Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

Kleine verborgen poortjes

Op de meeting stonden zo’n 30 mannen met ongeveer dezelfde kleur pakken en dassen. Het was de lilla en rose-periode. Een bescheiden en beschaafd gehum vulde de zaal van het prachtige seminarklooster. Ik slenterde quasi nonchalant door de zaal, op zoek naar de koffie. Krampachtig probeerde ik me enkele Linkedin-gezichten te herinneren en schudde in het wilde weg wat handen. 
Ik vroeg me af of er zoiets bestond als ‘fysieke branche-kenmerken’, want in deze zaal zonder fleurig vrouwmens leken alle mannen een beetje op elkaar. Misschien kwam het door de pakken. Of zouden mannen in een zelfde beroepsgroep, net als baasjes op hun honden, ook op elkaar gaan lijken? Je kon de zachte sector in 1 oogopslag onderscheiden van de zakenjongens: van die laatste groep  waren de pakken net iets mooier van snit. De zorgmannen hadden altijd wel een slobberig element dat hun verried, zoals vergeten deodorant op te doen, een warrig kapsel en meer verticale zorglijnen in hun gelaat (afhankelijk van het niveau binnen het management waarin ze opereerden.)
Ik bladerde door het programmaboekje. We zaten pas in het ‘informele netwerk met koffie-programmadeel’ en ik vroeg me benauwd af hoe onfeestelijk de formele programmaonderdelen er dan uit zouden gaan zien. Nog een hele lange dure dag te gaan. Ik mocht gratis trouwens, omdat men het goed vond voor de groep om enkele kunstenaars erin te mengen. Aangezien de gemiddelde kunstenaars dit soort weekeinden nooit zouden kunnen permitteren, was het een uitzonderlijke luxe en eer om als niet post-academicus in het walhalla der seminars te mogen zijn.
Een mooie mevrouw met een alles behalve kloosterlijke nonnenuitstraling tikte met haar harsnagels op het sprekersmicrofoontje en kondigde de eerste lezing aan in de Aula van het Licht. Tien minuten later zaten we met z’n allen met dichtgeknepen ogen in de Aula van Het Licht die zijn naam meer dan eer aandeed. Je zag er geen steek in de rondte.
De hoogleraar op het podium sprak in monotone en moeilijke bewoordingen over het thema van dit weekeinde: Inspiratie. Na een oeverloze en weinig inspirerende monoloog over inspiratie, klonk er een muziekje klonk door de Aula van het Licht. Het wekte op mijn lachspieren en ik grapte naar de zachte zorgmanager naast me dat we hierna Vangelis in de Mariagrot zouden doen. Hij wist vast niet wie Vangelis was, want hij lachte niet eens.
Het was alweer tijd voor een informeel samenzijn. In de kloostertuin deze keer. Konden we de ontzettende lezing even laten bezinken en in contact met de natuur een broodje biokaas eten.
Met z’n dertigen liepen we in een schuifelende rij door de kloostertuin. Het moet er heel belachelijk hebben uitgezien van boven. In de prachtige oude boomgaard met hoogstamfruit stond een pagodetent met een buffet vol biologisch heerlijks van eigen land. Ik nam wat brood en kaas mee en glipte weg. Een spannend paadje dat leidde naar een eveneens spannend poortje in de donkere, hoge kloostermuur leek gemaakt voor dit moment.
Het komt nog zelden voor tegenwoordig dat kleine verscholen poortjes open kunnen, dus die verleiding kon ik niet weerstaan. De wereld was wonderschoon en stil, aan de andere kant van de muur. Ik liep het zandpad naast de bosrand op tot ik het informele gehum niet meer hoorde. Naast het pad zat een boer op zijn trekker een boterham te eten. Hij genoot zichtbaar van zijn versgeploegde akker. De zonnestralen van toverden een warm rood op de verse aarde. Er is niets zo lekker als de geur van stille warme aarde aan de rand van een bos.
Ik was razend geïnspireerd opeens. Geen vezel aan mijn lichaam of ziel die mij nog terug door het poortje naar die inspiratiesessie zou dwingen. Ik vroeg dus aan de boer hoe ik het handigst bij de parking kwam aan de andere kant van het kloostercomplex, zonder door de tuin te hoeven. Hij moest toch die kant op en gaf me een lift tot aan mijn auto. Tijdens de rit langs de lange kloostermuur zag ik nog net het witte puntje van de informele pagode boven de muur uitpiepen.
Een half uur later zat ik dolgelukkig in mijn auto richting Limburg met een broodje tankstation op de bijrijderstoel. Ik had veel geleerd in de afgelopen 12 uur. Lang leve de kleine verborgen poortjes die leiden naar de andere kant van het verstand! 

Taco’s, kalfslever, weekendlimonade en Willem Ruis

Soms eet ik spul uit sentimentele overwegingen. Eten is namelijk heerlijk instant jeugdsentiment. Vanavond even terug naar de tijd van Willem Ruis, weekend-sinas en de geuren van zondagochtend als je kind bent.
Vanavond eten we Taco’s. Geen bijzonder culinair hoogstandje, geef ik toe. Maar wel een klein reisje naar de zaterdagavonden aan het begin van een schoolvakantie, glaasjes prik en minstens 2 uur na reguliere avondetenstijd iets ‘snackerigs’ eten, in plaats van het groente-vlees-aardappelen-trio. Taco’s bijvoorbeeld. Want in de jaren 70 was dat heel erg hip zaterdagavondvoedsel.  Nog hipper dan shoarma, luxer dan hamburgers met tartaar. We moesten zelfs kilometers rijden naar die ene winkel net over de Duitse grens in Kaldenkirchen, om zo’n doosje tacoschelpen te bemachtigen.  

Taco’s dus. Knus-knus: Een salontafel vol met kleine kommetjes: Stukjes tomaat, gerapse kaas (zo noemde ik dat vroeger), flinterdun gesneden rode uien, gekruid gehakt, reepjes ijsbergsla (toen ook heel hip) peterselie en Griekse yoghurt.  Steevast discussie over de volgorde van de ingrediënten. En of je het hoopje bonenprut nu op moest eten, of dat het echt alleen maar diende ter decoratie. Deed je het verkeerd om, klapte je tacoschelp al doormidden voordat je het richting mond kon bewegen. De kunst was stapelen van droog naar nat en dan zijwaarts happen, je hoofd iets schuin.
Hoe langer je glas (weekeinde)sinas half vol bleef, hoe later je naar bed mocht. Liever sterven van de dorst dan naar de eenzaamheid van je slaapkamertje vlakbij het gezellige gegons van televisie en moeder die luidruchtig commentaar levert op alles dat ze ziet bewegen op het scherm.
En dan toch, na Willem Ruijs, naar de slaapkamer.  De laatste slokjes priklimonade van dat weekeinde in je keel laten prikken. Als er nog prik op zat tenminste.
In bed hoor ik mijn moeder de grote soepketel op het fornuis zetten en het bouillonvlees sissend aanbraden. Op een asbest plaatje dat mijn vader er rond 23.00 uur onder de soepketel moest schuiven terwijl mijn moeder de zware soepketel omhoog tilde. Ik hield wel van soep, maar niet van de zondagen waarop ik gewekt werd door de weeïge geur van runderbouillon en prei. Want dat was de geur van mijn strenge oma op zondagse visite en verveling. De dag van de zondagse soep en een wit gestreken tafelkleed.
Van het bouillonvlees maakte mijn moeder later soms kroketjes. Als mijn oma weg was. Ik mocht helpen rollen; twee keer door het beschuitmeel.  Van die kleine, dikke bolle kroketjes vol heerlijke draadjesvleesragout. In de zomer aten we het bouillonvlees ’s avonds bij de boterham, met een augurkje en een beetje mayonaise.
Soms, bijvoorbeeld met Pasen, kerst, of als mijn moeder uitermate goed geluimd was, werd ik op zondagochtend vroeg wakker met de geur van in boter aangebraden kalfslever en de zoete geur van gesmoorde uien. Dan voelde de zondag meteen feestelijk. Een laat ontbijt met heerlijke, boterzachte lever, knettervers witbrood en een dikke glanzende bruine saus om stukjes brood in te dopen. Hemelse kost vond ik dat, dus ik vroeg aan mijn moeder waarom we dit niet elke zondag aten. Ze antwoordde steevast dat het geld haar niet op de rug groeide.  Ik begreep het verband jaren later pas.
Volgende week ga ik een mooie lever bereiden. Voor de late zondagochtend. Ik verheug me nu al. En voel me rijk.  

Penelope Cruz en de figuranten van Bar Luna



Het is begin april en de stad is een en al vrolijkheid en lente. De zeewind van de Atlantische is vandaag lekker lauw, de obers en serveersters nog fris en vrolijk. Ik heb weken binnen gezeten om te sleutelen aan een regenachtig scenario en snak naar gezelschap en een verzetje. Onderweg naar Bar Luna word ik ingehaald door Paco el Pintor, die in alle staten is. ‘Heb je het al gehoord?’ Ik ben een en al oor en hij is ademloos van opwinding. ‘Ze zochten figuranten  voor de filmopnames van ‘Manolete’ en Borja, Pedro, Juan, Julio en ik zijn aangenomen!’ Ik had me gisteren al afgevraagd waarom de stierenarena naast mijn huis afgezet was met geel-zwarte linten en er zoveel campers op de parkeerplaats stonden. Geen stierengevecht, maar een film dus.

‘’En weet je wie er mee doet? Penelooope!” Nu werd het interessant; Penelope is in town. We duiken bar Luna in waar de rest van de figurantenclub nerveus door elkaar heen zit te praten. De vrouw van Borja vindt het maar niks, dat haar man opeens in de film moet meespelen met Penelope Cruz. ‘Aanstellers’ mokt ze terwijl ze luidruchtig tostada’s met slordige tomatenprut op onze tafeltjes kwakt. Julio de Blinde vraagt zich hardop af of het wel zin heeft, een blinde figurant. Borja’s vrouw antwoord sarcastisch dat hij net zo goed hier kan blijven om haar te helpen met de afwas, omdat hij de film toch niet terug kan kijken.
De figuranten moeten zich om 11 uur melden bij de achteringang van de arena, in de grote tent. Met de voltallige clientèle van Bar Luna lopen we in een stoet  achter ‘onze figuranten’ aan.  Lola, de vrouw van Borja blijft mopperend achter in een volstrekt lege kroeg. Terwijl iedereen onderweg in de Calle Lucia Penelope meent te spotten, zie ik Adrien Brody voorbij slenteren. Ik knipoog en hij knipoogt niet terug. Ik lieg tegen Merche en vertel haar dat ik zojuist heb geflirt met Adrien Brody. Ze kijkt me aan alsof ik Venloos praat en heeft geen flauw idee wie Adrien is.
Bij de geel-zwarte linten blijven we staan en zwaaien de mannen uit tot ze achter de tentflappen zijn verdwenen. We nestelen ons op mijn dak, dat uitkijkt op de arena en deparkeerplaats. Meche begint te schreeuwen als ze Paco el Pinto met Pedro ziet lopen. De twee mannen steken stijf van ongemak het plein over in een militair jaren dertig kostuum. Paco hoort ons roepen, kijkt op en ik heb de arme man nog nooit zo ongelukkig zien kijken. De getatoeëerde oude man die ooit vocht tegen de mannen in zulke bruine pakken en ook in het vreemdelingenlegioen had gezeten. ‘Paco zit in de verkeerde film.’ Mompel ik en Manolo mompelt adrem dat dit voor zijn hele leven geldt.
De volgende ochtend is het druk bij Bar Luna. Want iedereen wil natuurlijk weten hoe dat was, meespelen in zo’n echte film met Penelope erbij. Paco is stil en trekt onverschillig zijn schouders op. ‘’Geen Penelope gezien.’’ Mompelt hij na een poosje. ‘’En dat pak kriebelde en zat te strak.’ Vulde Julio de Blinde aan. ‘Het was te heet om de hele middag in de zon stil te staan voor die twee tientjes.’  Juan komt binnen. Zijn gezicht is verbrand en hij trekt met zijn linkerbeen. ‘Hebben ze me verdomme twaalf keer op en neer laten rennen over het strand van La Puntilla. En geen Penelope gezien, alleen een schreeuwende, lelijke kerel met een megafoon.’ Borja’s vrouw sloeg zich op de schort van leedvermaak.
We besluiten in broederlijke verontwaardiging dat de filmindustrie niet ons ding is en we druipen, enigszins gedesillusioneerd, af naar huis. Als ik zwijgend naast Paco onze straat in loop,  worden we op vijftig meter van mijn huis tegengehouden door een man in bewakingsuniform. Naast de ingang van mijn huis stopt een geblindeerde auto. Een kluit voetgangers en bromfietsers hopen zich nieuwsgierig op tegen onze ruggen. Een slank elegant been komt uit de auto. Gemompel stijgt op. Het is Penelope.  De enige echte. Ze kijkt heel kort en niet vrolijk naar de mompelende kluit mensen en verdwijnt in een leegstaande vervallen herenhuis. Uit een volgende auto stapt Adrien Brody. Hij knipoogt niet. Ik ook niet.
We vertellen niemand in Bar Luna van onze close encounter met Penelope en Adrien-die-niemand-hier-kent. Want we hadden toch al besloten dat we niks met de filmbusiness hebben. Ik ging naar binnen en schreef in een ruk de laatste scene van mijn scenario en belde de producent in Amsterdam om te vragen of we Adrien Brody niet zouden kunnen strikken voor een bijrol. Hij dacht dat ik dronken was en hing op.

De film ‘Manolete’, over het leven van een beroemde Spaanse stierenvechter, is pas vele jaren later dan gepland en na allerlei financiële en cinema-politische hobbels, in première gegaan. In de drie-films-voor-een-tientje-bak van Blokker vond ik de DVD deze week onder de titel: ‘’The Passion within’’.
In het Spaans:

Ome Juan doet Ernest Hemingway

(Uit het Boek van Blas)
Het was een normale stille zondag in het dorp. Tot dat Ome Juan met zijn grote Amerikaanse bak verscheen. De dorpelingen keken vol ontzag toe hoe hij sporen van de dure bordeauxrode lak van de lange slee achterliet op de zojuist witgekalkte muren. ‘De straten zijn te smal!’ Riep Ome Juan zwetend, terwijl hij de volgende bocht doorschraapte en zijn grote voorhoofd depte met een hagelwitte zakdoek. Catalina van de postbode sloeg weer een kruis toen Ome Juan met zijn zakdoek naar haar wuifde op het plein. Ze dacht nog steeds de herrijzenis van Hemingway te zien, zodra Juan met zijn dikke witte baard in het dorpje verscheen. Niet dat men hier in het dorp boeken van Hemingway las, maar omdat de schrijver veel zomertijd had doorgebracht in het nabijgelegen Ronda in de jaren veertig, had zij hem persoonlijk meerdere malen mogen ontmoeten. Ome Juan vond het mooi dat sommige ouderen in Ronda en omstreken zich omdraaiden als hij ergens verscheen. ‘Jammer dat ik niet zo kan schrijven als Ernest.’ Grapte hij en besloot twee minuten later dat hij een boek ging schrijven over zijn avonturen in de internationale vleeslobby en kunst-nevenhandel.
Niet alleen de straatjes en zandpaden, maar de wereld in z’n geheel was eigenlijk te klein voor Ome Juan.  Dat had hij zelf nog niet in de gaten. Hij was nog in hoge staat van verwondering over het feit dat de wereld zich nog steeds niet had weten aan te passen aan het volume van zijn geest, zijn stem en zijn geliefde Amerikaanse auto’s.
Binnen een uur was het feest. Want zo ging dat als Ome Juan eens per jaar op bezoek kwam. Het feest werd uit de tijd geslagen, alsof we iets in te halen hadden. Dikke lappen vlees lagen te sudderen in mijn pannen die hier normaliter alleen maar groenvoer zagen.  De wijn leek te verdampen met de snelheid van aceton in warme lucht, zodra Ome Jan ging zitten. Dronken werd hij niet van de wijn, maar van het samenzijn met mensen. Na twee flessen hield hij oprecht meer van iedereen die aan zijn lippen hing. Het erf vulde zich met zijn sterke verhalen en af en toe een bescheiden lachsalvo. Want om uitgebreid te bulderen, of te vragen of het waar was wat hij vertelde, daar gaf Ome Juan niemand de tijd voor, want er waren nog zoveel verhalen te vertellen.
Veel van zijn verhalen grensden aan het ongeloofwaardige. Maar zijn overtuigingskracht en verteltalent, de humor en ironie waarmee hij zijn soms vreselijke avonturen kon omschrijven, maakt het waarheidsgehalte van ondergeschikt belang. Zijn wereldreizen als handelaar in vooral vlees en soms wat kunst, deden elke Ludlum-thriller uit mijn vaders kast verbleken tot een flodderroman.
Met uitgeputte oren bleven we achter. De stilte was altijd immens na zo’n feestelijk bezoekje van Ome Juan. En we wogen daarna nog dagenlang de vermoedelijke onwaarheden of kromme wendingen van zijn avonturen. Altijd weer kwamen we tot de conclusie dat Ome Juan een gevaarlijk type was, vol harde en halve waarheden en een leven dat risicovoller was dan we ons konden voorstellen. Toch had hij een gouden hart. En de in Andalusië zeer gewaardeerde gave om met een paar flessen wijn en een sterk verhaal een feest te doen opvlammen uit het niets.
Enkele uren later hobbelde hij met zijn gekraste Amerikaan weer het zandpad op. Ons aandringen een kamer in het dorp te nemen vanwege de liters wijn die hij had laten verdampen, lachte Ome Juan bulderend weg: ‘’Ik heb vier rijbewijzen uit drie landen, dus dat komt wel goed.‘’ Tot kilometers ver hoorden we de bramentakken piepen en krassen tegen zijn autoflanken. Op weg naar zijn nieuwe vlees- of kunstavontuur en feesten met halve beroemdheden in zijn loft bij Marbella. We dachten, vanuit het perspectief van de arme boeren en hippies die we met z’n allen waren ten opzichte van de exorbitante Ome Juan, dat hij regelrecht het soepele leven van een corrupte rijkaard inreed, om over een paar maanden weer terug te komen met verse sterke verhalen. Alleen Alfredo de burgemeester dacht daar anders over: ‘’Die opknapbeurt aan die auto kost meer dan de gemiddelde finca hier in dit dorp.’’ Zei hij misprijzend. Als liefhebber en verzamelaar van oldtimers kon hij het weten.
Hoe je het ook wende of keerde, iedereen was op z’n eigen manier onder de indruk van Ome Juan. De een vanwege zijn verhalen, de ander vanwege zijn gelijkenis met Hemingway of zijn rijkdom en een enkeling voor zijn gulle hart.
Pas jaren later ontdekte ik de werkelijke aantrekkingskracht van onze stille vallei op Ome Juan. Uit zijn verhalen bleek steeds vaker dat hij niemand vertrouwde en dus nooit zijn verhalen kwijt kon tot in de echte smeuïge details. Hij zoog zich vol met onze simpele aandacht onder het mom dat hij het ‘geweldig knap’ vond hoe wij hier vrijwillig ‘op een houtje beten’. Zijn wantrouwen en drankdriften groeiden mettertijd als een dikke olievlek gedurende zijn verblijf in het mondaine, oppervlakkige en zuigende Marbella en het  besmette uiteindelijk ook onze relatie zodra wij op uitnodiging enkele malen in zijn territorium verbleven. Hoe meer aandacht hij kreeg, hoe meer hij overtuigd raakte dat iedereen tegen hem was, of iets van hem wilde. Hij leek niet in de gaten te hebben dat hij alle aandacht zelf genereerde, door meer feesten te geven dan Xaviera Hollander in die dagen. Ome Juan bleek nog een andere overeenkomst te hebben met Hemingway: Hij raakte verstrikt in zijn eigen verhalen en verslaafd aan een suïcidale levensstijl vol vrouwen, drank, medicijnen en culinaire cholesterol. Van een Bourgondische levensgenieter, werd hij een onvoorspelbaar feestbeest dat alles deed wat zijn artsen hem verboden hadden.
In 2010, na jaren van radiostilte, viel mijn oog op een klein berichtje in de krant. ‘Nederlander vermoord in Paraguay’ Het was Ome Juan. Dood aangetroffen in zijn appartement in Paraguay, waar hij de laatste jaren van zijn leven rentenierde. Op zijn bank met op tafel een lege wijnfles. Waarschijnlijk heeft hij eerst wijn gedronken en verhalen verteld aan zijn moordenaars.
Met terugwerkende kracht geloofde ik alle sterke verhalen toch. Hij had in al die verhalen zijn eigen moord voorspeld. Catalina van de postbode had inmiddels uitgerekend dat Ome Juan niet de reïncarnatie kon zijn van Ernest Hemingway. Maar toch. De parallellen waren achteraf ongelooflijk. Als hij had kunnen schrijven zoals hij geleefd had, was hij zeker net zo’n bestseller geworden dan ‘For whom the bell tolls’  Het verhaal waarin Ernest Hemingway zijn aankomende zelfmoord verpakte, iedereen het las, maar niemand hem geloofde.

Sorrie Ome Juan. Rust zacht in de verhalenhemel. 

A letter to Obama and Romney by Robert Cabot


In de bergen kom je allerlei bijzondere mensen tegen die je in een stads leven niet snel zult ontmoeten. Rustzoekers, inspiratiezoekers, dromers en doorzetters. Maar ook inspirators, rebellen en schrijvers. Veel schrijvers. Het was nu eenmaal een feit: De dramatische landschappen waarmee we ons allemaal wilden laten betoveren, zijn nu eenmaal ultieme zielenvoeding voor het in stand houden van onze driften en illusies. Al heb ik veel te weinig geschreven in die dagen; ik voelde me meer schrijver dan ik me ooit gevoeld had.
Het automatisme van iemand ‘Googlen’ was in die tijd nog niet in ons systeem geslopen, aangezien we 45 minuten moesten rijden om te kunnen internetten. Achteraf besef ik me dat je zonder ‘hulp’ van internet, mensen veel intenser en op een directere manier leert kennen. In de bergen interesseerde het me namelijk geen ene moer wat iemand voor CV had; je sloot iemand in je armen, of je probeerde iemand zo snel mogelijk van je territorium af te werken. 

Robert Cabot was zo iemand die in je geheugen gegrift blijft en voor wie je je deur met liefde openzet. Als ze al bestaan, dan zou hij er een zijn: een ‘oerschrijver.’ Een wijze man met een hart vol activisme, een bijzondere scherpe kijk op de wereld die zichzelf om zeep helpt. Pas jaren later ben ik hem gaan Googlen en zijn boeken gaan lezen. Het gevoel klopte; in zijn werk schuilt een oerschrijver en in zijn oude, jonge hart een activist. Zijn novelle ‘The Joshua Tree’ uit 1970 is nog steeds actueel en dat zegt iets over de kwaliteit denk ik. Vandaag heb ik zijn laatste werk besteld ‘The Isle of Khería’ en ik verheug me al op de eerste regendagen van november, waar ik dat boek in een ruk ga uitlezen.

(Informatie/Bestellen:)  http://www.bloomsbury.com/uk/the-joshua-tree-9780747509431

Roberts website: http://www.robertcabot.com/index.htm

Vanochtend ontving ik via Facebook deze brief die Robert schreef aan Obama en Romney, met het verzoek deze te delen. Nu zijn we weliswaar geen Amerikanen, maar toch ook wel een beetje. En stevige woorden deel ik graag..

Obama, Romney, shame on you!

You continue to ignore the greatest and most overwhelmingly urgent issue that mankind has ever faced. Our species and quite possibly all life forms on this planet are faced with likely extinction within this or the next century. This is not extremist blather, it is the growing consensus of the many thousands of scientists and close observers who are measuring and projecting the effects of global warming.


You, both of you, and the vast multitudes of politicians and talking heads, you go right on encouraging the use of coal and oil and gas, while making a huge issue out of who used the word “terror” where and when, twittering about a “binders of women,” churning out endless contradictory numbers. Never a mention, a hint of the doom which we are all facing.

Stand up now, either of you, no, both of you. Ignore the moderator, throw away your notes, your sound bites, your endless factoids. Tell us the truth, cry it out to the world. Risk rejection, risk political death, seek to save our lives, perhaps all life. Or face ignominy, presiding over the last moments in which we could possibly be saved.

To continue as we are going, taking only a few minimal and ineffectual steps to slightly slow the ever-increasing output of carbon dioxide into the atmosphere, will push us beyond the last tipping point into doom. Drought, floods, devastating storms, dying seas, mass starvation, drowned cities, desperate migrations of survivors. This will be your legacy. You will live and die in shame if you fail to take now the courageous steps, however extreme, that are essential if there is to be any chance of survival in what would be, even in the best of circumstances, an austere world where survival will be precarious.

Lead us! In the name of creation, lead us, lead the world!

Robert Cabot
October 19, 2012

De verschijning en verdwijning van Maria

(Uit het Boek van Blas)

Hij geloofde niet in God of Jezus, maar wel in Maria die hier aan de oever van de Arroyo de Los Franceses in de lente van 1983 voor hem verschenen was. Zijn verschijning bleek een Zweedse toeriste, maar voor Blas was het Maria die uit de hemel kwam. Hij had zelfs een kiekje van haar, zittend op zijn toen nog jonge muildier. Maria breed lachend en Blas met een grijns vol tanden naast haar. Hij bewaarde het kiekje als een relikwie op zijn borst, in een klein plastic mapje dat hij had gekregen van de postbode.

Ze had hem beloofd dat ze terug zou komen ooit, maar inmiddels zag Blas wel in dat dat niet gebeuren zou na al die jaren. Van Catalina van de postbode hoorde ik jaren later dat alle mannen uit het dorp verliefd waren geworden op de Zweedse engel die niet Maria heette, maar Ulka. Blas had alle jonge masculiene dorpsgenoten echter mooi te kijk gezet, toen zijn Maria besloot haar 3 weken natuurvakantie exclusief met hem en zijn muildier door te brengen. Ik stel me voor dat hij haar, grijnzend naast zijn muildier lopende, alle valleien, bossen en beekjes heeft laten zien, kruiden voor haar plukte en een witte roos voor haar jatte bij de boerderij van Manolo Montes die rozen kweekte, speciaal voor de kerkelijke feestdagen.

Arme Blas. Maria had zijn hart betoverd en gebroken.

Ulka Maria had dus ook met haar blote Zweedse voetjes in deze beek zitten wegdromen, met het uitzicht op de oude walnoten en de olijven, druiven en amandelen verderop. Misschien had haar mooie neusje ook de zoete geur van de kastanjebloesem en het gekneusde munt opgesnoven, samen met de houterige nestgeur van Blas, die waarschijnlijk ook toen al naar verbrand hout, rozemarijn en broeiend hooi rook.

Mooi om in de zeer spaarzame verhalen en herinneringen van de oude man mee te mogen dobberen. Maria was verdwenen, maar haar ziel kreeg ruim baan in het stille zwijgen van Blas, daar aan de oever van de Arroyo de los Franceses. De rest van haar schoonheid was verzegeld in de geuren en kleuren van gekneusd jong groen, de lentebries en het kwebbelende beekje.

Op een dag vond ik in een reistijdschrift een serie prachtige foto’s van Zweedse natuurlandschappen. Toen ik de foto’s aan Blas liet zien was hij lang stil. Ik vertelde hem dat dit het land was waar zijn Maria was geboren. Lachend zei hij: ‘Ik zei je toch dat ze uit de hemel kwam..’

De Lama en de kleine Samurai

(uit het boek van Blas)

Een prima stevig karretje, bulderde Juan el Gordo, terwijl hij bij wijze van demonstratie nog eens wild aan de imperiaal van de Suzuki Samurai rukte. Ik was bijna bang dat het karretje uit elkaar zou vallen, voordat ik de berg af was.

Toch had Juan gelijk; het 1.000-euro-karretje had het karakter van een echte Samurai. Het vuil-witte blikje bleek over onverwoestbare krachten te beschikken op de steile bergweggetjes en overtrof zelfs zijn grote, zware gebull-barde broers, die hun logge, blinkende carrosserie met moeite door de modder bergopwaarts kregen getrokken bij regenweer. We kregen al snel een hechte band, de Samurai en ik.

Buiten de vallei was het andere koek. Bij hoge windsnelheden en scherpe bochten op de grote weg, kon het arme diertje niet sneller dan 60, want anders kiepte het om, of waaide het uit de bocht als een leeg bierblikje op een winderige straathoek. Ik zag soortgenoten regelmatig als opgefrommeld in ravijnen liggen. Daar kon geen waarschuwingsbord tegenop.

Als ik met de Samurai naar de grote stad of het vliegveld moest rijden, was ik doodmoe. De snerpende geluiden van het kleine motortje, het gerammel van de veerplaten, de stoffige warme, of snijdende koude wind die door de gaten en kieren van het sleetse canvas dakje blies. Blas moest altijd lachen als ik terug kwam na zo’n expeditie. Geel van het stof, of blauw van de kou, mijn nieren ergens waar ze niet hoorden te zitten en een pesthumeur van hier tot Granada. Voor hem was het weer een zoveelste bevestiging van zijn overtuiging dat weggaan uit de vallei nergens goed voor was.

Rondom de Kleine Dappere Samurai ontsproot een waar nieuw sociaal netwerk: de vier broers, zus en drie schoonzussen van ‘Taller Hernandes’ in Ronda, zagen me zo vaak in hun garage, dat ik mee mocht eten tussen de middag. De twee broers van de lokale sleepdienst hadden al drie keer hun levensverhalen met me gedeeld, zo vaak was ik door ze opgesleept en naar de de familie Hernandes gebracht. Een grote familie. Na zes jaar noemden ze me allemaal Prima.

Blas vertrouwde de Samurai helemaal niet, zoals hij niks vertrouwde dat na 1930 gefabriceerd was. Heel soms reed hij mee naar het dorp of stad en dan hield hij zich met twee handen aan de dakbeugel vast, ogen dichtgeknepen, alsof hij in een achtbaan zat. Ik reed dan stapvoets en werd soms ingehaald door fanatieke Hollandse wandelaars die dan weer boos keken omdat ik hun milieu, rust en uitzicht verstoorde met mijn ronkende vehikel en scheldende Blas. Meestal na zo’n rit probeerde hij me te overtuigen van alle voordelen van een muildier. Dat het met zo’n muildier 4,5 uur sjokken was naar de supermarkt, vond hij bijzaak.

Een spiritueel getint einde was achteraf gezien onvermijdelijk voor deze kleine dappere auto. Kort voordat hij het echt begaf, diende zich een heel speciale gast aan op de boerderij: Lama Rinpoche Mogchok. Tijdens onze avondwandeling over de finca zag de Lama de kleine Samurai staan. Zijn ogen begonnen te twinkelen en lachend stelde hij een vraag aan zijn tolk. De Lama wilde graag een ritje over de zandweg. Omdat ik niet bepaald ervaring had in het ontvangen van Tibetaanse Lama’s, had ik een halve hectare volgeplempt met meditatieplekken, kussens, matjes en her en der wat gebedsvlaggetjes opgehangen in de bomen, de paden vrijgemaakt van mierennesten en onkruid, de logeerkamer tot een Tibetaanse slaapcel ge-restyled, inclusief offeraltaar conform de protocollen die ons vooraf waren toegestuurd door de staf van de Rinpoche. Ik dweepte stiekem met het beeld van mijn boomgaarden vol mediterende gasten en gelukkige Lama’s. Lekker rustig en blij. Maar het leven is geen Flow-magazine. In plaats van mijn onrustige ziel en grond met wat Ohmmm te zalven, wilde de Lama een rondje crossen in mijn Samurai die naar natte hond, hooi, valfruit en schimmelige bekleding stonk.

Ik zal de lach van Lama Mogchok Rinpoche nooit meer vergeten; het was de heldere schaterlach van een kind. Een heel blij kind. Blas, die de Lama al uren lang met opengevallen (en niet meer dichtgeklapte) mond had aangestaard,  moest ook onbedaarlijk lachen en haalde de Maagd Maria er nog bij, want hij had nog nooit een lachende kerel in een jurk gezien. En de kleine Samurai deed nog een keer zijn uiterste best om mooie stofwolken te slippen. Mooi was dat. Heel interreligieus.

Zo zie je maar weer, klein geluk zit overal waar je het niet neigt te zoeken.

Naakte gasten

In de bevestigingsmail hadden mijn nieuwe gasten-vrijwilligers niets gemeld over hun nudistische levensstijl. Bloot was niet zo het gebruik in ons dorp waar de helft van de vrouwen, soms al vanaf hun jonge jaren in drie lagen zwart en steunkousen rondliep hartje zomer. J en M arriveerden en beleefden een onvergetelijk nudistisch avontuur op onze boerderij.

Nietsvermoedend stond ik in mijn moestuin te rommelen, toen er een kreet door de vallei klonk. Het eerst dacht ik aan een eng insekt; giller nummer 1 onder de gasten die nog niet helemaal voorbereid bleken op het fenomeen natuur. Nog een gil. Het klonk verontrustender dan een insekt. Het klonk als Blas, die normaal nooit gilde.

Op het erf trof ik Blas aan met zijn muildier, druk zwaaiend met zijn armen en roepend om de Heilige Moeder Maria. Tegenover hem een poedelnaakt echtpaar dat verwoedde pogingen deed om Blas weg te jagen, alsof hij een ongewenste zwerfhond was. ‘Ksssst.’ Zei de vrouw, wier borsten bij elke armbeweging forse zwaaien maakten. ‘Ssssst, por Dios y el Santo Christo’. Ik voelde een onbeheerselijke lachstuipaanval opkomen en had geen flauw idee hoe ik hier moest bemiddelen.

‘Je had gezegd dat we hier privacy hebben, krijgen we binnen een uur een ouwe gluurder op ons dak.’ De vrouw was laaiend en leek zich totaal niet bewust te zijn dat haar laaiendheid zich vooral manifesteerde in haar trillende kalkoen-filets aan haar bovenarmen, golvende buik en zwaaiende borsten. Ik werd er enigszins ongemakkelijk van en begon me langzaam af te vragen waarom ik zo vreselijk beleefd bleef. De man, duidelijk niet de broek aan, stond als een te plomp uitgevallen Romeins Olympia-beeld met zijn kleine klokkenspel in de zon te kijken naar zijn vrouw, die maar doorraasde over privacy, vieze oude mannen, rare boeren. Wat een looser, dacht ik. Om hier een beetje in een bos te gaan staan met je blote piemel en dan je vrouw laten verkondigen dat boeren met kleren aan perverts zijn. In gedachten wenste ik haar een horzel toe en hem een verschroeid klokkenspel.

Haar naakt zijn was geen ‘natuurlijke state of mind’ zoals ze zelf graag wenste te geloven, maar een oeverloze brei van woorden uit damesbladen en ontdek-je-eigen-plekje-workshops. ‘Vrijheid, eenzijn met de natuur, oerverbindingen, geen sexuele betekenis hoeven toekennen aan naakt zijn, jezelf durven laten zien aan moeder natuur, etc, etc.

(Ik werd misselijk en wist niet of het door de zon of de woorden kwam.)

Ze zouden twee weken blijven en de natuur van el Alto del Genal zou zich hoogstwaarschijnlijk niet aanpassen aan de naturalistische eisen van deze gasten. Ik vroeg me benauwd af of ze morgen ook naakt gingen helpen op het land, ze waren immers als vrijwilliger hier te gast en er moest noeste arbeid op de helling verricht worden. De moed zakte me in de schoenen als ik dacht aan de komende lange weken die voor me lagen.

Gelukkig deed moeder natuur haar werk, zoals altijd grondig. Slechts twee dagen na aankomst werd de vrouw onwel na een braadsessie op het heetst van de dag en dezelfde avond trapte haar kleine Adonis met zijn naakte kloten in een nest vol gemeen stekende beestjes, die ik niet in mijn insectenencyclopedie kon terugvinden. Voor zonsondergang had ik een hotel voor ze geboekt met airco, in de stad.

De volgende ochtend kwam Blas voorzichtig kijken. ‘Zijn ze weg?’ Ik vertelde wat er voorgevallen was en toen we uitgelachen waren vroeg hij waarom er mensen waren die hier naakt zouden willen rondlopen. Ik probeerde de kern van naturisme uit te leggen en beschreef de campings die we er in Nederland en Duitsland voor hadden gemaakt. Blas sloeg zich op de knieën van het lachen en wees op zijn vier lagen warme kleding die hij ook bij 40 C droeg. Met zijn afgetrapte laarzen duwde hij tegen een bergje stenen aan zijn voeten en meteen kropen er een paar fikse duizendpoten alle kanten op. ‘Als je naakt gaat hier, dan ga je dood. En dat moeten we niet hebben, dooie buitenlanders. Krijg je gezeik mee.’

En zo was dat. We gingen koffie drinken en aan het werk. Alles was weer normaal.

De parkeerbeleving

Laatst werd ik allervriendelijkst door een blonde, jonge, afstuderende parkeermeterassistent begeleid om een parkeerticket uit een Nijmeegse parkeerinnovatie te toveren. Ik dacht: stel dat ik Blas in Zuid Spanje moet uitleggen dat we hier hoogopgeleide parkeer-meter-assistenten hebben. Onmogelijk. Hij zou van zijn boomstronk vallen van het lachen waarschijnlijk.
Ik stond stond dus volledig in de stresspaniek al 5 minuten te praten tegen een apparaat dat mij vroeg om mijn kenteken in te toetsen en mij vervolgens zei dat het helemaal niet hoefde om dan mijn pinkaart uit te spugen. Een blonde langbenige engel in een mooie sportieve parkeermeter-assistenten-outfit, stond opeens naast me. Ik keek naar de hemel, of er een opname was voor de vrouwelijke Axe-reclame, maar hij was echt; geen gebarsten beton.

Voor 3,20 euro kreeg ik niet alleen een heleboel minuten parkeertijd, maar ook een serieus moment van aandacht en psychologische begeleiding. En de verwondering natuurlijk, zeven minuten verwondering. Terwijl hij mij moeiteloos en geduldig vier keer door de procedure leidde (ik vergat mijn pincode steeds, vanwege al zijn vriendelijkheid) besefte ik me: Parkeerbeleving, het bestaat.

Een uur later, aan de andere kant van de stad, moest ik weet parkeren bij zo’n parkeermeter voor gevorderden. Geen parkeer-assistent-engel te bespeuren hier. Ik druk op wat knoppen en krijg een melding dat het apparaat buiten werking is. Een error. Een man komt langs en wijst op het telefoonnummer op de automaat. ‘Als u bel, krijgt u gratis parkeren.’ Ik bedank , geloof hem niet, maar bel toch. Ik krijg een allervriendelijkste telefonische parkeerassistente aan de lijn. ‘Ik zie dat u belt vanuit een niet werkende automaat, mag ik uw kenteken, dan ontvangt u een automatische parkeerontheffing tot 17.00 uur.’ Ik geloofde mijn oren niet. Het leek wel een sprookje, parkeren in Nijmegen, een waar event om warm van te worden.

Maar ondanks deze mooie en kostbare reddingsacties wegens doorgedraafde technologische ontwerpen waar wij burgers nog niet aan toe zijn, besef ik me dat elke handeling in onze stedelijke omgeving, een steeds moeilijkere procedure wordt; die voor lang niet iedereen te begrijpen en dus ontoegankelijk is. We werpen in onze innovatiedrang steeds meer drempels op en verwijderen ons van de simpele logica der dingen. Van onbegrijpelijk OV-jaarkaarten, onbegrijpelijke politiek, belastingsystemen, tot parkeerautomaten; er zijn wel tientallen onbegrijpelijkheden die wij per dag als ‘normaal’ pogen te ervaren en proberen eigenhandig te maken, omdat ze er nu eenmaal zijn.

Omdat het vermoeiend is om de hele dag geïrriteerd rond te lopen, probeer ik af en toe ‘de verwondering’. Kijken door de ogen van Blas. Het helpt. Al is het maar bij het besef dat de wereld toch wel doordraait. Ook als jij het een dagje allemaal niet begrijpt.