Influencersmarketing: worden wij als de Chinezen?

orwell

In China gaan ze vanaf 2020 de burger digitaal monitoren. Een pilot loopt al, met echte oefenburgers. 1.3 miljard Chinezen wonen er in China. George Orwell klimt van schrik uit zijn graf, want hier hebben we de volledig opgepoetste Big Brother 4.0, waar zelfs de bedenkers van Black Mirror zich van achter de oren krabben. Een nieuw game-level in onze datadictatuur: belonen of straffen op sociaal gedrag, maatschappelijke participatie en burgerlijke gehoorzaamheid. Stel je eens voor; punten verdienen voor het inslikken en verspreiden van staatspropaganda, je vuilnis op tijd wegzetten en een goede daad verrichten. Enge bedoening. Maar dat is in China. In Limburg heb ik nu de microvariant gevoeld: Ik werd uitgenodigd als (vak)mens met inzicht en enkele dagen later weer van de gastenlijst gekiept als datagehandicapte, omdat ik onvoldoende punten bleek te scoren online via mijn social media. Afgeserveerd na een online snelheidscontrole door de Social Media politie. Inzicht is voor ouwe baksels, de wereld draait nu om insights. 

”Wij stellen uw aanwezigheid zeer op prijs!” stond er in de enthousiaste uitnodigingsmail voor een persreis ter introductie van een nieuwe route-app. De persreis werd georganiseerd door een marketingbedrijf dat in opdracht van Provincie en andere toeristische gebiedspartners een stuk van Limburg vernieuwend op de kaart wil zetten. Natuurlijk zou het op prijs worden gesteld als wij, de genodigden – ook wel influencers genoemd – positief zouden berichten over de app en de route, mailde de organisatie.

Mooi. Ik blokte de dag in mijn agenda en bevestigde mijn deelname per mail. Er was zelfs een onkostenvergoeding voor de deelnemers en ik hoefde niet mijn eigen boterhammen mee te nemen. ”Wat leuk dat je meegaat!” Schreef de enthousiaste medewerkster terug op mijn aanmelding. ”Mijn collega neemt nog contact met je op voor de verdere afhandeling.”

Deze collega, specialiste in afhandeling naar later inderdaad bleek, vroeg mij enkele dagen later om de bezoekersdata van mijn social media-kanalen; de zogeheten analytics & insights. Oei. Een lastig puntje, want mijn Facebook, Instagram en Blog bestier ik op persoonlijke titel en ik heb geen tools in huis om zulke data-analyses te maken. Had het wel gekund, had ik het ook geweigerd, want ik zag eigenlijk niet in waarom ik met mijn private digitale databillen bloot moest om als filmmaker of blogger te mogen meegaan, op een door mijn eigen provincie gesponsorde persreis waar ik al voor uitgenodigd was.

Haar volgende mail was zo duidelijk als een stuk hout op je hoofd: ”Helaas kunnen wij geen samenwerking bij deze persrelease aangaan met je. Wellicht kunnen we in een ander project gebruik maken van je diensten.”

Huh? Diensten? Samenwerking? Maar ik was toch uitgenodigd? Had ik dan alles verkeerd begrepen? Waarom word ik dan uitgenodigd in the first place? Dat die 30 likes op mijn kiekje van de Maas met hashtag #Limburg op mijn Instagram geen mensenmassa’s naar een nieuwe Limburgse Point of Interest-route zal lokken, snapt mijn kont ook nog wel. Maar…om mij zo gemakkelijk af te schepen zonder een online kijkje te nemen in mijn werkverleden, waaronder 25 jaar (Limburgse) filmzalen, (Limburgse) festivals, (Limburgse) media, blogs, podium-discussies, interviews, lezingen, opdrachtfilms en exposities in Limburgse musea. Heel even voelde ik mij een argeloos afgedankt, nutteloos, analoog meubelstuk dat niet meer in de hedendaagse hedonistische data-entourage past.

Ik ga te rade bij de betere marketing-Goden bij Dr. Google. Mijn probleem is, volgens een Amerikaanse collega, dat ik een nano-influencer ben met een verregaand specialisme. Heb ik weer. Nano-Nabben. Enigszins gerustgesteld dat ik toch een naam heb in Data-rijk, kruip ik lekker in mijn mega grote bed en tel mijn laatste Instagram-likes even. Vijf stuks vandaag, dat schiet niet op. Sorrie Limburg!

Duizenden online communicatieprofessionals blinken uit in massatrends volgen, risicoanalyses, veilige prognoses voor opdrachtgevers toveren en economische algoritmes in diensten, producten en gebieden pompen. Bloggers worden reviewverkopers, bartering-sletten. Instagrammers worden ambassadeurs van schoenen, gezondheid, roze olifanten, regio’s, perfecte levens of maken gewoon zachte propaganda voor overheidsinstanties. Natuurlijk vraag ik mij weleens af of ik als Nano Nabben in deze tijd van koude data-analytics en massa-propaganda nog wel van algemeen inzetbaar nut in de communicatiebranche ben? Soms overweeg ik dan ook om mijn ziel te gaan verkopen aan de brand-managers, strategisch online content specialisten. De verleiding is groot. Waarom zou ik een mens zijn als ik ook een merk kan wezen?

Maar als ik mijn innerlijk insight en analytics echt laat spreken, blijf ik toch liever wie ik ben. Nano-mezelf in het grote Limburg, dat na deze persreis wellicht, zoals het Outlet Centrum in Roermond, ontdekt zal worden door de Chinezen.  dan is deze cirkel ook weer rond.

 

Wil je weten hoe dit er in China in 2020 ongeveer in de praktijk uit gaat zien? Doe dan deze TEST van de NOS 

#delenisgezelliger

Een clochard in Parijs en drie Marokkanen in Lelystad

boswijkfoto: wijkraad Boswijk Lelystad – havenkom.

 

We zijn verdwaald ergens op het water tussen Dronten en Almere Haven. Dat daar ook Lelystad ergens tussenin lag, wist ik niet. Ik was nog nooit eerder in deze contreien en had als Limburger het idee dat Almere en Lelystad een pot nat waren: een grote klont ongezellige beton in een grote plas ongezellig water.

Maar het leven kent vreemde zijpaden en zo ben je opeens een verdwaalde Limburger op een boot met een Zwollenaar, ergens op een kanaal. Je maakt wat mee als je eens een provinciegrens oversteekt.

Ik hou van verdwalen, dat heb ik van mijn moeder. Die hield er niet van, maar ze heeft me wel de kunst van het verdwalen in de genen meegegeven. Mijn vader, die ook geen best oriëntatievermogen bezit, reed ons gezin in de jaren zeventig  – met mijn moeder kaartlezend (niet dus)- ooit vier keer door het spitsuur van Parijs over dezelfde rondweg. We wilden helemaal niet in Parijs zijn. Stel je voor, een auto met 5 kinderen en een aanhangwagen vol tentjes en slaapzakken, luchtbedden. (Het was nog in de tijd toen luchtbedden van dikke gestoffeerde rubber waren en 3 kilo per stuk wogen.) Uiteindelijk, na alweer een rondje afslag gemist, belandden we midden in het drukke centrum van Parijs. We moesten ergens richting Marseille zijn, al wisten we met z’n allen waarschijnlijk niet eens waar dat precies lag. Het was nog in de tijd toen onze vaders nog op borden en gevoel naar de andere kant van Europa reden met een kluit mekkerende kinderen achterin. We werden uiteindelijk gered door een liftende zwerver. Een van mijn zusjes sprak vier woorden Frans en met de vrolijke zwerver tussen de zussen en broer op de achterbank geperst, reden we ons – A DROIT – A GAUCHE – NO A DROIT! – helemaal klem in het centrum van Parijs. De zwerver stapte uit op zijn plaats van bestemming, bedankte ons vrolijk en zwaaide ons uit, richting de afslag naar de autobaan richting Marseille. Ik, achterin de kattenbak van de stationcar op de slaapzakken, vond het een geweldig avontuur. Van de rest van die vakantie kan ik me weinig herinneren, maar deze helse dwaling door Parijs, met mijn vader scheldend achter het stuur, die meurende zwerver tussen mijn gruwende zussen in die ons schreeuwend door de verkeersdrukte loodste, zal ik nooit meer vergeten.

Ok ik dwaal af. Dat was Parijs. En toen was ik 8 jaar. Ik geloofde er heilig in dat elke (ver)dwaling een mooi avontuur op kon leveren. En dat elke (ver)dwaling een uitstel was van de executie der saaiheid. Nu geloof ik dat nog steeds. Ik hou van een (ver)dwaling of zijpad op ’n tijd. Want als je de route even loslaat, gebeuren de leukste dingen. Wie goed verdwaalt, die goed ontmoet.

Terug naar de boot. Het kanaal loopt dood midden in een levendige woonwijk. Nooit gedacht dat Almere zo levendig zou zijn. (Dat bleek later dan ook te kloppen, want we zaten in Lelystad.) Een klein druk plein met trappen naar het water, omringd door flats en sociale woningbouwwoningen van het minder gezellige type. En toch gezelligheid. Bankjes waar mensen op zitten met een boek, of zomaar met elkaar te kletsen, stoepjes waar kinderen spelen, mensen die kuieren. Nergens een bordje ”verboden te… ”. Een oase van ambtelijk loslaten avant la lettre, dit stukje beton in Almere – uh Lelystad? Ik schiet er bijna vol van. Op het terras van de buurtkroeg staat een uitbundige club kale kerels glazen bier te hijsen, het terras van een Marokkaans couscous Restaurant wordt geveegd, ik zie een tattoo-shop, een Turks eethuis en een frituur. ”Frietje?” vraagt mijn dwaalkapitein die mijn gedachten kan lezen. Ik overweeg heel even couscous met een tattoo als toetje maar ga toch voor het frietje.

Ik vraag aan een paar Marokkanen op het bankje bij de boot, of ze even op de boot willen passen, die we aan een prullenbak naast hun bankje hebben vastgebonden, bij gebrek aan aanlegpalen. De jongemannen kijken me in eerste instantie enigszins wezenloos, maar niet onvriendelijk aan, dus ik leg uit dat we een frietje gaan halen aan de overkant. Als het drietal vrolijk ja knikt en zegt dat we ons geen zorgen hoef te maken, denk ik heel even: ”Inshallah, إذا لم يسرقوا قاربنا! (‘iidha lm yasraquu qaribana!)*

We keren weder met frietjes naar de niet gestolen boot en genieten nog even na van de gezellige sfeer aan wal. Als we tegen zonsondergang wegvaren, ben ik drie vooroordelen lichter over Flevoland, Marokkanen op een bankje in de publieke ruimte en levendige woonwijken. En nu ben ik razend benieuwd naar Almere.

De wereld is zo slecht nog niet als je zo af en toe verdwaalt.

Meer verhalen over verdwalen lezen? In Spanje was ik (ver)dwaal-specialist bij uitstek. 

De weg naar de omweg (een wandelroute)

De weg naar Plasentia

De Gonzalodagen – een wilde flamenco-rit

 

 

 

 

Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

Just a normal day?

Unknown

Buiten is alles normaal. Fietsers fietsen, vrachtwagens lossen, een hond pist tegen het bord van de Jumbo. Just a normal day.

ME busjes. Knuppels. Ik kruis mijn blik met een man met een oortje in en een kogelvrij vest aan – niet onaantrekkelijk kaal – net als in de film. Opgefokte jeugd met telefoontjes, heel opvallend en toch ongezien – lopen zich vast in een oploopje. Verdwijnen tussen schouders en capuchons. Stemmen vol adrenaline, bleke, boze gezichten van mannen, ooms, neven, buren. Bloemen op straat. Alweer opwaaiend cellofaan. Een huilende vrouw. Waar hij lag. Met een opgetrokken knie. Te jong en te dood. Boosheid, verdriet, begrijpelijk maar beangstigend. Een groepje agenten trekt een sprint naar een onzichtbare finish om de hoek. Omroepbusje, twee nerveuze cameramannen met een veel te zwaar statief.

Twee straten verderop. Uitgestorven. Mijn vader luistert radio. De kranten op tafel, een halve kop thee. De hond slaapt, hij lijkt wel dood, maar ik durf niks te zeggen. Hij hoort me denken en zegt: ”17 jaar en 4 maanden is hij nu.” Een hond van de dag. De hond zucht diep en ademt uit met een rochel. Apneu misschien. Opluchting. Niet vandaag aub.

”Ik ga de hond uitlaten, dat beest moet pissen.”

” Zal ik even meelopen?”

”Nee gek, ze zijn nu wel klaar met schieten.”

”Ga je niet te ver?”

”Nee kind.”

Ik blijf achter met het nieuws op de radio en volg mijn vader en hond vanachter de vitrages. Onrust in Blerick, daders voortvluchtig, bewoners boos, na de reclame. Ik pak mijn camera en film mijn vader die helemaal alleen over de verder lege straat slentert, in gedachten verzonken.

”Ben je niet bang?” vraag ik als hij terug is.

”Als mijn tijd gekomen is, dan is dat zo. Ik ben niet bang. En ik zeg nog steeds iedereen in de buurt hallo. Of ze dat nu gek vinden of niet. Kijk je wel uit op de terugweg kind?”Hij legt een oude beddensprei over mijn camera die op de bijrijdersstoel ligt.

”Je moet die auto eens wassen en uitmesten, wat een puinhoop kind. Ben voorzichtig.”

”Jij ook pa.”

Ik beloof beter tegen beter weten in. We lachen. We zoenen. Ik toeter, hij zwaait. Ik rij. Met een hele grote boog (van een kilometer of twaalf) om de realiteit en de boosheid heen. Ik wandel, ik winkel, ik werk, steek een kaars aan, maak spaghetti carbonara, ik bel met vrienden, drink een borrel, kijk het nieuws, draai Lou Reed.

Maar het helpt niet.

Ik pak een boek. Een grappig boek. En val na de titel uitgeput in slaap op de bank. Ergens tussen ontwaken en echt wakker worden zie ik door mijn vitrage de wereld die een fractie donkerder lijkt dan gisteren rond deze tijd. Mijn kaars brandt nog. Mijn ogen moeten nog wennen aan het nieuwe donker. Voorzichtig tast ik mijn verse herinneringen af op de valreep van de zonsopgang.

Buiten fietsen fietsers. Een vrachtwagen lost zijn vracht, bovenbuur klettert een ochtendplas. Aarzelend omarm ik deze dag. Just a normal day

 

mijn zorgrobot en de punaises van Oma

robot-flower-wallpaper-1

Vroeger hadden we thuis een boekje getiteld Oma weet Het Beter. De eerste druk, met nog ouderwetsche Nederlandsche woorden erin. Bij een zwerende vinger, een teek (was het nu linksom of rechtsom draaien, een gloeiende sigaret erop of verdrinken in olie of afschrikken met terpetine?) maar ook nachtmerries, een zwaar gemoed of een kater na te veel drank. (rauwe eieren of haringen?) In Oma Weet Het Beter stonden eigenlijk alle oplossingen voor de grote wereldproblemen die zich zo dagelijks kunnen manifesteren in een groot huishouden.

Ik slaapwandelde als kind wel eens. En nogal uitgebreid. Zo werd ik weleens wakker met mijn hoofd in het felle ijskastlicht, in de hondenmand naast Bruno, of slapend onder de salontafel. Mijn moeder maakte zich zorgen nadat er een broodje-aap verhaal rondging over iemand in de buurt die uit het raam was gesprongen tijdens het slaapwandelen. Waar gebeurd of niet, het was een eng verhaal. Ze raadpleegde ons beduimelde Oma-orakel. Natte lappen naast het bed, was het advies. En als dat niet werkt: schoenspijkertjes. Mijn broer, die zich in die tijd in de sadistische puberale fase bevond, wist meteen een doos punaises te vinden en zei: die blijven beter liggen.

Natuurlijk heeft mijn moeder geen schoenspijkers, natte lappen of punaises rond mijn bed gestrooid. Maar voor mij leek het beeld al voldoende om ’s nachts gewoon in mijn bed te blijven liggen.

‘Oma weet raad’, de slimme best-sellende opvolger van ‘Oma weet het beter’’ heeft er goed munt uitgeslagen sinds de eerste druk in 1992; het boek is inmiddels tig keer in de herdruk gegaan en een succesvolle website schiet online dagelijks duizenden huishoudens te hulp bij het signaleren van een teek, een zilvervisje, of een jengelig kind met melktandjespijn. Oma’s raad reikt in feite nog veel verder dan boekjes en websites; ouderwetsche huishoudtips zijn miljoenenhandel en de basis voor talloze vrouwenmagazines, de marketingstrategie van biologische merken en ketens, tv-formats, gezondheid-vlogs, Instagram-dieet-guru’s. Oma zit zelfs tot in de haarvaten van advies- en psychologen-praktijken en alternatieve geneesmarkt. Oma is ons pre-technologische geweten uit de tijd toen we nog niet wisten dat we de wereld om zeep hielpen, maar wel wisten hoe we moesten overleven met de beperkte kennis en met de simpele middelen die we toen binnen bereik hadden. Als Oma had geweten dat er een eeuw later een miljoenen industrie zou ontstaan rondom deze simpelheid, dan had ze de rechten van haar eerste boekje in 1928 wel beter vastgelegd bij de notaris.  Of Dokter Vogel geheten. En hiermee had ze dan weer haar nazaten tot en met de vijfde generatie kunnen voorzien van een basisinkomen.

Dusss….Inmiddels weten we het zeker: Oma wist het fucking beter!

Waarom ik zelf ook nog naar dit soort boekjes neig te grijpen als ik een huishoudelijk wereldprobleem heb, weet ik eigenlijk niet. Maar ik stopte onlangs toch weer eens een natte krant in mijn nieuwe schoenen, legde een spons met azijn op een schoteltje, steek kruidnagels in sinaasappelen die te lang gelegen hebben en heb me onlangs nog flink laten uitlachen omdat ik weegbreebladeren in mijn sokken had gestopt. Dat hadden ook vier flesjes spray kunnen zijn uit een winkel: schoenen-soepelmaak-nano-spray, HG-nare-luchtjes-spray, Febreze luchtverfrisser oriëntaal met kruidnagel, voeten-zonder-blaren-spray.

Onlangs slaapwandelde ik weer eens sinds hele lange tijd. De trap naar mijn slaapkamer is Amsterdams steil en hoog voor Eindhovense begrippen; een bijna-ladder. Ik schrok wakker op ongeveer een halve meter voor de trap. Mijn geest had er snel een doosje punaises en natte lappen neergegooid, bleek. Auw. Zo zie je maar weer. Oma’s domme belachelijke raad, heeft zich in mijn systeem genesteld als welkome alarmbel.

Moderne tijd en ouderwetse wijsheid; ze zijn een prima huwelijk. Generatieoverschrijdend ook. Ik omarm beide. Generatiedingetje. Als ik later bijvoorbeeld een zorgrobot krijg, dan leer ik die gewoon kruidnagels in sinaasappelen steken en weegbree plukken als ik niet meer kan bukken.

PS. Mijn eigen oma’s wisten trouwens helemaal niks. De enige wijze raad die ik mij van oma #1 kan heugen: ”Kind, zorg dat je altijd een schone witte onderbroek aan hebt en eentje in de tas, voor het geval je een ongeluk krijg en ze je vinden.” Oma #2’s tip voor het leven was: ”Meisje, zorg ervoor dat je geen grote borsten krijgt, want dat moet je allemaal maar meeslepen een leven lang.” 

 

 

 

Cut

editing

Vroeger, als ik een dag flink gerolschaatst had en ik trok daarna mijn normale schoenen weer aan, ging ik steevast op mijn bek. Je hersenen wilden nog vaart maken, maar je benen begrepen dat nog niet.

Alhoewel ik gelukkig veel afwisseling in mijn vak ken – slaan bij het monteren van video de repeterende bewegingen minstens zo sterk in mijn systeem dan vroeger bij het rolschaatsen.

Omdat montages vaak best lange en eenzame ritten zijn, hanteer ik een streng regime van elke 6 uur CO2 tanken, veel bananen eten, beetje bewegen en af en toe een echt levend mens hallo zeggen.

Maar mijn benen rolschaatsen nog omdat mijn hersenen de normale loop van het leven nog niet aan mijn voeten gecommuniceerd hebben.

Eenmaal buiten begin ik de wereld meteen in stukjes te knippen. ‘’Mooi die gele auto van links naar rechts door het beeld met die donkere herfstwolken en licht groene lentebladeren.’’ Ik bedenk een Braziliaans muziekje op het ritme van de piepende fiets van de student die voor me rijdt, leg een lekker lente-achtig kleurfiltertje over de loodgrijze regenluchten. Ook de twee mollige vis-broers op de Tongersestraat staan er weer mooi bij in Zeemanblauw en smoezelig wit vandaag. Hun glimmende gezichten uitgelicht in het blauw van de lichtbak en op het zilver van de duizenden sardientjes in ijs zou een prachtige titelanimatie passen. Een Lasse Halströmpje.

Alles is een scene, een fragment. Ik laveer tussen de ruis van audiosporen, kleuren en halve dialogen – en doe de boodschappen voor het avondeten. Alle vervelende scenes, mensen en geluiden filter ik er lekker uit, nu mijn hersenen dat nog toelaten.

Want soms is de echte wereld net niet de film waarin ik wil ‘rolschaatsen’. Dus ik erase alle Trump-en Erdogan-krantenkoppen, de buurman met zijn flexzaag-, de roddelende collega-, de meneer die een bejaarde bijna van haar looprek reed vanochtend.

En ik maak freeze frames van alles wat glimlacht, bloeit en in maximaal 60 frames per seconde is te verhapstukken.

Cut – rewind – pan en zoom (out) – erase – no (light) filter – fade in – renderen.. en nu een kopje koffie en dan weer lekker mijn rolschaatsen aan.

We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Kleine verborgen poortjes

Op de meeting stonden zo’n 30 mannen met ongeveer dezelfde kleur pakken en dassen. Het was de lilla en rose-periode. Een bescheiden en beschaafd gehum vulde de zaal van het prachtige seminarklooster. Ik slenterde quasi nonchalant door de zaal, op zoek naar de koffie. Krampachtig probeerde ik me enkele Linkedin-gezichten te herinneren en schudde in het wilde weg wat handen. 
Ik vroeg me af of er zoiets bestond als ‘fysieke branche-kenmerken’, want in deze zaal zonder fleurig vrouwmens leken alle mannen een beetje op elkaar. Misschien kwam het door de pakken. Of zouden mannen in een zelfde beroepsgroep, net als baasjes op hun honden, ook op elkaar gaan lijken? Je kon de zachte sector in 1 oogopslag onderscheiden van de zakenjongens: van die laatste groep  waren de pakken net iets mooier van snit. De zorgmannen hadden altijd wel een slobberig element dat hun verried, zoals vergeten deodorant op te doen, een warrig kapsel en meer verticale zorglijnen in hun gelaat (afhankelijk van het niveau binnen het management waarin ze opereerden.)
Ik bladerde door het programmaboekje. We zaten pas in het ‘informele netwerk met koffie-programmadeel’ en ik vroeg me benauwd af hoe onfeestelijk de formele programmaonderdelen er dan uit zouden gaan zien. Nog een hele lange dure dag te gaan. Ik mocht gratis trouwens, omdat men het goed vond voor de groep om enkele kunstenaars erin te mengen. Aangezien de gemiddelde kunstenaars dit soort weekeinden nooit zouden kunnen permitteren, was het een uitzonderlijke luxe en eer om als niet post-academicus in het walhalla der seminars te mogen zijn.
Een mooie mevrouw met een alles behalve kloosterlijke nonnenuitstraling tikte met haar harsnagels op het sprekersmicrofoontje en kondigde de eerste lezing aan in de Aula van het Licht. Tien minuten later zaten we met z’n allen met dichtgeknepen ogen in de Aula van Het Licht die zijn naam meer dan eer aandeed. Je zag er geen steek in de rondte.
De hoogleraar op het podium sprak in monotone en moeilijke bewoordingen over het thema van dit weekeinde: Inspiratie. Na een oeverloze en weinig inspirerende monoloog over inspiratie, klonk er een muziekje klonk door de Aula van het Licht. Het wekte op mijn lachspieren en ik grapte naar de zachte zorgmanager naast me dat we hierna Vangelis in de Mariagrot zouden doen. Hij wist vast niet wie Vangelis was, want hij lachte niet eens.
Het was alweer tijd voor een informeel samenzijn. In de kloostertuin deze keer. Konden we de ontzettende lezing even laten bezinken en in contact met de natuur een broodje biokaas eten.
Met z’n dertigen liepen we in een schuifelende rij door de kloostertuin. Het moet er heel belachelijk hebben uitgezien van boven. In de prachtige oude boomgaard met hoogstamfruit stond een pagodetent met een buffet vol biologisch heerlijks van eigen land. Ik nam wat brood en kaas mee en glipte weg. Een spannend paadje dat leidde naar een eveneens spannend poortje in de donkere, hoge kloostermuur leek gemaakt voor dit moment.
Het komt nog zelden voor tegenwoordig dat kleine verscholen poortjes open kunnen, dus die verleiding kon ik niet weerstaan. De wereld was wonderschoon en stil, aan de andere kant van de muur. Ik liep het zandpad naast de bosrand op tot ik het informele gehum niet meer hoorde. Naast het pad zat een boer op zijn trekker een boterham te eten. Hij genoot zichtbaar van zijn versgeploegde akker. De zonnestralen van toverden een warm rood op de verse aarde. Er is niets zo lekker als de geur van stille warme aarde aan de rand van een bos.
Ik was razend geïnspireerd opeens. Geen vezel aan mijn lichaam of ziel die mij nog terug door het poortje naar die inspiratiesessie zou dwingen. Ik vroeg dus aan de boer hoe ik het handigst bij de parking kwam aan de andere kant van het kloostercomplex, zonder door de tuin te hoeven. Hij moest toch die kant op en gaf me een lift tot aan mijn auto. Tijdens de rit langs de lange kloostermuur zag ik nog net het witte puntje van de informele pagode boven de muur uitpiepen.
Een half uur later zat ik dolgelukkig in mijn auto richting Limburg met een broodje tankstation op de bijrijderstoel. Ik had veel geleerd in de afgelopen 12 uur. Lang leve de kleine verborgen poortjes die leiden naar de andere kant van het verstand!