Cut

editing

Vroeger, als ik een dag flink gerolschaatst had en ik trok daarna mijn normale schoenen weer aan, ging ik steevast op mijn bek. Je hersenen wilden nog vaart maken, maar je benen begrepen dat nog niet.

Alhoewel ik gelukkig veel afwisseling in mijn vak ken – slaan bij het monteren van video de repeterende bewegingen minstens zo sterk in mijn systeem dan vroeger bij het rolschaatsen.

Omdat montages vaak best lange en eenzame ritten zijn, hanteer ik een streng regime van elke 6 uur CO2 tanken, veel bananen eten, beetje bewegen en af en toe een echt levend mens hallo zeggen.

Maar mijn benen rolschaatsen nog omdat mijn hersenen de normale loop van het leven nog niet aan mijn voeten gecommuniceerd hebben.

Eenmaal buiten begin ik de wereld meteen in stukjes te knippen. ‘’Mooi die gele auto van links naar rechts door het beeld met die donkere herfstwolken en licht groene lentebladeren.’’ Ik bedenk een Braziliaans muziekje op het ritme van de piepende fiets van de student die voor me rijdt, leg een lekker lente-achtig kleurfiltertje over de loodgrijze regenluchten. Ook de twee mollige vis-broers op de Tongersestraat staan er weer mooi bij in Zeemanblauw en smoezelig wit vandaag. Hun glimmende gezichten uitgelicht in het blauw van de lichtbak en op het zilver van de duizenden sardientjes in ijs zou een prachtige titelanimatie passen. Een Lasse Halströmpje.

Alles is een scene, een fragment. Ik laveer tussen de ruis van audiosporen, kleuren en halve dialogen – en doe de boodschappen voor het avondeten. Alle vervelende scenes, mensen en geluiden filter ik er lekker uit, nu mijn hersenen dat nog toelaten.

Want soms is de echte wereld net niet de film waarin ik wil ‘rolschaatsen’. Dus ik erase alle Trump-en Erdogan-krantenkoppen, de buurman met zijn flexzaag-, de roddelende collega-, de meneer die een bejaarde bijna van haar looprek reed vanochtend.

En ik maak freeze frames van alles wat glimlacht, bloeit en in maximaal 60 frames per seconde is te verhapstukken.

Cut – rewind – pan en zoom (out) – erase – no (light) filter – fade in – renderen.. en nu een kopje koffie en dan weer lekker mijn rolschaatsen aan.

We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

Kleine verborgen poortjes

Op de meeting stonden zo’n 30 mannen met ongeveer dezelfde kleur pakken en dassen. Het was de lilla en rose-periode. Een bescheiden en beschaafd gehum vulde de zaal van het prachtige seminarklooster. Ik slenterde quasi nonchalant door de zaal, op zoek naar de koffie. Krampachtig probeerde ik me enkele Linkedin-gezichten te herinneren en schudde in het wilde weg wat handen. 
Ik vroeg me af of er zoiets bestond als ‘fysieke branche-kenmerken’, want in deze zaal zonder fleurig vrouwmens leken alle mannen een beetje op elkaar. Misschien kwam het door de pakken. Of zouden mannen in een zelfde beroepsgroep, net als baasjes op hun honden, ook op elkaar gaan lijken? Je kon de zachte sector in 1 oogopslag onderscheiden van de zakenjongens: van die laatste groep  waren de pakken net iets mooier van snit. De zorgmannen hadden altijd wel een slobberig element dat hun verried, zoals vergeten deodorant op te doen, een warrig kapsel en meer verticale zorglijnen in hun gelaat (afhankelijk van het niveau binnen het management waarin ze opereerden.)
Ik bladerde door het programmaboekje. We zaten pas in het ‘informele netwerk met koffie-programmadeel’ en ik vroeg me benauwd af hoe onfeestelijk de formele programmaonderdelen er dan uit zouden gaan zien. Nog een hele lange dure dag te gaan. Ik mocht gratis trouwens, omdat men het goed vond voor de groep om enkele kunstenaars erin te mengen. Aangezien de gemiddelde kunstenaars dit soort weekeinden nooit zouden kunnen permitteren, was het een uitzonderlijke luxe en eer om als niet post-academicus in het walhalla der seminars te mogen zijn.
Een mooie mevrouw met een alles behalve kloosterlijke nonnenuitstraling tikte met haar harsnagels op het sprekersmicrofoontje en kondigde de eerste lezing aan in de Aula van het Licht. Tien minuten later zaten we met z’n allen met dichtgeknepen ogen in de Aula van Het Licht die zijn naam meer dan eer aandeed. Je zag er geen steek in de rondte.
De hoogleraar op het podium sprak in monotone en moeilijke bewoordingen over het thema van dit weekeinde: Inspiratie. Na een oeverloze en weinig inspirerende monoloog over inspiratie, klonk er een muziekje klonk door de Aula van het Licht. Het wekte op mijn lachspieren en ik grapte naar de zachte zorgmanager naast me dat we hierna Vangelis in de Mariagrot zouden doen. Hij wist vast niet wie Vangelis was, want hij lachte niet eens.
Het was alweer tijd voor een informeel samenzijn. In de kloostertuin deze keer. Konden we de ontzettende lezing even laten bezinken en in contact met de natuur een broodje biokaas eten.
Met z’n dertigen liepen we in een schuifelende rij door de kloostertuin. Het moet er heel belachelijk hebben uitgezien van boven. In de prachtige oude boomgaard met hoogstamfruit stond een pagodetent met een buffet vol biologisch heerlijks van eigen land. Ik nam wat brood en kaas mee en glipte weg. Een spannend paadje dat leidde naar een eveneens spannend poortje in de donkere, hoge kloostermuur leek gemaakt voor dit moment.
Het komt nog zelden voor tegenwoordig dat kleine verscholen poortjes open kunnen, dus die verleiding kon ik niet weerstaan. De wereld was wonderschoon en stil, aan de andere kant van de muur. Ik liep het zandpad naast de bosrand op tot ik het informele gehum niet meer hoorde. Naast het pad zat een boer op zijn trekker een boterham te eten. Hij genoot zichtbaar van zijn versgeploegde akker. De zonnestralen van toverden een warm rood op de verse aarde. Er is niets zo lekker als de geur van stille warme aarde aan de rand van een bos.
Ik was razend geïnspireerd opeens. Geen vezel aan mijn lichaam of ziel die mij nog terug door het poortje naar die inspiratiesessie zou dwingen. Ik vroeg dus aan de boer hoe ik het handigst bij de parking kwam aan de andere kant van het kloostercomplex, zonder door de tuin te hoeven. Hij moest toch die kant op en gaf me een lift tot aan mijn auto. Tijdens de rit langs de lange kloostermuur zag ik nog net het witte puntje van de informele pagode boven de muur uitpiepen.
Een half uur later zat ik dolgelukkig in mijn auto richting Limburg met een broodje tankstation op de bijrijderstoel. Ik had veel geleerd in de afgelopen 12 uur. Lang leve de kleine verborgen poortjes die leiden naar de andere kant van het verstand! 

Taco’s, kalfslever, weekendlimonade en Willem Ruis

Soms eet ik spul uit sentimentele overwegingen. Eten is namelijk heerlijk instant jeugdsentiment. Vanavond even terug naar de tijd van Willem Ruis, weekend-sinas en de geuren van zondagochtend als je kind bent.
Vanavond eten we Taco’s. Geen bijzonder culinair hoogstandje, geef ik toe. Maar wel een klein reisje naar de zaterdagavonden aan het begin van een schoolvakantie, glaasjes prik en minstens 2 uur na reguliere avondetenstijd iets ‘snackerigs’ eten, in plaats van het groente-vlees-aardappelen-trio. Taco’s bijvoorbeeld. Want in de jaren 70 was dat heel erg hip zaterdagavondvoedsel.  Nog hipper dan shoarma, luxer dan hamburgers met tartaar. We moesten zelfs kilometers rijden naar die ene winkel net over de Duitse grens in Kaldenkirchen, om zo’n doosje tacoschelpen te bemachtigen.  

Taco’s dus. Knus-knus: Een salontafel vol met kleine kommetjes: Stukjes tomaat, gerapse kaas (zo noemde ik dat vroeger), flinterdun gesneden rode uien, gekruid gehakt, reepjes ijsbergsla (toen ook heel hip) peterselie en Griekse yoghurt.  Steevast discussie over de volgorde van de ingrediënten. En of je het hoopje bonenprut nu op moest eten, of dat het echt alleen maar diende ter decoratie. Deed je het verkeerd om, klapte je tacoschelp al doormidden voordat je het richting mond kon bewegen. De kunst was stapelen van droog naar nat en dan zijwaarts happen, je hoofd iets schuin.
Hoe langer je glas (weekeinde)sinas half vol bleef, hoe later je naar bed mocht. Liever sterven van de dorst dan naar de eenzaamheid van je slaapkamertje vlakbij het gezellige gegons van televisie en moeder die luidruchtig commentaar levert op alles dat ze ziet bewegen op het scherm.
En dan toch, na Willem Ruijs, naar de slaapkamer.  De laatste slokjes priklimonade van dat weekeinde in je keel laten prikken. Als er nog prik op zat tenminste.
In bed hoor ik mijn moeder de grote soepketel op het fornuis zetten en het bouillonvlees sissend aanbraden. Op een asbest plaatje dat mijn vader er rond 23.00 uur onder de soepketel moest schuiven terwijl mijn moeder de zware soepketel omhoog tilde. Ik hield wel van soep, maar niet van de zondagen waarop ik gewekt werd door de weeïge geur van runderbouillon en prei. Want dat was de geur van mijn strenge oma op zondagse visite en verveling. De dag van de zondagse soep en een wit gestreken tafelkleed.
Van het bouillonvlees maakte mijn moeder later soms kroketjes. Als mijn oma weg was. Ik mocht helpen rollen; twee keer door het beschuitmeel.  Van die kleine, dikke bolle kroketjes vol heerlijke draadjesvleesragout. In de zomer aten we het bouillonvlees ’s avonds bij de boterham, met een augurkje en een beetje mayonaise.
Soms, bijvoorbeeld met Pasen, kerst, of als mijn moeder uitermate goed geluimd was, werd ik op zondagochtend vroeg wakker met de geur van in boter aangebraden kalfslever en de zoete geur van gesmoorde uien. Dan voelde de zondag meteen feestelijk. Een laat ontbijt met heerlijke, boterzachte lever, knettervers witbrood en een dikke glanzende bruine saus om stukjes brood in te dopen. Hemelse kost vond ik dat, dus ik vroeg aan mijn moeder waarom we dit niet elke zondag aten. Ze antwoordde steevast dat het geld haar niet op de rug groeide.  Ik begreep het verband jaren later pas.
Volgende week ga ik een mooie lever bereiden. Voor de late zondagochtend. Ik verheug me nu al. En voel me rijk.  

Penelope Cruz en de figuranten van Bar Luna



Het is begin april en de stad is een en al vrolijkheid en lente. De zeewind van de Atlantische is vandaag lekker lauw, de obers en serveersters nog fris en vrolijk. Ik heb weken binnen gezeten om te sleutelen aan een regenachtig scenario en snak naar gezelschap en een verzetje. Onderweg naar Bar Luna word ik ingehaald door Paco el Pintor, die in alle staten is. ‘Heb je het al gehoord?’ Ik ben een en al oor en hij is ademloos van opwinding. ‘Ze zochten figuranten  voor de filmopnames van ‘Manolete’ en Borja, Pedro, Juan, Julio en ik zijn aangenomen!’ Ik had me gisteren al afgevraagd waarom de stierenarena naast mijn huis afgezet was met geel-zwarte linten en er zoveel campers op de parkeerplaats stonden. Geen stierengevecht, maar een film dus.

‘’En weet je wie er mee doet? Penelooope!” Nu werd het interessant; Penelope is in town. We duiken bar Luna in waar de rest van de figurantenclub nerveus door elkaar heen zit te praten. De vrouw van Borja vindt het maar niks, dat haar man opeens in de film moet meespelen met Penelope Cruz. ‘Aanstellers’ mokt ze terwijl ze luidruchtig tostada’s met slordige tomatenprut op onze tafeltjes kwakt. Julio de Blinde vraagt zich hardop af of het wel zin heeft, een blinde figurant. Borja’s vrouw antwoord sarcastisch dat hij net zo goed hier kan blijven om haar te helpen met de afwas, omdat hij de film toch niet terug kan kijken.
De figuranten moeten zich om 11 uur melden bij de achteringang van de arena, in de grote tent. Met de voltallige clientèle van Bar Luna lopen we in een stoet  achter ‘onze figuranten’ aan.  Lola, de vrouw van Borja blijft mopperend achter in een volstrekt lege kroeg. Terwijl iedereen onderweg in de Calle Lucia Penelope meent te spotten, zie ik Adrien Brody voorbij slenteren. Ik knipoog en hij knipoogt niet terug. Ik lieg tegen Merche en vertel haar dat ik zojuist heb geflirt met Adrien Brody. Ze kijkt me aan alsof ik Venloos praat en heeft geen flauw idee wie Adrien is.
Bij de geel-zwarte linten blijven we staan en zwaaien de mannen uit tot ze achter de tentflappen zijn verdwenen. We nestelen ons op mijn dak, dat uitkijkt op de arena en deparkeerplaats. Meche begint te schreeuwen als ze Paco el Pinto met Pedro ziet lopen. De twee mannen steken stijf van ongemak het plein over in een militair jaren dertig kostuum. Paco hoort ons roepen, kijkt op en ik heb de arme man nog nooit zo ongelukkig zien kijken. De getatoeëerde oude man die ooit vocht tegen de mannen in zulke bruine pakken en ook in het vreemdelingenlegioen had gezeten. ‘Paco zit in de verkeerde film.’ Mompel ik en Manolo mompelt adrem dat dit voor zijn hele leven geldt.
De volgende ochtend is het druk bij Bar Luna. Want iedereen wil natuurlijk weten hoe dat was, meespelen in zo’n echte film met Penelope erbij. Paco is stil en trekt onverschillig zijn schouders op. ‘’Geen Penelope gezien.’’ Mompelt hij na een poosje. ‘’En dat pak kriebelde en zat te strak.’ Vulde Julio de Blinde aan. ‘Het was te heet om de hele middag in de zon stil te staan voor die twee tientjes.’  Juan komt binnen. Zijn gezicht is verbrand en hij trekt met zijn linkerbeen. ‘Hebben ze me verdomme twaalf keer op en neer laten rennen over het strand van La Puntilla. En geen Penelope gezien, alleen een schreeuwende, lelijke kerel met een megafoon.’ Borja’s vrouw sloeg zich op de schort van leedvermaak.
We besluiten in broederlijke verontwaardiging dat de filmindustrie niet ons ding is en we druipen, enigszins gedesillusioneerd, af naar huis. Als ik zwijgend naast Paco onze straat in loop,  worden we op vijftig meter van mijn huis tegengehouden door een man in bewakingsuniform. Naast de ingang van mijn huis stopt een geblindeerde auto. Een kluit voetgangers en bromfietsers hopen zich nieuwsgierig op tegen onze ruggen. Een slank elegant been komt uit de auto. Gemompel stijgt op. Het is Penelope.  De enige echte. Ze kijkt heel kort en niet vrolijk naar de mompelende kluit mensen en verdwijnt in een leegstaande vervallen herenhuis. Uit een volgende auto stapt Adrien Brody. Hij knipoogt niet. Ik ook niet.
We vertellen niemand in Bar Luna van onze close encounter met Penelope en Adrien-die-niemand-hier-kent. Want we hadden toch al besloten dat we niks met de filmbusiness hebben. Ik ging naar binnen en schreef in een ruk de laatste scene van mijn scenario en belde de producent in Amsterdam om te vragen of we Adrien Brody niet zouden kunnen strikken voor een bijrol. Hij dacht dat ik dronken was en hing op.

De film ‘Manolete’, over het leven van een beroemde Spaanse stierenvechter, is pas vele jaren later dan gepland en na allerlei financiële en cinema-politische hobbels, in première gegaan. In de drie-films-voor-een-tientje-bak van Blokker vond ik de DVD deze week onder de titel: ‘’The Passion within’’.
In het Spaans:

Ome Juan doet Ernest Hemingway

(Uit het Boek van Blas)
Het was een normale stille zondag in het dorp. Tot dat Ome Juan met zijn grote Amerikaanse bak verscheen. De dorpelingen keken vol ontzag toe hoe hij sporen van de dure bordeauxrode lak van de lange slee achterliet op de zojuist witgekalkte muren. ‘De straten zijn te smal!’ Riep Ome Juan zwetend, terwijl hij de volgende bocht doorschraapte en zijn grote voorhoofd depte met een hagelwitte zakdoek. Catalina van de postbode sloeg weer een kruis toen Ome Juan met zijn zakdoek naar haar wuifde op het plein. Ze dacht nog steeds de herrijzenis van Hemingway te zien, zodra Juan met zijn dikke witte baard in het dorpje verscheen. Niet dat men hier in het dorp boeken van Hemingway las, maar omdat de schrijver veel zomertijd had doorgebracht in het nabijgelegen Ronda in de jaren veertig, had zij hem persoonlijk meerdere malen mogen ontmoeten. Ome Juan vond het mooi dat sommige ouderen in Ronda en omstreken zich omdraaiden als hij ergens verscheen. ‘Jammer dat ik niet zo kan schrijven als Ernest.’ Grapte hij en besloot twee minuten later dat hij een boek ging schrijven over zijn avonturen in de internationale vleeslobby en kunst-nevenhandel.
Niet alleen de straatjes en zandpaden, maar de wereld in z’n geheel was eigenlijk te klein voor Ome Juan.  Dat had hij zelf nog niet in de gaten. Hij was nog in hoge staat van verwondering over het feit dat de wereld zich nog steeds niet had weten aan te passen aan het volume van zijn geest, zijn stem en zijn geliefde Amerikaanse auto’s.
Binnen een uur was het feest. Want zo ging dat als Ome Juan eens per jaar op bezoek kwam. Het feest werd uit de tijd geslagen, alsof we iets in te halen hadden. Dikke lappen vlees lagen te sudderen in mijn pannen die hier normaliter alleen maar groenvoer zagen.  De wijn leek te verdampen met de snelheid van aceton in warme lucht, zodra Ome Jan ging zitten. Dronken werd hij niet van de wijn, maar van het samenzijn met mensen. Na twee flessen hield hij oprecht meer van iedereen die aan zijn lippen hing. Het erf vulde zich met zijn sterke verhalen en af en toe een bescheiden lachsalvo. Want om uitgebreid te bulderen, of te vragen of het waar was wat hij vertelde, daar gaf Ome Juan niemand de tijd voor, want er waren nog zoveel verhalen te vertellen.
Veel van zijn verhalen grensden aan het ongeloofwaardige. Maar zijn overtuigingskracht en verteltalent, de humor en ironie waarmee hij zijn soms vreselijke avonturen kon omschrijven, maakt het waarheidsgehalte van ondergeschikt belang. Zijn wereldreizen als handelaar in vooral vlees en soms wat kunst, deden elke Ludlum-thriller uit mijn vaders kast verbleken tot een flodderroman.
Met uitgeputte oren bleven we achter. De stilte was altijd immens na zo’n feestelijk bezoekje van Ome Juan. En we wogen daarna nog dagenlang de vermoedelijke onwaarheden of kromme wendingen van zijn avonturen. Altijd weer kwamen we tot de conclusie dat Ome Juan een gevaarlijk type was, vol harde en halve waarheden en een leven dat risicovoller was dan we ons konden voorstellen. Toch had hij een gouden hart. En de in Andalusië zeer gewaardeerde gave om met een paar flessen wijn en een sterk verhaal een feest te doen opvlammen uit het niets.
Enkele uren later hobbelde hij met zijn gekraste Amerikaan weer het zandpad op. Ons aandringen een kamer in het dorp te nemen vanwege de liters wijn die hij had laten verdampen, lachte Ome Juan bulderend weg: ‘’Ik heb vier rijbewijzen uit drie landen, dus dat komt wel goed.‘’ Tot kilometers ver hoorden we de bramentakken piepen en krassen tegen zijn autoflanken. Op weg naar zijn nieuwe vlees- of kunstavontuur en feesten met halve beroemdheden in zijn loft bij Marbella. We dachten, vanuit het perspectief van de arme boeren en hippies die we met z’n allen waren ten opzichte van de exorbitante Ome Juan, dat hij regelrecht het soepele leven van een corrupte rijkaard inreed, om over een paar maanden weer terug te komen met verse sterke verhalen. Alleen Alfredo de burgemeester dacht daar anders over: ‘’Die opknapbeurt aan die auto kost meer dan de gemiddelde finca hier in dit dorp.’’ Zei hij misprijzend. Als liefhebber en verzamelaar van oldtimers kon hij het weten.
Hoe je het ook wende of keerde, iedereen was op z’n eigen manier onder de indruk van Ome Juan. De een vanwege zijn verhalen, de ander vanwege zijn gelijkenis met Hemingway of zijn rijkdom en een enkeling voor zijn gulle hart.
Pas jaren later ontdekte ik de werkelijke aantrekkingskracht van onze stille vallei op Ome Juan. Uit zijn verhalen bleek steeds vaker dat hij niemand vertrouwde en dus nooit zijn verhalen kwijt kon tot in de echte smeuïge details. Hij zoog zich vol met onze simpele aandacht onder het mom dat hij het ‘geweldig knap’ vond hoe wij hier vrijwillig ‘op een houtje beten’. Zijn wantrouwen en drankdriften groeiden mettertijd als een dikke olievlek gedurende zijn verblijf in het mondaine, oppervlakkige en zuigende Marbella en het  besmette uiteindelijk ook onze relatie zodra wij op uitnodiging enkele malen in zijn territorium verbleven. Hoe meer aandacht hij kreeg, hoe meer hij overtuigd raakte dat iedereen tegen hem was, of iets van hem wilde. Hij leek niet in de gaten te hebben dat hij alle aandacht zelf genereerde, door meer feesten te geven dan Xaviera Hollander in die dagen. Ome Juan bleek nog een andere overeenkomst te hebben met Hemingway: Hij raakte verstrikt in zijn eigen verhalen en verslaafd aan een suïcidale levensstijl vol vrouwen, drank, medicijnen en culinaire cholesterol. Van een Bourgondische levensgenieter, werd hij een onvoorspelbaar feestbeest dat alles deed wat zijn artsen hem verboden hadden.
In 2010, na jaren van radiostilte, viel mijn oog op een klein berichtje in de krant. ‘Nederlander vermoord in Paraguay’ Het was Ome Juan. Dood aangetroffen in zijn appartement in Paraguay, waar hij de laatste jaren van zijn leven rentenierde. Op zijn bank met op tafel een lege wijnfles. Waarschijnlijk heeft hij eerst wijn gedronken en verhalen verteld aan zijn moordenaars.
Met terugwerkende kracht geloofde ik alle sterke verhalen toch. Hij had in al die verhalen zijn eigen moord voorspeld. Catalina van de postbode had inmiddels uitgerekend dat Ome Juan niet de reïncarnatie kon zijn van Ernest Hemingway. Maar toch. De parallellen waren achteraf ongelooflijk. Als hij had kunnen schrijven zoals hij geleefd had, was hij zeker net zo’n bestseller geworden dan ‘For whom the bell tolls’  Het verhaal waarin Ernest Hemingway zijn aankomende zelfmoord verpakte, iedereen het las, maar niemand hem geloofde.

Sorrie Ome Juan. Rust zacht in de verhalenhemel. 

A letter to Obama and Romney by Robert Cabot


In de bergen kom je allerlei bijzondere mensen tegen die je in een stads leven niet snel zult ontmoeten. Rustzoekers, inspiratiezoekers, dromers en doorzetters. Maar ook inspirators, rebellen en schrijvers. Veel schrijvers. Het was nu eenmaal een feit: De dramatische landschappen waarmee we ons allemaal wilden laten betoveren, zijn nu eenmaal ultieme zielenvoeding voor het in stand houden van onze driften en illusies. Al heb ik veel te weinig geschreven in die dagen; ik voelde me meer schrijver dan ik me ooit gevoeld had.
Het automatisme van iemand ‘Googlen’ was in die tijd nog niet in ons systeem geslopen, aangezien we 45 minuten moesten rijden om te kunnen internetten. Achteraf besef ik me dat je zonder ‘hulp’ van internet, mensen veel intenser en op een directere manier leert kennen. In de bergen interesseerde het me namelijk geen ene moer wat iemand voor CV had; je sloot iemand in je armen, of je probeerde iemand zo snel mogelijk van je territorium af te werken. 

Robert Cabot was zo iemand die in je geheugen gegrift blijft en voor wie je je deur met liefde openzet. Als ze al bestaan, dan zou hij er een zijn: een ‘oerschrijver.’ Een wijze man met een hart vol activisme, een bijzondere scherpe kijk op de wereld die zichzelf om zeep helpt. Pas jaren later ben ik hem gaan Googlen en zijn boeken gaan lezen. Het gevoel klopte; in zijn werk schuilt een oerschrijver en in zijn oude, jonge hart een activist. Zijn novelle ‘The Joshua Tree’ uit 1970 is nog steeds actueel en dat zegt iets over de kwaliteit denk ik. Vandaag heb ik zijn laatste werk besteld ‘The Isle of Khería’ en ik verheug me al op de eerste regendagen van november, waar ik dat boek in een ruk ga uitlezen.

(Informatie/Bestellen:)  http://www.bloomsbury.com/uk/the-joshua-tree-9780747509431

Roberts website: http://www.robertcabot.com/index.htm

Vanochtend ontving ik via Facebook deze brief die Robert schreef aan Obama en Romney, met het verzoek deze te delen. Nu zijn we weliswaar geen Amerikanen, maar toch ook wel een beetje. En stevige woorden deel ik graag..

Obama, Romney, shame on you!

You continue to ignore the greatest and most overwhelmingly urgent issue that mankind has ever faced. Our species and quite possibly all life forms on this planet are faced with likely extinction within this or the next century. This is not extremist blather, it is the growing consensus of the many thousands of scientists and close observers who are measuring and projecting the effects of global warming.


You, both of you, and the vast multitudes of politicians and talking heads, you go right on encouraging the use of coal and oil and gas, while making a huge issue out of who used the word “terror” where and when, twittering about a “binders of women,” churning out endless contradictory numbers. Never a mention, a hint of the doom which we are all facing.

Stand up now, either of you, no, both of you. Ignore the moderator, throw away your notes, your sound bites, your endless factoids. Tell us the truth, cry it out to the world. Risk rejection, risk political death, seek to save our lives, perhaps all life. Or face ignominy, presiding over the last moments in which we could possibly be saved.

To continue as we are going, taking only a few minimal and ineffectual steps to slightly slow the ever-increasing output of carbon dioxide into the atmosphere, will push us beyond the last tipping point into doom. Drought, floods, devastating storms, dying seas, mass starvation, drowned cities, desperate migrations of survivors. This will be your legacy. You will live and die in shame if you fail to take now the courageous steps, however extreme, that are essential if there is to be any chance of survival in what would be, even in the best of circumstances, an austere world where survival will be precarious.

Lead us! In the name of creation, lead us, lead the world!

Robert Cabot
October 19, 2012

De verschijning en verdwijning van Maria

(Uit het Boek van Blas)

Hij geloofde niet in God of Jezus, maar wel in Maria die hier aan de oever van de Arroyo de Los Franceses in de lente van 1983 voor hem verschenen was. Zijn verschijning bleek een Zweedse toeriste, maar voor Blas was het Maria die uit de hemel kwam. Hij had zelfs een kiekje van haar, zittend op zijn toen nog jonge muildier. Maria breed lachend en Blas met een grijns vol tanden naast haar. Hij bewaarde het kiekje als een relikwie op zijn borst, in een klein plastic mapje dat hij had gekregen van de postbode.

Ze had hem beloofd dat ze terug zou komen ooit, maar inmiddels zag Blas wel in dat dat niet gebeuren zou na al die jaren. Van Catalina van de postbode hoorde ik jaren later dat alle mannen uit het dorp verliefd waren geworden op de Zweedse engel die niet Maria heette, maar Ulka. Blas had alle jonge masculiene dorpsgenoten echter mooi te kijk gezet, toen zijn Maria besloot haar 3 weken natuurvakantie exclusief met hem en zijn muildier door te brengen. Ik stel me voor dat hij haar, grijnzend naast zijn muildier lopende, alle valleien, bossen en beekjes heeft laten zien, kruiden voor haar plukte en een witte roos voor haar jatte bij de boerderij van Manolo Montes die rozen kweekte, speciaal voor de kerkelijke feestdagen.

Arme Blas. Maria had zijn hart betoverd en gebroken.

Ulka Maria had dus ook met haar blote Zweedse voetjes in deze beek zitten wegdromen, met het uitzicht op de oude walnoten en de olijven, druiven en amandelen verderop. Misschien had haar mooie neusje ook de zoete geur van de kastanjebloesem en het gekneusde munt opgesnoven, samen met de houterige nestgeur van Blas, die waarschijnlijk ook toen al naar verbrand hout, rozemarijn en broeiend hooi rook.

Mooi om in de zeer spaarzame verhalen en herinneringen van de oude man mee te mogen dobberen. Maria was verdwenen, maar haar ziel kreeg ruim baan in het stille zwijgen van Blas, daar aan de oever van de Arroyo de los Franceses. De rest van haar schoonheid was verzegeld in de geuren en kleuren van gekneusd jong groen, de lentebries en het kwebbelende beekje.

Op een dag vond ik in een reistijdschrift een serie prachtige foto’s van Zweedse natuurlandschappen. Toen ik de foto’s aan Blas liet zien was hij lang stil. Ik vertelde hem dat dit het land was waar zijn Maria was geboren. Lachend zei hij: ‘Ik zei je toch dat ze uit de hemel kwam..’