Luchtpost

 

images

Een brief van overzee leest altijd anders dan een ordinaire mail van de om de hoek. Mijn moeder stuurde me in Spanje altijd lichtblauwe luchtpostbrieven. NIet dat het nodig was, maar ze vond het mooi. Net als ik, hield ze van de romantiek van Juan de postbode die helemaal naar de stad moest rijden voor haar brief, mij dan op zijn brommer of ezel kwam uitnodigen in het postkantoortje van zijn moeder, waar die blauwe brief lag. Juans moeder die mij vervolgens vroeg om haar de brief voor te lezen al verstond ze er niks van.

Een blauwe luchtpostbrief was als een geschenkje uit de lucht, een cadeautje van een plek waar ik me soms heel ver vandaan voelde. En niet alleen voor mij, ook Juan, zijn oude moeder en de vrouw van de bakker hadden een goeie dag als ik een blauwe enveloppe kreeg.

De kleine bolle letters, die naarmate de brief vorderde minder witruimte kregen in de breedte en van het papier afglipten op het einde van de te lange zinnen. Het knisperende papier als je de envelop voorzichtig openvouwde. Soms meende ik zelfs de geur van mijn ouders huis in het papier te ontwaren. Er zat een zekere tederheid in een luchtpostbrief.

De onderwerpen waren koetjes, kalfjes, soms een geboorte, een dode en meestal eindigend met ”het gaat hier zijn gangetje”. Er waren geen diepe analyses, geen vragen, maar een volledig gedetailleerde omschrijving van de verzamelde levens van mijn zussen, broer, ouders, buren, kleinkinderen of soms zelf mensen die ik niet eens meer kende.

Zo’n brief was mijn substituut voor het normale familieleven dat ik in de afgelegen bergen niet leefde. Zo’n brief waren 30 kopjes koffie met mijn moeder aan de keukentafel, 15 ritjes van Venlo naar Blerick. 100 diepe zuchten. 15 zachte zoenen op mijn wang als ik weer wegging. 15 kopjes soep. 15 x ben je wel voorzichtig?

De mooie blauwe ogen –dezelfde kleur als het luchtpostpapier – en de kleine oude hand van Catalina als ze met een plechtig gebaar de brief voor me neerlegde. Cuentame! Zei ze, terwijl ze twee kopjes cola-cao maakte en het vel van de melk voor me eraf roerde. En ik las voor, in het Nederlands, over hoe mijn moeders leven haar gangetje ging, inclusief geboortes, af en toe een dode en een oninteressant verhaal over iemand die ik niet meer kende.

Al verstond Catalina er niks van, ze pinkte altijd een traantje weg tegen het einde.

Als ik wegging gaf ze me twee zachte zoenen op mijn linkerwang.

En zo keerde ik terug naar onze vallei, met een blauwe brief vol tranen en een onbestemd gevoel dat tussen heimwee en weemoed hing.

We digitaliseren. En dat is mooi, maar nu ik een oude luchtpostbrief van mijn moeder in mijn handen heb, voel ik weer dat onbestemde: tussen heimwee en weemoed. Mijn moeder en ik. Samen waren we de allerlaatste luchtpostpenvriendinnen.

 

Loslaatrotsdag

 

blerick

In Cartjima was de dood dagelijkse kost. Al was het maar omdat het kleine, verhoogde bergkerkhof pal aan de ingang van het dorp lag. Elke dag zaten de dorpsoudsten op de grote rotsblok tegenover het kerkhofje elkaar en zichzelf op te warmen met herinneringen en roddels.

‘’Heb je gezien dat Maria bloemen bij Paco op het graf heeft gelegd gisteravond? Ze heeft wel lef.  Vertel het maar niet tegen Pepa!” De vetes, de familieruzies, de liefdesaffaires en roddels; als je dood was in Cartajima, leefde je nog jaren voort in de scherpe tongen van de roddelaars op de rots. Dat had wel iets geruststellends.

Het hoort erbij, die vervelende dood. En het went nooit. Mijn familie lijkt er de laatste jaren Airmiles voor te krijgen.

Ingeklemd tussen een jongen met te veel Axe en een meisje met een roze nepbontkraag dat al vanaf Helmond afscheid probeert te nemen van haar vriendje aan de telefoon, teleporteer ik mezelf tussen Eindhoven en Venlo op de rots van Cartajima met Blas en de twee Juans.

Op de rots werd nooit gehuild. We roddelden al onze tranen weg. En als iemand over die onzichtbare grens van venijn sprak, dan riepen de anderen: Over de doden niets dan goeds!

Als ik mijn ogen open, is de trein bijna leeg en rolt mijn eindbestemming, het station van Blerick binnen en ik ben blij dat ik niet met de auto ben gegaan vandaag.

Ik moet aan het werk, een interview filmen op oud, bekend terrein voor mijn nieuwe docu Tegenpolen in Blerick. Als ik de voetgangerstunnel uit loop, zoeken mijn ogen tegen beter weten in naar het grimmige welkom van de afwijzende koppen van de twee Juans en Blas. Geen rots in Blerick.

Herinneringen als regenplassen ontwijkend, laveer ik richting de straten van mijn jeugd. Hoofd op focus, geest op scherp, rugpijn en weemoed in de rugzak naast mijn camera. Aan de overkant steekt een oude man joviaal zijn hand op. Ik herken hem niet, maar hij heet vast Juan, Juan, of Blas.

Vandaag is mijn interviewthema loslaten. Van rotsen. Van mensen. Van oude levens. Komt dat even mooi uit.

 

 

 

Vandaag geen zon in Solwaster

P1010892.JPG

 

In mijn fantasie vind ik België een soort Zuid Spanje naast de deur. Van het gemoedelijke tot de simpele pure kost die de herbergen en bruine kroegen vol lelijke boerenkoppen serveren. Het Carpe Diem gevoel dat op geheel eigen wijze in de praktijk van het dagelijkse leven irritaties oproept bij ons, ‘’opgeruimde’’ Nederlanders. De pleurisbende in het boerenland, de mix van oeroude stenen huizen en oerlelijke nieuw-geld villa’s. Als ik aan België denk, zie ik Jacques Brels gulle mond in zwart wit zoals ik Cameron voor me zie in een wit betegeld buurtkroegje als ik ergens in de Bahia de Cádiz ben.

We waren twee dagen in België. Misschien had ik het huisje in Solwaster gehuurd omdat ik kerstmis zo graag wil overslaan soms. Misschien omdat ik net in enkele dagen mijn verloren gewaande Carpe Diem hervond in zo’n wit betegeld kroegje vol lelijke koppen in Spanje en ik dit gevoel nog even wilde oproepen, op rijafstand.

In Solwaster kreeg mijn voortdurend valse nostalgie producerende ziel een winterse, ontnuchterende regenbui over zich heen. Solwaster was bruin. Nat. Leeg. Grijs. Het huis was mooi. Te mooi. Alsof ik even in het huis van een gegoede Nederlandse familie met een investeringspandje in de Ardennen mocht logeren, omdat ik al tien jaar golfde met de vrouw des huizes. Alles was er. Zelfs een raclette set en een kerstboom met een tijdklok. Om 16 uur ging kerstmis aan en om 22.30 uur weer uit. Hartelijke eigenaren. Zorgzaam. Schoon. Vriendelijk. Good looking. Mensen met smaak. Het gastenboek van de Bijenkorf vol dankbare kreten van prachtig en comfortabel, indrukwekkende natuur. Wandelroutes 55 en 58 een MUST. Ik wil niet musten. En alleen gekken wandelen in de regen in de bergen zei Blas altijd. En hij kon het weten.

Maar waar was Jacques Brel?

Ik werd best verdrietig opeens daar in België. Zoals ik ook wel eens verdrietig word als ik in een stad loop waar de winkels en mensen en honden zo op elkaar lijken, dat ik vergeet in welke stad ik ook alweer was. Dit had in elke mooie plek op een toeristische route in heel Europa kunnen zijn. Nou ja, op de plaatsnaam, het weer en de wegbewijzering na dan.

De zware geest van mijn moeder op mijn schouder die altijd zei: Vertrouw nooit een Belg’, terwijl haar voorvaderen uit Liège kwamen. Fragmentarische herinneringen van een kil slaapkamertje met strakke spreien en hard plastic poppen met dode ogen en verknipte gelige pruikjes waar ik met een paar wildvreemde achternichtjes door hun moeder gescheiden werd van de gezellige volwassenwereld in de huiskamer. De markt in Luik, waar we gingen griezelen bij de man die tweedehands kunstgebitten verkocht.

Mijn moeder die geen woord Frans verstond, moest altijd huilen als ze Jacques Brel hoorde. En ik vond dat hij op ome Mart leek en een beetje op mijn vader. Dat huilen begreep ik niet zo, noch de teksten.

Nu huil ik ook bij Jacques Brel. Misschien word ik ouder, misschien zit er ergens een Belg verstopt, achter mijn Verspaanste Venlose hart. Of lijk ik toch gewoon op mijn moeder die altijd treurig werd in Belgie.

Onze benedenbuurman in Solwaster bleek een Spanjaard en tevens uitbater van de dorpskroeg. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik het licht zag aanspringen. TL-licht. Jacques, Cameron en een beetje zon braken door. Ik vind het normaliter erg aanstellerig om Spaans te gaan babbelen als je je belabberde Frans zou moeten oefenen, maar de woorden rolden gewoon uit mijn mond, ook al was de soep van de dag (sinds decennia waarschijnlijk) Franse uiensoep en de inrichting uit een horecacatalogus van een bedrijf in Verviers dat ergens in de jaren tachtig failliet moet zijn gegaan.

Aan een TL balk alleen kun je je niet warmen.

Hoe vaak had ik zelf die vraag verwenst als mensen uit Nederland in Cartajima hem aan mij stelden: ‘Hoe ben je HIER in Godsnaam terecht gekomen?’ Ik werd door die vraag destijds een soort wandelend pre-ik-vertrek-format. En mijn verhaal werd steeds korter. Kort voordat ik terugkeerde naar Venlo, zat ik al op twee woorden:

Carpe Diem (en een weids gebaar naar de wit betegelde en zonovergoten wereld om me heen)

De vraag drong zich toch op. De Spanjaard leek ook een beetje treurig, uitgeblust in de winter-regens van Solwaster. Misschien kon ik hem en mezelf even opvrolijken. Moerstaal, zon.

¿Cómo se acabó aquí en Solwaster?

Hij zuchtte: ‘’Via een weekje vakantie in Malaga 31 jaar geleden, toen ik mijn vrouw leerde kennen en ben meegegaan.’’

Ik bestelde twee carajillo’s met koffie

‘Mujer. Ik serveer geen carajillo.’

Geen zonlicht vandaag.

Ik drink duistere rum uit Capo Verde met koffie en als ik mijn neus in het glas rum steek, wenste ik dat ik in Cuba was. Capo Verde lijkt me niks. Met mijn mannen, Jacques en Cameron. Of gewoon lekker thuis in Eindhoven. Op de bank met een slechte kerstfilm, mijn mannen en Lonnie de kat.

Bij de grens van Nederland klik ik op de nieuwsberichten. De zon breekt door en we laten het regengordijn van België achter ons. George Michael is dood. Iedereen treurt.

En later zeg ik misschien ooit. Ja, ik herinner me nog goed toen George Michael stierf. Op de grens van België en Nederland reden we toen. Iedereen treurde, waar ik was alleen maar blij dat de zon doorbrak en we door mijn Limburgse land door een spiksplinternieuwe tunnel terug naar huis reden.

Nee, Carpe Diem is toch geen tegelspreukje. Het is ook een beetje verdrietig zijn in Solwaster. Of samen thuiskomen als de zon doorbreekt.

 

Foto: een verdwaalde kabouter in het natte bos bij Solwaster.

Prima

hola.jpg

In een hechte, geïsoleerde gemeenschap is alles familie. Behalve ik. Dat vond ik in de beginperiode erg prettig. Je bent een ander diersoort – solitair en vrij van sociale plichten en druk, vrij van verleden en imago, verjaardagen, bruiloften en begrafenissen. Een soort vliegende eenhoorn tussen de taaie muildieren.

Het was nog in de tijd waarin ik de woorden soledad en solamente door elkaar haalde.

‘Heb jij een moeder dan?’ Antonio viel bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het heilige M-woord uit mijn mond hoorde rollen. Ik kreeg er lol in, maar was minstens zo verbaasd dat hij daar zo verbaasd over was. ‘En nog drie zussen, een broer en een vader.’

‘Joder..’

Hij bekeek me alsof ik net een groot geheim had onthuld. ‘Joder, mujer…dát wist ik niet.’ Mompelde hij nog eens en stak een zwarte Ducado op en hief zijn flesje. ‘Chin Chin. A tu madre.’

Antonio wist niks van me, alleen dat ik kon hellingtrekken, uit het land van Kroijf en tulipanes kom, kon roken, praten en een bougie vervangen. Dat was al ruim de helft meer dan anderen in dit dorp van me wisten. Blijkbaar had hij nog niet met zekerheid vastgesteld dat ik van het menselijke ras was en als we een paar eeuwen zouden doorgraven, wellicht nog verre familie ook.

Een week later kwamen mijn ouders op vakantie. Hun allereerste vliegreis samen. Mijn allereerste familievisite. De moeder van de postbode omhelsde mijn vader alsof hij een lang verloren zoon was die terugkeerde uit een oorlog. Tranen. Mijn moeder had sjans van Paco de oude kastanje-zigeuner. ‘Zeg tegen je moeder dat ze vroeger een mooi vrouwtje moet zijn geweest.’ Ik heb de vrije vertaling gekozen. Ze bloosde. Een beetje mopperend.

De burgemeester kwam even persoonlijk een hand geven, de ober van La Farola, la Quinta en de twee venta’s langs de weg naar Ronda klopten me op mijn schouder alsof ik eindelijk de finish had bereikt van mijn familie-loze marathon. De lokale dorpsgek wurmde zich door een kiertje in de deur om mijn vader een snelcursus schreeuwen en schelden in het Spaans te geven. Mijn vader wurmde hem in het plat Venloos scheldend door hetzelfde kiertje weer naar buiten. Rosa speelde patience op het stoepje met mijn moeder, rokken op hun ronde bleke knieën, de kaarten tussen hen in op de koele steen. ‘Ze speelt vals, je moeder. Ik mag haar wel.’

We deden dingen die ik in mijn jeugd nooit gedaan had met ze: zwemmen in de rivier, picknicken, we zagen arenden en gieren, we maakten een kampvuur op de boerderij. Paseo in Ronda, werken in de tuin. Mijn moeder ving een kleine witte schorpioen op de rug van haar hand en zei: ‘Kijk nou wat parmantig dat staartje.’ En we gingen naar de Chinees. ‘Zijn er hier ook Chinezen???’ De Spaans sprekende buurt-Chinees ‘Hola’ in Ronda vonden ze minstens zo spannend als de hele grote klont Unesco-erfgoed eromheen.

Mooie mensen, mijn ouders. ‘Muy natural.’ Zei Juan van de Estanco. Het grootste compliment tegenwoordig.

Het afscheid viel zwaar. De moeder van de postbode huilde en vertelde mijn vader dat hij de knapste man was die sinds mensenheugenis in het dorp was geweest. Ze heeft nog weken over hem gepraat en mij om een foto gevraagd.

Antonio en de anderen konden daarna met een gerust hart weer verder wennen aan me. Nu ik geen vreemde familieboomloze vogelsoort bleek, maar gewoon een dochter, leek dat opeens stukken sneller te gaan. Vanaf de dag waarop mijn ouders weer naar huis keerden, noemde Antonio me Prima – nicht.

Ik vond het prima. (tranen)

Joder. Alles is familie.

Zorgzaam – overleven in de rommelige achtertuin van Edith Schippers

Jeannes_gang_still9

Werken in de zorg lijkt me geen kattenpis. Het lijkt me hartstikke moeilijk om op basis van je menselijkheid je beroep uit te oefenen, terwijl de organisatie waarvoor je werkt en de politiek je het gevoel geven dat je een nummer bent – een vervangbaar radertje dat zich voortdurend maar moet aanpassen aan nieuwe regels, wetten, reorganisaties, bezuinigingen, nieuwe managers, teams, locaties, vooruitzichten of geen vooruitzichten. Een radertje in een puffende en krakende klok die achter zijn eigen tijd aansukkelt. 

In de jaren tachtig en negentig werkte ik zelf in de zorg voor –destijds nog veroorloofde termen – verstandelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten. De wereld van de psychiatrie en zorg was mij dus niet geheel onbekend toen ik enkele jaren geleden besloot tot het maken van deze film. Toch sloeg ik niet bepaald van verrassing achterover toen ik voor de film in 2011 weer achter de schermen van de zorg mocht rondkijken. Ja, de tilliften waren wat handiger inmiddels, het beleid was her en der van nieuwe terminologie voorzien. De snoezelkamer werd (weer) opslagruimte en de tandems stonden te roesten in het schuurtje.  Het groepje bewoners dat ik filmde woonde al vele jaren langer dan de bedoeling in een ‘tijdelijke’ noodbouw die bestond uit geschakelde porta-cabins. En ondanks de goedbedoelde pogingen van de medewerkers om er nog iets leuks van te maken, en het gebouw wettelijk gezien nog aan de eisen voldeed, was het zo’n gebouw waarvan je hoopt dat je er nooit per ongeluk terecht komt.

En ondanks dat het er allemaal niet zo fleurig en gezellig uitzag, voelde ik meteen: er werd goed gezorgd voor de patiënt en voor elkaar. Er was warmte, genegenheid en een zoete chaos die een beetje hoort bij afdelingen als deze. Ik zag een vermoeid, maar ook keihard werkend team, dat misschien wel moeilijkste afdeling van de GGZ runde met ervaring en liefde, met hart en kunde – en met de bescheiden middelen die ze hadden.

In de grote kantoortoren slechts 60 meter van de afdeling, ruikt het naar toner, tandpasta en linoleumvloeren. Er zitten managers en medewerkers in ergonomisch verantwoorde stoelen. ‘Dit is het oude instellingsgebouw, de kliniek.’ vertelt de medewerkster mij als we in het trappenhuis langs de witte anti-zelfmoordnetten omhoog lopen. We praten over de leaflets en de filmposters. Ik probeer me voor te stellen hoe hier mensen gewoond hebben. Ook Jeanne uit mijn film heeft in deze toren gezeten.  iet de leukste tijd van de psychiatrie. Iemand had – met resultaat – goed zijn best gedaan om het psychiatrische ziekenhuis te verstoppen achter rustgevende kantoorkleuren en lompe meubels. Maar er hinh een tristesse in de gangen, die je met geen Heuga-tapijt of lachende patiënten op folderrekken wegpoetst. Alsof het gebouw zichzelf niet meer was, of misschien wel nooit geweest. Vanuit de vergadertafel van de beleidsafdeling keek ik neer op de kleine, naargeestige crèmekleurige dozen waar mijn film zich zou afspelen. 

Naastenliefde en zorg, dus empathie kun je niet doorvergaderen, tot communicatie- of marktmodel vertimmeren, of ‘bij-injecteren’ in een maatschappij waar iedereen zich rot rent om zijn eigen ziel en zaligheid geregeld te krijgen. We hebben het veel te druk om onze gekke zus, tante of vader in huis te nemen. Of we hebben er simpelweg niet de middelen voor om intensief voor een ander te zorgen. Of niet de puf of expertise. Je kunt het zelfs niet afdwingen met een wet. Empathie, leerde ik tijdens de film, is nu juist datgene dat door de huidige zorgpolitiek zachtjes gedood wordt. Ons zorgsysteem ontwikkelt visies en beleid dat antipathie, verwarring en uiteindelijk nog meer zorg oplevert.

Voor de film interview ik Marja, een ervaren GGZ-professional en ten tijde van de opnames teamleider van de afdeling. Marja vertelt dat er te weinig tijd is, maar dat ze er alles aan probeert te doen om toch zoveel mogelijk aandacht aan haar bewoners te geven. Met sommige patiënten is Marja afgelopen veertig jaar meeverhuisd van de ene transitie naar het volgende gebouw. Ze heeft levens begeleidt die lastig waren, levenslang. En dwars door alle politieke gezeik en reorganisaties heen. Mensen als Marja hebben onze zorg mee opgebouwd. Ze begrijpen de binnenkant, de ziel van de zorg en zetten die vanuit hart en ziel voort, ondanks alle reorganisaties, transities en vergaderingen. Zonder die bezieling van al die professionals en vrijwilligers zoals Marja, is onze zorg helemaal niks. Edith Schippers is bijvoorbeeld inwisselbaar als een tillift; bij de volgende verkiezingen nemen we een poppetje waaraan we een paar jaartjes minder zwaar hoeven te tillen.

De Marja’s zijn niet inwisselbaar. Sterker nog, ze zijn enkele decennia onderworpen aan roofbouw en worden uitgeput door het systeem dat hen tot hun pensioen behandelde als een radertje. Helaas wordt er te weinig naar mensen zoals Marja geluisterd (en gekeken).

En toch doen die tien duizenden mensen elke dag gewoon hun werk. Ze ZORGEN. Ook voor Edith’s gekke achterneef en verlamde tante, de moeder van van Rijn, voor haar verslaafde achterbuurvrouw of doorgedraaide neef en misschien wel voor jou of mij ooit.

Dat vind ik een ongelooflijke prestatie.

Dus eigenlijk gaat de film niet over problemen in de zorg. Maar over datgene dat we in onze drang naar systeemvernieuwing neigen te vergeten: het simpele kijken naar de mens en hoe die overleeft in de rommelige achtertuin van Edith en de anderen.

Update 7 september 2016: : De toernee zit erop en het was inspirerend. De film is te bestellen op DVD voor 12,50

Ps. Wie ik nooit in levende lijve heb mogen ontmoeten tijdens deze filmproductie:  de bewindvoerders en door rechters aangewezen mentors, de afdelingspsychiater die met open mond achterin het zaaltje zat bij de premiere, maar nooit reageerde op mijn mails, de afdeling juridische zaken die mij aangetekende brieven stuurde en mij sommeerde tot een hermontage van de film na een klacht van familie, de familie die klaagde dat hun familielid niet mocht vertellen voor de camera dat ze nooit bezoek kreeg, haar mentor, die bepaalde namens de wilsonbekwame bewoonster dat zij niet haar verhaal mocht vertellen, de directeur die nooit op de premiere kwam, de nieuwe manager die het teamhoofd en de andere helft van het team ontsloeg en nu een nieuwe werkwijze implementeert met haar nieuwe stagiaires. 

filmagenda 2015 – 2016: 

12 mei: Rosmalen, GGZ terrein + livemuziek van Peter

12 november Cacaofabriek Helmond & Q+A

24 november Noordkade Veghel & Q+A

12 januari: Theater De Wijer Boxmeer

20 januari: Oss

23 januari: De Nieuwe Scene Venlo + podiumprogramma

17 februari: ECI Roermond + zaalgesprek

1 maart: Huize Padua Oss

6 september: Eer en Waardeer podium Amsterdam + workshop

Herinneringen maken doe je zo – zusje

10958726_499563703515910_7122651598902611824_n (1)foto: Ge Steijn

Soms komen er herinneringen binnen die niet eens de mijne zijn. Ik herinner me mijn familie bijvoorbeeld soms middels foto’s uit een tijd waar ik niet eens geboren was. Hoe dat kan, geen idee, maar de hersenen zijn een creatief zooitje mysterie als het gaat om het ‘produceren’ van herinneringen aan je jeugd.

Vandaag is de sterfdag van mijn zusje Astrid. Dan regent het herinneringen. Haar jongste dochter Joan heeft haar lach en vanochtend zat ik dus met een springlevende, babbelende herinnering aan mijn zus in pyjama aan de koffie om 7 uur. Het was voor het eerst in vijf jaar dat ik kon herinneren met een lach.

Traantje kwam later toen ik tijdens de lunchpauze deze prachtige foto van een oom toegestuurd kreeg. Wat was ze een mooi kind vroeger!

Ik was een jaar of zeven en herinner me eigenlijk amper wat van die zomer. Behalve de rit naar Zuid Limburg over de Napoleonsbaan. De geur van zonnebrandolie, de geluiden van de zomer, opspattend water, met z’n allen buiten eten, in slaap dommelen op de achterbank van de auto terwijl iedereen al sliep.

Mijn zus zoals op deze foto, komt niet eens voor in herinneringen uit die tijd, hoe hard ik ook m’n best doe.

Maar kijk ik echt goed naar die eigenwijze blik, dan ‘herinner’ ik alles weer. Niet vanuit mijn haperende jeugdgeheugen, maar vanuit mijn bloed.

Mijn neef Jan, een familielid dat ik nog niet eens zo heel lang geleden beter leerde kennen, stuurde mij vandaag een paar prachtige foto’s gemaakt door zijn vader. Alweer beelden van een tijd waarin ik nog niet eens bestond. En toch werd ik meteen in die warme rommelige huiskamer geslingerd, rook de caballero’s zonder filter en zat als nog ongeborene in een hoekje erbij en keek ernaar, genietend van de rotherrie.

En wat waren ze leuk vroeger – vooral in zwart wit. Ik ga er ongegeneerd goud van spinnen. Want ook dat mag met herinneringen die niet eens de jouwe zijn.

fotografie: Sef Dael

IMG_20150127_0056

IMG_20150127_0058IMG_20150127_0059  IMG_20150127_0063 IMG_20150127_0064