Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

A letter to Obama and Romney by Robert Cabot


In de bergen kom je allerlei bijzondere mensen tegen die je in een stads leven niet snel zult ontmoeten. Rustzoekers, inspiratiezoekers, dromers en doorzetters. Maar ook inspirators, rebellen en schrijvers. Veel schrijvers. Het was nu eenmaal een feit: De dramatische landschappen waarmee we ons allemaal wilden laten betoveren, zijn nu eenmaal ultieme zielenvoeding voor het in stand houden van onze driften en illusies. Al heb ik veel te weinig geschreven in die dagen; ik voelde me meer schrijver dan ik me ooit gevoeld had.
Het automatisme van iemand ‘Googlen’ was in die tijd nog niet in ons systeem geslopen, aangezien we 45 minuten moesten rijden om te kunnen internetten. Achteraf besef ik me dat je zonder ‘hulp’ van internet, mensen veel intenser en op een directere manier leert kennen. In de bergen interesseerde het me namelijk geen ene moer wat iemand voor CV had; je sloot iemand in je armen, of je probeerde iemand zo snel mogelijk van je territorium af te werken. 

Robert Cabot was zo iemand die in je geheugen gegrift blijft en voor wie je je deur met liefde openzet. Als ze al bestaan, dan zou hij er een zijn: een ‘oerschrijver.’ Een wijze man met een hart vol activisme, een bijzondere scherpe kijk op de wereld die zichzelf om zeep helpt. Pas jaren later ben ik hem gaan Googlen en zijn boeken gaan lezen. Het gevoel klopte; in zijn werk schuilt een oerschrijver en in zijn oude, jonge hart een activist. Zijn novelle ‘The Joshua Tree’ uit 1970 is nog steeds actueel en dat zegt iets over de kwaliteit denk ik. Vandaag heb ik zijn laatste werk besteld ‘The Isle of Khería’ en ik verheug me al op de eerste regendagen van november, waar ik dat boek in een ruk ga uitlezen.

(Informatie/Bestellen:)  http://www.bloomsbury.com/uk/the-joshua-tree-9780747509431

Roberts website: http://www.robertcabot.com/index.htm

Vanochtend ontving ik via Facebook deze brief die Robert schreef aan Obama en Romney, met het verzoek deze te delen. Nu zijn we weliswaar geen Amerikanen, maar toch ook wel een beetje. En stevige woorden deel ik graag..

Obama, Romney, shame on you!

You continue to ignore the greatest and most overwhelmingly urgent issue that mankind has ever faced. Our species and quite possibly all life forms on this planet are faced with likely extinction within this or the next century. This is not extremist blather, it is the growing consensus of the many thousands of scientists and close observers who are measuring and projecting the effects of global warming.


You, both of you, and the vast multitudes of politicians and talking heads, you go right on encouraging the use of coal and oil and gas, while making a huge issue out of who used the word “terror” where and when, twittering about a “binders of women,” churning out endless contradictory numbers. Never a mention, a hint of the doom which we are all facing.

Stand up now, either of you, no, both of you. Ignore the moderator, throw away your notes, your sound bites, your endless factoids. Tell us the truth, cry it out to the world. Risk rejection, risk political death, seek to save our lives, perhaps all life. Or face ignominy, presiding over the last moments in which we could possibly be saved.

To continue as we are going, taking only a few minimal and ineffectual steps to slightly slow the ever-increasing output of carbon dioxide into the atmosphere, will push us beyond the last tipping point into doom. Drought, floods, devastating storms, dying seas, mass starvation, drowned cities, desperate migrations of survivors. This will be your legacy. You will live and die in shame if you fail to take now the courageous steps, however extreme, that are essential if there is to be any chance of survival in what would be, even in the best of circumstances, an austere world where survival will be precarious.

Lead us! In the name of creation, lead us, lead the world!

Robert Cabot
October 19, 2012

Een dag in het vleesparadijs (Uit het boek van Blas)

Wat de dorpelingen betrof was je gewoon een domoor als je geen vlees at. Een domoor of een homo. En een etentje zonder vlees, was als een arena zonder stier, een kroeg zonder bier.

Ik heb het zelf maar heel even volgehouden; vegetarisch eten. Een gezonde eetstijl lag voor de hand: ik woonde immers in een mega-vega-paradijs met eigen fruit, groenten, noten en als ik een beetje dieper zou graven zouden er vast ook nog barstens veel knollen, bloemen en andere eetbare objecten in mijn hofje rondslingeren. Mijn partner deed aan Tai Chi , neigde naar macrobiotisch en er kwamen zelfs bezoekers van vega-verenigingen uit Nederland en Duitsland om mijn fruitbomen te knuffelen en mijn nootjes te rapen. Maar van zulke ontmoetingen kreeg ik nog meer zin in vlees.

Mijn kuitspieren, mijn dromen, mijn hoektanden en maag schreeuwden na enkele maanden om VLEES. Het was een fysiek verlangen. Ik had brute paardenkracht nodig om elke dag als een muildier tegen die hellingen van het paradijs op te klimmen en mijn lichaam redde dat niet op zaadjes en tofu en zongerijpte toestanden en al die andere gezonde dingen zonder pootjes.

Dus ik ging Carmen helpen in de keuken, waar hammen hingen te druppen en te drogen in de tocht, waar een grote stoofpot op het vuur stond met varkenspoten, gezouten ribbetjes en blokjes oude tranige ham hun weg vonden in dikke soepen, die me deden denken aan winter en mijn moeder. Achter in haar hofje zaten bendes konijnen te fokken en waggelde twee obesitasganzen rond, nog niets wetende van komende kerst. Bij Carmen was alles VLEES. Zelfs haar oorspronkelijke naam: Encarni, betekende vleeswording. Ze had de rode wangetjes van een Hollandse slagersvrouw en borsten waar je een heel dorp aan zou kunnen troosten.

Haar stokoude dementerende moeder (ze had al sinds 1995 geen woord meer gezegd, dus men ging er vanuit dat ze dement was) zat in een hoekje van de keuken, stevig in haar stoel gesnoerd met een oude veiligheidsriem. Op haar schoot een zak oude broden die ze in stukjes brak en in een cementkuip liet vallen. Aan het einde van de middag, gingen we de varkens voeren. Paco snoerde moeders met haar broodbrokken goed vast op de bijrijderstoel van zijn Landrover en we daalden af naar hun boerderijtje in de Genal- vallei.
Onderweg stopten we eerst nog bij Baltazar die een grote ton ruftend keukenafval achterop de auto bond en daarna langs Paco en Juamo om drie zakken geitenmest op te halen voor de moestuin.

Ruftend arriveerden we 1,5 uur later in het paradijs.

Na het voeren van de varkens, sleepten we stoeltjes en moeder naar de rivieroever en kwam er oude wijn en oude worst uit het keldertje te voorschijn. Moeders bleef zonder riemen, sereen en tevreden in haar stoeltje met afgezaagde poten zitten.
Carmen draaide de kaasjes in de stenen potten vol scherp ruikende olie en liet ons de kaas van afgelopen voorjaar proeven. We doopten vers brood in olie, Paco sneed de worst met zijn Zwitserse nepzakmes. In de schaduw van de kastanjebomen en met de kabbelende Genal aan onze voeten kauwden we stukje taaie worst en dronken we glazen zurige oude wijn met la Casera (7-up) die Carmen aan een touwtje uit de ijskoude Genal had gevist. Mensen met ijskasten, dat waren hier pas mietjes.

De varkens vochten, slurpten en wroetten enkele meters verderop in hun eigen koningsmaal en Carmen rekende hardop uit hoeveel mooie hammen en worsten we dit jaar zouden maken in november.

Tegen schemering was ik weer helemaal carnivoor. Want het was een bijzonder mooie dag in het vleesparadijs.

Met een oog minder kun je prima leven

‘Wat een Fellini-gruwel hier.’ Zei een oud-collega die op doorreis kwam kijken waar ik neergestreken was. Ik zag dat niet en wenste hem beledigd een prettige cultuurreis naar Sevilla. Ik vond het juist prachtig hoe al die verstandelijk en lichamelijk gehandicapten gewoon thuis, op hun eigen stek bij hun familie mochten wonen, de oudjes nog tot hun 88ste op hun stukjes land rond schuifelden.

Ik verkeerde nog in de Bambi-fase en speelde tijdsreiziger. Dit prachtige weerbarstige bergproject zou ik wel even in duizend verhalen genieten.

Heel naïef dat ik dacht dat alles in Zuid Spanje van een meer lichtvoetige aard zou zijn; de mensen, de dingen, het leven in het algemeen. Dat was de eerste maanden ook zo; de pioniersroes van de simpele stedeling die nog niets weet van de bureaucratie, het Franco-trauma dat het dorp in een zompige achterdocht onderdompelde, de mishandelingen achter gesloten deuren, het stille lijden van de oudjes die hun nest kwijt zijn geraakt en achtergebleven met door incest gedegenereerde nazaten die letterlijk en figuurlijk de ‘bus naar de Costa’ of de autofabrieken in Toulouse gemist hadden.

Mijn wake-up call over de sociale mismaaktheid van het dorp, kwam op een zonnige dag toen ik aan Paqui van de bakker vroeg waarom Pepa met een lapje voor haar oog liep.

1 brood met verhaal. Ik was dol op Paqui’s verhalen, ze kende iedereen in het dorp. Het was rustig in de winkel en we gingen in de achterkamer zitten. Dat beloofde een stevig verhaal.

P. was 16 toen ze moest trouwen met haar neef R. P, niet moeders mooiste noch slimste leek hiermee een relatief veilige toekomst tegemoet te zien en de familie stemde in met het huwelijk uit gemakzucht. Het huwelijk bleek al snel een ramp, maar P, die aan de lopende band zwanger was en drie van haar zes kinderen gehandicapt thuis had, bleef trouw aan haar neef-man, want scheiden was in hun familie een onmogelijke zaak en als alleenstaande vrouw zou ze niet overleven in deze regio. Hij sloeg haar, iedereen wist dat, maar niemand droeg haar kruis. ‘Huiselijke problemen worden in dit dorp binnenshuis gehouden, waar ze horen.’ Aldus Paqui.

Enkele dagen geleden was R zoals wel vaker, dronken thuisgekomen. Er was een gebruikelijke ruzie op de patio, die sinds 15 jaar ‘in verbouwing was’ en bestond uit betonnen paaltjes met stukken uitstekende betonijzers . Ook niets bijzonders. Verbouwingen duren vaak 15 jaar en ieder echtpaar maakt ruzie. Toen werd het stil. R had P een duw gegeven en ze was met haar hoofd op het uitstekende, roestige, ja afschuwelijk. (ik stopte met luisteren en probeerde aan puppies en een kabbelende beek en hossende mensen met carnaval te denken om niet flauw te vallen van de verdere details die Paqui ademloos beschreef.) De kilte en koude drongen binnen in mijn warme comfortabele romantiekparadijs. 

‘Ze had nog heel veel geluk gehad, eindigde Paqui krassend vanuit de verte en vanachter puppies en kabbelende beken. ‘Als die spijker in haar voorhoofd had gezeten, was ze dood geweest. En met 1 oog kun je prima leven. ’ Zo relatief kan ‘heel veel geluk’ zijn.

De winkelbel rinkelde en het leven onder zon zoals ik het kende, in al haar lichtvoetigheid ging gewoon door: Paqui discussieerde met Ana over hoe zout de gezouten botten voor de soep de laatste tijd waren, iemand maakte een grapje tegen de pastoor die nooit lachte, en op de terugweg zag ik Rafa zingend in zijn oude Jeep het pad afrollen.

Ex-is-ten-tia-lis-ti-sche gesprekken met Blas (Uit het boek van Blas)

Ik: Zou je nooit weg willen van hier, ergens anders naartoe?

Blas: Waarom?

Ik: Omdat er zo veel meer te zien is dan dit dorp

Blas: Wat dan?

Ik (belerend): Nou, steden, mensen, andere werelden.

Blas: Tontería! Onzin! (lacht me hartelijk onbevangen uit)

Ik (gepikeerd): Hoezo onzin?

Blas: ‘Hier is toch alles: huizen, mensen, stenen, bomen, rivieren, de lucht, het eten. En dat is toch alles?

Ik: stil van zoveel wijsheid.

Hij heeft helemaal gelijk en ik baal daarvan. Hij is gewoon een soort monnik eigenlijk, zonder dat hij het zelf weet. Toch krom: want hij is volgens de geldende norm en moderne diagnostiek geestelijk gehandicapt en ik vind mezelf ontzettend slim. Dat wringt bij dit soort existentialistische gesprekken. Hij IS, ik DENK dus ik BESTA.

Zware confronterende zenshit voor een vrijdagmiddag na het oogsten. Ik zeg het je. Het was weer eens een van die dagen dat ik weg wilde uit het paradijs van schoffelen, gesprekken met Blas en vliegjes in mijn zweethals.

Blas, lekker op dreef vandaag, doet er nog een schep bovenop:

‘Er zijn plekken waar dit allemaal niet is. En de mensen die daar wonen lachen nooit. Ik heb het gezien ooit, in Frankrijk, Parijs. Er zijn geen vogels, geen bomen en de lucht is altijd grijs. Als je daar geboren bent, dan kun je maar beter weggaan. Naar hier bijvoorbeeld. Want hier is alles. Ik zweer het je; vraag me iets dat je nodig hebt en ik zal het hier vinden.’

Ik had in mijn kinderachtige mokbui opeens heel erg zin in afhaalpizza, maar dat zou heel erg flauw zijn om te zeggen. Dus ik zei: water? Blas liep trots naar de bron, hield zijn handen in het water, grijnsde en riep:
‘Je moet wel naar de bron toekomen, de bron komt niet naar jou!’

Daar flikte hij het weer. Zou hij ook op water kunnen lopen?

Rosa en 1 blikje misère (Uit het Boek van Blas)

Tegen het tijdstip waarop de luchten boven de Serrania roze en paars kleurden en de eerste sterren voorzichtig verschenen, was het stoepjestijd. Tijdens stoepjestijd voelde ik een onweerstaanbare drang om naar het dorp te gaan. Ik had geen stoepje in het bos en geen miserabele buurvrouwen. Dat gaat knagen aan den mensch, ook al hoor je niet echt bij het dorpsroedel.

Ik was geen goeie kluizenaar, ik had gewoon een geografische miscalculatie gemaakt toen ik die vallei ging bewonen. Pas na maanden en een eerste lange koude winter, besefte ik me hoe verdomd ver we verwijderd waren van alles en iedereen. Het dichtstbijzijnde dorp was van een bijna spectaculaire lege doodsheid en lethargie, de dorpelingen wantrouwend en gesloten als de rotsen van El Riesgo die op het dorpje neerkijken.

Rosa was mijn meest miserabele buurvrouw en een van de weinige leeftijdsgenoten in het dorp. Ze woonde aan het laatste huis van het dorp, pal aan de enige toegangsweg vanuit onze vallei. Om Rosa kwam je letterlijk en figuurlijk niet heen. Ze scharrelde altijd rondom het huis, ofwel met een schreeuwend kind op de heup, een wasmand, haar demente moeder of een combinatie van voorgaande. Ze moest zich de hele dag schreeuwend en zich een ongeluk sjouwend een weg door het leven breken, maar aan haar stoepmoment kwam niemand. Dat was de beloning voor Rosa’s zwoegen.

We dronken een blikje bier samen en deelden een sigaret. Zij vertelde haar misère van de dag en heel soms een geheim. We keken naar de lucht boven de Serrania en dwaalden af in ons eigen zelfmedelijden en geweezucht.

Uiteindelijk, als ons blikje bier leeg was, beaamden we altijd dat we weliswaar een miserabel en te zwaar leven hadden in een miserabele afgelegen en uitgestorven rotdorp, maar met het mooiste uitzicht en zonsondergang ter wereld.
En dan waren we weer helemaal content.

Er loopt een neger in het bos (Uit het Boek van Blas)

Blas zou altijd over me waken. En vooral als er Moren in het dorp waren.

‘’Er loopt een neger door het bos!’’ Schreeuwt Blas terwijl hij sneller dan zijn muildier probeert het zandpad omlaag te rennen. Ik schrik me rot. Niet van die neger in het bos, want die kende ik. Het is mijn logé, Brian. Ik schrik omdat Blas onbeschaamd en confronterend het woord neger door de vallei schalt met alle echo’s van dien.

Alsof de Moren binnenvallen.

‘’Issie bij jou? Heb je hem al gezien? Hij liep deze richting uit.!’’ Hijgt Blas als hij eindelijk in een stofwolk is gearriveerd. Hij is een en al zorgen, dat is duidelijk.

Terwijl ik hem probeer te kalmeren en uit wil leggen dat hij niet meer neger mocht zeggen in het nabij zijn van mijn gast, komt Brian, de bewuste neger in kwestie, aanslenteren met zijn gebruikelijke brede grijns. Blas gaat een beetje schuin achter me staan, alsof er een grommend beest op hem af komt. Het lijkt geen aanstel, hij is duidelijk bang. Brian steekt zijn joviale hand uit naar Blas, die deze na lang aarzelen accepteert, maar niet van harte schudt.

(Hij controleert snel even zijn eigen handen, om zichzelf ervan te overtuigen dat hij niet van vorm of kleur is veranderd door de handaanraking met Brian. Hij doet me denken aan kleine Afrikaanse kindjes, die over je huid willen wrijven om te kijken of het wit niet afgeeft.)

Brian, die zich weinig aantrekt van de gespannen situatie, omdat hij er van uit gaat dat in dit soort contreien iedereen verstandelijk gehandicapt of dement is en altijd zo reageert op vreemdelingen, trekt zich terug met een boek op de patio. Mijn waakhonden scharen zich op zijn voeten. Blas blijft zitten om nog een kwartier ongegeneerd te staren.

Hoofdschuddend mompelt hij: ‘’Een neger die kan lezen, het moet niet gekker worden dan dit..’’

Terwijl hij Brian scherp in de gaten blijft houden, komt hij de keuken binnen en fluistert: ‘Hij is wel oké, denk ik. Maar ik blijf hier vannacht.’ Hij knikt naar zijn siëstahoek in de ingang van de bodega. ‘Je weet maar nooit. En aan die honden heb je ook niks.’

’s Avonds stookt Blas een vuurtje op het erf, om de vochtige koude avondlucht nog even weg te houden. Zwijgend hebben we urenlang gedrieën in de vlammen gestaard.
Van vuur komt verbroedering.

Blas kan met een gerust hart gaan slapen en de Moor keert morgen weer terug naar huis.

De Gonzalodagen – een wilde flamencorit

Of ik even meeging naar een concertje van Gonzalo de Jerez. Ik was wel toe aan een cultureel uitstapje en had Gonzalo’s naam al vaker horen vallen in de diepere flamenco-kringen, dus deed mijn paasbeste jurk aan. In de groene stationcar van Gonzalo’s neef Juan, zat ik, ingeklemd tussen neef Juan en zijn pruilende Spaanse schone geklemd. Gonzalo op de bijrijderstoel rommelde aan de autoradio en schreeuwde in Simon el Rubio’s oor hoe hij moest rijden.

Gonzalo de Jerez was een omlaag gevallen zanger, van de categorie hopeloos trieste flamencoverslaafden. Toch leefde hij alsof het leven een groot feest was; hij vierde het leven en zijn langslepende ondergang scheldend, zuipend en zingend.

Een onuitstaanbaar, horkerig en lawaaierig ego, triest, maar ook intrigerend figuur. Hij had een hele zwerm van eveneens aan lager wal geraakte flamenco-muzikanten om zich heen hangen en daar zaten ongelooflijke meesters op retour en meesters in wording tussen. Alles rondom Gonzalo was altijd een chaotische strijd en wanorde.

Vanaf een uur of 10 ’s ochtends begon Gonzalo te drinken, vanaf een uur of 16.00 ’s middags, begon hij te zingen, al dan niet gevraagd of betaald. Wie hem een betaalde podiumklus gaf, moest maar afwachten in welke fase van dronkenschap Gonzalo ten tonele verschijnen zou. Heel dronken, straalbezopen of lamlazerus. Iedereen tussen Jerez en Cadiz wist dat, maar toch was Gonzalo de hele zomer en najaar ‘volgeboekt’.
En avond aan avond raspte Gonzalo met zijn stuk gerookte en verzopen stembanden wel tot in de derde laag van de luisteraarziel. Ik weet niet hoe hij het flikte, maar hij flikte het keer op keer weer.

Simon el Rubio was behalve Gonzalo’s vaste sologitarist ook zijn boekingsagent, chauffeur en pispaal. Als Gonzalo ruzie met zijn vrouw of dochters had, dan sliep hij zijn roes uit in Simons tuinhuisje. Simon ruimde alle puinhopen altijd netjes op die Gonzalo achterliet.

We eindigden na een veel te lange rit met veel onduidelijke tussenstops en een wisseling van neef, in de kleine garage-penã aan de rand van Puerto de Santa Maria. Gonzalo werd als een held binnengeloodst, meteen weer aan de drank gezet en het podium opgeschoven net voordat hij omkiepte. Want iedereen wist, op de rand van zijn dagelijkse bijna-dood was Gonzalo misschien wel op z’n best.

Simon telde buiten het geld; er was niet veel overgebleven na aftrek van de sterke drankrekening. ‘’een dag zoals alle andere Gonzalodagen.‘’ Zei Simon, die wonderbaarlijk genoeg nog steeds glimlachte.

De terugweg duurde langer dan mijn laatste voetreis naar Rome en bleek een ingewikkelde transfer te zijn van nog meer neven, een vlezige jonge schone Spaanse en een rit naar het volgende flamenco-feestje. Om te voorkomen dat ik voor eeuwig, net als Gonzalo, zou rondrijden in een volgepropte auto van feest naar feest en nooit meer mijn bed of daglicht zou zien, liet ik mij afzetten bij de eerstvolgende plek in de stad die ik herkende.

Door de stille stad liep ik naar huis. Ik was kapot. Het was 4 uur in de ochtend. De volgende dag zocht ik op waar ik geweest was.  Ik bleek uren – via Jerez – onderweg te zijn geweest naar een omgebouwde garage op nog geen 10 minuten loopafstand van mijn huis. Lang leve de Gonzalodagen. Niet voor herhaling vatbaar voor mij, maar wel een ritje flamenco om nooit meer te vergeten.

 

El caminante (Uit het boek van Blas)

Voor R.
Paco el Pintor had bij het vreemdelingenlegioen gezeten en daarna jaren op de Atlantische gevaren. Trots liet hij mij een keer zijn vervaagde tattoos zien op zijn onderarmen; een soort wazige orgie tussen een schorpioen, een palmboom en de Maagd Maria. ‘’Dat verhaal vertel ik je nog een keer..’’ Zo had Paco wel vaker een ‘cliffhanger’ voor ons, maar uiteindelijk vertelde hij nooit iets. Hij zat dromerig en afwezig aan het dode hoekje van de bar en dronk zijn wijntje.

Iedereen in de stad wist wie Paco was, maar niemand kende hem echt.

Soms, als Julio el Ciego er was met zijn gitaar, kwam Paco even tot leven. Zodra Julio ‘El Caminante’ voorzichtig inzette, stond Paco heel langzaam op, alsof hij aanstalten maakte om te gaan dansen. Hij vouwde zijn grote eeltige schildershanden, trok zijn brede schouders hoog, deed zijn ogen dicht en zong. Het was dan een en al plechtige stilte in Bar Luna. Stem en gitaar sleurden ons, de stamgasten langs diepe afgronden en we kregen er allemaal tranen van. Behalve Paco zelf natuurlijk. Want die vond huilen voor mietjes.

Maar zoals Julio el Ciego zei: Paco kon zeven jaar huilen in 1 lied, dan heb je geen traanbuisjes nodig.

‘’…va
yo voy andando camino adelante
siempre buscando donde descansar’’

Uit: El caminante, Camerón de la Isla. (bulería)

Manolo en de buitenlanders (uit Het boek van Blas)

In het begin dacht ik dat bijna alle Andaluciërs xenofoben waren. Maar dat was niet zo, bleek. Ze hadden in de bergen gewoon een hekel aan buitenlanders die deden alsof ze alles wisten.

Manolo verdiende goud geld aan zijn buitenlandse stamgasten, ongeveer de helft van zijn klantenbestand. Maar vriendelijk was hij nooit tegen ze. Waarom zou hij, drinken deden ze toch wel. Zijn knorrige achterdochtige blik en zijn weigering om ook maar 1 woord Engels te proberen, deden wonderen. De buitenlanders waren zo mak als lammetjes in Manolo’s kroeg. Niemand durfde met Manolo te discussieren en dat hield hij graag zo. Op momenten waar hij een zwak vertoonde voor een zeldzame knappe buitenlandse dame, was daar Encarni, zijn vrouw. En Belen, zijn moeder. Hun vernietigende blikken vanuit de half open keuken deden alle feromonen meteen de das om. Manolo was op z’n best en veiligst als hij gewoon boos keek.

’Ik heb liever 10 dronken Britten die de zaak kort en klein slaan, dan 1 Nederlander die zijn reisgids op de bar legt, een kopje thee bestelt om 9 uur ’s avonds en me dan tot sluitingstijd uit gaat leggen hoe het ook al weer zat in de tijd van Franco.’

Zo was Manolo. En daar deed je niks aan.