We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

De dood en ons dagelijkse brood (Uit het boek van Blas)

Paco, de oudste zoon van Paqui en Juan was patsboem dood omgevallen tijdens een dominopartijtje in Balta’s bar op een bloedhete zondagmiddag. Slechts 35 Spaanse lentes had hij meegemaakt, het arme bakkersjong. Raar vond niemand het, die hartaanval. Al was het wel even schrikken op zo’n gewone, stille zondag in een dorpje waar zelden iemand nog stierf tegenwoordig. Paco had er een nogal ongezonde levensstijl op nagehouden; veel te dik, hij rookte als een ketter, dronk als een Costa-Rus en was een zeer zwijgzame binnenvetter. Het verdriet van Paqui en de stille, gebroken Juan raakte ons allen diep. Nog nooit had hij een meisje gehad, snikte Paqui’s zus terwijl we met stoelen en opklaptafels sleepten in de hete zon. En ik vroeg me af of dat goed of slecht was. Het scheelde alweer een veel te jonge zwarte weduwe die bij een verdrietige schoonmoeder in huis haar jonge dagen mag slijten. Daar waren er al meer dan voldoende van in dit dorp.
De manier waarop de dorpelingen zich voorbereidden op een begrafenis, had hetzelfde koortsachtige karakter als de dag voor de jaarlijkse dorpsferia.  Niemand had echt de regie, maar alles liep toch op rolletjes. Er werden massa’s eten gekookt door de vrouwen uit de Calle Alto en de vrouwen van de ‘Hermandad del Nino Jesus de Cartajima’ bakten taarten en schikten bloemstukken voor in de kerk. De straten werden aangeveegd en de kleine achterkamer van de bakkerij was leeggeruimd om de opbaartafel met de gigantische oude koelmotor te installeren.  Terwijl vijf sterke mannen Paco’s logge dode lichaam van Balta’s kroegkoelcel naar de achterkamer manoeuvreerden, namen de vrouwen Paqui mee voor een ommetje. Dat was maar goed ook bleek later, want de kar waar ze Paco op hadden gelegd om naar zijn ouderlijke huis te vervoeren, was omgekiept bij de laatste bocht, waardoor Paco’s zwarte pak onder het stof zat.
Na enige manoeuvres en een snelle borstelbeurt kon de wake in Paqui’s keuken beginnen.  Paco lag er bij alsof er iets gebeurd was. Al snel zat de kleine achterkamer –die ook als opslag voor de winkel diende – vol. Iedereen zweeg, behalve Paqui die in lange uithalen weeklaagde en zich met haar vuist op de borst sloeg. ‘Mijn zoon, mijn zoon, waarom toch mijn zoon?’ De koelmotor van de baartafel vocht als een beest tegen de tropische hitte en iemand wisselde het volle koelwaterlekbakje onder het nylon gordijntje aan het voeteneinde. Niemand keek echt naar Paco, omdat de opbaartafel veel te hoog was ten opzichte van de typische Andalusische stoeltjes met veel te korte poten. Ik denk dat niemand het heel erg vond, want Paco was niet bepaald Sneeuwwitje in zijn zwarte glimmende Hermanidad-kostuum. Dus stil staarden we met z’n allen naar het nylon gordijntje en de kartonnen dozen met gezouten botten en pakken melk die iemand haastig tegen de muur had geschoven. Buiten was het een kabaal van jewelste; het reüniegevoel onder de mannen zwol aan.
Tot diep in de nacht druppelden er familieleden en buren het dorp binnen. De straatjes vulden zich met begroetingen en kinderstemmen, uit de keukenramen van de Calle Alto klonk pannengekletter en sissende olie. Het mocht geen feest heten, maar toch was het dorp op z’n gezelligst als er iemand dood was gegaan. Iedereen leefde er even van op.
De dag na de begrafenis, als de laatste auto’s van neven, nichten en aanhangende familieleden toeterend verdwenen waren in de bocht, was het dorp weer net als altijd: doods.  Balta deed zijn bierprijs weer een kwartje omlaag en plakte nieuwe lijsten op voor de volgende dominocompetitie. Paqui stond weer gewoon achter haar toonbank met donkere kringen van verdriet rond haar ogen en Juan  maakte de oven schoon, zwijgend zoals altijd. Het was druk in de winkel en een gekakel van jewelste. Iedereen had 2 dagen vers brood gemist en Paqui’s winkelvoorraad Bimbo-brood was gisteren al op.
We waren 72 uur verder.
Paqui zou vanaf vandaag en voor de rest van haar leven zwart dragen. Want alhoewel deze rouwtraditie in de meeste delen van Spanje al sinds de jaren 50 was afgeschaft, hield men hier nog stevig vast aan wat ooit sociaal gewenst was. Juan zei zijn lidmaatschap bij de dominoclub op en hij zette geen voet meer binnen bij Balta. Behalve bij begrafenissen, want dan was het dorp weer 48 uur van iedereen.  
En zo werd de stille Paco weer deel van het dorpsplaatje; in de kolossale zwarte schortjurken van zijn moeder en het eeuwige zwijgen van Juan die ons dagelijkse brood bakte.

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij  de kroeg van Pablo de Galiciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras.  Op de de bussenparkeerplaats bij het strand stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden.  Toen we twee uur later eindelijk op het stadsstrandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander die vindt dat ze haar tijd nuttig moet besteden.
Daar zaten we dan. Een Spaanse drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde buitenlander. We deelden brood en wijn en zwegen. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en ik porde hem steeds zodra ik een ster zag vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe geheel overbodig. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart  met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wens was uitgekomen. Dat alles even zou blijven zoals het was.

Vleesfeest

foto: Franco Gori / The making of ‘Encarnación’
Pepe el Loco vond het belachelijk dat er rook van mijn geimproviseerde BBQ kwam en er helemaal geen gram vlees te bekennen was. Hij kwam altijd op rook af, die Pepe. Ik roosterde parika’s en courgettes op de gietijzeren paardenruif die was omgebouwd tot tijdelijke XL-BBQ bij gebrek aan paard en geld voor een Weber. Het zag er leuk uit, maar dat was dan ook alles.
Pepe droop al snel af, stapte mopperend in zijn Jeepje en hobbelde over het zandpad richting dorp, ons in een stofwolk achterlatende. Een biertje sloeg hij af. Geweldig hoe je de meest vervelende mensen uit dit dorp kon wegjagen met paprika’s. Soft gedoe, dat schrok de mensen af hier blijkbaar. We aten in stilte de geroosterde paprika’s en courgette met zeezout. Al was het wonderschoon enzo, al die natuur, die stilte, die paprika’s uit eigen tuin, het was saai.  
Pepe had gelijk, al had ik weinig behoefte om dat in 300 decibel scheldend naar mijn hoofd geslingerd te krijgen op een rustige zomeravond. Maar toch. Zijn bezoek deed me verlangen naar een sappige steak, of desnoods een braadworst. De stilte deed me soms verlangen naar een feest, met koud bier en de ochtendzon uit zijn wolkenbed zingen.
Het sissen van een biopaprika is nu eenmaal een slap geluidsaftreksel van een sissende lap vlees. En thee in een stil bos is ook maar thee in een stil bos.
Mijn stille wensen kwamen al sneller in vervulling dan gewenst; een lange stofwolk naderde over het zandpad. Lange stofwolken betekenden meestal meerdere auto’s, of Paco van Anna die met een snuif coke op met 60 KM per uur over het zandpad scheurde. Aangezien Paco nog in het ziekenhuis lag van zijn vorige suïcidale bosrit, moesten het wel een stel dronken dorpelingen zijn op dit tijdstip.
Enkele minuten later stond ik midden in een brok onverstaanbare mannenherrie en lagen er grote stukken vlees op mijn ruif te sissen. Iemand sleepte mijn wasteil naar de beek en gooide een paar sixpacks bier in het koude water.  Pepe el Loco glom van trots en flipte handig de lappen gebraad om met zijn Zwitserse zakmes. 
Toen ik over de irritatie heen was dat ik een ongewenst feest op een veel te laat tijdstip in mijn vegastrot geduwd kreeg, heb ik me er maar ingeworpen. Tegen de ochtendgloren hadden Pepe el Loco, Juan, Pedro, El Serio en ik samen een lastig integratievraagstuk opgelost. Ik beloofde dat ik weer vlees zou eten en bier zou drinken, in ruil voor hun directe vertrek. Dat was de beste deal die ik eruit kon slepen als beginneling.
Tevreden kroop ik in mijn bedstee en sliep voor het eerst sinds jaren een gat in de dag. De paprika’s en tomaten moesten geplukt worden, maar dat kon me even geen biet schelen. Al was ik als theedrinkende vegetariër natuurlijk een veel betere boer; ik besloot voordat ik in slaap sukkelde dat ik als bierdrinkende carnivoor een veel gelukkiger mens zou zijn hier waarschijnlijk.

Consuminderen in stijl (Uit het boek van Blas)

Heel soms wilde Blas mee naar de supermarkt in de stad. Ik baalde dan een beetje, want de ritjes naar de supermarkt waren mijn meest frivole shoppinguitstapjes in die tijd. Ik maakte er altijd een uitstapje van; mooie kleren aan, make-upje, een tapaatje eten bij de venta onderweg. Het liefs ging ik tegen de avond, als het afkoelde en de zon alles in oranje en paars kleurde. Al was het slechts een dik half uur rijden, de schoonheid van het avondlandschap vertraagde de tijd. Ik draaide mijn favoriete muziekje en bralde luidkeels mee met Joni Mitchell of de euforische koren van de Misa Flamenca van Peña. ‘Santos, Santos!’ Met een een brok in mijn keel van het mooie landschap en de muziek die aan de touwtjes van mijn ziel trokken tot het tranenluik open ging. Heerlijk. Al was ik altijd bang dat ik op zulke momenten per ongeluk spontaan gelovig zou worden. Mijn praatkameraad Paco de treurige uit Madrid noemde dit ‘het heerlijke huilen’. Hij kon het weten want hij reed eens per maand op en neer naar Madrid, hij was de enige atheïst in het dorp en hij hield van Bach. Op de parking van de Hypersol werkte ik mijn mascara bij.
Met Blas naast me ging die emo-vogel niet op helaas. Met vragen als: ‘Waarom zing je zo vals vrouw?’ en: ‘Waarom huil je, vrouw?’, verprutste hij mijn trip totaal. 
(Pas nu ik het opschrijf vind ik dat komisch; destijds vond ik hem ronduit irritant op zulke momenten; alsof iemand me last minute mijn vakantie afnam.)
Na een rit waarin Blas aan een stuk door in mijn oor toeterde over welke dorpelingen er allemaal in de ravijnen waren gestort, kon het winkelfestijn beginnen. Blas duwde de kar (zo raakte ik hem niet kwijt, zoals de vorige keer) en ik shopte.
Dat ging ongeveer als volgt:
Bij de koekjes: Blas (schreeuwend): “Koekjes? Mmmm. Waarom koop je koekjes, vrouw? Die kun je toch goed zelf bakken?”
Bij de vleeswaren: “Chorizo? Die kun je toch veel beter bij Pepa kopen? Die heeft er nog een stuk of twintig hangen.”
Bij de eieren: “Eieren? Leggen die kippen van Juan dus nog steeds niks? Je moet die kippen slachten.”
Bij de kippengrill: “Kip? Je hebt toch kippen? En anders vraag je Juan van Paqui toch er eentje te slachten?
Bij de slijterij-afdeling: “Heb je die zelfgestookte voorraad aguardiente nou al op dan?”
Met 24 rollen wc-papier, een zak meel, suiker en een fles afwasmiddel droop ik af naar de kassa. Met Blas winkelen was niet leuk, maar wel kosten- en tijdbesparend. Na deze tocht wachtte me nog een hele kruistocht door het dorp: Langs Pepa’s worstenschuurtje, langs Paqui en Juan, een geschikte kip uitzoeken, naar Ana van de Farmacia voor aspirine voor de hoofdpijn van de aguardiente die ik zeker zou gaan drinken hierna. Ik was tenslotte geen Mormoon, al begon het er wel op te lijken langzaam.
Onder de sterrenhemel dronk ik die nacht een glaasje zelfgestookte aguardiente met een stuk kaas. Te moe om te koken na deze uit de hand gelopen consuminder-expeditie. Camerón op de radio. Smerig sterk spul op een bijna lege maag, maar met Camerón en zo’n  sterrenhemel net voldoende om even aan de touwtjes van mijn ziel te trekken. 
Chin Chin! Op het consuminderen. Dat eigenlijk uitgevonden is door Blas. 

Levenslang ruilen

Ik was altijd al in voor ruilhandel. Een buurttante gaf me elke maandagochtend om klokslag 11 een Caramax-reep, in ruil voor mijn belofte dat ik niet meeluisterde tijdens het koffie-uurtje. Ik was vier, ging op de bank zitten, probeerde zo stil mogelijk te zijn en genoot in een soort trance van de zoet-zoute caramelreep waar je altijd een beetje misselijk van werd, maar die toch verslavend lekker was.
In ruil voor roddelinformatie over de crisis-status quo van ons gezin, gaf de moeder van een basisschoolvriendin mij twee grote glazen cola en meters trekdrop die ik thuis niet kreeg. Ik wist toen nog niet wat roddel was, maar was natuurlijk zo corrupt als een kind maar kan zijn sinds de uitvinding van suiker. De buikpijn nam ik voor lief. In ruil voor een woensdagmiddag voetballen met een slungelig buurtjongetje dat totaal niet kon voetballen en wiens gezicht meestal op huilen stond, mocht ik jarenlang gratis met de stadsbus mee van zijn vader de buschauffeur. En zo vergrootte zich mijn kleine wereld; zonder dat mijn moeder het wist reed ik soms wel twee keer per week mee met de stadsbus de brug over en terug. En onderweg jokte ik tegen de buschauffeur over de vorderingen van zijn zoontje.
Ik deed ook domme ruilzaken; zo bood een vriendelijke buurtopa me een heel tupperware-bakje vol sleetse centen, in ruil voor mijn prachtige zilveren jubileumrijksdaalder die ik van een oom had gekregen voor mijn communie. Ik ging het lege tupperware-bakje netjes terugbrengen, zodra ik het geld thuis in mijn onbreekbare coca-cola-spaarpot had gestort, die nu opeens bomvol leek. Weken lang heb ik me een soort geheime bank op de Kaaiman-eilanden gewaand en zitten fantaseren wat ik allemaal kon doen met zoveel geld: een leven lang trekdrop of Belga kauwgums zonder stuivers te hoeven pikken uit moeders portemonnee. Dat schepte rust in een woelig kinderleven.
In Spanje ongeveer 25 jaar later, voelde ik me dus best snel thuis in de ruileconomie die in afgelegen dorpjes nog deel uitmaakt van de dagelijkse gang van zaken. Zaken zijn vaak ‘favores’ op het platteland. Als je een beetje kon bluffen zoals de Spanjaarden, waren er goeie ruilhandelsmogelijkheden. Als je een mindere dag had werd je een stevige poot uitgetrokken en kwam je thuis met een kat in de zak, een partij balken vol knaaglarven, een mislukte partij kaas of gewoon een rothumeur. In Nederland noemen ze dat al snel corruptie geloof ik, maar als je er midden in zit, zie je dat heel anders. Je ruilde een paar kilo noten en een paar flessen drank voor een snelle bouwvergunning.  Een favor scheelde al snel vele treden in de bureaucratie, of geld dat we niet hadden. Zat je eenmaal in de goeie flow van gezond ruilen (Of: remmend meegaan met de corruptie) dan was het prima overleven met heel weinig inkomsten en bijna altijd oplossingen. 
Je ruilspectrum groeide ongemerkt uit in de jaren tot een bijna full-time tijdslurpend monster.  Dat wel. Van al die artistiekerige voornemens zoals een boek schrijven en een filmmusical, de lotushouding oefenen, kwam dan ook niet veel daarginds. Ruilde je een complete fruitoogst tegen onderhoudswerkzaamheden op het land, moest je niet gek kijken als de wederdienst een jaartje of anderhalf op zich liet wachten, maar je ‘ruilpartner’ wel gedurende anderhalf jaar elke vrijdag bier kwam drinken om te verkondigen dat hij voorlopig geen tijd had. In zulke gevallen had je dus gewoon pech; 2.000 kilo kastanjes of kiwi’s kwijt en levenslang die man aan je keukendeur met hetzelfde lulverhaal. 
In Nederland is het ruilen geblazen van een heel andere orde. We willen vaak dingen ruilen die onzichtbaar zijn. Ik heb hier geen fruit, drank, bouwmaterialen, honden, varkens of andere fysieke handel, dus begeef ik me beroepsmatig in de schemerzone van de zakelijke ruilhandel. Diensten, in plaats van fruit en favores. Bijvoorbeeld iemand vraagt of ik voor hem een paar maanden mee kan nadenken over iets dat nogal ingewikkeld is en in ruil daarvoor mag ik mee surfen in zijn netwerk en krijg ik in de toekomst eventueel misschien een goedbetaalde opdracht. Dat is een typisch voorbeeld van een belabberde Nederlandse ruil: Ik zet mijn hersens in dienst van iemand die mijn ijskast of voorraadkeldertje de komende 6 maanden niet aanvult, maar net doet alsof ik een lot in de loterij heb gewonnen. Aangezien mijn hersens grotendeels aangestuurd worden en gemotiveerd via mijn maag, vind ik een lege voorraadkelder in ruil voor een vermoeiende hersen-lease meestal een slechte deal. Verontwaardigd word ik ervan als mensen denken dat mijn sappige (geestes)vruchten, mijn fruithandel dus, te ruilen valt voor een paar avondjes netwerksurfen in het Honolulu van de zakenwereld. Ik kan niet eens surfen trouwens.
Nou, ik zie mezelf wel al samen met manlief onder een palmboom zitten in een Zuid Amerikaans land. Overdag aan mijn memoires schrijven, ’s avonds gratis inspiratie van de zonsondergang in de zee. Namijmeren op het strand over hoe het was; al die inspiratie- en surfmomenten in ruil voor een lege maag en hypotheekbuikpijn en broodjes-kaas-avonden achter het beeldscherm. Ook wel carrière genoemd. Geef mij maar de dorpse versie: Fruit voor vlees voor hondenpups voor bouwvergunningen voor gedichten voor verhalen voor dromen voor een volle voorraadkelder en fris gemoed. 

Penelope Cruz en de figuranten van Bar Luna



Het is begin april en de stad is een en al vrolijkheid en lente. De zeewind van de Atlantische is vandaag lekker lauw, de obers en serveersters nog fris en vrolijk. Ik heb weken binnen gezeten om te sleutelen aan een regenachtig scenario en snak naar gezelschap en een verzetje. Onderweg naar Bar Luna word ik ingehaald door Paco el Pintor, die in alle staten is. ‘Heb je het al gehoord?’ Ik ben een en al oor en hij is ademloos van opwinding. ‘Ze zochten figuranten  voor de filmopnames van ‘Manolete’ en Borja, Pedro, Juan, Julio en ik zijn aangenomen!’ Ik had me gisteren al afgevraagd waarom de stierenarena naast mijn huis afgezet was met geel-zwarte linten en er zoveel campers op de parkeerplaats stonden. Geen stierengevecht, maar een film dus.

‘’En weet je wie er mee doet? Penelooope!” Nu werd het interessant; Penelope is in town. We duiken bar Luna in waar de rest van de figurantenclub nerveus door elkaar heen zit te praten. De vrouw van Borja vindt het maar niks, dat haar man opeens in de film moet meespelen met Penelope Cruz. ‘Aanstellers’ mokt ze terwijl ze luidruchtig tostada’s met slordige tomatenprut op onze tafeltjes kwakt. Julio de Blinde vraagt zich hardop af of het wel zin heeft, een blinde figurant. Borja’s vrouw antwoord sarcastisch dat hij net zo goed hier kan blijven om haar te helpen met de afwas, omdat hij de film toch niet terug kan kijken.
De figuranten moeten zich om 11 uur melden bij de achteringang van de arena, in de grote tent. Met de voltallige clientèle van Bar Luna lopen we in een stoet  achter ‘onze figuranten’ aan.  Lola, de vrouw van Borja blijft mopperend achter in een volstrekt lege kroeg. Terwijl iedereen onderweg in de Calle Lucia Penelope meent te spotten, zie ik Adrien Brody voorbij slenteren. Ik knipoog en hij knipoogt niet terug. Ik lieg tegen Merche en vertel haar dat ik zojuist heb geflirt met Adrien Brody. Ze kijkt me aan alsof ik Venloos praat en heeft geen flauw idee wie Adrien is.
Bij de geel-zwarte linten blijven we staan en zwaaien de mannen uit tot ze achter de tentflappen zijn verdwenen. We nestelen ons op mijn dak, dat uitkijkt op de arena en deparkeerplaats. Meche begint te schreeuwen als ze Paco el Pinto met Pedro ziet lopen. De twee mannen steken stijf van ongemak het plein over in een militair jaren dertig kostuum. Paco hoort ons roepen, kijkt op en ik heb de arme man nog nooit zo ongelukkig zien kijken. De getatoeëerde oude man die ooit vocht tegen de mannen in zulke bruine pakken en ook in het vreemdelingenlegioen had gezeten. ‘Paco zit in de verkeerde film.’ Mompel ik en Manolo mompelt adrem dat dit voor zijn hele leven geldt.
De volgende ochtend is het druk bij Bar Luna. Want iedereen wil natuurlijk weten hoe dat was, meespelen in zo’n echte film met Penelope erbij. Paco is stil en trekt onverschillig zijn schouders op. ‘’Geen Penelope gezien.’’ Mompelt hij na een poosje. ‘’En dat pak kriebelde en zat te strak.’ Vulde Julio de Blinde aan. ‘Het was te heet om de hele middag in de zon stil te staan voor die twee tientjes.’  Juan komt binnen. Zijn gezicht is verbrand en hij trekt met zijn linkerbeen. ‘Hebben ze me verdomme twaalf keer op en neer laten rennen over het strand van La Puntilla. En geen Penelope gezien, alleen een schreeuwende, lelijke kerel met een megafoon.’ Borja’s vrouw sloeg zich op de schort van leedvermaak.
We besluiten in broederlijke verontwaardiging dat de filmindustrie niet ons ding is en we druipen, enigszins gedesillusioneerd, af naar huis. Als ik zwijgend naast Paco onze straat in loop,  worden we op vijftig meter van mijn huis tegengehouden door een man in bewakingsuniform. Naast de ingang van mijn huis stopt een geblindeerde auto. Een kluit voetgangers en bromfietsers hopen zich nieuwsgierig op tegen onze ruggen. Een slank elegant been komt uit de auto. Gemompel stijgt op. Het is Penelope.  De enige echte. Ze kijkt heel kort en niet vrolijk naar de mompelende kluit mensen en verdwijnt in een leegstaande vervallen herenhuis. Uit een volgende auto stapt Adrien Brody. Hij knipoogt niet. Ik ook niet.
We vertellen niemand in Bar Luna van onze close encounter met Penelope en Adrien-die-niemand-hier-kent. Want we hadden toch al besloten dat we niks met de filmbusiness hebben. Ik ging naar binnen en schreef in een ruk de laatste scene van mijn scenario en belde de producent in Amsterdam om te vragen of we Adrien Brody niet zouden kunnen strikken voor een bijrol. Hij dacht dat ik dronken was en hing op.

De film ‘Manolete’, over het leven van een beroemde Spaanse stierenvechter, is pas vele jaren later dan gepland en na allerlei financiële en cinema-politische hobbels, in première gegaan. In de drie-films-voor-een-tientje-bak van Blokker vond ik de DVD deze week onder de titel: ‘’The Passion within’’.
In het Spaans:

Boer zoekt vrouw – de oerversie

 
Ik moet eerlijk bekennen dat ik Rosa weinig benijdde om haar zware, benauwende leven in haar familiehuis vol mantelzorg behoevenden en lastige kinderen. Maar wars van medelijden zoals Rosa was, probeerde ik altijd net te doen alsof ik het normaal vond, die desastreuze, gewelddadige familieperikelen die ze me al jaren in kleine brokjes voerde. Rosa vertelde nooit vanuit sensatiezucht en deed geen enkele moeite haar verhalen aan te dikken. Het fascineerde me hoe ze stand hield. Hoe ze haar lach had behouden, haar tanden verloren. Hoe ze haar rug recht hield in het leven al haar dromen had uitgewist.
Rosa was een beest van een vrouw.  En ik haar enige vriendin en leeftijdgenoot in het dorpje in die jaren. Dat we beiden buitenbeentjes waren schepte een extra band. Of ik het leuk vond of niet. Soms stak het me wel eens dat ze nooit vroeg naar mijn leven, mijn verleden. Of mijn desastreuze familieperikelen desnoods. En dat ze na al die jaren nog steeds mijn voornaam niet uitsprak. Maar van de andere kant vond ik het prima zo. Mijn perikelen zouden immers verbleken bij die van haar, die rechtstreeks uit een boek van Marquez leken te komen en soms de plattelandsduisternis van Kosinsky overstegen.
Als het winterweer het toeliet, zetten we onze stoepvergaderingen met uitzicht op de vallei stug voort. Met dikke paardendekens, uit de wind. Want zodra Rosa me aan zag komen lopen op het zandpad richting dorp, wuifde ze me schreeuwend in haar richting: ‘Veeeeeeen Holandesa, venteporaquiiiiii!’  Ik heb nooit goed begrepen hoe ze in staat was om midden in de chaos van haar vele bezigheden al op 300 meter afstand iemand te spotten tussen het groen.
Ooit was ik gebukt onder haar keukenraam doorgekropen, omdat ik geen tijd en zin had in een stoepsessie. Ze moet het geroken hebben, want ze betrapte me op heterdaad en had me meteen door. ‘Dat flik je me niet meer he, Holandesa! Riep ze boos lachend, hangend uit het keukenraam. ‘Niemand komt ongezien mijn huis voorbij.’ Ik voelde me geïntimideerd en ben op de terugweg,  schoorvoetend als een betrapt kind, braaf op haar stoepje gaan zitten om tegen heug en meug een half blik bier, twee sigaretten en twee vreselijke verhalen te nuttigen.
Toen ik enkele jaren later in Cadiz met een filmscenario bezig was voor een Andalusisch-Nederlandse filmmusical die het witte doek en de omroep nooit zou halen, vroeg de regisseur of ik een paar van de dorpspersonages uit het verhaal een meer typerend en scherper karakter kon geven. Ik had eigenlijk geen idee wat de lieve man bedoelde, dus ik begon maar te schrijven met mijn ogen dicht, terwijl ik dacht aan Rosa.
Haar lompe grappen, zwarte humor, snerpende stemgeluid, haar bijna intimiderende oerkracht, haar gebrek aan dromen en overvloed aan nooit vertelde verhalen. Maar ook haar ruwhartige liefde, haar onhebbelijke zoon en vervelende schoonmoeder en buurman nam ik mee. Na twee dagen en nachten van koortsachtig schrijven, overhandigde ik mijn huiswerk aan de regisseur.
Hij was een hele lange tijd doodstil en dat leek me geen goed teken, want de beste man mocht graag zelf het middelpunt van het geluidsuniversum zijn. Toen hij klaar was met lezen, meende ik een kleine traan in zijn rechterooghoek te zien blinken, maar misschien was dat pure hoopverbeelding. ‘Godverdomme.’ Sprak hij en zweeg weer een poos, terwijl hij zijn vierkante kin kneedde. Ik schrok. Hij vond het dus kut. ‘Dit is godverdomme goed!’ Ging hij verder tot mijn grote opluchting. ‘Het lijkt zo verdomd  echt! Waar haal je het toch allemaal vandaan..’ We dansten een rondje door de kamer en gingen onze nieuwe mijlpaal vieren in Bar Luna. Chin-Chin – op Rosa!
Enkele weken later zat ik met filmscenario en zweethanden naast de regisseur in een vergaderkamer in het mediapark. Tegenover ons mensen uit het Cobofonds, een Schotse script-doctor, een producent en een jongeman van de zojuist gelanceerde omroep MAX. Ik was al zo blij als een kleuter omdat we het al helemaal tot deze Hilversumse vergaderkamer geschopt hadden met ons scenario. Zo blij, dat ik niet eens echt meekreeg dat de film keihard werd afgeketst door de meneer van Omroep Max en een mevrouw van het Cobofonds die ook nog iets vertelde over de glutenallergie van haar zoontje. (Als ik blij ben, onthoud ik altijd de verkeerde details) Pas later, in een ongemakkelijke troostlunch met de producent en de regisseur in een sjiek restaurant in Laren aan een meer met witte zwanen, begreep ik dat dit voorlopig onze laatste lunch met mes en vork in Nederland zou zijn. 
Voordat we ons echter fysiek en in professionele schaamte gehuld weer mochten terugtrekken in Spanje, werden we nog getrakteerd op een masterclass. Dit bleek een uitgebreide en berispende analyse van de Schotse scriptdoctor.  Zijn eindconclusie deed ons bloed koken van belediging. ‘Probeer de volgende keer wat realistischer om te gaan met je karakters. De mensen in deze film zijn ‘allemaal zwaar over the top’ en dus niet geloofwaardig genoeg voor het publiek om zich in te leven. Onderschat het publiek niet, die voelen perfect aan of iets echt of onecht is.’ 
Ik herinner me een rommelige rit in een klein muf autootje door het drukke Amsterdam, met twee luid ruziënde mannen voorin. Ik was misselijk en dacht aan hoe lekker rustig het zou zijn om nu op het stoepje te zitten met Rosa.

Een blikje misère met Rosa #2

Of: De Schreeuw (het helpt)
[Uit het Boek van Blas]
Rosa liet me foto’s zien van vroeger. ‘Toen was ik nog mooi.’ Ik staar naar een klein zwart-wit kiekje met een stralend meisje van een jaar of 14, voor het huis waar we nu zaten. Sprankelende ogen, een ondeugende grijns, gitzwart haar in twee vlechten over een geblokte schortjurk. Op de achtergrond een schelle kreet uit het TL verlichte keukenraampje van Rosa’s huis. ‘Toen kon ik nog lachen.’ Grijnsde ze. ‘Toen had ik nog tanden.’ Ik realiseerde me nu pas dat Rosa niet zo vreemd sprak en grijnsde omdat de vorm van haar bovenlip niet anders toeliet, maar omdat ze geen tanden meer had. Ze wachtte al weken op een lift van Manolo naar Ronda, waar in het tandenlab van haar achterneef een fonkelnieuw gebit op haar lag te wachten. Ik bood haar een lift aan naar Ronda. Het zou haar goed doen, tanden. Ze weigerde en wuifde haar tanden weg.
Iemand met overslaande stem kondigde aan te moeten plassen en een mannenstem eiste bulderend een fles bier en de afstandsbediening. Zuchtend stond Rosa op, mij met haar zwart-wit jeugd achterlatend.
Rosa was de laatste weken nog meer aan huis gebonden dan ze al was. Haar vrijgezelle broer Manolo de Geitenhoeder was van de trap gevallen. Op zich nog niet zo heel ernstig, was het niet zo geweest dat hij met een touw om zijn middel vast zat aan zijn 80-jarige moeder, die daardoor haar heup en daarna Manolos schedel gebroken had. Rosa’s moeder die zwaar dementerende was, maar nog de lichamelijke kracht van een paard had, zat 24/7 met een touw vastgebonden aan een van de familieleden, omdat ze anders het ravijn in sprong om te gaan plassen of zomaar bloot het bos inliep. Nee, mantelzorgen voor je dementerende moeder in de bergen is geen kattenpis, met al die gevaarlijke afgronden en dwaalpaadjes. 
Het was altijd misère bij Rosa thuis, maar nu was het wel heel erg. Haar man Juan had zich –heel slim- tijdelijk teruggetrokken in de geitenstal van zijn schoonbroer om de geiten waar te nemen en weg te zijn van het familiehuis. Haar oudste zoon werkte doordeweeks aan de Costa en haar jongste vulde Rosa’s spaarzame gaatjes in de tijd met puberterreur van het ergste soort.
Zuchtend kwam ze weer naast me zitten op het stoepje en trok een blik bier open. Het was doodstil in de keuken. De nacht was prachtig en we zwegen wel vaker, maar Rosa’s zwijgen had opeens iets onheilspellends. De luchtdruk om haar heen kon veranderen als bij een plots opduikende bergstorm. Als ze op dat moment verteld zou hebben dat ze haar moeder en broer eeuwig tot zwijgen zou hebben gebracht, was ik niet verbaasd geweest. Ze pakte het fotootje uit mijn hand, zoog alle stilte in een ademteug naar binnen, gooide haar hoofd in haar nek en schreeuwde oorverdovend hard in de stilte.
Uit het keukenraam klonk een benauwde stem: ‘Zeg, wat was dat nou?’ Het was Rosa’s broer. Gelukkig. Ze leefden nog. En Rosa grijnsde: ‘Moet je ook eens doen, het helpt.’