Idiopatische wereld

Eva’s apple

‘Heddeguh-ut-werrem-ofzo?’ zegt een dame die naast me haar fiets parkeert. Oh ja, ik woon in Brabant. Ik kijk haar alleen maar aan, want het zweet druipt als een mini-Niagara over mijn voorhoofd, negeert mijn wenkbrauwen en spat uiteen op mijn zwarte fietsentas, via een bocht over mijn kin. Het is buiten 37C, ik heb een opvlieger die ergens gisteravond begonnen is en niet meer opgehouden. In het land der opvliegers ben ik ronduit ervarings-specialist geworden. Enkele jaren geleden vertelde mijn dermatoloog namelijk dat ik idiopatische hyperhidrosis heb. Ja, zoek dat maar eens op. Het verklaarde waarom ik sinds mijn 10e met een eeuwige zweetsnor en een nat voorhoofd rondliep en ik me later op de boerderij zo lichamelijk lekker voelde, ondanks de Andalusische zinderende zonne-uren. (Want op een boerderij mag je ongegeneerd zweten als een rund en als je zweet tussen de mensen, dan wapper je met je waaier en roep je van olé, que calor..

Ik heb het ooit aan een goeie vriend verteld, die mij vervolgens verklapte dat hij niet kon zweten. Hij was inderdaad een heel droog type, helaas veel te vroeg er tussenuit gepiept. Ik weet niet of er een verband is, maar sindsdien neig ik mezelf wijs te maken, dat zweten gezond is. Ik hoef nooit naar de sauna, ik draag altijd een sauna met me mee – instant. Gratis. No sweat-pants for me dus.

Zelf noem ik het liever de gekke zweetziekte, niet te verwarren met de Engelse Zweetziekte. Behalve de Gekke Zweetziekte heb ik ook een aangeboren huidziekte, waarvoor ik soms medicijnen gebruik waarmee ik niet in de zon mag. Ach, ik blog nooit over mijn lichamelijke kwalen, maar nu ik toch tot in de poriën ga, moet ik ook een complete beeld neerzetten.

Tijdens een hittegolf moet ik dus niet naar buiten, want dan loop ik leeg en voel ik me op het einde van een fietstochtje of een rondje airco-supermarkt als een stuk beef jerkey dat in een open verpakking te lang in het keukenkastje heeft gelegen.

Ik loop er niet te koop mee, maar soms voel ik de druk om het uit te leggen. ‘Wat zit dat mens nu te zweten?’ ‘Gaat het mevrouw?’ Bij vliegvelden bijvoorbeeld is het vreselijk. Krijg ik een aanval terwijl ik in de rij bij de douane sta, word ik steevast door een besnorde mevrouw of meneer uit de rij getrokken en tot nadere lichamelijke visitatie onderworpen en duikt er iemand met glanzende oogjes achter het röntgenscherm in de hoop een kilo drugs of een reusachtige partij neushoorn aan te treffen. Ik neem dus ook nooit pikante zaken mee in mijn koffer en ben altijd het dunst gekleed van de hele rij op vliegvelden.

Twee zomers geleden moest ik voor een TV serie naar Dubai en Abu-Dhabi. Ik herinner me die trip als een natte droom; ik was een wandelende oase.

De foto van de vrouw op het strand in Frankrijk, die zich moest ontkleden van de politie, greep me om verschillende redenen naar mijn strot. Als ik een strand bezoek dan lig ik ook met een doek over mijn hoofd en volledig bedekt namelijk. Niet omdat ik moslima ben, maar omdat ik anders als een lopende plas water met rode bulten de dag moet zien door te komen. En geloof me, dat is lastig op een Grieks strand of tussen de zwarte vulkaankorrels op La Gomera.

Ik ga dus zelden naar een strand in de zomerhitte. Omdat ik het geen reet aan vind om mijn kekke lijfje te verstoppen achter H&M doeken, terwijl ik overal om me heen moet kijken naar bobbelbillen met reetveters, kreeftrode schouderbladen met mee-eters, en ander visueel ongemak. Mocht iemand mij op het strand aantreffen, dat is dat net als vorige zomer, omdat ik mijn mannen een lol wil doen. Ik lees een boek of drie onder de parasol en volledig gesluierd en probeer de blik van mijn buurvrouw met aangeschroeide roodharige kindertjes en dito man te negeren. Ze vinden het gek dat ik hier ingepakt lig, kijken tersluiks naar mijn multiculturele respectievelijk geel-bruin en mokka-bruin gekleurde samengestelde gezin dat in de branding met een balletje speelt. ‘Ze mag vast niet zwemmen of bloot’ van d’er man’, hoor ik haar denken. ‘s Avonds toen zij met haar jengelende verschroeide grut en dito man naast ons in een restaurantje zat, bleek ze van Duitse bloede: ‘Guck mal, der Auslander hat zwei Frauen mit.’

Nu terug naar die foto. Ben ik blij dat we vorig jaar naar Griekenland gingen, ondanks dat het een beetje knaagde vanwege de vluchtelingen die aan de andere kant van het eiland maar bleven aanspoelen. De politie had zijn handen vol hier en van een bedekkings-verbod hadden de Grieken nog nooit gehoord. Ik kon dus lekker los met alle kleuren burkini’s en doeken die ik mee had genomen, zeven dagen lang. In Frankrijk had ik zo dus niet mogen recreëren. Zoals ook niet die meneer met die huidziekte, die dame die even voor het avondeten een kwartiertje naar de golven wil staren met haar kleren aan, de nonnetjes die hier pootje baden, of mijn buurvrouw die net haar zevende chemokuur achter de rug heeft. En ik.

Ik heb besloten dat ik een geplastificeerde kaart ga maken waarop mijn arts verklaart waarom ik wel (of niet) gekleed/bedekt ben. En dat het heel normaal is dat ik zweet/van kleur verander. (voor de douane). In vier talen. En op mijn donorcodicil laat ik opnemen: ALLES, behalve mijn gelaatsporiën!

Er zijn aanwijzingen dat de prikkel om te zweten ontstaat door een overactief zenuwstelsel waardoor er vanuit de hersenen een verkeerd signaal gestuurd wordt naar de zweetklieren. Ik zie het maar als een compliment van Moeder Natuur. Dat mijn hersenen verkeerde prikkels sturen naar mijn zweetklieren, is beter dan andersom denk ik dan maar. Dat ik zweet maar niet gek ben bedoel ik. 😉

Vive la liberté des nos pores!

Vaarwel oer-Hollands truttentijdperk

images-5 

De Hema gaat dood en dat is best jammer

Ik ben al sinds 1969 klant van de Hema – mijn moeder kocht er mijn katoenen luiers en pyama’s, elke zaterdag een pond roomboterkoekjes, ’s winters rookworsten. Ik kocht er later mijn fluitketels, notitieboekjes, pennen, appeltaarten, bikini’s, agenda’s, sportsokken, bureaulampjes en gordijnen.

Sinds kort woon ik zelfs op steenworp afstand van de Hema en slenter ik elke ochtend voor een warm stokbroodje en een onsje kaas of worst even naar binnen. De meeste vrouwen die bij de Hema werken, werkten daar al toen ik 14 was – ongeveer 300 jaar geleden. De kinderen van de Hemamoeders woonden weliswaar in net zo’n gewone buurt als ik, maar zij zaten op tennis. Ik niet. Ik zat op tafeltennis omdat mijn buurman tafeltennispenningmeester was en bij de Pope werkte op de fabriek. Hema was niet sjiek, maar wel een stevig winkelmonument in de levens van onze moeders, buurvrouwen en het mijne. Waar ter wereld bestaat er een winkel waar je nieuwe ondergoed naar rookworst ruikt? En waarom schaamde ik me als puber dood om met een tasje van de Wibra (voorheen Brons) over straat te moeten, maar was een tasje van de Hema nooit een probleem?

 De Hema heeft dus een ontzettende rol gespeeld in mijn leven wil ik maar even duidelijk maken.

 Nu maak ik mij ernstig zorgen de laatste maanden over de toestand van de Hema.

 Vanochtend ontdekte ik bijvoorbeeld dat de broodjes die ik koop niet echt warm zijn van het vers afbakken, maar gewoon warm van de belachelijk hete jaren negentig lampen die de godganze dag op die plexiglazen vitrinebak schijnt als een mediterraanse zon. En dit misplaatste lichtontwerp verwarmt niet alleen de levensmiddelen, maar ook die arme Hema-moeders (waarvan een groot deel reeds oma!) zitten zich helemaal het sop te zweten onder die lampen voor een luttel loontje. De meest eigenwijze medewerksters – heb ik mij laten vertellen op de broodafdeling – weigeren in verband met die hitte de voorgeschreven Hema-kleding te dragen, aangezien deze gemaakt is van dikke, dubbelgeweven katoen dat niet alleen warm is, maar waar je ook knoeperds van zweetplekken ziet onder je oksels. De vrouw die me dit vertelde had haar make up al tot een onduidelijk expressionistisch schilderij weten te vegen en dronk tussen elke kassa aanslag door demonstratief een slok water uit een flesje. De hitte had niet alleen haar make-up, maar blijkbaar ook haar geheugen enigszins aangetast, want ze had het verhaal al zeven keer aan me verteld deze maand.

 De Hema is in de overgang.

Gisteren wist ik nog een oude man met een zuurstofslangetje in zijn neus van een gewisse Hema-klaplong te redden. Hij had het deurtje van de koelvitrine te snel geopend en het temperatuurverschil kwam zo hard aan dat hij zich bijna een klaplong schrok en achterover viel in het rek met Jip en Janneke snoepgoed. Door alle toestand vergat ik mijn bakje verse Hema-hummus, dat ik even neergezet had tussen de Jip en Janneke rozijnen omdat ik die man uit het rek moest vissen. En als ik ergens een pestpokkenhumeur van kan krijgen is als mijn Hema-hummus op is.

De volgende ochtend ging ik terug voor mijn hummus, die gelukkig nog op dezelfde plek stond. Ik vroeg aan de dame die gisteren ook aanwezig was tijdens het bijna klaplong incidentje of ik de hummus kon ruilen tegen een verse uit de koeling, omdat deze in de hete winkel had gestaan. Heel even dacht ik dat ze een grap maakte toen ze zei: ‘Daar moet u even voor langs de klantenservice.’ Ze bedoelde dus het rommelige meestal onbemande hoekje tien meter verderop waar nu toevallig een rij stond van jewelste/ Ja dat bedoelde ze. Ik strompelde, spontaan overvallen door een ontzettende vermoeidheid, terug naar huis. Alweer zonder hummus.

Terwijl ik dit schrijf besef ik me dat de zwetende Hema het einde van ons oer-Hollandse truttentijdperk aankondigt. Op zichzelf en in het grote geheel bekeken is dat gezond en mooi. Het heet vooruitgang. Maar waar ik wel van baal is dat een oerdegelijk eigenzinnig concept sterft en verstoft onder mijn ogen – ik hou van vernieuwing, maar ben ook een oud sentimenteel wrakje als het om de monumenten uit mijn jeugd gaat.

Ook dat is overgang.

Ps. Ik heb vanavond meteen een paar kilo kikkererwten gekocht – morgen nog een laatste keer naar de Hema voor een staafmixer…