Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Consuminderen in stijl (Uit het boek van Blas)

Heel soms wilde Blas mee naar de supermarkt in de stad. Ik baalde dan een beetje, want de ritjes naar de supermarkt waren mijn meest frivole shoppinguitstapjes in die tijd. Ik maakte er altijd een uitstapje van; mooie kleren aan, make-upje, een tapaatje eten bij de venta onderweg. Het liefs ging ik tegen de avond, als het afkoelde en de zon alles in oranje en paars kleurde. Al was het slechts een dik half uur rijden, de schoonheid van het avondlandschap vertraagde de tijd. Ik draaide mijn favoriete muziekje en bralde luidkeels mee met Joni Mitchell of de euforische koren van de Misa Flamenca van Peña. ‘Santos, Santos!’ Met een een brok in mijn keel van het mooie landschap en de muziek die aan de touwtjes van mijn ziel trokken tot het tranenluik open ging. Heerlijk. Al was ik altijd bang dat ik op zulke momenten per ongeluk spontaan gelovig zou worden. Mijn praatkameraad Paco de treurige uit Madrid noemde dit ‘het heerlijke huilen’. Hij kon het weten want hij reed eens per maand op en neer naar Madrid, hij was de enige atheïst in het dorp en hij hield van Bach. Op de parking van de Hypersol werkte ik mijn mascara bij.
Met Blas naast me ging die emo-vogel niet op helaas. Met vragen als: ‘Waarom zing je zo vals vrouw?’ en: ‘Waarom huil je, vrouw?’, verprutste hij mijn trip totaal. 
(Pas nu ik het opschrijf vind ik dat komisch; destijds vond ik hem ronduit irritant op zulke momenten; alsof iemand me last minute mijn vakantie afnam.)
Na een rit waarin Blas aan een stuk door in mijn oor toeterde over welke dorpelingen er allemaal in de ravijnen waren gestort, kon het winkelfestijn beginnen. Blas duwde de kar (zo raakte ik hem niet kwijt, zoals de vorige keer) en ik shopte.
Dat ging ongeveer als volgt:
Bij de koekjes: Blas (schreeuwend): “Koekjes? Mmmm. Waarom koop je koekjes, vrouw? Die kun je toch goed zelf bakken?”
Bij de vleeswaren: “Chorizo? Die kun je toch veel beter bij Pepa kopen? Die heeft er nog een stuk of twintig hangen.”
Bij de eieren: “Eieren? Leggen die kippen van Juan dus nog steeds niks? Je moet die kippen slachten.”
Bij de kippengrill: “Kip? Je hebt toch kippen? En anders vraag je Juan van Paqui toch er eentje te slachten?
Bij de slijterij-afdeling: “Heb je die zelfgestookte voorraad aguardiente nou al op dan?”
Met 24 rollen wc-papier, een zak meel, suiker en een fles afwasmiddel droop ik af naar de kassa. Met Blas winkelen was niet leuk, maar wel kosten- en tijdbesparend. Na deze tocht wachtte me nog een hele kruistocht door het dorp: Langs Pepa’s worstenschuurtje, langs Paqui en Juan, een geschikte kip uitzoeken, naar Ana van de Farmacia voor aspirine voor de hoofdpijn van de aguardiente die ik zeker zou gaan drinken hierna. Ik was tenslotte geen Mormoon, al begon het er wel op te lijken langzaam.
Onder de sterrenhemel dronk ik die nacht een glaasje zelfgestookte aguardiente met een stuk kaas. Te moe om te koken na deze uit de hand gelopen consuminder-expeditie. Camerón op de radio. Smerig sterk spul op een bijna lege maag, maar met Camerón en zo’n  sterrenhemel net voldoende om even aan de touwtjes van mijn ziel te trekken. 
Chin Chin! Op het consuminderen. Dat eigenlijk uitgevonden is door Blas. 

Levenslang ruilen

Ik was altijd al in voor ruilhandel. Een buurttante gaf me elke maandagochtend om klokslag 11 een Caramax-reep, in ruil voor mijn belofte dat ik niet meeluisterde tijdens het koffie-uurtje. Ik was vier, ging op de bank zitten, probeerde zo stil mogelijk te zijn en genoot in een soort trance van de zoet-zoute caramelreep waar je altijd een beetje misselijk van werd, maar die toch verslavend lekker was.
In ruil voor roddelinformatie over de crisis-status quo van ons gezin, gaf de moeder van een basisschoolvriendin mij twee grote glazen cola en meters trekdrop die ik thuis niet kreeg. Ik wist toen nog niet wat roddel was, maar was natuurlijk zo corrupt als een kind maar kan zijn sinds de uitvinding van suiker. De buikpijn nam ik voor lief. In ruil voor een woensdagmiddag voetballen met een slungelig buurtjongetje dat totaal niet kon voetballen en wiens gezicht meestal op huilen stond, mocht ik jarenlang gratis met de stadsbus mee van zijn vader de buschauffeur. En zo vergrootte zich mijn kleine wereld; zonder dat mijn moeder het wist reed ik soms wel twee keer per week mee met de stadsbus de brug over en terug. En onderweg jokte ik tegen de buschauffeur over de vorderingen van zijn zoontje.
Ik deed ook domme ruilzaken; zo bood een vriendelijke buurtopa me een heel tupperware-bakje vol sleetse centen, in ruil voor mijn prachtige zilveren jubileumrijksdaalder die ik van een oom had gekregen voor mijn communie. Ik ging het lege tupperware-bakje netjes terugbrengen, zodra ik het geld thuis in mijn onbreekbare coca-cola-spaarpot had gestort, die nu opeens bomvol leek. Weken lang heb ik me een soort geheime bank op de Kaaiman-eilanden gewaand en zitten fantaseren wat ik allemaal kon doen met zoveel geld: een leven lang trekdrop of Belga kauwgums zonder stuivers te hoeven pikken uit moeders portemonnee. Dat schepte rust in een woelig kinderleven.
In Spanje ongeveer 25 jaar later, voelde ik me dus best snel thuis in de ruileconomie die in afgelegen dorpjes nog deel uitmaakt van de dagelijkse gang van zaken. Zaken zijn vaak ‘favores’ op het platteland. Als je een beetje kon bluffen zoals de Spanjaarden, waren er goeie ruilhandelsmogelijkheden. Als je een mindere dag had werd je een stevige poot uitgetrokken en kwam je thuis met een kat in de zak, een partij balken vol knaaglarven, een mislukte partij kaas of gewoon een rothumeur. In Nederland noemen ze dat al snel corruptie geloof ik, maar als je er midden in zit, zie je dat heel anders. Je ruilde een paar kilo noten en een paar flessen drank voor een snelle bouwvergunning.  Een favor scheelde al snel vele treden in de bureaucratie, of geld dat we niet hadden. Zat je eenmaal in de goeie flow van gezond ruilen (Of: remmend meegaan met de corruptie) dan was het prima overleven met heel weinig inkomsten en bijna altijd oplossingen. 
Je ruilspectrum groeide ongemerkt uit in de jaren tot een bijna full-time tijdslurpend monster.  Dat wel. Van al die artistiekerige voornemens zoals een boek schrijven en een filmmusical, de lotushouding oefenen, kwam dan ook niet veel daarginds. Ruilde je een complete fruitoogst tegen onderhoudswerkzaamheden op het land, moest je niet gek kijken als de wederdienst een jaartje of anderhalf op zich liet wachten, maar je ‘ruilpartner’ wel gedurende anderhalf jaar elke vrijdag bier kwam drinken om te verkondigen dat hij voorlopig geen tijd had. In zulke gevallen had je dus gewoon pech; 2.000 kilo kastanjes of kiwi’s kwijt en levenslang die man aan je keukendeur met hetzelfde lulverhaal. 
In Nederland is het ruilen geblazen van een heel andere orde. We willen vaak dingen ruilen die onzichtbaar zijn. Ik heb hier geen fruit, drank, bouwmaterialen, honden, varkens of andere fysieke handel, dus begeef ik me beroepsmatig in de schemerzone van de zakelijke ruilhandel. Diensten, in plaats van fruit en favores. Bijvoorbeeld iemand vraagt of ik voor hem een paar maanden mee kan nadenken over iets dat nogal ingewikkeld is en in ruil daarvoor mag ik mee surfen in zijn netwerk en krijg ik in de toekomst eventueel misschien een goedbetaalde opdracht. Dat is een typisch voorbeeld van een belabberde Nederlandse ruil: Ik zet mijn hersens in dienst van iemand die mijn ijskast of voorraadkeldertje de komende 6 maanden niet aanvult, maar net doet alsof ik een lot in de loterij heb gewonnen. Aangezien mijn hersens grotendeels aangestuurd worden en gemotiveerd via mijn maag, vind ik een lege voorraadkelder in ruil voor een vermoeiende hersen-lease meestal een slechte deal. Verontwaardigd word ik ervan als mensen denken dat mijn sappige (geestes)vruchten, mijn fruithandel dus, te ruilen valt voor een paar avondjes netwerksurfen in het Honolulu van de zakenwereld. Ik kan niet eens surfen trouwens.
Nou, ik zie mezelf wel al samen met manlief onder een palmboom zitten in een Zuid Amerikaans land. Overdag aan mijn memoires schrijven, ’s avonds gratis inspiratie van de zonsondergang in de zee. Namijmeren op het strand over hoe het was; al die inspiratie- en surfmomenten in ruil voor een lege maag en hypotheekbuikpijn en broodjes-kaas-avonden achter het beeldscherm. Ook wel carrière genoemd. Geef mij maar de dorpse versie: Fruit voor vlees voor hondenpups voor bouwvergunningen voor gedichten voor verhalen voor dromen voor een volle voorraadkelder en fris gemoed. 

Boer zoekt vrouw – de oerversie

 
Ik moet eerlijk bekennen dat ik Rosa weinig benijdde om haar zware, benauwende leven in haar familiehuis vol mantelzorg behoevenden en lastige kinderen. Maar wars van medelijden zoals Rosa was, probeerde ik altijd net te doen alsof ik het normaal vond, die desastreuze, gewelddadige familieperikelen die ze me al jaren in kleine brokjes voerde. Rosa vertelde nooit vanuit sensatiezucht en deed geen enkele moeite haar verhalen aan te dikken. Het fascineerde me hoe ze stand hield. Hoe ze haar lach had behouden, haar tanden verloren. Hoe ze haar rug recht hield in het leven al haar dromen had uitgewist.
Rosa was een beest van een vrouw.  En ik haar enige vriendin en leeftijdgenoot in het dorpje in die jaren. Dat we beiden buitenbeentjes waren schepte een extra band. Of ik het leuk vond of niet. Soms stak het me wel eens dat ze nooit vroeg naar mijn leven, mijn verleden. Of mijn desastreuze familieperikelen desnoods. En dat ze na al die jaren nog steeds mijn voornaam niet uitsprak. Maar van de andere kant vond ik het prima zo. Mijn perikelen zouden immers verbleken bij die van haar, die rechtstreeks uit een boek van Marquez leken te komen en soms de plattelandsduisternis van Kosinsky overstegen.
Als het winterweer het toeliet, zetten we onze stoepvergaderingen met uitzicht op de vallei stug voort. Met dikke paardendekens, uit de wind. Want zodra Rosa me aan zag komen lopen op het zandpad richting dorp, wuifde ze me schreeuwend in haar richting: ‘Veeeeeeen Holandesa, venteporaquiiiiii!’  Ik heb nooit goed begrepen hoe ze in staat was om midden in de chaos van haar vele bezigheden al op 300 meter afstand iemand te spotten tussen het groen.
Ooit was ik gebukt onder haar keukenraam doorgekropen, omdat ik geen tijd en zin had in een stoepsessie. Ze moet het geroken hebben, want ze betrapte me op heterdaad en had me meteen door. ‘Dat flik je me niet meer he, Holandesa! Riep ze boos lachend, hangend uit het keukenraam. ‘Niemand komt ongezien mijn huis voorbij.’ Ik voelde me geïntimideerd en ben op de terugweg,  schoorvoetend als een betrapt kind, braaf op haar stoepje gaan zitten om tegen heug en meug een half blik bier, twee sigaretten en twee vreselijke verhalen te nuttigen.
Toen ik enkele jaren later in Cadiz met een filmscenario bezig was voor een Andalusisch-Nederlandse filmmusical die het witte doek en de omroep nooit zou halen, vroeg de regisseur of ik een paar van de dorpspersonages uit het verhaal een meer typerend en scherper karakter kon geven. Ik had eigenlijk geen idee wat de lieve man bedoelde, dus ik begon maar te schrijven met mijn ogen dicht, terwijl ik dacht aan Rosa.
Haar lompe grappen, zwarte humor, snerpende stemgeluid, haar bijna intimiderende oerkracht, haar gebrek aan dromen en overvloed aan nooit vertelde verhalen. Maar ook haar ruwhartige liefde, haar onhebbelijke zoon en vervelende schoonmoeder en buurman nam ik mee. Na twee dagen en nachten van koortsachtig schrijven, overhandigde ik mijn huiswerk aan de regisseur.
Hij was een hele lange tijd doodstil en dat leek me geen goed teken, want de beste man mocht graag zelf het middelpunt van het geluidsuniversum zijn. Toen hij klaar was met lezen, meende ik een kleine traan in zijn rechterooghoek te zien blinken, maar misschien was dat pure hoopverbeelding. ‘Godverdomme.’ Sprak hij en zweeg weer een poos, terwijl hij zijn vierkante kin kneedde. Ik schrok. Hij vond het dus kut. ‘Dit is godverdomme goed!’ Ging hij verder tot mijn grote opluchting. ‘Het lijkt zo verdomd  echt! Waar haal je het toch allemaal vandaan..’ We dansten een rondje door de kamer en gingen onze nieuwe mijlpaal vieren in Bar Luna. Chin-Chin – op Rosa!
Enkele weken later zat ik met filmscenario en zweethanden naast de regisseur in een vergaderkamer in het mediapark. Tegenover ons mensen uit het Cobofonds, een Schotse script-doctor, een producent en een jongeman van de zojuist gelanceerde omroep MAX. Ik was al zo blij als een kleuter omdat we het al helemaal tot deze Hilversumse vergaderkamer geschopt hadden met ons scenario. Zo blij, dat ik niet eens echt meekreeg dat de film keihard werd afgeketst door de meneer van Omroep Max en een mevrouw van het Cobofonds die ook nog iets vertelde over de glutenallergie van haar zoontje. (Als ik blij ben, onthoud ik altijd de verkeerde details) Pas later, in een ongemakkelijke troostlunch met de producent en de regisseur in een sjiek restaurant in Laren aan een meer met witte zwanen, begreep ik dat dit voorlopig onze laatste lunch met mes en vork in Nederland zou zijn. 
Voordat we ons echter fysiek en in professionele schaamte gehuld weer mochten terugtrekken in Spanje, werden we nog getrakteerd op een masterclass. Dit bleek een uitgebreide en berispende analyse van de Schotse scriptdoctor.  Zijn eindconclusie deed ons bloed koken van belediging. ‘Probeer de volgende keer wat realistischer om te gaan met je karakters. De mensen in deze film zijn ‘allemaal zwaar over the top’ en dus niet geloofwaardig genoeg voor het publiek om zich in te leven. Onderschat het publiek niet, die voelen perfect aan of iets echt of onecht is.’ 
Ik herinner me een rommelige rit in een klein muf autootje door het drukke Amsterdam, met twee luid ruziënde mannen voorin. Ik was misselijk en dacht aan hoe lekker rustig het zou zijn om nu op het stoepje te zitten met Rosa.

Een blikje misère met Rosa #2

Of: De Schreeuw (het helpt)
[Uit het Boek van Blas]
Rosa liet me foto’s zien van vroeger. ‘Toen was ik nog mooi.’ Ik staar naar een klein zwart-wit kiekje met een stralend meisje van een jaar of 14, voor het huis waar we nu zaten. Sprankelende ogen, een ondeugende grijns, gitzwart haar in twee vlechten over een geblokte schortjurk. Op de achtergrond een schelle kreet uit het TL verlichte keukenraampje van Rosa’s huis. ‘Toen kon ik nog lachen.’ Grijnsde ze. ‘Toen had ik nog tanden.’ Ik realiseerde me nu pas dat Rosa niet zo vreemd sprak en grijnsde omdat de vorm van haar bovenlip niet anders toeliet, maar omdat ze geen tanden meer had. Ze wachtte al weken op een lift van Manolo naar Ronda, waar in het tandenlab van haar achterneef een fonkelnieuw gebit op haar lag te wachten. Ik bood haar een lift aan naar Ronda. Het zou haar goed doen, tanden. Ze weigerde en wuifde haar tanden weg.
Iemand met overslaande stem kondigde aan te moeten plassen en een mannenstem eiste bulderend een fles bier en de afstandsbediening. Zuchtend stond Rosa op, mij met haar zwart-wit jeugd achterlatend.
Rosa was de laatste weken nog meer aan huis gebonden dan ze al was. Haar vrijgezelle broer Manolo de Geitenhoeder was van de trap gevallen. Op zich nog niet zo heel ernstig, was het niet zo geweest dat hij met een touw om zijn middel vast zat aan zijn 80-jarige moeder, die daardoor haar heup en daarna Manolos schedel gebroken had. Rosa’s moeder die zwaar dementerende was, maar nog de lichamelijke kracht van een paard had, zat 24/7 met een touw vastgebonden aan een van de familieleden, omdat ze anders het ravijn in sprong om te gaan plassen of zomaar bloot het bos inliep. Nee, mantelzorgen voor je dementerende moeder in de bergen is geen kattenpis, met al die gevaarlijke afgronden en dwaalpaadjes. 
Het was altijd misère bij Rosa thuis, maar nu was het wel heel erg. Haar man Juan had zich –heel slim- tijdelijk teruggetrokken in de geitenstal van zijn schoonbroer om de geiten waar te nemen en weg te zijn van het familiehuis. Haar oudste zoon werkte doordeweeks aan de Costa en haar jongste vulde Rosa’s spaarzame gaatjes in de tijd met puberterreur van het ergste soort.
Zuchtend kwam ze weer naast me zitten op het stoepje en trok een blik bier open. Het was doodstil in de keuken. De nacht was prachtig en we zwegen wel vaker, maar Rosa’s zwijgen had opeens iets onheilspellends. De luchtdruk om haar heen kon veranderen als bij een plots opduikende bergstorm. Als ze op dat moment verteld zou hebben dat ze haar moeder en broer eeuwig tot zwijgen zou hebben gebracht, was ik niet verbaasd geweest. Ze pakte het fotootje uit mijn hand, zoog alle stilte in een ademteug naar binnen, gooide haar hoofd in haar nek en schreeuwde oorverdovend hard in de stilte.
Uit het keukenraam klonk een benauwde stem: ‘Zeg, wat was dat nou?’ Het was Rosa’s broer. Gelukkig. Ze leefden nog. En Rosa grijnsde: ‘Moet je ook eens doen, het helpt.’ 

Ome Juan doet Ernest Hemingway

(Uit het Boek van Blas)
Het was een normale stille zondag in het dorp. Tot dat Ome Juan met zijn grote Amerikaanse bak verscheen. De dorpelingen keken vol ontzag toe hoe hij sporen van de dure bordeauxrode lak van de lange slee achterliet op de zojuist witgekalkte muren. ‘De straten zijn te smal!’ Riep Ome Juan zwetend, terwijl hij de volgende bocht doorschraapte en zijn grote voorhoofd depte met een hagelwitte zakdoek. Catalina van de postbode sloeg weer een kruis toen Ome Juan met zijn zakdoek naar haar wuifde op het plein. Ze dacht nog steeds de herrijzenis van Hemingway te zien, zodra Juan met zijn dikke witte baard in het dorpje verscheen. Niet dat men hier in het dorp boeken van Hemingway las, maar omdat de schrijver veel zomertijd had doorgebracht in het nabijgelegen Ronda in de jaren veertig, had zij hem persoonlijk meerdere malen mogen ontmoeten. Ome Juan vond het mooi dat sommige ouderen in Ronda en omstreken zich omdraaiden als hij ergens verscheen. ‘Jammer dat ik niet zo kan schrijven als Ernest.’ Grapte hij en besloot twee minuten later dat hij een boek ging schrijven over zijn avonturen in de internationale vleeslobby en kunst-nevenhandel.
Niet alleen de straatjes en zandpaden, maar de wereld in z’n geheel was eigenlijk te klein voor Ome Juan.  Dat had hij zelf nog niet in de gaten. Hij was nog in hoge staat van verwondering over het feit dat de wereld zich nog steeds niet had weten aan te passen aan het volume van zijn geest, zijn stem en zijn geliefde Amerikaanse auto’s.
Binnen een uur was het feest. Want zo ging dat als Ome Juan eens per jaar op bezoek kwam. Het feest werd uit de tijd geslagen, alsof we iets in te halen hadden. Dikke lappen vlees lagen te sudderen in mijn pannen die hier normaliter alleen maar groenvoer zagen.  De wijn leek te verdampen met de snelheid van aceton in warme lucht, zodra Ome Jan ging zitten. Dronken werd hij niet van de wijn, maar van het samenzijn met mensen. Na twee flessen hield hij oprecht meer van iedereen die aan zijn lippen hing. Het erf vulde zich met zijn sterke verhalen en af en toe een bescheiden lachsalvo. Want om uitgebreid te bulderen, of te vragen of het waar was wat hij vertelde, daar gaf Ome Juan niemand de tijd voor, want er waren nog zoveel verhalen te vertellen.
Veel van zijn verhalen grensden aan het ongeloofwaardige. Maar zijn overtuigingskracht en verteltalent, de humor en ironie waarmee hij zijn soms vreselijke avonturen kon omschrijven, maakt het waarheidsgehalte van ondergeschikt belang. Zijn wereldreizen als handelaar in vooral vlees en soms wat kunst, deden elke Ludlum-thriller uit mijn vaders kast verbleken tot een flodderroman.
Met uitgeputte oren bleven we achter. De stilte was altijd immens na zo’n feestelijk bezoekje van Ome Juan. En we wogen daarna nog dagenlang de vermoedelijke onwaarheden of kromme wendingen van zijn avonturen. Altijd weer kwamen we tot de conclusie dat Ome Juan een gevaarlijk type was, vol harde en halve waarheden en een leven dat risicovoller was dan we ons konden voorstellen. Toch had hij een gouden hart. En de in Andalusië zeer gewaardeerde gave om met een paar flessen wijn en een sterk verhaal een feest te doen opvlammen uit het niets.
Enkele uren later hobbelde hij met zijn gekraste Amerikaan weer het zandpad op. Ons aandringen een kamer in het dorp te nemen vanwege de liters wijn die hij had laten verdampen, lachte Ome Juan bulderend weg: ‘’Ik heb vier rijbewijzen uit drie landen, dus dat komt wel goed.‘’ Tot kilometers ver hoorden we de bramentakken piepen en krassen tegen zijn autoflanken. Op weg naar zijn nieuwe vlees- of kunstavontuur en feesten met halve beroemdheden in zijn loft bij Marbella. We dachten, vanuit het perspectief van de arme boeren en hippies die we met z’n allen waren ten opzichte van de exorbitante Ome Juan, dat hij regelrecht het soepele leven van een corrupte rijkaard inreed, om over een paar maanden weer terug te komen met verse sterke verhalen. Alleen Alfredo de burgemeester dacht daar anders over: ‘’Die opknapbeurt aan die auto kost meer dan de gemiddelde finca hier in dit dorp.’’ Zei hij misprijzend. Als liefhebber en verzamelaar van oldtimers kon hij het weten.
Hoe je het ook wende of keerde, iedereen was op z’n eigen manier onder de indruk van Ome Juan. De een vanwege zijn verhalen, de ander vanwege zijn gelijkenis met Hemingway of zijn rijkdom en een enkeling voor zijn gulle hart.
Pas jaren later ontdekte ik de werkelijke aantrekkingskracht van onze stille vallei op Ome Juan. Uit zijn verhalen bleek steeds vaker dat hij niemand vertrouwde en dus nooit zijn verhalen kwijt kon tot in de echte smeuïge details. Hij zoog zich vol met onze simpele aandacht onder het mom dat hij het ‘geweldig knap’ vond hoe wij hier vrijwillig ‘op een houtje beten’. Zijn wantrouwen en drankdriften groeiden mettertijd als een dikke olievlek gedurende zijn verblijf in het mondaine, oppervlakkige en zuigende Marbella en het  besmette uiteindelijk ook onze relatie zodra wij op uitnodiging enkele malen in zijn territorium verbleven. Hoe meer aandacht hij kreeg, hoe meer hij overtuigd raakte dat iedereen tegen hem was, of iets van hem wilde. Hij leek niet in de gaten te hebben dat hij alle aandacht zelf genereerde, door meer feesten te geven dan Xaviera Hollander in die dagen. Ome Juan bleek nog een andere overeenkomst te hebben met Hemingway: Hij raakte verstrikt in zijn eigen verhalen en verslaafd aan een suïcidale levensstijl vol vrouwen, drank, medicijnen en culinaire cholesterol. Van een Bourgondische levensgenieter, werd hij een onvoorspelbaar feestbeest dat alles deed wat zijn artsen hem verboden hadden.
In 2010, na jaren van radiostilte, viel mijn oog op een klein berichtje in de krant. ‘Nederlander vermoord in Paraguay’ Het was Ome Juan. Dood aangetroffen in zijn appartement in Paraguay, waar hij de laatste jaren van zijn leven rentenierde. Op zijn bank met op tafel een lege wijnfles. Waarschijnlijk heeft hij eerst wijn gedronken en verhalen verteld aan zijn moordenaars.
Met terugwerkende kracht geloofde ik alle sterke verhalen toch. Hij had in al die verhalen zijn eigen moord voorspeld. Catalina van de postbode had inmiddels uitgerekend dat Ome Juan niet de reïncarnatie kon zijn van Ernest Hemingway. Maar toch. De parallellen waren achteraf ongelooflijk. Als hij had kunnen schrijven zoals hij geleefd had, was hij zeker net zo’n bestseller geworden dan ‘For whom the bell tolls’  Het verhaal waarin Ernest Hemingway zijn aankomende zelfmoord verpakte, iedereen het las, maar niemand hem geloofde.

Sorrie Ome Juan. Rust zacht in de verhalenhemel. 

Moederdagschilderij

                                          Finca Arroyo de los Franceses – Cartajima -Ronda

                                         Serrania de Ronda – uitzicht finca

Mei 2000. Mijn moeder vond het belachelijk dat we aan het einde van de wereld woonden, maar was razend nieuwsgierig. Dus ze kwam kijken met pa. Als een kind zo naief; nog nooit gevlogen, nog nooit in Spanje geweest. Reizen was allerminst een vanzelfsprekendheid voor haar. Ik vreesde allerlei complicaties, maar niks bleek minder waar. Zelden heb ik iemand zo snel en soepel zien opgaan in een vreemde omgeving.

Op de 2e dag zat ma al een kaartje te leggen op het stoepje bij Catalina, hun twee dikke achterwerken zusterlijk tegen elkaar. ‘Leuk hier, net een bejaardentehuis in een openluchtmuseum.’ Catalina knipoogde naar me; ‘Ik versta haar niet, maar ze is net als mij, je moeder; een rebel.’ Catalina (91) had gelijk. Mijn moeder mompelde iets over vals spelen en maande Catalina zich op het spel te concentreren, met een zusterlijke por. ‘Ze speelt vals, die kleine ouwe draak.’ Lachtte ma.

Ze sliepen in het dorp, in een huisje van de burgemeester. ‘Je gaat je ouders toch niet op die boerderij laten slapen!’ Ik vond dat vreemd, want naar mijn weten sliep zijn eigen moeder in een achterkamertje van zijn schoonbroer in de illegale dorpskroeg sinds haar hersenverlamming. Bij de bakker kreeg ik een paar schouderklopjes en complimenten over mijn lieve behulpzame ouders, die gewoon Venloos spraken, maar een universele snaar hadden geraakt bij de dorpelingen. ‘Je hebt het figuur van je vader, die heeft ook geen vlees op de kont.’ Giechelde Paqui terwijl ze op mijn kont tikte. Er werd gegiecheld over mijn vader, dat hij nog ‘muy guapo’ was voor zijn ouwe dag. Ik was trots als een pauw en voelde me heel erg kind van mijn ouders opeens.

We reden het dorpje uit richting onze boerderij. Ma mopperde en verwonderde zich tegelijkertijd; bij elk bochtje dieper het dal in vroeg ze bezorgd: ‘Maar kind, hoe kom je hier n Godsnaam terecht?’ Vlak voor het bruggetje bij de ingang van de boerderij, liet ik haar uitstappen; voor het wauw-effect. Het was begin zomer en alles was nog groen en fris; er groeiden frisgroene varens en de beekoever rondom het bruggetje stond vol me witte aronskelk. De geur van het knisperende dal, de beek, het warme zand; zelf kreeg ik er nog dagelijks een kick van, in labiele buien zelfs wel eens een brok in mijn keel. Stil stond ze naast de auto en keek naar het tafereel tussen de slanke populieren. ‘Jezus Marijke, door God verlaten, maar wel een paradijs.’

Mijn moeder was, voor een atheïst, nogal scheutig met bijbelse namen.

Ik had altijd gehoopt dat ze haar dagelijkse sores opzij zou zetten en schrijver zou zijn worden. Ze had een talent om bot en poëtisch tegelijkertijd te zijn. En dat was soms heel grappig en ontroerend.

Op die dag, op het zandpad bij de ingang van mijn hof, vond ik haar woorden van een pure poëzie. Het zouden onze laatste dagen van samen genieten zijn. Ik heb die dagen als een schilderij in mijn hoofd, honderden keren overgeschilderd; bang dat ik het mooier maak dan hoe het werkelijk was, soms bang dat ik het te flets overschilder. Het werden uiteindelijk de mooiste herinneringen aan mijn moeder. We waren weer een paar weken kinderen en deden dingen die we sinds 1978 niet meer samen hadden gedaan; zwemmen in de Genal-rivier, laat opblijven, een sigaretje roken met Rosa op het stoepje tijdens de zonsondergang, herinneringen bij het kampvuur.

Chin-Chin op mijn moeder, die mijn Spanje in 24 uur beter begreep dan ik het ooit zal begrijpen.

Goed boeren na de storm

De storm brengt naast vernietiging ook nieuw geluk; alsof de natuur je een tweede, betere kans geeft om opnieuw te beginnen. En na elke storm blijkt maar weer: Opportunisme is nooit stormbestendig.

Zodra de regen stopt, lopen we naar buiten om te kijken wat de schade is. Een late voorjaarsstorm is niet waar we op zaten te wachten met een halve hectare jonge aanplant. Ik loop naar de oever van de beek, maar de oever is weg. Er kolkt water langs mijn voeten, vol schuim, dingen en kolken, dat niks niet op mijn beek lijkt. Heel even denk ik dat ik droom, tot Blas me aan mijn kraag met een zwiep naar achteren trekt en we samen in de modder belanden. Terwijl ik mezelf foeterend overeind probeer te helpen, maant Blas me tot stilte en wijst naar de beek. Een boomstronk en een halve tuintafel komen met een krachtige stroom water onze kant op dansen en nemen het laatste brokje oever mee, waar ik zojuist nog verbaasd stond te zijn.

De beek is woest. Ik nog woester.

Een halve hectare monnikenwerk verdwenen in 1 hoosbui? Jonge planten, mijn truttige vogelhuis, de tafel, stoelen, het zwijnenpad, honderden zaden, de kweeperen en moerbei. Weg. Ik was even vergeten dat onze vallei het afvoerputje van de watergoden was en ik een klein stom mens dat dacht dat moeder natuur een plaatje uit een tuinmagazine was..
Zin om te janken, kreeg ik ervan. Drie dagen lang. Maar in dit geval, met alleen de onverstoorbare oude Blas aan mijn zijde, die nooit medelijden had met mijn onnozele gevecht tegen de woeste natuur, had huilen weinig zin. Dus ik schold; Venloos-Andalusisch en Blas lachte er een beetje om.

Ook in Nederland sta ik soms langs/op figuurlijke oevers die voor mijn voeten worden weggeslagen. Dat hoort bij het leven, af en toe een flinke overstroming of storm, waar je ook woont. Het mooiste van elke storm is misschien wel het besef dat we allemaal wispelturige kleine wezens zijn, overgeleverd aan een heel grote wispelturige natuur. Bij die natuur reken ik ook de jungle die Nederland soms kan zijn; maatschappelijk, sociaal, economisch.

Blas is onuitstaanbaar opgewekt: ‘Het is altijd goed boeren na een storm.’ Het zal me een worst wezen of ik 100 of 50 kilo pimentos of tomaten moet drogen en doordraaien dit jaar. Doodmoe word ik van dit geboer zonder einde. Zelfvoorzienendheid sucks, als de natuur niet meewerkt.

We bouwen in een kleine week weer een nieuwe tuin op, krijgen jonge tomaten van Manolo en 20 pimientos van Paqui. Balta komt helpen met stenen sjouwen voor een waterkering en we mogen de kleine bobcat en een gespierde neef lenen van de burgemeester. Bij de Viveros in Ronda krijg ik drie nieuwe kweeperen en een jonge moerbei toegestopt. Van de deur van het halve schuurtje dat het water ons gebracht had, maken we een nieuwe tafel waar P.H. Eek jaloers op zou zijn geweest. Blas zoekt tijdens de siesta’s langs de oevers tot aan Pujerra naar mooie stukken hout om de oeverwal mee te verstevigen, terwijl ik takken mulch voor de nieuwe werkpaadjes. Soms kijken we naar de lucht richting ‘El Riesgo’, want daar komt altijd de vernietigende regen vandaan. ‘Het blijft droog.’ Mompelt Blas en wijst naar de wolken jonge insecten die boven de oever dansen.
Binnen enkele dagen krioelt het weer van leven en groen op de vochtige beekoever. De beek is weer zoals ik haar graag hebben wilde; een kalm stroompje van een meter of twee breed, met her en der het lied van een kleine waterval. Alles is weer goed, want mijn hofje ziet er weer uit zoals in dat vrouwenblad over zen-tuinieren.

Manolo en de buitenlanders (uit Het boek van Blas)

In het begin dacht ik dat bijna alle Andaluciërs xenofoben waren. Maar dat was niet zo, bleek. Ze hadden in de bergen gewoon een hekel aan buitenlanders die deden alsof ze alles wisten.

Manolo verdiende goud geld aan zijn buitenlandse stamgasten, ongeveer de helft van zijn klantenbestand. Maar vriendelijk was hij nooit tegen ze. Waarom zou hij, drinken deden ze toch wel. Zijn knorrige achterdochtige blik en zijn weigering om ook maar 1 woord Engels te proberen, deden wonderen. De buitenlanders waren zo mak als lammetjes in Manolo’s kroeg. Niemand durfde met Manolo te discussieren en dat hield hij graag zo. Op momenten waar hij een zwak vertoonde voor een zeldzame knappe buitenlandse dame, was daar Encarni, zijn vrouw. En Belen, zijn moeder. Hun vernietigende blikken vanuit de half open keuken deden alle feromonen meteen de das om. Manolo was op z’n best en veiligst als hij gewoon boos keek.

’Ik heb liever 10 dronken Britten die de zaak kort en klein slaan, dan 1 Nederlander die zijn reisgids op de bar legt, een kopje thee bestelt om 9 uur ’s avonds en me dan tot sluitingstijd uit gaat leggen hoe het ook al weer zat in de tijd van Franco.’

Zo was Manolo. En daar deed je niks aan.