Met een oog minder kun je prima leven

‘Wat een Fellini-gruwel hier.’ Zei een oud-collega die op doorreis kwam kijken waar ik neergestreken was. Ik zag dat niet en wenste hem beledigd een prettige cultuurreis naar Sevilla. Ik vond het juist prachtig hoe al die verstandelijk en lichamelijk gehandicapten gewoon thuis, op hun eigen stek bij hun familie mochten wonen, de oudjes nog tot hun 88ste op hun stukjes land rond schuifelden.

Ik verkeerde nog in de Bambi-fase en speelde tijdsreiziger. Dit prachtige weerbarstige bergproject zou ik wel even in duizend verhalen genieten.

Heel naïef dat ik dacht dat alles in Zuid Spanje van een meer lichtvoetige aard zou zijn; de mensen, de dingen, het leven in het algemeen. Dat was de eerste maanden ook zo; de pioniersroes van de simpele stedeling die nog niets weet van de bureaucratie, het Franco-trauma dat het dorp in een zompige achterdocht onderdompelde, de mishandelingen achter gesloten deuren, het stille lijden van de oudjes die hun nest kwijt zijn geraakt en achtergebleven met door incest gedegenereerde nazaten die letterlijk en figuurlijk de ‘bus naar de Costa’ of de autofabrieken in Toulouse gemist hadden.

Mijn wake-up call over de sociale mismaaktheid van het dorp, kwam op een zonnige dag toen ik aan Paqui van de bakker vroeg waarom Pepa met een lapje voor haar oog liep.

1 brood met verhaal. Ik was dol op Paqui’s verhalen, ze kende iedereen in het dorp. Het was rustig in de winkel en we gingen in de achterkamer zitten. Dat beloofde een stevig verhaal.

P. was 16 toen ze moest trouwen met haar neef R. P, niet moeders mooiste noch slimste leek hiermee een relatief veilige toekomst tegemoet te zien en de familie stemde in met het huwelijk uit gemakzucht. Het huwelijk bleek al snel een ramp, maar P, die aan de lopende band zwanger was en drie van haar zes kinderen gehandicapt thuis had, bleef trouw aan haar neef-man, want scheiden was in hun familie een onmogelijke zaak en als alleenstaande vrouw zou ze niet overleven in deze regio. Hij sloeg haar, iedereen wist dat, maar niemand droeg haar kruis. ‘Huiselijke problemen worden in dit dorp binnenshuis gehouden, waar ze horen.’ Aldus Paqui.

Enkele dagen geleden was R zoals wel vaker, dronken thuisgekomen. Er was een gebruikelijke ruzie op de patio, die sinds 15 jaar ‘in verbouwing was’ en bestond uit betonnen paaltjes met stukken uitstekende betonijzers . Ook niets bijzonders. Verbouwingen duren vaak 15 jaar en ieder echtpaar maakt ruzie. Toen werd het stil. R had P een duw gegeven en ze was met haar hoofd op het uitstekende, roestige, ja afschuwelijk. (ik stopte met luisteren en probeerde aan puppies en een kabbelende beek en hossende mensen met carnaval te denken om niet flauw te vallen van de verdere details die Paqui ademloos beschreef.) De kilte en koude drongen binnen in mijn warme comfortabele romantiekparadijs. 

‘Ze had nog heel veel geluk gehad, eindigde Paqui krassend vanuit de verte en vanachter puppies en kabbelende beken. ‘Als die spijker in haar voorhoofd had gezeten, was ze dood geweest. En met 1 oog kun je prima leven. ’ Zo relatief kan ‘heel veel geluk’ zijn.

De winkelbel rinkelde en het leven onder zon zoals ik het kende, in al haar lichtvoetigheid ging gewoon door: Paqui discussieerde met Ana over hoe zout de gezouten botten voor de soep de laatste tijd waren, iemand maakte een grapje tegen de pastoor die nooit lachte, en op de terugweg zag ik Rafa zingend in zijn oude Jeep het pad afrollen.

Ex-is-ten-tia-lis-ti-sche gesprekken met Blas (Uit het boek van Blas)

Ik: Zou je nooit weg willen van hier, ergens anders naartoe?

Blas: Waarom?

Ik: Omdat er zo veel meer te zien is dan dit dorp

Blas: Wat dan?

Ik (belerend): Nou, steden, mensen, andere werelden.

Blas: Tontería! Onzin! (lacht me hartelijk onbevangen uit)

Ik (gepikeerd): Hoezo onzin?

Blas: ‘Hier is toch alles: huizen, mensen, stenen, bomen, rivieren, de lucht, het eten. En dat is toch alles?

Ik: stil van zoveel wijsheid.

Hij heeft helemaal gelijk en ik baal daarvan. Hij is gewoon een soort monnik eigenlijk, zonder dat hij het zelf weet. Toch krom: want hij is volgens de geldende norm en moderne diagnostiek geestelijk gehandicapt en ik vind mezelf ontzettend slim. Dat wringt bij dit soort existentialistische gesprekken. Hij IS, ik DENK dus ik BESTA.

Zware confronterende zenshit voor een vrijdagmiddag na het oogsten. Ik zeg het je. Het was weer eens een van die dagen dat ik weg wilde uit het paradijs van schoffelen, gesprekken met Blas en vliegjes in mijn zweethals.

Blas, lekker op dreef vandaag, doet er nog een schep bovenop:

‘Er zijn plekken waar dit allemaal niet is. En de mensen die daar wonen lachen nooit. Ik heb het gezien ooit, in Frankrijk, Parijs. Er zijn geen vogels, geen bomen en de lucht is altijd grijs. Als je daar geboren bent, dan kun je maar beter weggaan. Naar hier bijvoorbeeld. Want hier is alles. Ik zweer het je; vraag me iets dat je nodig hebt en ik zal het hier vinden.’

Ik had in mijn kinderachtige mokbui opeens heel erg zin in afhaalpizza, maar dat zou heel erg flauw zijn om te zeggen. Dus ik zei: water? Blas liep trots naar de bron, hield zijn handen in het water, grijnsde en riep:
‘Je moet wel naar de bron toekomen, de bron komt niet naar jou!’

Daar flikte hij het weer. Zou hij ook op water kunnen lopen?

Rosa en 1 blikje misère (Uit het Boek van Blas)

Tegen het tijdstip waarop de luchten boven de Serrania roze en paars kleurden en de eerste sterren voorzichtig verschenen, was het stoepjestijd. Tijdens stoepjestijd voelde ik een onweerstaanbare drang om naar het dorp te gaan. Ik had geen stoepje in het bos en geen miserabele buurvrouwen. Dat gaat knagen aan den mensch, ook al hoor je niet echt bij het dorpsroedel.

Ik was geen goeie kluizenaar, ik had gewoon een geografische miscalculatie gemaakt toen ik die vallei ging bewonen. Pas na maanden en een eerste lange koude winter, besefte ik me hoe verdomd ver we verwijderd waren van alles en iedereen. Het dichtstbijzijnde dorp was van een bijna spectaculaire lege doodsheid en lethargie, de dorpelingen wantrouwend en gesloten als de rotsen van El Riesgo die op het dorpje neerkijken.

Rosa was mijn meest miserabele buurvrouw en een van de weinige leeftijdsgenoten in het dorp. Ze woonde aan het laatste huis van het dorp, pal aan de enige toegangsweg vanuit onze vallei. Om Rosa kwam je letterlijk en figuurlijk niet heen. Ze scharrelde altijd rondom het huis, ofwel met een schreeuwend kind op de heup, een wasmand, haar demente moeder of een combinatie van voorgaande. Ze moest zich de hele dag schreeuwend en zich een ongeluk sjouwend een weg door het leven breken, maar aan haar stoepmoment kwam niemand. Dat was de beloning voor Rosa’s zwoegen.

We dronken een blikje bier samen en deelden een sigaret. Zij vertelde haar misère van de dag en heel soms een geheim. We keken naar de lucht boven de Serrania en dwaalden af in ons eigen zelfmedelijden en geweezucht.

Uiteindelijk, als ons blikje bier leeg was, beaamden we altijd dat we weliswaar een miserabel en te zwaar leven hadden in een miserabele afgelegen en uitgestorven rotdorp, maar met het mooiste uitzicht en zonsondergang ter wereld.
En dan waren we weer helemaal content.

Er loopt een neger in het bos (Uit het Boek van Blas)

Blas zou altijd over me waken. En vooral als er Moren in het dorp waren.

‘’Er loopt een neger door het bos!’’ Schreeuwt Blas terwijl hij sneller dan zijn muildier probeert het zandpad omlaag te rennen. Ik schrik me rot. Niet van die neger in het bos, want die kende ik. Het is mijn logé, Brian. Ik schrik omdat Blas onbeschaamd en confronterend het woord neger door de vallei schalt met alle echo’s van dien.

Alsof de Moren binnenvallen.

‘’Issie bij jou? Heb je hem al gezien? Hij liep deze richting uit.!’’ Hijgt Blas als hij eindelijk in een stofwolk is gearriveerd. Hij is een en al zorgen, dat is duidelijk.

Terwijl ik hem probeer te kalmeren en uit wil leggen dat hij niet meer neger mocht zeggen in het nabij zijn van mijn gast, komt Brian, de bewuste neger in kwestie, aanslenteren met zijn gebruikelijke brede grijns. Blas gaat een beetje schuin achter me staan, alsof er een grommend beest op hem af komt. Het lijkt geen aanstel, hij is duidelijk bang. Brian steekt zijn joviale hand uit naar Blas, die deze na lang aarzelen accepteert, maar niet van harte schudt.

(Hij controleert snel even zijn eigen handen, om zichzelf ervan te overtuigen dat hij niet van vorm of kleur is veranderd door de handaanraking met Brian. Hij doet me denken aan kleine Afrikaanse kindjes, die over je huid willen wrijven om te kijken of het wit niet afgeeft.)

Brian, die zich weinig aantrekt van de gespannen situatie, omdat hij er van uit gaat dat in dit soort contreien iedereen verstandelijk gehandicapt of dement is en altijd zo reageert op vreemdelingen, trekt zich terug met een boek op de patio. Mijn waakhonden scharen zich op zijn voeten. Blas blijft zitten om nog een kwartier ongegeneerd te staren.

Hoofdschuddend mompelt hij: ‘’Een neger die kan lezen, het moet niet gekker worden dan dit..’’

Terwijl hij Brian scherp in de gaten blijft houden, komt hij de keuken binnen en fluistert: ‘Hij is wel oké, denk ik. Maar ik blijf hier vannacht.’ Hij knikt naar zijn siëstahoek in de ingang van de bodega. ‘Je weet maar nooit. En aan die honden heb je ook niks.’

’s Avonds stookt Blas een vuurtje op het erf, om de vochtige koude avondlucht nog even weg te houden. Zwijgend hebben we urenlang gedrieën in de vlammen gestaard.
Van vuur komt verbroedering.

Blas kan met een gerust hart gaan slapen en de Moor keert morgen weer terug naar huis.

De Gonzalodagen – een wilde flamencorit

Of ik even meeging naar een concertje van Gonzalo de Jerez. Ik was wel toe aan een cultureel uitstapje en had Gonzalo’s naam al vaker horen vallen in de diepere flamenco-kringen, dus deed mijn paasbeste jurk aan. In de groene stationcar van Gonzalo’s neef Juan, zat ik, ingeklemd tussen neef Juan en zijn pruilende Spaanse schone geklemd. Gonzalo op de bijrijderstoel rommelde aan de autoradio en schreeuwde in Simon el Rubio’s oor hoe hij moest rijden.

Gonzalo de Jerez was een omlaag gevallen zanger, van de categorie hopeloos trieste flamencoverslaafden. Toch leefde hij alsof het leven een groot feest was; hij vierde het leven en zijn langslepende ondergang scheldend, zuipend en zingend.

Een onuitstaanbaar, horkerig en lawaaierig ego, triest, maar ook intrigerend figuur. Hij had een hele zwerm van eveneens aan lager wal geraakte flamenco-muzikanten om zich heen hangen en daar zaten ongelooflijke meesters op retour en meesters in wording tussen. Alles rondom Gonzalo was altijd een chaotische strijd en wanorde.

Vanaf een uur of 10 ’s ochtends begon Gonzalo te drinken, vanaf een uur of 16.00 ’s middags, begon hij te zingen, al dan niet gevraagd of betaald. Wie hem een betaalde podiumklus gaf, moest maar afwachten in welke fase van dronkenschap Gonzalo ten tonele verschijnen zou. Heel dronken, straalbezopen of lamlazerus. Iedereen tussen Jerez en Cadiz wist dat, maar toch was Gonzalo de hele zomer en najaar ‘volgeboekt’.
En avond aan avond raspte Gonzalo met zijn stuk gerookte en verzopen stembanden wel tot in de derde laag van de luisteraarziel. Ik weet niet hoe hij het flikte, maar hij flikte het keer op keer weer.

Simon el Rubio was behalve Gonzalo’s vaste sologitarist ook zijn boekingsagent, chauffeur en pispaal. Als Gonzalo ruzie met zijn vrouw of dochters had, dan sliep hij zijn roes uit in Simons tuinhuisje. Simon ruimde alle puinhopen altijd netjes op die Gonzalo achterliet.

We eindigden na een veel te lange rit met veel onduidelijke tussenstops en een wisseling van neef, in de kleine garage-penã aan de rand van Puerto de Santa Maria. Gonzalo werd als een held binnengeloodst, meteen weer aan de drank gezet en het podium opgeschoven net voordat hij omkiepte. Want iedereen wist, op de rand van zijn dagelijkse bijna-dood was Gonzalo misschien wel op z’n best.

Simon telde buiten het geld; er was niet veel overgebleven na aftrek van de sterke drankrekening. ‘’een dag zoals alle andere Gonzalodagen.‘’ Zei Simon, die wonderbaarlijk genoeg nog steeds glimlachte.

De terugweg duurde langer dan mijn laatste voetreis naar Rome en bleek een ingewikkelde transfer te zijn van nog meer neven, een vlezige jonge schone Spaanse en een rit naar het volgende flamenco-feestje. Om te voorkomen dat ik voor eeuwig, net als Gonzalo, zou rondrijden in een volgepropte auto van feest naar feest en nooit meer mijn bed of daglicht zou zien, liet ik mij afzetten bij de eerstvolgende plek in de stad die ik herkende.

Door de stille stad liep ik naar huis. Ik was kapot. Het was 4 uur in de ochtend. De volgende dag zocht ik op waar ik geweest was.  Ik bleek uren – via Jerez – onderweg te zijn geweest naar een omgebouwde garage op nog geen 10 minuten loopafstand van mijn huis. Lang leve de Gonzalodagen. Niet voor herhaling vatbaar voor mij, maar wel een ritje flamenco om nooit meer te vergeten.

 

El caminante (Uit het boek van Blas)

Voor R.
Paco el Pintor had bij het vreemdelingenlegioen gezeten en daarna jaren op de Atlantische gevaren. Trots liet hij mij een keer zijn vervaagde tattoos zien op zijn onderarmen; een soort wazige orgie tussen een schorpioen, een palmboom en de Maagd Maria. ‘’Dat verhaal vertel ik je nog een keer..’’ Zo had Paco wel vaker een ‘cliffhanger’ voor ons, maar uiteindelijk vertelde hij nooit iets. Hij zat dromerig en afwezig aan het dode hoekje van de bar en dronk zijn wijntje.

Iedereen in de stad wist wie Paco was, maar niemand kende hem echt.

Soms, als Julio el Ciego er was met zijn gitaar, kwam Paco even tot leven. Zodra Julio ‘El Caminante’ voorzichtig inzette, stond Paco heel langzaam op, alsof hij aanstalten maakte om te gaan dansen. Hij vouwde zijn grote eeltige schildershanden, trok zijn brede schouders hoog, deed zijn ogen dicht en zong. Het was dan een en al plechtige stilte in Bar Luna. Stem en gitaar sleurden ons, de stamgasten langs diepe afgronden en we kregen er allemaal tranen van. Behalve Paco zelf natuurlijk. Want die vond huilen voor mietjes.

Maar zoals Julio el Ciego zei: Paco kon zeven jaar huilen in 1 lied, dan heb je geen traanbuisjes nodig.

‘’…va
yo voy andando camino adelante
siempre buscando donde descansar’’

Uit: El caminante, Camerón de la Isla. (bulería)

Manolo en de buitenlanders (uit Het boek van Blas)

In het begin dacht ik dat bijna alle Andaluciërs xenofoben waren. Maar dat was niet zo, bleek. Ze hadden in de bergen gewoon een hekel aan buitenlanders die deden alsof ze alles wisten.

Manolo verdiende goud geld aan zijn buitenlandse stamgasten, ongeveer de helft van zijn klantenbestand. Maar vriendelijk was hij nooit tegen ze. Waarom zou hij, drinken deden ze toch wel. Zijn knorrige achterdochtige blik en zijn weigering om ook maar 1 woord Engels te proberen, deden wonderen. De buitenlanders waren zo mak als lammetjes in Manolo’s kroeg. Niemand durfde met Manolo te discussieren en dat hield hij graag zo. Op momenten waar hij een zwak vertoonde voor een zeldzame knappe buitenlandse dame, was daar Encarni, zijn vrouw. En Belen, zijn moeder. Hun vernietigende blikken vanuit de half open keuken deden alle feromonen meteen de das om. Manolo was op z’n best en veiligst als hij gewoon boos keek.

’Ik heb liever 10 dronken Britten die de zaak kort en klein slaan, dan 1 Nederlander die zijn reisgids op de bar legt, een kopje thee bestelt om 9 uur ’s avonds en me dan tot sluitingstijd uit gaat leggen hoe het ook al weer zat in de tijd van Franco.’

Zo was Manolo. En daar deed je niks aan.

Laf schrijvershart (uit het Boek van Blas)

Aanvankelijk was Blas een ongewenste gast op mijn nieuwe territorium. Hij staarde onbeschoft lang en met mond open zodra hij me zag, brabbelde een voor mij onherkenbaar dialect en deed allerlei klusjes die ik hem nooit gevraagd had te doen.

Blas was geen kwaaie, maar ik wilde niemand om me heen hebben. Laat staan iemand waarmee ik amper kon communiceren. We draaiden als twee honden om elkaar heen. Hij oud , trouw en grommend en ik een terriër, driftig overwaaks en bijterig.

Maar zijn trouwheid was hardnekkiger dan mijn territoriale drang. Trouwheid kan veel breken. Het brak mij tenminste.
Vier keer per week en soms vijf keer daalde hij af naar de finca met of zonder muildier, een bosje kruiden, een mand met eieren van Paqui en af en toe een zwerfhond of een gevild konijn. Zuchtend en klagend ging hij dan een klusje doen. Vaak waren dat klusjes waar ik met mijn stugge stadse hoofd nooit op zou zijn gekomen. Zoals:

– De mieren uit de amandelboom slaan met kleefkruid.
– Een vijgenplukapparaat maken van bamboe en elastiekjes van de postbode, waarmee je de vijgen hoog in de boom onbeschadigd kunt plukken.
– De gereedschappen schuren met zand, inwrijven met olijfolie en dan met meel van Paqui.
– Ratten opjagen en doodslaan tegen de muur van de waterbassin in de beek met een steekschop.

Dat soort dingen.
Er was dus niets dat ik Blas kon leren.

Het leukst van mijn activiteiten vond Blas als hij tegenover me zat tijdens de siësta, terwijl ik op mijn laptop typte. Ik probeerde aan mijn boek te werken, elke dag 3 uur. Hij bleef dan doodstil zitten met een grote tandenloze grijns en typte met zijn kromme vingers op het tafelblad mee. Soms slurpte hij luidruchtig aan zijn koffie, zonder zijn blik van me af te wenden. Het wende, als een te zware hond die altijd op je voeten wil liggen.

Steevast vroeg hij na vijf minuten: ‘’Aan wie schrijf je toch zoveel brieven?’’ En dan moest hij hartelijk lachen om zijn eigen grap.
Zo schreef ik drie zomers lang 12 hoofdstukken van een nooit verschenen en slecht geschreven boek. Eens per maand ging ik in de stad mijn siëstavruchten uitprinten bij de supermarkt en dan bewonderde Blas de dag erna de groeiende stapel letters op de keukentafel. ‘Dat wordt een dik boek zeg.’ Zei hij dan bewonderend en trots.

Achteraf: Blas was de enige persoon ooit die ik dicht bij me kon hebben tijdens het schrijven. Hij was analfabeet. Lekker veilig. Er was alleen bewondering. Omdat ik zo veel kon typen.

Ik leefde wel stoer, maar met een heel laf schrijvershart in die tijd.

De dorpsnieuwsfeiten (uit het boek van Blas)

In Nederland ging ik naar de kroeg voor de gezelligheid, een biertje en kletspraatje met bekenden of vreemden. In Cartajima ging ik naar de kroeg het laatste nieuws van Baltazar en hoopte ik dat hij me geen biertje ongevraagd voorzette. Zijn tap was stoffig en verroest, al jaren niet meer in gebruik. Hij verkocht kleine flesjes bier die hij belastingvrij invoerde uit Gibraltar. 80 cent. Zijn ijskast uit 1958 maakte meer kabaal dan hij koelde en dat bier was altijd pislauw. ‘Doe me maar een colaatje.’ ‘Cola is slecht voor je tanden’ bromde hij dan en zette met een klap zo’n pislauw flesje bier voor m’n neus. Dat dronk ik op in ruil voor het laatste dorpsnieuws.

Een greep uit het nieuws van Baltazar gedurende 1 flesje bier.

* Paco van de burgemeester had verloren met kaarten in Igualeja en met zijn dronken kop de auto van zijn verloofde in het ravijn gereden. Twee gebroken armen, net voor de bruiloft.
* Juans geiten waren na een controle van de coöperatie in quarantaine gezet wegens een bacteriële tepelinfectie. Zijn moeder was in alle staten.
* Juanito had zijn blote piemel weer laten zien aan een groep Engelse wandeltoeristen die en rondleiding kregen bij de kerk.
* Pepe van Carmen had voor 1.000 euro beschermde paddenstoelen verkocht aan een beroemd restaurant in Marbella en zijn winst meteen op de terugweg in het casino van San Pedro verbrast. (Waarom hij een blauw oog had, wilde hij niemand vertellen.)

Bij elk nieuwsitem bulderde Baltazar van het lachen. Ik had nog nooit zo’n luidruchtig leedvermaak gezien.
Tevreden ging ik weer richting huis daarna. Ik wist weer alles.

Het kloteparadijs (uit het Boek van Blas)

‘De zon gaat toch onder, ook al zijn we nog niet klaar zijn met de dag. ‘ Humt Blas naast me. Hij heeft altijd van die filosofische momentjes zodra het donker wordt. Ik ben te moe om het prachtig te vinden vandaag. We hebben de hele dag samen het gras gemaaid op de zuidhelling, met kleine zeisjes. Blas vond het maar vreemd dat ik meehielp met deze rotklus. ‘Moet je niet gaan koken?’ vroeg hij elk half uur als we even rechtop gingen staan en onze pijnlijke ruggen rekten.

Normaal zingt Blas altijd als hij het gras maait. Over zijn muildier, zijn moeder en de zee die hij sinds 1954 niet meer had gezien. Vandaag heeft hij geen noot gezongen. Hij lijkt uit zijn hum.

Alles lijkt uit z’n hum vandaag; het is een klotedag in het paradijs. Ik heb rugpijn en ben gestoken door een horzelachtig rotbeest door mijn shirt heen. Mijn neus zit vol stof, mijn kleren schuren en jeuken en er komen vieze kleine gemene steekvliegjes op mijn zweethoofd af. De zon was pokkenheet geweest vanaf 9 uur ’s ochtends en had alle energie uit mijn lijf en leden verdampt.

We hebben de klus net niet geklaard voor zonsondergang. En ik heb niet gekookt. Blas is ervan door de war. ‘En het eten dan?’ vraagt hij nerveus terwijl ik met puddingknieën van de helling afstrompel. ‘Ik gooi snel iets in de pan’ stel ik hem gerust. Blas kijkt me fronsend aan. Hij weet niet wat dat betekent, ‘iets in de pan gooien’.

Ik ga naar binnen en maak een hele grote omelet met jamon en tomatensalade en zet een homp kaas op tafel met brood. Na 10 minuten roep ik Blas aan tafel. Hij schuifelt binnen, hangt zijn pet aan het deurhaakje en kijkt verbijsterd naar de tafel.

‘Maar mujer! Dit is geen avondeten, dit is middageten!’ Blas is geschokt.

We eten mokkend en in stilte. Ik erger me aan zijn tandenloze slurp- en smakgeluiden. En aan het kleine benauwde keukentje in dit grote benauwde bos. Kloteparadijs.

‘Je hebt wel goeie tomaten dit jaar., maar je moet andere olie gebruiken.’ Zegt Blas als hij zijn lege bord van zich afschuift. ‘Maar ik zeg je, vrouw, dit is geen avondeten’.

Ik zeg maar niets en denk aan de broodjes kroket, opgewarmde kliekjes en talloze variaties tosti’s die ik achter het beeldscherm in Nederland verorberde, omdat ik mijn werk ‘niet op tijd’ af had. En aan alle geëmancipeerde Nederlandse mannen die ik met een pan op het hoofd zou hebben geslagen na zo’n opmerking.

Verontwaardigd over mijn slechte huisvrouwschap, weigert hij koffie vanavond. ‘Ik drink wel koffie bij mijn schoonzus.’

Als Blas met zijn muilezel het zandpad oploopt richting zijn dorp, zwaai ik gewoontegetrouw vanuit de keukendeur en wacht op zijn gebruikelijke ‘Tot morgen!’ Blas zwijgt echter en weigert zijn stugge rug te draaien. Pijnlijk alleen blijf ik achter in mijn kloteparadijs en verdrink de rest van de avond in zelfmedelijden met een zielig boek en Leonard Cohen liedjes.

Dat helpt.

De volgende ochtend sta ik extra vroeg op om aan het laatste stukje helling te beginnen. Ik wil Blas verrassen. Maar hij komt niet vandaag. Als ik klaar ben en de hellingen aan de overkant van de vallei afspeur, zie ik hem staan. Roerloos en zoals altijd met zijn hand boven zijn ogen. Ik zwaai en wijs op het gemaaide veldje. Blas trekt zijn schouders op en loopt weg, richting zandpad.

Ik rij naar het dorp om mijn post af te halen en stort mijn hart uit bij Catalina, de moeder van de postbode. Ze is er zo klaar mee: ‘Je moet met je tengels van het werk van Blas afblijven. Je hebt hem iets afgenomen dat al 60 jaar van hem is.’ Catalina is een wijze vrouw.

Op de terugweg naar mijn kloteparadijs schaam ik me diep. En ik ben ook een beetje opgelucht: ik zal nooit meer gras maaien op de zuidhelling. Hoe lekker is dat.