Just a normal day?

Unknown

Buiten is alles normaal. Fietsers fietsen, vrachtwagens lossen, een hond pist tegen het bord van de Jumbo. Just a normal day.

ME busjes. Knuppels. Ik kruis mijn blik met een man met een oortje in en een kogelvrij vest aan – niet onaantrekkelijk kaal – net als in de film. Opgefokte jeugd met telefoontjes, heel opvallend en toch ongezien – lopen zich vast in een oploopje. Verdwijnen tussen schouders en capuchons. Stemmen vol adrenaline, bleke, boze gezichten van mannen, ooms, neven, buren. Bloemen op straat. Alweer opwaaiend cellofaan. Een huilende vrouw. Waar hij lag. Met een opgetrokken knie. Te jong en te dood. Boosheid, verdriet, begrijpelijk maar beangstigend. Een groepje agenten trekt een sprint naar een onzichtbare finish om de hoek. Omroepbusje, twee nerveuze cameramannen met een veel te zwaar statief.

Twee straten verderop. Uitgestorven. Mijn vader luistert radio. De kranten op tafel, een halve kop thee. De hond slaapt, hij lijkt wel dood, maar ik durf niks te zeggen. Hij hoort me denken en zegt: ”17 jaar en 4 maanden is hij nu.” Een hond van de dag. De hond zucht diep en ademt uit met een rochel. Apneu misschien. Opluchting. Niet vandaag aub.

”Ik ga de hond uitlaten, dat beest moet pissen.”

” Zal ik even meelopen?”

”Nee gek, ze zijn nu wel klaar met schieten.”

”Ga je niet te ver?”

”Nee kind.”

Ik blijf achter met het nieuws op de radio en volg mijn vader en hond vanachter de vitrages. Onrust in Blerick, daders voortvluchtig, bewoners boos, na de reclame. Ik pak mijn camera en film mijn vader die helemaal alleen over de verder lege straat slentert, in gedachten verzonken.

”Ben je niet bang?” vraag ik als hij terug is.

”Als mijn tijd gekomen is, dan is dat zo. Ik ben niet bang. En ik zeg nog steeds iedereen in de buurt hallo. Of ze dat nu gek vinden of niet. Kijk je wel uit op de terugweg kind?”Hij legt een oude beddensprei over mijn camera die op de bijrijdersstoel ligt.

”Je moet die auto eens wassen en uitmesten, wat een puinhoop kind. Ben voorzichtig.”

”Jij ook pa.”

Ik beloof beter tegen beter weten in. We lachen. We zoenen. Ik toeter, hij zwaait. Ik rij. Met een hele grote boog (van een kilometer of twaalf) om de realiteit en de boosheid heen. Ik wandel, ik winkel, ik werk, steek een kaars aan, maak spaghetti carbonara, ik bel met vrienden, drink een borrel, kijk het nieuws, draai Lou Reed.

Maar het helpt niet.

Ik pak een boek. Een grappig boek. En val na de titel uitgeput in slaap op de bank. Ergens tussen ontwaken en echt wakker worden zie ik door mijn vitrage de wereld die een fractie donkerder lijkt dan gisteren rond deze tijd. Mijn kaars brandt nog. Mijn ogen moeten nog wennen aan het nieuwe donker. Voorzichtig tast ik mijn verse herinneringen af op de valreep van de zonsopgang.

Buiten fietsen fietsers. Een vrachtwagen lost zijn vracht, bovenbuur klettert een ochtendplas. Aarzelend omarm ik deze dag. Just a normal day

 

Rashid de knikker-engel

Afbeelding

Ik ben 8 jaar en hang met een buurmeisje bij ‘het muurtje’ – een hangplek zoals vele hangplekken in vinex wijken in die tijd: een muurtje naast een veldje vol hondenpoep. We hebben knikkers bij ons; het is lente en knikkertijd. Maar we mogen niet meedoen, omdat we te jong zijn en bovendien meisjes. Rashid springt op en houdt een vurig pleidooi tegen de veel grotere jongen die ons weg wil sturen. We mogen toch meedoen, maar ik moet maar liefs vier inleg-knikkers dokken. Ik heb als beginner nog niet zo heel veel mooie knikkers en wil alsnog afhaken. Rashid komt naast me staan en frommelt snel een handje knikkers in mijn washandje. Er zitten twee dubbele 3-ogers bij. Ik win drie potjes van de jongens. En als we – op vleugels-  naar huis terug lopen tegen etenstijd, ben ik verliefd op Rashid. Kinderliefde. Mijn buurmeisje zegt dat buitenlanders niet met Venlose meisjes kunnen trouwen, omdat ze met hun nichtjes moeten trouwen.

We groeiden op in de zelfde buurt en onder zijn stoerheid was hij misschien niet lief, maar wel goed en ruim van hart. Rashid kwam uit een traditioneel, eerste generatie Marokkaans gezin, maar sprak platter Venloos dan mijn eigen broer. Hij was intelligent, al zette hij zijn snelle hersens al op jonge leeftijd in dienst van minder intelligente praktijken.

Ik ben 18. Ik heb net mijn rijbewijs en rij naar huis van een vriendinnenavond. Enkele meters voor mijn straat komt er een auto in een rotvaart van rechts, rijdt door rood licht, we maken een soort dans van blik en glas en als papier verkreukelend metaal en enkele seconden later zit ik in een verdovende stilte en met een gek gevoel op mijn middenrif beklemd in mijn auto. Er verschijnen mensen in pyama’s. Een vrouw in een ei-gele badjas klopt op het raampje, roept iets en verdwijnt weer. Ik begrijp niet wat er is gebeurd en begrijp al helemaal niet waarom niemand iets doet, behalve om mijn auto heen rennen, tot ik Rashids gezicht naast me zie opduiken. 10 jaar ouder, met baard, maar toch helemaal Rashid. Ik ben nog nooit zo opgelucht geweest een oude vriend te zien. Hij praat me de tijd door. Ik ben niet gewond, maar wel redelijk in paniek zodra ik merk dat er een stuur tussen mijn ribben zit. De tijd rekt zich in zulke situaties tot abnormale lengte.

Ik word uiteindelijk netjes uit de auto geknipt door een brandweermeneer met een pneumatische schaar en krijg –  net als in de film – een deken over mijn schouders gelegd. Op wat kneuzingen en een klein trauma na, mankeer ik niks. Een vriendelijke agent brengt me naar huis.

De ochtend na het ongeluk gaat de bel. Een verlegen jongeman van Marokkaanse afkomst staat voor de deur met een bos bloemen. Het zijn beterschapbloemen van Rashid en zijn familie. Opeens herinner ik me dat Rashid gisteravond plotsklaps verdwenen was, zodra de politie bij mijn ongeluksplek arriveerden.

Ik ben 44 en zit te wachten bij de ING bank om mijn nieuwe pasje op te halen. Naast me zegt iemand: ‘Doa bisse toch weer..’ Ik herken zijn gezicht in eerste instantie niet, tot zijn platte Venlose accent tot me door dringt en de lichtjes in zijn pretogen me bereiken. Rashid, mijn reddende engel. We hebben nummertje 245 en 246. Nog 7 wachtenden voor ons. We informeren naar elkaars ouders, oude buurtvrienden en vallen even stil bij de doden. Het is een aangenaam  diep zwijgen. Te weinig tijd om twee levens bij te praten, te veel verleden om ongemak te voelen.

Het is fijn om elkaar te zien. En bovendien, mocht er op dat moment een bankoverval hebben plaatsgevonden; dan was ik in goed gezelschap. Rashid zou me altijd redden. Net als toen ik 8 was.