht komt.

En ondanks dat het er allemaal niet zo fleurig en gezellig uitzag, voelde ik meteen: er werd goed gezorgd voor de patiënt en voor elkaar. Er was warmte, genegenheid en een zoete chaos die een beetje hoort bij afdelingen als deze. Ik zag een vermoeid, maar ook keihard werkend team, dat misschien wel moeilijkste afdeling van de GGZ runde met ervaring en liefde, met hart en kunde – en met de bescheiden middelen die ze hadden.

In de grote kantoortoren slechts 60 meter van de afdeling, ruikt het naar toner, tandpasta en linoleumvloeren. Er zitten managers en medewerkers in ergonomisch verantwoorde stoelen. ‘Dit is het oude instellingsgebouw, de kliniek.’ vertelt de medewerkster mij als we in het trappenhuis langs de witte anti-zelfmoordnetten omhoog lopen. We praten over de leaflets en de filmposters. Ik probeer me voor te stellen hoe hier mensen gewoond hebben. Ook Jeanne uit mijn film heeft in deze toren gezeten.  iet de leukste tijd van de psychiatrie. Iemand had – met resultaat – goed zijn best gedaan om het psychiatrische ziekenhuis te verstoppen achter rustgevende kantoorkleuren en lompe meubels. Maar er hinh een tristesse in de gangen, die je met geen Heuga-tapijt of lachende patiënten op folderrekken wegpoetst. Alsof het gebouw zichzelf niet meer was, of misschien wel nooit geweest. Vanuit de vergadertafel van de beleidsafdeling keek ik neer op de kleine, naargeestige crèmekleurige dozen waar mijn film zich zou afspelen. 

Naastenliefde en zorg, dus empathie kun je niet doorvergaderen, tot communicatie- of marktmodel vertimmeren, of ‘bij-injecteren’ in een maatschappij waar iedereen zich rot rent om zijn eigen ziel en zaligheid geregeld te krijgen. We hebben het veel te druk om onze gekke zus, tante of vader in huis te nemen. Of we hebben er simpelweg niet de middelen voor om intensief voor een ander te zorgen. Of niet de puf of expertise. Je kunt het zelfs niet afdwingen met een wet. Empathie, leerde ik tijdens de film, is nu juist datgene dat door de huidige zorgpolitiek zachtjes gedood wordt. Ons zorgsysteem ontwikkelt visies en beleid dat antipathie, verwarring en uiteindelijk nog meer zorg oplevert.

Voor de film interview ik Marja, een ervaren GGZ-professional en ten tijde van de opnames teamleider van de afdeling. Marja vertelt dat er te weinig tijd is, maar dat ze er alles aan probeert te doen om toch zoveel mogelijk aandacht aan haar bewoners te geven. Met sommige patiënten is Marja afgelopen veertig jaar meeverhuisd van de ene transitie naar het volgende gebouw. Ze heeft levens begeleidt die lastig waren, levenslang. En dwars door alle politieke gezeik en reorganisaties heen. Mensen als Marja hebben onze zorg mee opgebouwd. Ze begrijpen de binnenkant, de ziel van de zorg en zetten die vanuit hart en ziel voort, ondanks alle reorganisaties, transities en vergaderingen. Zonder die bezieling van al die professionals en vrijwilligers zoals Marja, is onze zorg helemaal niks. Edith Schippers is bijvoorbeeld inwisselbaar als een tillift; bij de volgende verkiezingen nemen we een poppetje waaraan we een paar jaartjes minder zwaar hoeven te tillen.

De Marja’s zijn niet inwisselbaar. Sterker nog, ze zijn enkele decennia onderworpen aan roofbouw en worden uitgeput door het systeem dat hen tot hun pensioen behandelde als een radertje. Helaas wordt er te weinig naar mensen zoals Marja geluisterd (en gekeken).

En toch doen die tien duizenden mensen elke dag gewoon hun werk. Ze ZORGEN. Ook voor Edith’s gekke achterneef en verlamde tante, de moeder van van Rijn, voor haar verslaafde achterbuurvrouw of doorgedraaide neef en misschien wel voor jou of mij ooit.

Dat vind ik een ongelooflijke prestatie.

Dus eigenlijk gaat de film niet over problemen in de zorg. Maar over datgene dat we in onze drang naar systeemvernieuwing neigen te vergeten: het simpele kijken naar de mens en hoe die overleeft in de rommelige achtertuin van Edith en de anderen.

Update 7 september 2016: : De toernee zit erop en het was inspirerend. De film is te bestellen op DVD voor 12,50

Ps. Wie ik nooit in levende lijve heb mogen ontmoeten tijdens deze filmproductie:  de bewindvoerders en door rechters aangewezen mentors, de afdelingspsychiater die met open mond achterin het zaaltje zat bij de premiere, maar nooit reageerde op mijn mails, de afdeling juridische zaken die mij aangetekende brieven stuurde en mij sommeerde tot een hermontage van de film na een klacht van familie, de familie die klaagde dat hun familielid niet mocht vertellen voor de camera dat ze nooit bezoek kreeg, haar mentor, die bepaalde namens de wilsonbekwame bewoonster dat zij niet haar verhaal mocht vertellen, de directeur die nooit op de premiere kwam, de nieuwe manager die het teamhoofd en de andere helft van het team ontsloeg en nu een nieuwe werkwijze implementeert met haar nieuwe stagiaires. 

filmagenda 2015 – 2016: 

12 mei: Rosmalen, GGZ terrein + livemuziek van Peter

12 november Cacaofabriek Helmond & Q+A

24 november Noordkade Veghel & Q+A

12 januari: Theater De Wijer Boxmeer

20 januari: Oss

23 januari: De Nieuwe Scene Venlo + podiumprogramma

17 februari: ECI Roermond + zaalgesprek

1 maart: Huize Padua Oss

6 september: Eer en Waardeer podium Amsterdam + workshop

Hemingway in de Action

Afbeelding

In mijn nieuwe straatje staat een gedicht op de muur van Daan Doesborgh. De woorden raakten me nu pas, alhoewel ik er al honderden keren voorbij moet zijn gelopen. Daan moet piepjong zijn geweest toen hij het geschreven heeft, want de kleuren en mijn herinnering aan Daans gezicht zijn beiden al een tikje vervaagd.

Ook de naam van de kroeg waar ik straks tegenover woon raakt me opeens: Hemingway. Ik was al eens eerder in een vlaag van romantiek beland in een stad waar Hemingway prominent aanwezig was en gedichten van Rilke me op de been hielden. Hier 2.500 kilometer vandaan. In deze kroeg had ik mijn rijbewijs ooit in twee carnavals bij elkaar getapt en talloze keren geluncht met collega’s in de tijd dat ik nog talloze keren lunchte met talloze collega’s (ooit voor de crisis).

Het leven herhaalt zich in golfjes van herinnering en weemoed vandaag. En ik fluister zacht: Hallo Venlo, ik ben terug, ken je me nog?

Mijn nieuwe huisje is niet groot, maar maakt niks. Ruimte zit opeens in mijn borstkas en hoofd, ik tel vierkante meters vandaag heel anders dan gisteren. Ik tel al sinds dagen in horizonten.

Ik ontdek twee grote lantaarns naast mijn toekomstige ramen en zie dat het Italiaanse restaurantje waar ik straks boven ga wonen een Spaanse naam draagt. Ook weer een prachtig woordelijk toeval dat een nieuw lusje maakt in mijn herinnering. Wat een geluk toch weer, om straks tegen bezoek van verre te kunnen zeggen: Daarginds, bij Ernest Hemingway en Daan Doesborgh, tussen die twee grote lantaarns.’ In het Spaans klinkt het nog romantischer. Ik schiet nu eenmaal vol van dit soort beeldromantiek.

Ik stel me voor hoe ik daar volgende week mijn eerste slapeloze nacht zal doorbrengen, met het schijnsel van die lantaarns zwakjes door de gordijnen. En hoe ik de eerste dagen ’s ochtends verwachtingsvol uit bed spring met een onbestemd vakantiegevoel om te kijken hoe het ochtendlicht binnenvalt in de keuken. Hoe ik koffie drink in een streep zonlicht in pyjama in de keuken en hoe ik voor het eerst de overbuurman groet.

En opeens is het daar: een plek die om je heen als een lekkere jas. Thuis. Kom binnen.

Zodra ik de straat uit loop, begint het echte leven weer. Ik struin na mijn werk 2e hands meubelzaken af, bel met de meest gekke figuren die je via Marktplaats opduikelen kunt en ik loop af en toe binnen bij de Action, voor alle onnozele dingen die je zoal vergeet bij een huishoudelijke herstart. Bij de Action – de andere kant van het spectrum opnieuw-beginnen-romantiek’- kom ik een collega tegen. Ik probeer inkijk in mijn mandje te voorkomen, maar moet toch met de billen bloot even later op de lopende band bij de kassa: 4 witte aardappelschilmesjes; vier witte hoeslakens, Een witte schemerlamp, Dove Antirimpel Bodycreme en een pyama met lichtgevende parkieten. (om toch een beetje op te vallen in al dat wit) Ik grijns wat en hij grijnst wat terug met een vette knipoog. Ik hoef niet eens iets uit te leggen, want hij zegt ‘sterkte’ en klopt op mijn schouders bij het weggaan. De wereld begrijpt elkaar beter bij de Action. Wat zou Hemingway daar van gedacht hebben..

Vlees verteren doe je zo – mEATing

Afbeelding

Op een niet al te knus industrieterrein te Udenhout bezocht ik vandaag  de #mEATing – een kunstmanifestatie met als titel: ‘’Kill your darlings”. Voor wie zijn vermoeide food-discussie-hersenen een keer een hele andere prikkel van jewelste wil geven, is deze expo een aanrader. Welkom in het paralleluniversum van onze wonderbaarlijke verhouding met VLEES.

In een lege, fel verlichte koelcel, op de vlekkerige vloer ligt een klein roze varkentje met twee hoofden.  Kwetsbaar en verloren – lief bijna. Je wil wegdraaien, maar ook kijken. Omdat het zo onnatuurlijk en zielig is –misvormd en eenzaam. Ik loop weg, het beeld kwetst me .

Op de gang bots ik tegen een jongeman die mij een hapje aanbiedt van een grote schaal. ‘Het zijn de testikels van een schaapje met groene peterseliemayonaise mevrouw.’ Bij het woord testikels – exact bij de tweede lettergreep (ti) had ik al gekauwd en geslikt – de andere helft nog in mijn mond. Dat is een vreemd gevoel: het woord tuimelt langzamer door je besef dan de testikel door je slokdam zakt. En er was ook geen plantenbak in de buurt. Dus ik ben met een halve schapetestikel in mijn handtas van Udenhout naar Venlo gereden vannacht.

Een naakte dame ontwaakt op een slachttafel, laat lapje vallen, kleedt zich aan – zwarte string, witte pyama, witte rubberlaarzen – en steekt met een groot slagersmes in de buik van een levensgroot varken van winegummiebeertjessnoep. Terwijl ze snijdt en hakt, vloeit er rode wijn over slachttafel en vloer. Het lijkt dan opeens een beetje echt – al weetje dat varkens van gummieberensnoep niet kunnen bloeden natuurlijk, of dat dames nooit slachten met witte pyama’s en strings aan. Het publiek mag proeven. Een flinkerik  neemt een slokje van het gummiebeertjesvarkensbloed en probeert neutraal te kijken. Ik probeer neutraal weg te glippen.

Mijn film #vleeswording draait in een prachtige koelcel – ik zou hem zelf uitgezocht kunnen hebben, die koelcel. Op de witte, glimmende wandtegeltjes zie ik Berend Vroom ham snijden met tegelvoegen in zijn gezicht. Ik krijg instant heimwee als ik  ook Manolo en Juan op de tegeltjes zie verschijnen. Een dame naast me hopst een beetje mee met de filmmuziek. Mooi, ik heb nog nooit iemand zien dansen bij mijn films.

Buiten bij de rokers, waar ook meestal de wijndrinkers zijn, vertelt een nette dame enthousiast en plastisch hoe ze op haar begrafenis alle gasten op bloedworst van eigen bloed gaat trakteren. Dacht ik hier te maken te hebben met een Udenhoutse ontsnapte kannibaal – nee. Ze maakte een grapje dat verwees naar een van de kunstwerken die ze zojuist binnen had gezien en waar ze nogal van onder de indruk was.

Als laatste de confrontatie met de naakte grote man van Virgilius Moldovan. Het zijn geen beelden, het zijn daadwerkelijke, bijna fysieke confrontaties, deze grote onplezierige lichamen vol adertjes en huidvlekken, de dood doorschemerend en toch zo levend. De naakte grote man kijkt naar een zwevende schijf boterhammenworst zo groot als een auto. Tien meter verderop hangen XL geslachte koeien van knuffelbaar stof uit te bloeden. Hun textiele ingewanden op de vloer. In deze hal zou ik wel een weekje willen vertoeven.

Weer een jongeman met zilveren dienblad; donkerbruine vierkantjes deze keer. Ik denk meteen enge bloedworst, zwarte schapenballen en ander onfris vleeswaar, maar het blijken heerlijke Italiaanse fondantachtig chocoladedroompjes met een toefje roomijs. ‘Pas op, het bolletje valt er altijd af!’ Italianen hebben altijd gelijk. Maar ach, een bolletje roomijs op je laars valt helemaal niet op hier, dus ik doe net of het zo hoort.

Het is misschien allemaal wat overweldigend voor een vrijdagavond na een zware week. Maar ik ga zeker nog eens kijken – de mEATing moet je in delen doen; vlees verteerd traag – net als testikels in slokdarmen.

Meating dus. Udenhout 1 – 30 november. Energieweg 30.

Deelnemende kunstenaars: Joep van Lieshout, Tinkebell, Arne Hendriks, John O’Shea, Sascha Landshoff, Moritz Ebinger, Startel, Ruangsak Anuwatwimon, Sonja Bäumel, Jak Beemsterboer, Eric Jan van de Geer, Sjim Hendrix, Jan van IJken, Fardou Keuning, Anna Lange, Virgilius Moldovan, Tanja Nabben, Jet Nijkamp, Marleen Oud, Marianne Peijnenburg, Annika Sakic, Tineke Schuurmans, Ajla Steinvåg, Andrea Stultiens, Tomm Velthuis, Hugo Palmar, Bert Frings.

de Bottom- en de Upwereld – clash of civilisations #2

AfbeeldingEen collega uit Nijmegen zette vanochtend dit bericht op Facebook:

 

“Waar gebeurd vandaag. Bijzondere bijstand aanvragen, zodat een mevrouw eindelijk een bed kan kopen. Zegt dame van bureau inkomensondersteuning…”als ze al tien jaar op de bank slaapt zoals u zegt, waarom heeft ze dan een bed nodig?”

 

Van dit soort berichten ga ik janken. Dit geeft in een notendop weer hoe groot de kloof kan zijn tussen de echte wereld en de papieren natte droom van onze top-ambtenaren en hun wijze adviseurs die zelfsturende burgers willen boetseren. Blijkbaar wordt die kracht aan de onderkant, achter de balie of tijdens een lastig intakegesprek, al in de oorsprong verkracht. Weten de beleidsmakers en beslissers eigenlijk wel hoe cru er vaak omgegaan wordt met mensen die het moeilijk hebben? Ik ben bang van niet.

 

Met argwaan zie ik al jaren in de media de juichberichten en hijgrapporten voorbij komen over ontzettend zinvolle achter-de-deur-communicatie-modellen bij de mensen van de bottom. Want die kunnen soms hun huren niet betalen en hebben misschien wel een rollator met veel te luxe rubberbandjes in hun schuur staan, of een losgeslagen inwonende zoon die zich voordoet als mantelzorger, maar eigenlijk in het diepste geheim een wietplantage op de badkamer van zijn door een herseninfarct getroffen moeder exploiteert, vechthonden fokt in de schuur van zijn blinde buurvrouw, of gewoon echt elke dag een uur in de weer is met het zwachtelen van ma’s oedeembenen. Je hebt goed getrainde mensen nodig om deze bottom-bewoners op de juiste wijze in het juiste rapport te stoppen. Want alleen dan – zeggen de bottom-up-deskundigen van ons land – kun je ze begeleiden naar een meer zelfregisserend leven, co-creatieve wijk-activiteiten, goed buurmanschap enzo.

 

Een van de meest misbruikte en verkeerd geïnterpreteerde begrippen die erg in zwang is geraakt bij o.a. ambtenaren vind ik dus “Bottom Up”.  ‘’De echte beweging moet van onderuit komen!” Roept beleidsmaker, hoogleraar, afdelingshoofd of manager. Klein detail: zelf hebben de top-down-denkers die ‘bottom-up’ prediken, meestal weinig met de ‘bottom’.  Want als bottom-up filmer, en verhalenmaker met een bottom-bottom-jeugd, wonende in een (heel gezellige) bottombuurt, weet ik als geen ander dat dezelfde mannen en vrouwen die vanuit de top onze bottom moeten gaan prikkelen, mediaten of consulten om meer autonomie, zelfregie en  (jawel) zelfs burgerlijk geluk en maatschappelijk verantwoord gedrag te genereren, ’s avonds in hun mooie Volvo naar hun vrijstaande villa in up-land zoefen.  En met een grote bocht de bottom-buurt omzeilen, hun zeilende tieners en culinair getalenteerde kleuters krampachtig weghouden van de bottom-scholen (voor de Zwarte Piet discussie nog zwarte scholen genaamd) en de knutselclubs in het ordinaire buurthuis.

 

Bottom-up bestaat niet. Tenminste niet zolang de bottom behandeld wordt door de up, alsof het een prachtig innovatief sociologisch experiment betreft. Er  is een parallelwereld ontstaan die voornamelijk bestaat uit woorden, rapporten, onderzoeken en systemen. Er gaan miljoenen om in het onderzoeken naar de wijze waarop de ‘upwereld’ de bottomwereld moet leren begrijpen (en betreden) zonder dat er volksopstanden of andere vervelende wrijving ontstaat die klauwen vol geld kosten.  Heisessies, trainingen, adviestrajecten, postacademische masterclasses – De bottom is de nieuwe markt, de gewone mensen zijn hot!  Hun problemen worden omgetoverd tot uitdagingen, hun positie in de maatschappij gedegradeerd tot een ordinaire kostenpost. Jawel, de bottom-mensen mogen zelfs participeren (als ze een goed voorbeeld zijn) in de  ‘upwereld’    de wereld waar mensen ruim voldoende geld verdienen om zich 100% aan diezelfde ‘bottom’ te kunnen onttrekken – behalve als het binnen werktijd valt. Nederland formatland – ooit een land van vrijdenkers – schiet weer onelegant terug in de kramp van verzuiling en maatschappelijke stigmatisering.

 

Ik werk en leef in beide werelden en zie steeds meer up-land-bewoners die (emotioneel of spiritueel geraakt door de crisis?) vastberaden hun carrière omgooien om de bottom-up-mensen te leren begrijpen, adviseren, sturen, interpreteren of onderzoeken. (Maar zelden financieren trouwens – hoe zou dat eigenijk komen?) De visie en denkwijze die heerst, leidt tot een compleet nieuwe markt in deze crisis: Want wie wil nu niet vet betalen voor DE oplossing waarmee je de bottom rustig en economisch stabiel kunt houden?

 

De up-elite zou in theorie dus de hele transitie van maatschappelijk Nederland moeten runnen en in goede banen leiden, maar dat is natuurlijk een hele ouderwetse en typisch manier van veranderen zonder te veranderen. Al is ‘top-down’  inmiddels een vieze term geworden en helemaal niet meer hip in de up-wereld, het is wel nog de enige term die recht doet aan het gedrag van onze nieuwe generaties up-veranderaars.

 

In mijn film Droomwijk in 2008 vroeg ik een destijds naar verandering snakkende wethouder wat het doel was van de destijds al in Venlo ingevoerde ‘achter-de-deur-gesprekken’ bij mensen die moeite hadden met het feit dat hun wijk werd afgebroken en dat ze werden verkast naar een ander stadsdeel. Zijn antwoord was vrij duidelijk: “Sommige mensen moet je dwingen om gelukkig te maken.”

 

Ga ik even terug naar de ambtenaar die zich afvroeg waarom mevrouw de bottom-burger niet gewoon op de bank kon blijven slapen. Ik zou deze ambtenaar graag eens een dagje meenemen op een heisessie. Als schaap wel te verstaan – en haar een heel droog grasveld laten opkauwen. Mag ze daarna een maandje ‘couchsurfen’ op mijn goedkope Ikea-bank.

 

Misschien wel een idee: Een Couch-Surf-project met alleen Uplanders en bottomlanders. Mag meneer Rabobank of meneer ambtenaar een weekje bij mij of de buurvrouw op de bank, en wij vice versa een weekje op de Breuer designsofa van meneer ambtenaar.  

 

(Met dank aan Louis de Mast – die mij vanochtend met zijn FB-bericht tot deze kleine kortsluiting triggerde)