Een clochard in Parijs en drie Marokkanen in Lelystad

boswijkfoto: wijkraad Boswijk Lelystad – havenkom.

 

We zijn verdwaald ergens op het water tussen Dronten en Almere Haven. Dat daar ook Lelystad ergens tussenin lag, wist ik niet. Ik was nog nooit eerder in deze contreien en had als Limburger het idee dat Almere en Lelystad een pot nat waren: een grote klont ongezellige beton in een grote plas ongezellig water.

Maar het leven kent vreemde zijpaden en zo ben je opeens een verdwaalde Limburger op een boot met een Zwollenaar, ergens op een kanaal. Je maakt wat mee als je eens een provinciegrens oversteekt.

Ik hou van verdwalen, dat heb ik van mijn moeder. Die hield er niet van, maar ze heeft me wel de kunst van het verdwalen in de genen meegegeven. Mijn vader, die ook geen best oriëntatievermogen bezit, reed ons gezin in de jaren zeventig  – met mijn moeder kaartlezend (niet dus)- ooit vier keer door het spitsuur van Parijs over dezelfde rondweg. We wilden helemaal niet in Parijs zijn. Stel je voor, een auto met 5 kinderen en een aanhangwagen vol tentjes en slaapzakken, luchtbedden. (Het was nog in de tijd toen luchtbedden van dikke gestoffeerde rubber waren en 3 kilo per stuk wogen.) Uiteindelijk, na alweer een rondje afslag gemist, belandden we midden in het drukke centrum van Parijs. We moesten ergens richting Marseille zijn, al wisten we met z’n allen waarschijnlijk niet eens waar dat precies lag. Het was nog in de tijd toen onze vaders nog op borden en gevoel naar de andere kant van Europa reden met een kluit mekkerende kinderen achterin. We werden uiteindelijk gered door een liftende zwerver. Een van mijn zusjes sprak vier woorden Frans en met de vrolijke zwerver tussen de zussen en broer op de achterbank geperst, reden we ons – A DROIT – A GAUCHE – NO A DROIT! – helemaal klem in het centrum van Parijs. De zwerver stapte uit op zijn plaats van bestemming, bedankte ons vrolijk en zwaaide ons uit, richting de afslag naar de autobaan richting Marseille. Ik, achterin de kattenbak van de stationcar op de slaapzakken, vond het een geweldig avontuur. Van de rest van die vakantie kan ik me weinig herinneren, maar deze helse dwaling door Parijs, met mijn vader scheldend achter het stuur, die meurende zwerver tussen mijn gruwende zussen in die ons schreeuwend door de verkeersdrukte loodste, zal ik nooit meer vergeten.

Ok ik dwaal af. Dat was Parijs. En toen was ik 8 jaar. Ik geloofde er heilig in dat elke (ver)dwaling een mooi avontuur op kon leveren. En dat elke (ver)dwaling een uitstel was van de executie der saaiheid. Nu geloof ik dat nog steeds. Ik hou van een (ver)dwaling of zijpad op ’n tijd. Want als je de route even loslaat, gebeuren de leukste dingen. Wie goed verdwaalt, die goed ontmoet.

Terug naar de boot. Het kanaal loopt dood midden in een levendige woonwijk. Nooit gedacht dat Almere zo levendig zou zijn. (Dat bleek later dan ook te kloppen, want we zaten in Lelystad.) Een klein druk plein met trappen naar het water, omringd door flats en sociale woningbouwwoningen van het minder gezellige type. En toch gezelligheid. Bankjes waar mensen op zitten met een boek, of zomaar met elkaar te kletsen, stoepjes waar kinderen spelen, mensen die kuieren. Nergens een bordje ”verboden te… ”. Een oase van ambtelijk loslaten avant la lettre, dit stukje beton in Almere – uh Lelystad? Ik schiet er bijna vol van. Op het terras van de buurtkroeg staat een uitbundige club kale kerels glazen bier te hijsen, het terras van een Marokkaans couscous Restaurant wordt geveegd, ik zie een tattoo-shop, een Turks eethuis en een frituur. ”Frietje?” vraagt mijn dwaalkapitein die mijn gedachten kan lezen. Ik overweeg heel even couscous met een tattoo als toetje maar ga toch voor het frietje.

Ik vraag aan een paar Marokkanen op het bankje bij de boot, of ze even op de boot willen passen, die we aan een prullenbak naast hun bankje hebben vastgebonden, bij gebrek aan aanlegpalen. De jongemannen kijken me in eerste instantie enigszins wezenloos, maar niet onvriendelijk aan, dus ik leg uit dat we een frietje gaan halen aan de overkant. Als het drietal vrolijk ja knikt en zegt dat we ons geen zorgen hoef te maken, denk ik heel even: ”Inshallah, إذا لم يسرقوا قاربنا! (‘iidha lm yasraquu qaribana!)*

We keren weder met frietjes naar de niet gestolen boot en genieten nog even na van de gezellige sfeer aan wal. Als we tegen zonsondergang wegvaren, ben ik drie vooroordelen lichter over Flevoland, Marokkanen op een bankje in de publieke ruimte en levendige woonwijken. En nu ben ik razend benieuwd naar Almere.

De wereld is zo slecht nog niet als je zo af en toe verdwaalt.

Meer verhalen over verdwalen lezen? In Spanje was ik (ver)dwaal-specialist bij uitstek. 

De weg naar de omweg (een wandelroute)

De weg naar Plasentia

De Gonzalodagen – een wilde flamenco-rit

 

 

 

 

De verschijning en verdwijning van Maria

(Uit het Boek van Blas)

Hij geloofde niet in God of Jezus, maar wel in Maria die hier aan de oever van de Arroyo de Los Franceses in de lente van 1983 voor hem verschenen was. Zijn verschijning bleek een Zweedse toeriste, maar voor Blas was het Maria die uit de hemel kwam. Hij had zelfs een kiekje van haar, zittend op zijn toen nog jonge muildier. Maria breed lachend en Blas met een grijns vol tanden naast haar. Hij bewaarde het kiekje als een relikwie op zijn borst, in een klein plastic mapje dat hij had gekregen van de postbode.

Ze had hem beloofd dat ze terug zou komen ooit, maar inmiddels zag Blas wel in dat dat niet gebeuren zou na al die jaren. Van Catalina van de postbode hoorde ik jaren later dat alle mannen uit het dorp verliefd waren geworden op de Zweedse engel die niet Maria heette, maar Ulka. Blas had alle jonge masculiene dorpsgenoten echter mooi te kijk gezet, toen zijn Maria besloot haar 3 weken natuurvakantie exclusief met hem en zijn muildier door te brengen. Ik stel me voor dat hij haar, grijnzend naast zijn muildier lopende, alle valleien, bossen en beekjes heeft laten zien, kruiden voor haar plukte en een witte roos voor haar jatte bij de boerderij van Manolo Montes die rozen kweekte, speciaal voor de kerkelijke feestdagen.

Arme Blas. Maria had zijn hart betoverd en gebroken.

Ulka Maria had dus ook met haar blote Zweedse voetjes in deze beek zitten wegdromen, met het uitzicht op de oude walnoten en de olijven, druiven en amandelen verderop. Misschien had haar mooie neusje ook de zoete geur van de kastanjebloesem en het gekneusde munt opgesnoven, samen met de houterige nestgeur van Blas, die waarschijnlijk ook toen al naar verbrand hout, rozemarijn en broeiend hooi rook.

Mooi om in de zeer spaarzame verhalen en herinneringen van de oude man mee te mogen dobberen. Maria was verdwenen, maar haar ziel kreeg ruim baan in het stille zwijgen van Blas, daar aan de oever van de Arroyo de los Franceses. De rest van haar schoonheid was verzegeld in de geuren en kleuren van gekneusd jong groen, de lentebries en het kwebbelende beekje.

Op een dag vond ik in een reistijdschrift een serie prachtige foto’s van Zweedse natuurlandschappen. Toen ik de foto’s aan Blas liet zien was hij lang stil. Ik vertelde hem dat dit het land was waar zijn Maria was geboren. Lachend zei hij: ‘Ik zei je toch dat ze uit de hemel kwam..’