Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Vleesfeest

foto: Franco Gori / The making of ‘Encarnación’
Pepe el Loco vond het belachelijk dat er rook van mijn geimproviseerde BBQ kwam en er helemaal geen gram vlees te bekennen was. Hij kwam altijd op rook af, die Pepe. Ik roosterde parika’s en courgettes op de gietijzeren paardenruif die was omgebouwd tot tijdelijke XL-BBQ bij gebrek aan paard en geld voor een Weber. Het zag er leuk uit, maar dat was dan ook alles.
Pepe droop al snel af, stapte mopperend in zijn Jeepje en hobbelde over het zandpad richting dorp, ons in een stofwolk achterlatende. Een biertje sloeg hij af. Geweldig hoe je de meest vervelende mensen uit dit dorp kon wegjagen met paprika’s. Soft gedoe, dat schrok de mensen af hier blijkbaar. We aten in stilte de geroosterde paprika’s en courgette met zeezout. Al was het wonderschoon enzo, al die natuur, die stilte, die paprika’s uit eigen tuin, het was saai.  
Pepe had gelijk, al had ik weinig behoefte om dat in 300 decibel scheldend naar mijn hoofd geslingerd te krijgen op een rustige zomeravond. Maar toch. Zijn bezoek deed me verlangen naar een sappige steak, of desnoods een braadworst. De stilte deed me soms verlangen naar een feest, met koud bier en de ochtendzon uit zijn wolkenbed zingen.
Het sissen van een biopaprika is nu eenmaal een slap geluidsaftreksel van een sissende lap vlees. En thee in een stil bos is ook maar thee in een stil bos.
Mijn stille wensen kwamen al sneller in vervulling dan gewenst; een lange stofwolk naderde over het zandpad. Lange stofwolken betekenden meestal meerdere auto’s, of Paco van Anna die met een snuif coke op met 60 KM per uur over het zandpad scheurde. Aangezien Paco nog in het ziekenhuis lag van zijn vorige suïcidale bosrit, moesten het wel een stel dronken dorpelingen zijn op dit tijdstip.
Enkele minuten later stond ik midden in een brok onverstaanbare mannenherrie en lagen er grote stukken vlees op mijn ruif te sissen. Iemand sleepte mijn wasteil naar de beek en gooide een paar sixpacks bier in het koude water.  Pepe el Loco glom van trots en flipte handig de lappen gebraad om met zijn Zwitserse zakmes. 
Toen ik over de irritatie heen was dat ik een ongewenst feest op een veel te laat tijdstip in mijn vegastrot geduwd kreeg, heb ik me er maar ingeworpen. Tegen de ochtendgloren hadden Pepe el Loco, Juan, Pedro, El Serio en ik samen een lastig integratievraagstuk opgelost. Ik beloofde dat ik weer vlees zou eten en bier zou drinken, in ruil voor hun directe vertrek. Dat was de beste deal die ik eruit kon slepen als beginneling.
Tevreden kroop ik in mijn bedstee en sliep voor het eerst sinds jaren een gat in de dag. De paprika’s en tomaten moesten geplukt worden, maar dat kon me even geen biet schelen. Al was ik als theedrinkende vegetariër natuurlijk een veel betere boer; ik besloot voordat ik in slaap sukkelde dat ik als bierdrinkende carnivoor een veel gelukkiger mens zou zijn hier waarschijnlijk.

Smaakverachterlijking

Ik was helemaal niet zo’n gezonde eter, toen ik bioboerin werd in Spanje. Maanden lang droomde ik van slappe kroketjes uit de muur en sissende ijsoude cola in mijn keel, terwijl ik ploeterde aan mijn overwoekerde moestuintje of met een handboek op de grond de takken probeerde te snoeien van bomen die ik eerder nog nooit gezien had.

Na de pruilfase en helemaal afgekickt van TV-reclames en valse snackverlangens begon ik te begrijpen wat het inhield je eigen eten verbouwen; het was knuren en ploeteren, hongeropwekkend, een simpel leven onder een zeer complexe regie van moeder natuur.

(En ik had te veel natuurfilms gekeken, boeken gelezen over biologisch eten verbouwen en was te weinig in de natuur geweest daardoor.. Dus viel ongenadig hard op mijn bek vanuit mijn prachtige wolkje waarin ik een soort Bambi was met het instinct van Grizzly Bear Adams en Arendsoog, de groene vingers van een kruidenpater uit Steijl. Ik had een instanthemel verwacht, kant en klaar voor gebruik en ’s avonds lekker een boek en een film schrijven met uitzicht op mijn hofje van Eden. Niets was minder waar. )

Langzaam leerde ik mijn hofje kennen; genieten moet je leren blijkbaar. En aan ploeteren wen je ook op een gegeven moment. Dan komt de lang uitgebleven wake-upcall van moeder natuur, een close encounter van het mooiste soort: De smaak van verse koele vijgen voor zonsopgang, de fluweelzachte bitterheid van mijn olijfolie, de geur van gekneusde kruiden langs de beek.

Smaken, kleuren, geuren; alles leek intenser. Ik snapte wat er om me heen gebeurde en maakte daar deel van uit. Bij gebrek aan tijd voor het echte schrijfwerk, schreef ik er brieven over aan oude vrienden in Nederland, die waarschijnlijk dachten dat ik totaal was doorgedraaid en alleen nog maar over bomen, fruit, wilde zwijnen en nootjes kon praten.

Zo’n penvriend zocht me op, (las drie boeken op de patio zonder om zich heen te kijken en te beseffen hoe mooi mijn hofje was) en zei bij vertrek: ‘’Je verachterlijkt hier, terwijl wij doorgroeien. Hou daar rekening mee als je terugkomt.’’

(Ik moest daar destijds om huilen, maar kan daar gelukkig nu om lachen.)

Na een jaar of 3 ploeteren in mijn hofje had ik het pas echt door: als je in het hof van Eden wil wonen, ben je de hele dag bezig met eten; van het aanleggen van een houtvuur, tot het snoeien, irrigeren, oogsten. Je communiceert met je omgeving, continu. De rest van de wereld lijkt steeds verder weg. En liet ik sporadisch toe via een gammele verbinding van een internetbar in de grote stad.

Ik vroeg me soms, voordat ik doodmoe in de bedstee plofte, af hoe ik ooit dat boek en scenario zou kunnen schrijven met zoveel eelt op mijn handpalmen.

Langzaam verdwenen de slappe kroketjes-verlangens uit mijn systeem en kwam er een moment waarop ik stond zingend de wintervoorraad tomato frito stond te pruttelen in een grote kuip op het erf. Ik maakte kilo’s kweeperenvlees met gegrilde walnoten en amandelen van eigen oogst, schuimende zuurzoete mosto, citroenmarmelades, ingelegde gegrilde paprika’s en gepofte kastanjes in de winter. Mmm, het water loopt me in de mond als ik er aan denk.

Met brieven schrijven over mijn smaakbevindingen en natuuravonturen was ik opgehouden; het interesseerde geen hond in Nederland hoe je kweeperenvlees maakt, een konijn de jas uit trekt of een wild zwijnt ontwijkt. (Mijn verachterlijking was een feit na 3 penvrinden op bezoek te hebben gehad.)

De vrouwen in het dorp vonden het maar niks, mijn varianten op hun oer-recepten. ‘’Er moeten geen amandelen in carne de membrillo (kweeperenvlees), dat doe je maar in Holanda..’’

Carmelita, bekend in het nabijliggende dorp om haar kookkunsten, zei nadat ze mijn pompoenensoep met gepofte knoflook proefde: ‘’Het recept vind ik aanstellerij, maar deze soep is wel te eten.’’ Dat was mijn allerbeste integratiemoment; ik gloeide dagen van trots omdat ze me niet verrot gescholden had.

Eerlijke smaken zijn universeel. En liefde voor eten ook.



(Ik heb vandaag een kroketje gegeten. Dat maakte vanalles los. )