De tussendeur naar kerst

cartajima

Ik stookte het haardvuur op zoals alle avonden en nestelde me in de schommelstoel met een boek dat ik al vier keer gelezen had. Een ingewikkelde dag die simpel en voorspelbaar eindigde: een vuur, een schommelstoel en een verhaal waarvan je het plot niet meer kunt keren. De oude Blas pookte in het vuur en gooide er nog een mooie dikke houtblok bij. ”Goed droog hout dit jaar, hiermee hou je het wel warm tot de vroege ochtend.” Ik vond het altijd mooi als hij een vuur voor mij maakte. Het vuur was, net als het roeren van zijn koffie, het zwijgend kastanjes rapen op de helling, of het neerleggen van verse kruiden op mijn keukentafel, een van die vele ultieme handelingen waaruit onze simpele burenvriendschap gebouwd was. En al gingen onze gesprekken zelden over iets anders dan de kwaliteit van het hout, de oogst, de hitte of de kou, ons samenzijn had een stille diepgang die zelfs mij tot zwijgen kon brengen. ‘Bueno, ik vertrek maar eens richting dorp. Kom je morgen naar de avondmis in het dorp?” Blas geloofde nog steeds niet helemaal dat ik ook een ongelovige was. Bij het weggaan bleef hij nog enkele minuten dralen bij de deur. Het was in zijn ogen een non- scenario, om een vrouw alleen in de vallei achter te laten, terwijl hij – een man – in de veilige armen van de dorpsgemeenschap vluchtte, zodra de nacht zich liet zien. Het liefs zou hij zich op zijn siësta-stretcher in de schuur nestelen, om een oogje in het zeil te houden. Maar zijn angst voor de nacht, die zich overigens alleen in de donkere wintermaanden manifesteerde en nooit in de zomer, won het van zijn neiging mij te beschermen tegen het kwaad en de wilde dieren.

”Ik ben niet bang Blas, ga nu maar.” jokte ik en deed net alsof ik in mijn boek verzonken was. ”Ok, sluit de deur achter me.” Met gespitste oren luisterde ik naar de uitstervende voetstappen van Blas en zijn altijd blaffende honden Canila en Hond, die de hele middag buiten in de vrieskou trouw op hun baasje hadden gewacht. Ik sloot de deur. Mijn honden lagen soezend rond de haard, iets dat Blas net zo belachelijk vond dan Lola van Juan, die haar teckels in de winter zelfgebreide, roze pullovertjes aantrok. ”Een hond is een hond is een hond.” zei hij dan hoofdschuddend. Al duizend keer had ik gepoogd hem uit te leggen dat ik het gezellig vond, met mijn honden voor de haard. Het fenomeen gezelligheid was lastig uit te leggen aan Blas, bleek onder andere uit zijn gewoonte om meteen bij binnenkomst het felle TL licht aan te klikken als ik in schemerlicht bij een olielamp poogde mijn avondlijke bestaan knus te maken. In Blas zijn leven was alles functioneel of niet functioneel en had alles en iedereen zijn plek. Honden buiten, mensen binnen. Zijn gewoonte om mijn slaperige dieren met een laars en luid gesis naar buiten te jagen waar ze hoorden, had ik inmiddels – na vele jaren – doorbroken met mijn overstijgende huisregel: ”Mijn huis, is jouw huis, maar ook weer niet helemaal.” Blas moest altijd lachen om dat gezegde, maar begreep uiteindelijk de strekking.

”Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.”

Zelf sliep Blas in de stal naast zijn ouderlijke dorpshuis, op een oud ijzeren ledikant met daarop een bobbelige matras gevuld met varens. Elk voorjaar ververste hij die. ”Het houdt de beestjes weg”. Op amper vijf meter van zijn bed, achter een laag muurtje stond zijn muildier, genaamd Verloofde. In de hoek van zijn stalkamer, bij de zwartgeblakerde vuurplaats, twee oude keukenstoelen met afgezaagde pootjes, een mintgroene keukenkast uit de jaren vijftig met tochtgaten voor het bewaren van zijn bloedworsten, droogworsten en geitenkaas en een kleine formica keukentafel. Hij sliep daar niet omdat de familie geen huis had. Sterker nog, zijn broers en zussen bezaten gezamenlijk zeven grote dorpshuizen en meerdere boerderijtjes in de vallei.  Het brandschone, aangrenzende familiehuis werd alleen gebruikt tijdens de Semana Santa-week, kerst, of een begrafenis als logeeronderdak voor verre familie. De meubels waren de rest van het jaar afgedekt met doorschijnende plastic hoezen, lakens en gehaakte kleedjes. Heel af en toe, verklapte Blas op een avond, als de lichten van zijn zusters huis aan de overkant van de straat uit waren, glipte hij via de tussendeur naar het brandschone en afgedekte familiehuis, waar een grote TV stond. ”Dan ga ik naar de TV kijken.” zei hij met een ondeugende grijns.

Ik stelde me voor hoe hij daar op de plastic hoes zat en nachten lang naar oude zwart-wit films, of misschien wel een stierengevecht of herhalingen van familieshows keek. En speelde dat hij een normaal, modern mens was met een bankstel en een TV. Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.

Dus bracht ik kerstavond door in een heuse stal, met een balkende ezel*, aan het warme haardvuur, op een stoel met afgezaagde poten. Blas porde het vuur, ik roerde de koffie, waar we een flinke scheut van onze zelf gestookte aquardiente in hadden verstopt. Het huis naast ons vulde zich met familieherrie. De mis was uit. Iemand deed luidruchtig de tussendeur op slot. ”Een deur, is een deur, is een deur.” mompelde ik en we kregen de slappe lach.

Op speciale avonden als deze vertelde Blas altijd het verhaal van de verschijning en verdwijning van Maria, de enige liefde in zijn leven. Een oud verhaal, dat ik al vele malen had gehoord, maar dat deed niet af aan de bezieling waarmee hij vertelde en het geruststellende gevoel van een onomkeerbaar plot.

* eigenlijk een muildier

 

 

De seniorenflat

Als ik om 23.00 uur thuis kom, staat er een oud opaatje uit mijn flat met een klein busje Jozo-zout minuscule hoeveelheden zout te strooien op het spekgladde en zeer bejaarden-onvriendelijke 50 meter lange besneeuwde looppad van de flat naar de bushalte. Alsof hij een bieflapje bestrooit voor een hoge bloeddruk patient. Ik zeg: ”Buurman, ik denk niet dat dat beetje zout veel uithaalt, misschien moeten we morgen een paar sneeuwscheppen regelen, of een paar kilo strooizout.” Zegt de man: ”Sssst, wacht nou maar af tot het zout erin trekt en het begint te werken..” Geconcentreerd strooit hij verder. Uit beleefdheid wacht ik 5 minuten. Het is -3. Hoe sociaal voelend moet je zijn ten opzichte van een lichtelijk verwarde en eigenwijze 78+er om 23.05 bij min 4 graden Celcius. Dan begint hij over vroeger. ”Wat sta je daar nou te ”ozelen” (dat is Venloos dialect voor bibberen). ”Jullie zijn niks gewend jullie. Vroeger hadden we veel strengere winters.” Ik raak, net als mijn jeukende halfbevroren vingers waaraan mijn sleutelbos kleeft, geïrriteerd, wens hem midden in zijn tweede epos over vooroorlogse winters goedenacht en veel succes en glip de warme hal in met de verlossende lift deur nog net half open. In de lift steekt een alerte oude mevrouw haar looprek tussen de deur om mij mee te laten liften. Ik bedank haar net iets te uitbundig, ze begint te praten als een waterval over haar gebroken heup van de vorige keer toen het zo sneeuwde. Als ik op mijn etageknop wil duwen steekt ze haar oude benige armpje voor het schakelbord en duwt vastberaden op 10. Ik woon op 3. ”Och, nu we toch eerst naar 10 gaan, wil je me even naar mijn deur brengen, ik ben bang dat ik weer uitglijd.” Een terreur-exemplaar. Ik kijk naar haar dikke geribbelde spekzolen en de extra zwaar uitgevoerde all-weather-winterbanden van haar nieuwe looprek. ”Natuurlijk loop ik mee!” Ik sleep haar over de smalle galerij waar de koude sneeuw horizontaal in mijn oren valt. (hoe hou je iemand met een groot looprek vast?) Kwetterend over haar 2e nieuwe heup, schuurt ze met haar rubberwielen strepen op de zijkant van mijn nieuwe laarzen. Bij de deur geeft ze me de sleutel. ”Wil je ook even het licht aanmaken, nu je er toch bent?” Ze duwt me met het laadplankje van haar looprek de smalle gang in. ”Natuurlijk.” Binnen ruikt het naar Kingpepermuntjes, meubelboenwas en oude wollen kleedjes. Ik doe de lichten aan en loop daarna, haar looprek ontwijkend, snel weer richting voordeur. ”Kijk nou wat je doet! De hele vloer vol vieze sneeuw!” Ziedend als een kleine trol staat ze naar de huiskamervloer te wijzen. Haar stem slaat over en klinkt alof hij niet zomaar zou afslaan. ”En de poetsvrouw komt morgen pas! En ik kan me niet bukken!” Hoe lief moet je blijven tegen een tierende, hulpbehoevende bejaarde om 23.30 bij min-5 buiten, 28 graden binnen, na een lange dag? ”Ik ruim het wel op. Met haar dunne trillende stem geeft ze commando’s over het sopje dat ik moet maken. ”Niet te warm, een beetje groene zeep.” Ik zit voorover gebukt en schrob de versleten vloerbedekking van een eenzaam oudje op de 10e etage dat ik niet ken.
Als ik klaar ben met de vloer, zet de kleine trol mij zo pardoes de deur uit, dat het bijna lijkt alsof ik me opgedrongen heb om midden in de nacht bij haar op de koffie te komen. Op de terugweg neem ik snel nog even een kijkje of de zoutstrooier niet met zijn fleezepantoffels aan het pad is vastgevroren. Gelukkig, hij heeft zijn Jozo-missie gestaakt. Het is 23.45 uur. Mooie tijd om thuis te komen.

Buurman Jan


en de ochtendzon schijnt oranje

op kraakvers wit
de gele muts van buurman Jan heeft lentekleuren
zijn witte Keeshond nu nicotinegeel
Jan’s voetstappen sneeuwen dicht
zo langzaam als hij schuifelt
Spoorloos zie ik twee gele stipjes
verdwijnen in het verre
Iemand zei ”wij zijn stof”, maar ik zeg ”vandaag wij zijn warrelende sneeuw.”