We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

Camarón de la Isla

Er was niks vrolijks aan `la isla’, maar die wind, die zee, dat zand en Camarón; ze vraten voor altijd een gaatje in mijn ongelovige ziel.

’Ik heb altijd last van mijn geheugen als de Mistral komt.’ Zei Juan el Serio. We schoten allemaal in de lach. Want Juan el Serio had zijn geheugen in 1980 al verdronken in de sterke drank en gaf elke zomer de Mistral nog steeds de schuld.

We zaten samen bij ‘la isla’, een illegaal drankhok in een oude schippershut op de strandvlakte bij San Fernando. Tussen de nieuwe en oude haven en verscholen lag een stukje niemandsstrand waar Pedro en zijn vrouw sinds de jaren zestig hun stamgasten vanuit een schamel hutje voorzagen van blikken bier, belastingvrije whisky en een gegrild visje. Het schots en scheve hutje was al tientallen keren omgewaaid in de storm, maar werd steeds weer trouw door stamgasten en onder het strenge oog van Paco in elkaar getimmerd.

Camarón de la Isla was een van de stamgasten van ‘La isla’ en volgens de verhalen leefde zijn geest nog steeds op het niemandsstrandje bij San Fernando. ’s Nachts hoorden de aan lager wal geraakte vissers in plaats van zeemeerminnen Camaróns laatste bulería’s.

De guardia en havenpolitie kwamen nooit op het niemandsstrand. ‘Ze weten wel beter.’ Zei Paco grimmig als het woord politie hoorde vallen. In 1998 had een ijverige nieuwe burgemeester van het dorp een bulldozer het gebouwtje weg laten vegen. Een zinloze actie; 2 dagen later stond ‘la isla’ weer overeind.

‘Alleen de storm en de zee mogen mij weg proberen te jagen. Aan mensen heb ik geen boodschap.’ Het leek alsof de volhardendheid van Paco zelfs de Atlantische wind kon doen laten liggen.

Maar vandaag niet. De Mistral waaide, de Atlantische oceaan was van een woedende kleur donkerblauw en het stof en zand in de lucht maakte alles onheilspellend grijs.
En ik, landrot, wilde naar huis, want ik was doodsbang dat ik weg zou waaien en verdrinken.
De Mistral nam in hevigheid toe en ‘la isla’ kraakte en zuchtte vermoeid om overeind te blijven. Ik leek de enige die zich daar zorgen over maakte en wilde weg uit deze bedompte houten kist die trilde alsof hij die elk moment de lucht in kon vliegen.

Ik glipte naar buiten om lucht te happen en moest me meteen schrap zetten tegen de wind. Ik sloot mijn ogen tegen het zand en liep een eind de strandvlakte op. Na enkele meters begreep ik waarom de vissers samen zuipend in een houten kist sterven prefereerden boven een eenzame dood van wegwaaien in het dreigende donkerblauw met een tot op het bot gezandstraald gezicht. Ik was zo bang als een landrot kan zijn en liep snel terug naar ‘la isla’, flink geduwd door de wind in mijn rug.
En terwijl ik mij door de Mistral over de vlakte liet duwen en me plots besefte hoe klein en nietig ik was ten opzichte van de storm, de Atlantische oceaan, de wind en de woestijnen wiens zand nu tot in mijn bilnaad zat, hoorde ik de zachte flarden van Camaróns laatste Bulería..

Jezus, ik was niet eens gelovig of dronken.

Het was Paco, die een CD van Camarón had opgezet. Maar tot het moment dat ik dat besefte, heb ik de geest van Camarón gevoeld. En dat was prachtig.