Een nieuw begin

In memoriam: Blas

Voor Jacques L, Lies W, Francisco C en Jacques G.

Dat haarspeldbochten en contouren van bergen zich nestelen in een geheugen, wist ik niet. Misschien omdat ik in mijn leven net een paar haarspeldbochten te veel nam, of misschien heb ik gewoon een heel selectief geheugen. Precies zoals in mijn herinneringen, na de bocht met de overhangende rotsblok, manifesteerde het dorp zich als in een beginscene van een dramatische film; een stille klont witte huisjes, tegen de grillige contouren van El Riesgo en met de glooiende groene heuvels van de Genal-vallei aan haar voeten. Niets kan zo dramatisch en mooi zijn als een landschap zonder mensen.

Juamo was de eerste die mij had zien rijden. Zijn beperkte verstandelijke vermogens, dito woordenschat en bijziendheid maakte dat zijn woorden dubbel zo hard binnenkwamen. ‘’Ik zag twee kleine glimmende oogjes en zei: daar is Tanja.’’ Een groter compliment en opluchting, een meer complete bevestiging van dat ik nog leef, zaten in die woorden. Ik glim nog en dat was alles wat ik vandaag weten wilde. En Juamo had dat gezien en bewaard in zijn mooie geheugen.

Gezien worden in een gehucht dat zo stil is dat zelfs de kakkerlakken op hakjes leken te lopen, was niet zo moeilijk. Maar dat iemand mij in zijn geheugen, tussen de haarspeldbochten van de weg naar het dorp, had bewaard als twee glimmende oogjes, stelde me gerust. Ik had niet ongezien hier een halve droom gebouwd en weer afgebroken, in stilte geleefd, in afzondering op een paar vierkante kilometer met mensen die mij niet kenden en nooit zouden leren kennen. De jaren na mijn vertrek waren voorbijgevlogen, mijn jaren hier waren destijds voorbij getikt in langere seconden, tragere dagen, in uitgerekte seizoenen, brandende zonnen en af en toe een storm. Mijn tijd hier voelde niet als jaren, maar als een groots fragment, een overhangende rots op mijn tijdspad.

In de Estanco was het stil. ‘’Goed volk’’ riep ik richting achterkamer. Juan en Carmen waren blij me te zien en trokken blikjes cola uit de ijskast. We maakten grappen over ons ouder worden. Zij kregen met de jaren de kilo’s cadeau, ik de rimpels. Binnen tien minuten wist ik wie er allemaal dood was en waaraan overleden. Iedereen die ik kende ongeveer. De postbode, de bakker en zijn vrouw, hun zonen, de loodgieter, mijn buurman, zijn broers en neven.

Eén naam werd niet genoemd en ik stelde mijn brandende vraag uit. Ik wilde nog even het idee-fixe vasthouden dat hij nog leefde, al was het tegen beter weten en logica in.

‘’En Blas?’’.

Er viel een korte stilte. Carmen wendde haar blik even af. Ze had de vriendschap tussen Blas en mij altijd onbegrijpelijk en ongemakkelijk gevonden. Vriendschappen tussen oude mannen en jonge vrouwen, waren nog steeds ongebruikelijk hier. ‘’Ook dood’’. Ze voelde dat het gevoelig lag en trok met veel lawaai een paar lades van haar toonbank open en ging over op en droogte van de afgelopen jaren en de lente die al veel te vroeg kwam dit jaar.

Blas, mijn muze. Drie jaar geleden overleden. Van hem leerde ik hoe je een stok kunt snijden, hoe je een vuur maakt dat langer brandt, hoe je vijgen plukt zonder ze te krassen, hoe je een amandelboom moet enten, een dier doden, een slang kan zien naderen, of een klootzak uit het dorp, hoe je in het vuur kan staren, het water in de beek kan laten zingen, hoe je een boom na kunt doen, paddenstoelen vinden, mest kan maken van vleermuizenpoep en vals zingen in de ochtenddauw. Van Blas leerde ik hoe je alleen kunt zijn en hoe je langzaam bergop kunt lopen en toch niet moe wordt.

In de brandende lentezon liepen we het twee kilometer lange pad af naar mijn oude boerderij. Waar het geluid van water hoorbaar werd, zag ik de kleine groene oase met het witte huisje en bijgebouwtjes opdoemen tussen het groen langs de beek. Twee mannen, vader en zoon, staken tegelijk hun arm omhoog, zodra ze ons zagen. Enigszins aarzelend liep ik het terrein op. Struikelend over herinneringen liep ik richting het huis. Het graf van mijn honden Kika en Mosje. De agaven die ik tegen de rotswanden plantte, de stenen stapelmuurtjes langs de kruidentuin. De kuil in de weg die na elke regenbui moest worden opgevuld met stenen. Elke steen had ik in mijn handen gehad en losgelaten. De planten waren imposant gegroeid; de tijd had alles nog mooier gemaakt dan in mijn herinneringen.

De vader begroette me met twee amicale zoenen alsof we oude vrienden waren. ‘’Pedro. Jij moet Tanja zijn’’, zei hij glunderend, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik hier na 13 jaar tijdens de siësta op een doordeweekse dinsdag zou aanwippen. ‘’Neem je tijd, kijk rond. Mijn huis is jouw huis. Je kent de weg.’’ Hij beende naar binnen en twintig seconden later stond ik met een glas rode wijn in mijn hand op het erf; ‘’Van jouw druiven – de lekkerste wijn ooit.’’ We proostten op het leven en op Blas en het voorrecht om in een verborgen paradijsje te kunnen zijn. We lachten onze tranen weg, wisselden hugs en telefoonnummers uit en gingen samen op de foto. Het was een gelukkig afscheid. Een einde en nieuw begin.

Er viel een rotsblok van tijd van mijn schouders af.

Laf schrijvershart (uit het Boek van Blas)

Aanvankelijk was Blas een ongewenste gast op mijn nieuwe territorium. Hij staarde onbeschoft lang en met mond open zodra hij me zag, brabbelde een voor mij onherkenbaar dialect en deed allerlei klusjes die ik hem nooit gevraagd had te doen.

Blas was geen kwaaie, maar ik wilde niemand om me heen hebben. Laat staan iemand waarmee ik amper kon communiceren. We draaiden als twee honden om elkaar heen. Hij oud , trouw en grommend en ik een terriër, driftig overwaaks en bijterig.

Maar zijn trouwheid was hardnekkiger dan mijn territoriale drang. Trouwheid kan veel breken. Het brak mij tenminste.
Vier keer per week en soms vijf keer daalde hij af naar de finca met of zonder muildier, een bosje kruiden, een mand met eieren van Paqui en af en toe een zwerfhond of een gevild konijn. Zuchtend en klagend ging hij dan een klusje doen. Vaak waren dat klusjes waar ik met mijn stugge stadse hoofd nooit op zou zijn gekomen. Zoals:

– De mieren uit de amandelboom slaan met kleefkruid.
– Een vijgenplukapparaat maken van bamboe en elastiekjes van de postbode, waarmee je de vijgen hoog in de boom onbeschadigd kunt plukken.
– De gereedschappen schuren met zand, inwrijven met olijfolie en dan met meel van Paqui.
– Ratten opjagen en doodslaan tegen de muur van de waterbassin in de beek met een steekschop.

Dat soort dingen.
Er was dus niets dat ik Blas kon leren.

Het leukst van mijn activiteiten vond Blas als hij tegenover me zat tijdens de siësta, terwijl ik op mijn laptop typte. Ik probeerde aan mijn boek te werken, elke dag 3 uur. Hij bleef dan doodstil zitten met een grote tandenloze grijns en typte met zijn kromme vingers op het tafelblad mee. Soms slurpte hij luidruchtig aan zijn koffie, zonder zijn blik van me af te wenden. Het wende, als een te zware hond die altijd op je voeten wil liggen.

Steevast vroeg hij na vijf minuten: ‘’Aan wie schrijf je toch zoveel brieven?’’ En dan moest hij hartelijk lachen om zijn eigen grap.
Zo schreef ik drie zomers lang 12 hoofdstukken van een nooit verschenen en slecht geschreven boek. Eens per maand ging ik in de stad mijn siëstavruchten uitprinten bij de supermarkt en dan bewonderde Blas de dag erna de groeiende stapel letters op de keukentafel. ‘Dat wordt een dik boek zeg.’ Zei hij dan bewonderend en trots.

Achteraf: Blas was de enige persoon ooit die ik dicht bij me kon hebben tijdens het schrijven. Hij was analfabeet. Lekker veilig. Er was alleen bewondering. Omdat ik zo veel kon typen.

Ik leefde wel stoer, maar met een heel laf schrijvershart in die tijd.

Het kloteparadijs (uit het Boek van Blas)

‘De zon gaat toch onder, ook al zijn we nog niet klaar zijn met de dag. ‘ Humt Blas naast me. Hij heeft altijd van die filosofische momentjes zodra het donker wordt. Ik ben te moe om het prachtig te vinden vandaag. We hebben de hele dag samen het gras gemaaid op de zuidhelling, met kleine zeisjes. Blas vond het maar vreemd dat ik meehielp met deze rotklus. ‘Moet je niet gaan koken?’ vroeg hij elk half uur als we even rechtop gingen staan en onze pijnlijke ruggen rekten.

Normaal zingt Blas altijd als hij het gras maait. Over zijn muildier, zijn moeder en de zee die hij sinds 1954 niet meer had gezien. Vandaag heeft hij geen noot gezongen. Hij lijkt uit zijn hum.

Alles lijkt uit z’n hum vandaag; het is een klotedag in het paradijs. Ik heb rugpijn en ben gestoken door een horzelachtig rotbeest door mijn shirt heen. Mijn neus zit vol stof, mijn kleren schuren en jeuken en er komen vieze kleine gemene steekvliegjes op mijn zweethoofd af. De zon was pokkenheet geweest vanaf 9 uur ’s ochtends en had alle energie uit mijn lijf en leden verdampt.

We hebben de klus net niet geklaard voor zonsondergang. En ik heb niet gekookt. Blas is ervan door de war. ‘En het eten dan?’ vraagt hij nerveus terwijl ik met puddingknieën van de helling afstrompel. ‘Ik gooi snel iets in de pan’ stel ik hem gerust. Blas kijkt me fronsend aan. Hij weet niet wat dat betekent, ‘iets in de pan gooien’.

Ik ga naar binnen en maak een hele grote omelet met jamon en tomatensalade en zet een homp kaas op tafel met brood. Na 10 minuten roep ik Blas aan tafel. Hij schuifelt binnen, hangt zijn pet aan het deurhaakje en kijkt verbijsterd naar de tafel.

‘Maar mujer! Dit is geen avondeten, dit is middageten!’ Blas is geschokt.

We eten mokkend en in stilte. Ik erger me aan zijn tandenloze slurp- en smakgeluiden. En aan het kleine benauwde keukentje in dit grote benauwde bos. Kloteparadijs.

‘Je hebt wel goeie tomaten dit jaar., maar je moet andere olie gebruiken.’ Zegt Blas als hij zijn lege bord van zich afschuift. ‘Maar ik zeg je, vrouw, dit is geen avondeten’.

Ik zeg maar niets en denk aan de broodjes kroket, opgewarmde kliekjes en talloze variaties tosti’s die ik achter het beeldscherm in Nederland verorberde, omdat ik mijn werk ‘niet op tijd’ af had. En aan alle geëmancipeerde Nederlandse mannen die ik met een pan op het hoofd zou hebben geslagen na zo’n opmerking.

Verontwaardigd over mijn slechte huisvrouwschap, weigert hij koffie vanavond. ‘Ik drink wel koffie bij mijn schoonzus.’

Als Blas met zijn muilezel het zandpad oploopt richting zijn dorp, zwaai ik gewoontegetrouw vanuit de keukendeur en wacht op zijn gebruikelijke ‘Tot morgen!’ Blas zwijgt echter en weigert zijn stugge rug te draaien. Pijnlijk alleen blijf ik achter in mijn kloteparadijs en verdrink de rest van de avond in zelfmedelijden met een zielig boek en Leonard Cohen liedjes.

Dat helpt.

De volgende ochtend sta ik extra vroeg op om aan het laatste stukje helling te beginnen. Ik wil Blas verrassen. Maar hij komt niet vandaag. Als ik klaar ben en de hellingen aan de overkant van de vallei afspeur, zie ik hem staan. Roerloos en zoals altijd met zijn hand boven zijn ogen. Ik zwaai en wijs op het gemaaide veldje. Blas trekt zijn schouders op en loopt weg, richting zandpad.

Ik rij naar het dorp om mijn post af te halen en stort mijn hart uit bij Catalina, de moeder van de postbode. Ze is er zo klaar mee: ‘Je moet met je tengels van het werk van Blas afblijven. Je hebt hem iets afgenomen dat al 60 jaar van hem is.’ Catalina is een wijze vrouw.

Op de terugweg naar mijn kloteparadijs schaam ik me diep. En ik ben ook een beetje opgelucht: ik zal nooit meer gras maaien op de zuidhelling. Hoe lekker is dat.

Smaakverachterlijking

Ik was helemaal niet zo’n gezonde eter, toen ik bioboerin werd in Spanje. Maanden lang droomde ik van slappe kroketjes uit de muur en sissende ijsoude cola in mijn keel, terwijl ik ploeterde aan mijn overwoekerde moestuintje of met een handboek op de grond de takken probeerde te snoeien van bomen die ik eerder nog nooit gezien had.

Na de pruilfase en helemaal afgekickt van TV-reclames en valse snackverlangens begon ik te begrijpen wat het inhield je eigen eten verbouwen; het was knuren en ploeteren, hongeropwekkend, een simpel leven onder een zeer complexe regie van moeder natuur.

(En ik had te veel natuurfilms gekeken, boeken gelezen over biologisch eten verbouwen en was te weinig in de natuur geweest daardoor.. Dus viel ongenadig hard op mijn bek vanuit mijn prachtige wolkje waarin ik een soort Bambi was met het instinct van Grizzly Bear Adams en Arendsoog, de groene vingers van een kruidenpater uit Steijl. Ik had een instanthemel verwacht, kant en klaar voor gebruik en ’s avonds lekker een boek en een film schrijven met uitzicht op mijn hofje van Eden. Niets was minder waar. )

Langzaam leerde ik mijn hofje kennen; genieten moet je leren blijkbaar. En aan ploeteren wen je ook op een gegeven moment. Dan komt de lang uitgebleven wake-upcall van moeder natuur, een close encounter van het mooiste soort: De smaak van verse koele vijgen voor zonsopgang, de fluweelzachte bitterheid van mijn olijfolie, de geur van gekneusde kruiden langs de beek.

Smaken, kleuren, geuren; alles leek intenser. Ik snapte wat er om me heen gebeurde en maakte daar deel van uit. Bij gebrek aan tijd voor het echte schrijfwerk, schreef ik er brieven over aan oude vrienden in Nederland, die waarschijnlijk dachten dat ik totaal was doorgedraaid en alleen nog maar over bomen, fruit, wilde zwijnen en nootjes kon praten.

Zo’n penvriend zocht me op, (las drie boeken op de patio zonder om zich heen te kijken en te beseffen hoe mooi mijn hofje was) en zei bij vertrek: ‘’Je verachterlijkt hier, terwijl wij doorgroeien. Hou daar rekening mee als je terugkomt.’’

(Ik moest daar destijds om huilen, maar kan daar gelukkig nu om lachen.)

Na een jaar of 3 ploeteren in mijn hofje had ik het pas echt door: als je in het hof van Eden wil wonen, ben je de hele dag bezig met eten; van het aanleggen van een houtvuur, tot het snoeien, irrigeren, oogsten. Je communiceert met je omgeving, continu. De rest van de wereld lijkt steeds verder weg. En liet ik sporadisch toe via een gammele verbinding van een internetbar in de grote stad.

Ik vroeg me soms, voordat ik doodmoe in de bedstee plofte, af hoe ik ooit dat boek en scenario zou kunnen schrijven met zoveel eelt op mijn handpalmen.

Langzaam verdwenen de slappe kroketjes-verlangens uit mijn systeem en kwam er een moment waarop ik stond zingend de wintervoorraad tomato frito stond te pruttelen in een grote kuip op het erf. Ik maakte kilo’s kweeperenvlees met gegrilde walnoten en amandelen van eigen oogst, schuimende zuurzoete mosto, citroenmarmelades, ingelegde gegrilde paprika’s en gepofte kastanjes in de winter. Mmm, het water loopt me in de mond als ik er aan denk.

Met brieven schrijven over mijn smaakbevindingen en natuuravonturen was ik opgehouden; het interesseerde geen hond in Nederland hoe je kweeperenvlees maakt, een konijn de jas uit trekt of een wild zwijnt ontwijkt. (Mijn verachterlijking was een feit na 3 penvrinden op bezoek te hebben gehad.)

De vrouwen in het dorp vonden het maar niks, mijn varianten op hun oer-recepten. ‘’Er moeten geen amandelen in carne de membrillo (kweeperenvlees), dat doe je maar in Holanda..’’

Carmelita, bekend in het nabijliggende dorp om haar kookkunsten, zei nadat ze mijn pompoenensoep met gepofte knoflook proefde: ‘’Het recept vind ik aanstellerij, maar deze soep is wel te eten.’’ Dat was mijn allerbeste integratiemoment; ik gloeide dagen van trots omdat ze me niet verrot gescholden had.

Eerlijke smaken zijn universeel. En liefde voor eten ook.



(Ik heb vandaag een kroketje gegeten. Dat maakte vanalles los. )