Een duimpje voor Narcissus

narcissus

Paco was meester in het opscheppen over zichzelf. In het dorp was iedereen er al lang aan gewend. Behalve dat hij in het verre Madrid gestudeerd had, decennialang voor de klas had gestaan van de dorpsschool en zichzelf daardoor als enige intellectueel van het dorp beschouwde, was hij ook fervent aquarellist, schrijver en speelde hij een redelijk partijtje flamencogitaar, kerkorgel en als het moest ook synthesizer – gevraagd en ongevraagd. Een van Paco’s stokpaardjes was dat hij Rainer Maria Rilke had ontmoet in Ronda, tijdens een wandeling in het Alameda; een moment waarop hij als jonge jongen besloot om ook een groot schrijver te worden.

Druk baasje, die kortbenige Paco en het was dan ook onvoorstelbaar dat je hem elke dag in de dorpskroeg aan de tap zag hangen, orerend tegen een stel ongeïnteresseerde dorpelingen die met een oog naar de stierengevechten op TV keken. Paco’s vrouw Maria was een bedeesde en altijd bezorgd kijkende vrouw die meestal in een huishoudschort rondliep en zich zelden in het openbaar vertoonde naast haar altijd lawaaierige echtgenoot sinds 1962. Toonbeeld van vlijt en verzorging, een vrouw met een groot talent voor het onzichtbaar bewegen in de grote schaduw van de kleine Paco. De dorpelingen waren er aan gewend; Maria was nu eenmaal schuchter en Paco maakte lawaai. Volgens Encarni waren Paco’s veel te korte beentjes reden voor zijn lawaaierige hoofd. Compensatiegedrag bij het ontbreken van lengte, was een bekend fenomeen in deze contreien, waar de mens nog geboren neigde te worden in middeleeuwse Moorse formaten, gedrongen borstkassen, korte nekken en dito benen. Encarni zou een geniale socioloog en antropoloog zijn, misschien wel een schrijver – als ze geen analfabeet zou zijn geweest – want ze toverde altijd geweldig geloofwaardige analyses tevoorschijn in gesprekken bij de bakker. Maar Paco was de kwaadste niet, volgens de meeste vrouwen. Voor hetzelfde geld, zei zijn buurvrouw Rosa, sloeg je man je elke avond bont en blauw – dan kon je maar beter met iemand als Paco getrouwd zijn, altijd druk (en vaak weg); een voornaam burger met voorname vrienden onder de intellectuelen en artistiekelingen in de hele streek.

Paco had zelfs twee boeken geschreven, gedrukt door zijn schoonbroer, die in de stad de familiedrukkerij runde. Het plaatselijke VVV-kantoortje had zich onder druk van de drammerige Paco een stapeltje boeken op de toonbank laten duwen en ik had in een moment van nieuwsgierigheid een exemplaar gekocht. Volgens het meisje van de VVV het eerste verkochte exemplaar sinds twee maanden. Het boek, waarop de cover een foto van de bolbuikige Paco in een strak wielrenpakje tegen de achtergrond van ons witte Moorse dorp en de grijze kliffen van El Riesgo, bleek een slaapverwekkende uiteenzetting van oninteressante observaties, gelardeerd door nog minder boeiende foto’s van steeds dezelfde Paco in steeds een ander landschap, steeds vanuit hetzelfde kikvorsperspectief gefotografeerd, waarschijnlijk door zijn vrouw.

Op een dag kwam ik Paco tegen bij de rivier, aan de rand van mijn land. Hij liep er een beetje quasinonchalant bij, alsof hij een verdwaalde wandeltoerist was. Maar aangezien hij een uiterst nauwkeurige passage had geschreven in zijn tweede boek, over het kleine riviertje, wist ik dat hij niet verdwaald was. Al snel had Paco zich babbelend aan mijn keukentafel gewurmd en zat hij met een kop koffie een eind weg te kletsen over zichzelf, zijn nieuwe boek en de teleurstellende opkomst van zijn laatste aquarellenexpositie en boeksigneersessie in het stadhuis, vanwege de hevige sneeuwval. Ik had in dit dorp nog nooit iemand zo opgelucht alle natuurverschijnselen zoals sneeuwval, hitte, Mistralwinden en bergverzakkingen zien aangrijpen zoals Paco, die weigerde in te zien dat lege zaaltjes nu eenmaal de hoge prijs waren voor het overschreeuwen van middelmatigheid. Er kwam nooit iemand naar zijn exposities, lezingen, signeersessies of optredens. Er luisterde nooit iemand naar zijn ellenlange en slaapverwekkende dorps- en feestspeeches, zijn saaie uiteenzettingen over zandweggetjes en strakblauwe luchten, zijn liedjes, zijn grappen. En er was geen hond in dit dorp dat zijn boek had gelezen of ooit zou gaan lezen.

En dat laatste was misschien wel Paco’s grote geluk. Want zonder publiek was er ook geen noot van kritiek en kon hij zichzelf als de ware Narcissus tot in de lengte der jaren laven aan zijn vermeende genialiteit, zijn schrijverschap, intellect en roem.

Bij het uitgaan, bleef Paco’s blik verrast haken aan zijn boek ”Memoires van een dorpeling deel 1”. ”Ga je mij in het Spaans lezen?” Vroeg hij, terwijl zijn grote gezicht bijna uit elkaar barstte in een poging zijn opwinding en vreugde te verbergen over het feit dat hij eindelijk een lezer had gevonden die twaalf euro over had gehad voor zijn memoires. Ik beloofde dat ik mijn best zou doen. ”Je kunt ook wachten op de vertaling.” opperde hij net iets te gretig. Paco wist en ik wist ook dat die vertaling er nooit zou komen. ”Zal ik het signeren?” vroeg hij terwijl het boek al in zijn handen had en zijn linkerhand een pen uit zijn borstzakje trok. ”Ja graag.” Loog ik.

Sinds die dag spraken Paco en ik nooit meer met elkaar. Wel stak ik – lafaard – altijd vrolijk mijn duim op als ik hem zag lopen in het dorp, in de hoop dat hij dat universele gebaartje zou opvatten als compliment voor zijn boek dat ik nooit had gelezen. Pas jaren later, toen Facebook haar intrede deed, begreep ik dat de wereld vol zit met Paco’s en halfbakken laf publiek zoals ik dat een duim opsteekt om de ander gerust te stellen.

Paco overleed in hetzelfde jaar waarin de wereld zich massaal op Facebook stortte en ook ons dorp dankzij een ijverige burgemeester met connecties in Madrid als een van de eerste dorpen in deze uithoek op het internet werd aangesloten. Rosa had hem gevonden langs de kant van het water, vlakbij mijn boerderij. Hij had zijn aquarellen-collectie en alle manuscripten van nooit afgemaakte boeken postuum geschonken aan het gemeentelijke museum, die de vijf kuub middelmatig levenswerk stilletjes in het depot en de vergetelheid begroeven. Zijn vrouw bloeide op en verhuisde naar een mooie flat aan de Costa del Sol. Maar dat zou hij allemaal nooit meer weten en dat was misschien beter ook.

Sommigen zeiden dat hij struikelde, anderen fluisterden dat het zelfmoord was. Ik hoopte dat Paco verdronk in een omhelzing met zijn eigen spiegelbeeld. Op die mooie plek aan het water, waar nu narcissen bloeien. Wie goed luistert, hoort de vage echo van Paco die op zijn synthesizer een vrolijke Paso Doble speelde. Want dat kon hij wel als de beste.

 

 

De tussendeur naar kerst

cartajima

Ik stookte het haardvuur op zoals alle avonden en nestelde me in de schommelstoel met een boek dat ik al vier keer gelezen had. Een ingewikkelde dag die simpel en voorspelbaar eindigde: een vuur, een schommelstoel en een verhaal waarvan je het plot niet meer kunt keren. De oude Blas pookte in het vuur en gooide er nog een mooie dikke houtblok bij. ”Goed droog hout dit jaar, hiermee hou je het wel warm tot de vroege ochtend.” Ik vond het altijd mooi als hij een vuur voor mij maakte. Het vuur was, net als het roeren van zijn koffie, het zwijgend kastanjes rapen op de helling, of het neerleggen van verse kruiden op mijn keukentafel, een van die vele ultieme handelingen waaruit onze simpele burenvriendschap gebouwd was. En al gingen onze gesprekken zelden over iets anders dan de kwaliteit van het hout, de oogst, de hitte of de kou, ons samenzijn had een stille diepgang die zelfs mij tot zwijgen kon brengen. ‘Bueno, ik vertrek maar eens richting dorp. Kom je morgen naar de avondmis in het dorp?” Blas geloofde nog steeds niet helemaal dat ik ook een ongelovige was. Bij het weggaan bleef hij nog enkele minuten dralen bij de deur. Het was in zijn ogen een non- scenario, om een vrouw alleen in de vallei achter te laten, terwijl hij – een man – in de veilige armen van de dorpsgemeenschap vluchtte, zodra de nacht zich liet zien. Het liefs zou hij zich op zijn siësta-stretcher in de schuur nestelen, om een oogje in het zeil te houden. Maar zijn angst voor de nacht, die zich overigens alleen in de donkere wintermaanden manifesteerde en nooit in de zomer, won het van zijn neiging mij te beschermen tegen het kwaad en de wilde dieren.

”Ik ben niet bang Blas, ga nu maar.” jokte ik en deed net alsof ik in mijn boek verzonken was. ”Ok, sluit de deur achter me.” Met gespitste oren luisterde ik naar de uitstervende voetstappen van Blas en zijn altijd blaffende honden Canila en Hond, die de hele middag buiten in de vrieskou trouw op hun baasje hadden gewacht. Ik sloot de deur. Mijn honden lagen soezend rond de haard, iets dat Blas net zo belachelijk vond dan Lola van Juan, die haar teckels in de winter zelfgebreide, roze pullovertjes aantrok. ”Een hond is een hond is een hond.” zei hij dan hoofdschuddend. Al duizend keer had ik gepoogd hem uit te leggen dat ik het gezellig vond, met mijn honden voor de haard. Het fenomeen gezelligheid was lastig uit te leggen aan Blas, bleek onder andere uit zijn gewoonte om meteen bij binnenkomst het felle TL licht aan te klikken als ik in schemerlicht bij een olielamp poogde mijn avondlijke bestaan knus te maken. In Blas zijn leven was alles functioneel of niet functioneel en had alles en iedereen zijn plek. Honden buiten, mensen binnen. Zijn gewoonte om mijn slaperige dieren met een laars en luid gesis naar buiten te jagen waar ze hoorden, had ik inmiddels – na vele jaren – doorbroken met mijn overstijgende huisregel: ”Mijn huis, is jouw huis, maar ook weer niet helemaal.” Blas moest altijd lachen om dat gezegde, maar begreep uiteindelijk de strekking.

”Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.”

Zelf sliep Blas in de stal naast zijn ouderlijke dorpshuis, op een oud ijzeren ledikant met daarop een bobbelige matras gevuld met varens. Elk voorjaar ververste hij die. ”Het houdt de beestjes weg”. Op amper vijf meter van zijn bed, achter een laag muurtje stond zijn muildier, genaamd Verloofde. In de hoek van zijn stalkamer, bij de zwartgeblakerde vuurplaats, twee oude keukenstoelen met afgezaagde pootjes, een mintgroene keukenkast uit de jaren vijftig met tochtgaten voor het bewaren van zijn bloedworsten, droogworsten en geitenkaas en een kleine formica keukentafel. Hij sliep daar niet omdat de familie geen huis had. Sterker nog, zijn broers en zussen bezaten gezamenlijk zeven grote dorpshuizen en meerdere boerderijtjes in de vallei.  Het brandschone, aangrenzende familiehuis werd alleen gebruikt tijdens de Semana Santa-week, kerst, of een begrafenis als logeeronderdak voor verre familie. De meubels waren de rest van het jaar afgedekt met doorschijnende plastic hoezen, lakens en gehaakte kleedjes. Heel af en toe, verklapte Blas op een avond, als de lichten van zijn zusters huis aan de overkant van de straat uit waren, glipte hij via de tussendeur naar het brandschone en afgedekte familiehuis, waar een grote TV stond. ”Dan ga ik naar de TV kijken.” zei hij met een ondeugende grijns.

Ik stelde me voor hoe hij daar op de plastic hoes zat en nachten lang naar oude zwart-wit films, of misschien wel een stierengevecht of herhalingen van familieshows keek. En speelde dat hij een normaal, modern mens was met een bankstel en een TV. Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.

Dus bracht ik kerstavond door in een heuse stal, met een balkende ezel*, aan het warme haardvuur, op een stoel met afgezaagde poten. Blas porde het vuur, ik roerde de koffie, waar we een flinke scheut van onze zelf gestookte aquardiente in hadden verstopt. Het huis naast ons vulde zich met familieherrie. De mis was uit. Iemand deed luidruchtig de tussendeur op slot. ”Een deur, is een deur, is een deur.” mompelde ik en we kregen de slappe lach.

Op speciale avonden als deze vertelde Blas altijd het verhaal van de verschijning en verdwijning van Maria, de enige liefde in zijn leven. Een oud verhaal, dat ik al vele malen had gehoord, maar dat deed niet af aan de bezieling waarmee hij vertelde en het geruststellende gevoel van een onomkeerbaar plot.

* eigenlijk een muildier

 

 

Een ode aan Sintermertes Veugelke

Voor J.

f5f925001442ee12d899411a7ac8344dfdc9734d

”Leuk he, die lichtgevende schoenen van die kinderen.”

Ik vond het helemaal niks, die fluorescerende LED-zenuwzooltjes in het donker. Ik wilde een rij kinderen met lampionnen en luidkeels meebrullen met ”Sintermertes veugelke” zoals ik dat vroeger ook deed. Ik wilde geen kinderen volgehangen met LED lampjes van de Action! Fakkels en rijstpapieren lampions waar een week lang bloedserieus aan gewerkt was! Dat wilde ik zien vanavond! Want ik had me er 20 jaar op verheugd om weer eens Sintermerte te zien.

Ik had zojuist een half uur lang doorgezaagd over een paar van mijn beste jeugdherinneringen: de prachtige Venlose Sintermerte-optochten en -vuren.

Eerder die dag had ik al proberen uit te leggen dat we in de wintermaanden en rond Sint Maarten als kinderen altijd ”wierksten” op straat; we slingerden met lege conservenblikken met gaatjes en gloeiende kooltjes aan een lange ijzerdraad rondjes, om een aardappel gaar te poffen, die onze moeders voorgekookt hadden, omdat het anders veel te lang duurde. Later deden we er ook weleens andere dingen in, zoals een plastic Smurfje met nagellakremover van onze oudere zussen, of koffiemelkpoeder, dan kreeg je vliegende blauwe vlammen of een cirkel-steekvlam.

Ik had er niet zo heel veel indruk mee gemaakt, merkte ik. Maar dat ging ik vanavond goed maken met het prachtige Sintermertesfeest. 

Zodra ik het gevoel van tradities zoals wierksen, sintermerte en vastelaovend probeer uit te leggen aan iemand van buiten Limburg, loop ik hartstikke klem tussen mijn nostalgische beleving van vroeger en de rauwe werkelijkheid van de moderne tijd. LED is het nieuwe kaarslicht, wierksen klinkt alsof ik drie eeuwen oud ben en in een vochtige grot geboren, vastelaovend krijg ik alleen nog maar uitgelegd als ik iemand dwing naar de film ”Truuk noa ’t Zuuje” van Rob Hodselmans en Lex Uiting te kijken en Sinter Merte lijkt ook al niet meer wat het in mijn herinneringen was, nu ik mij een ongeluk moest zoeken naar een lampion of zingend kind.

”Dus hij heeft ook een paard? Geen mijter? Geen schimmel? Maar wat doet hij dan met die mantel?”

”Het is een Romeinse Soldaat geloof ik. Hij snijdt zijn mantel in twee stukken en geeft die aan een arme bedelaar die het koud heeft.”

Nu leek hij een beetje onder de indruk.

”En dat doet hij allemaal op dat paard bij dat vuur? Een halve mantel? Maar die bedelaar kan zich toch warmen aan dat vuur? Het is nu al bloedheet hier.”

Ik gaf het op. Soms word je als Limburger nu eenmaal niet helemaal serieus genomen. Sintermerte moet je zien. Of beleefd hebben.

”Wacht maar af, je ziet het vanzelf.”

Het vuur begon al aardig volume te krijgen en we wachtten geduldig op het steigerende paard met die wilde en jongere, Romeinse variant van Sinterklaas, die in een groots en theatraal gebaar zijn mantel zou afzwaaien en aan een geknielde man schenken, geflankeerd door honderden kindertjes en ouders die luidkeels ”Sintermertes Veugelke – Haet ein roed wit keugelke” zongen. Ik voelde de brok in mijn keel al groter worden bij het vooruitzicht. Dit lied, een lied waarvan niemand sinds 1928 eigenlijk de tekst begrijpt, maar wel onthoudt, maakt Sinterklaas Kapoentje tot een minkukel, legde ik uit.

Ik vond Sintermerte als kind al een stuk leuker dan Sinterklaas. Hij had geen zak, geen groot big-brother-is-watching-you-boek en geen zwarte pieten of ongeloofwaardig verhaal over schoorstenen en wortels in je schoen. Ik wist al vanaf mijn 5e dat de GoedHeiligman Nummer Een gewoon de voorzitter van de buurtvereniging was, of juffrouw Ans met een diepere stem en een baard. Bij gebrek aan iets om in te geloven ben ik destijds al overgestapt naar GoedHeiligman Nummer Twee: Sintermerte. Want niets uit zijn verhaal leek een leugen. En ik hield altijd al van overzichtelijke feesten en verhalen: 1 lied, 1 vuur, 1 Heiligman, 1 lampion, 1 avond. Lekker duidelijk.

Het vuur begon alweer aardig over haar hoogtepunt heen te raken en de ouders met jonge kinderen druppelden weg, de donkere avond in en terug naar warme huiskamers, grote LED-tv’s en pyjamaatjes. Met enige moeite klom ik uit mijn nostalgische euforie en aanvaardde het heden: Goed-Heiligman-Nummer-Twee, zijn paard en bedelaar waren wegbezuinigd. De fanfare en het kinderkoor, waarvan ik vond dat ze perfect in toon en ritme bleven, bleken uit de luidsprekers te komen van een Daihatsu die langs de weg geparkeerd stond. En toch waren er een paar honderd mensen op de been, die allemaal een beetje genoten hadden van dat grote vuur. Datdanweerwel.

”Wel apart hoor, zo’n groot vuur met verder niks erbij. Kijk, daar lopen die kids met die LED-schoenen weer!”

Op de terugweg naar huis, zag ik een bedelaar zitten bij de stille roltrappen van de Jumbo; in elkaar gedoken onder een grote jas. In de verte meende ik hoefgetrappel te horen en het hinniken van een paard. Maar dat kon verbeelding zijn geweest..

 

ps: in onderstaand filmpje (van voor mijn tijd) zowel de traditie van het wierksen, Sintermerte en het prachtige lied Sintermertes Veugelke 😉

Sintermertes Veugelke in Venlo 1924 en 1939

Een clochard in Parijs en drie Marokkanen in Lelystad

boswijkfoto: wijkraad Boswijk Lelystad – havenkom.

 

We zijn verdwaald ergens op het water tussen Dronten en Almere Haven. Dat daar ook Lelystad ergens tussenin lag, wist ik niet. Ik was nog nooit eerder in deze contreien en had als Limburger het idee dat Almere en Lelystad een pot nat waren: een grote klont ongezellige beton in een grote plas ongezellig water.

Maar het leven kent vreemde zijpaden en zo ben je opeens een verdwaalde Limburger op een boot met een Zwollenaar, ergens op een kanaal. Je maakt wat mee als je eens een provinciegrens oversteekt.

Ik hou van verdwalen, dat heb ik van mijn moeder. Die hield er niet van, maar ze heeft me wel de kunst van het verdwalen in de genen meegegeven. Mijn vader, die ook geen best oriëntatievermogen bezit, reed ons gezin in de jaren zeventig  – met mijn moeder kaartlezend (niet dus)- ooit vier keer door het spitsuur van Parijs over dezelfde rondweg. We wilden helemaal niet in Parijs zijn. Stel je voor, een auto met 5 kinderen en een aanhangwagen vol tentjes en slaapzakken, luchtbedden. (Het was nog in de tijd toen luchtbedden van dikke gestoffeerde rubber waren en 3 kilo per stuk wogen.) Uiteindelijk, na alweer een rondje afslag gemist, belandden we midden in het drukke centrum van Parijs. We moesten ergens richting Marseille zijn, al wisten we met z’n allen waarschijnlijk niet eens waar dat precies lag. Het was nog in de tijd toen onze vaders nog op borden en gevoel naar de andere kant van Europa reden met een kluit mekkerende kinderen achterin. We werden uiteindelijk gered door een liftende zwerver. Een van mijn zusjes sprak vier woorden Frans en met de vrolijke zwerver tussen de zussen en broer op de achterbank geperst, reden we ons – A DROIT – A GAUCHE – NO A DROIT! – helemaal klem in het centrum van Parijs. De zwerver stapte uit op zijn plaats van bestemming, bedankte ons vrolijk en zwaaide ons uit, richting de afslag naar de autobaan richting Marseille. Ik, achterin de kattenbak van de stationcar op de slaapzakken, vond het een geweldig avontuur. Van de rest van die vakantie kan ik me weinig herinneren, maar deze helse dwaling door Parijs, met mijn vader scheldend achter het stuur, die meurende zwerver tussen mijn gruwende zussen in die ons schreeuwend door de verkeersdrukte loodste, zal ik nooit meer vergeten.

Ok ik dwaal af. Dat was Parijs. En toen was ik 8 jaar. Ik geloofde er heilig in dat elke (ver)dwaling een mooi avontuur op kon leveren. En dat elke (ver)dwaling een uitstel was van de executie der saaiheid. Nu geloof ik dat nog steeds. Ik hou van een (ver)dwaling of zijpad op ’n tijd. Want als je de route even loslaat, gebeuren de leukste dingen. Wie goed verdwaalt, die goed ontmoet.

Terug naar de boot. Het kanaal loopt dood midden in een levendige woonwijk. Nooit gedacht dat Almere zo levendig zou zijn. (Dat bleek later dan ook te kloppen, want we zaten in Lelystad.) Een klein druk plein met trappen naar het water, omringd door flats en sociale woningbouwwoningen van het minder gezellige type. En toch gezelligheid. Bankjes waar mensen op zitten met een boek, of zomaar met elkaar te kletsen, stoepjes waar kinderen spelen, mensen die kuieren. Nergens een bordje ”verboden te… ”. Een oase van ambtelijk loslaten avant la lettre, dit stukje beton in Almere – uh Lelystad? Ik schiet er bijna vol van. Op het terras van de buurtkroeg staat een uitbundige club kale kerels glazen bier te hijsen, het terras van een Marokkaans couscous Restaurant wordt geveegd, ik zie een tattoo-shop, een Turks eethuis en een frituur. ”Frietje?” vraagt mijn dwaalkapitein die mijn gedachten kan lezen. Ik overweeg heel even couscous met een tattoo als toetje maar ga toch voor het frietje.

Ik vraag aan een paar Marokkanen op het bankje bij de boot, of ze even op de boot willen passen, die we aan een prullenbak naast hun bankje hebben vastgebonden, bij gebrek aan aanlegpalen. De jongemannen kijken me in eerste instantie enigszins wezenloos, maar niet onvriendelijk aan, dus ik leg uit dat we een frietje gaan halen aan de overkant. Als het drietal vrolijk ja knikt en zegt dat we ons geen zorgen hoef te maken, denk ik heel even: ”Inshallah, إذا لم يسرقوا قاربنا! (‘iidha lm yasraquu qaribana!)*

We keren weder met frietjes naar de niet gestolen boot en genieten nog even na van de gezellige sfeer aan wal. Als we tegen zonsondergang wegvaren, ben ik drie vooroordelen lichter over Flevoland, Marokkanen op een bankje in de publieke ruimte en levendige woonwijken. En nu ben ik razend benieuwd naar Almere.

De wereld is zo slecht nog niet als je zo af en toe verdwaalt.

Meer verhalen over verdwalen lezen? In Spanje was ik (ver)dwaal-specialist bij uitstek. 

De weg naar de omweg (een wandelroute)

De weg naar Plasentia

De Gonzalodagen – een wilde flamenco-rit

 

 

 

 

Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

A letter to Obama and Romney by Robert Cabot


In de bergen kom je allerlei bijzondere mensen tegen die je in een stads leven niet snel zult ontmoeten. Rustzoekers, inspiratiezoekers, dromers en doorzetters. Maar ook inspirators, rebellen en schrijvers. Veel schrijvers. Het was nu eenmaal een feit: De dramatische landschappen waarmee we ons allemaal wilden laten betoveren, zijn nu eenmaal ultieme zielenvoeding voor het in stand houden van onze driften en illusies. Al heb ik veel te weinig geschreven in die dagen; ik voelde me meer schrijver dan ik me ooit gevoeld had.
Het automatisme van iemand ‘Googlen’ was in die tijd nog niet in ons systeem geslopen, aangezien we 45 minuten moesten rijden om te kunnen internetten. Achteraf besef ik me dat je zonder ‘hulp’ van internet, mensen veel intenser en op een directere manier leert kennen. In de bergen interesseerde het me namelijk geen ene moer wat iemand voor CV had; je sloot iemand in je armen, of je probeerde iemand zo snel mogelijk van je territorium af te werken. 

Robert Cabot was zo iemand die in je geheugen gegrift blijft en voor wie je je deur met liefde openzet. Als ze al bestaan, dan zou hij er een zijn: een ‘oerschrijver.’ Een wijze man met een hart vol activisme, een bijzondere scherpe kijk op de wereld die zichzelf om zeep helpt. Pas jaren later ben ik hem gaan Googlen en zijn boeken gaan lezen. Het gevoel klopte; in zijn werk schuilt een oerschrijver en in zijn oude, jonge hart een activist. Zijn novelle ‘The Joshua Tree’ uit 1970 is nog steeds actueel en dat zegt iets over de kwaliteit denk ik. Vandaag heb ik zijn laatste werk besteld ‘The Isle of Khería’ en ik verheug me al op de eerste regendagen van november, waar ik dat boek in een ruk ga uitlezen.

(Informatie/Bestellen:)  http://www.bloomsbury.com/uk/the-joshua-tree-9780747509431

Roberts website: http://www.robertcabot.com/index.htm

Vanochtend ontving ik via Facebook deze brief die Robert schreef aan Obama en Romney, met het verzoek deze te delen. Nu zijn we weliswaar geen Amerikanen, maar toch ook wel een beetje. En stevige woorden deel ik graag..

Obama, Romney, shame on you!

You continue to ignore the greatest and most overwhelmingly urgent issue that mankind has ever faced. Our species and quite possibly all life forms on this planet are faced with likely extinction within this or the next century. This is not extremist blather, it is the growing consensus of the many thousands of scientists and close observers who are measuring and projecting the effects of global warming.


You, both of you, and the vast multitudes of politicians and talking heads, you go right on encouraging the use of coal and oil and gas, while making a huge issue out of who used the word “terror” where and when, twittering about a “binders of women,” churning out endless contradictory numbers. Never a mention, a hint of the doom which we are all facing.

Stand up now, either of you, no, both of you. Ignore the moderator, throw away your notes, your sound bites, your endless factoids. Tell us the truth, cry it out to the world. Risk rejection, risk political death, seek to save our lives, perhaps all life. Or face ignominy, presiding over the last moments in which we could possibly be saved.

To continue as we are going, taking only a few minimal and ineffectual steps to slightly slow the ever-increasing output of carbon dioxide into the atmosphere, will push us beyond the last tipping point into doom. Drought, floods, devastating storms, dying seas, mass starvation, drowned cities, desperate migrations of survivors. This will be your legacy. You will live and die in shame if you fail to take now the courageous steps, however extreme, that are essential if there is to be any chance of survival in what would be, even in the best of circumstances, an austere world where survival will be precarious.

Lead us! In the name of creation, lead us, lead the world!

Robert Cabot
October 19, 2012

Een dag in het vleesparadijs (Uit het boek van Blas)

Wat de dorpelingen betrof was je gewoon een domoor als je geen vlees at. Een domoor of een homo. En een etentje zonder vlees, was als een arena zonder stier, een kroeg zonder bier.

Ik heb het zelf maar heel even volgehouden; vegetarisch eten. Een gezonde eetstijl lag voor de hand: ik woonde immers in een mega-vega-paradijs met eigen fruit, groenten, noten en als ik een beetje dieper zou graven zouden er vast ook nog barstens veel knollen, bloemen en andere eetbare objecten in mijn hofje rondslingeren. Mijn partner deed aan Tai Chi , neigde naar macrobiotisch en er kwamen zelfs bezoekers van vega-verenigingen uit Nederland en Duitsland om mijn fruitbomen te knuffelen en mijn nootjes te rapen. Maar van zulke ontmoetingen kreeg ik nog meer zin in vlees.

Mijn kuitspieren, mijn dromen, mijn hoektanden en maag schreeuwden na enkele maanden om VLEES. Het was een fysiek verlangen. Ik had brute paardenkracht nodig om elke dag als een muildier tegen die hellingen van het paradijs op te klimmen en mijn lichaam redde dat niet op zaadjes en tofu en zongerijpte toestanden en al die andere gezonde dingen zonder pootjes.

Dus ik ging Carmen helpen in de keuken, waar hammen hingen te druppen en te drogen in de tocht, waar een grote stoofpot op het vuur stond met varkenspoten, gezouten ribbetjes en blokjes oude tranige ham hun weg vonden in dikke soepen, die me deden denken aan winter en mijn moeder. Achter in haar hofje zaten bendes konijnen te fokken en waggelde twee obesitasganzen rond, nog niets wetende van komende kerst. Bij Carmen was alles VLEES. Zelfs haar oorspronkelijke naam: Encarni, betekende vleeswording. Ze had de rode wangetjes van een Hollandse slagersvrouw en borsten waar je een heel dorp aan zou kunnen troosten.

Haar stokoude dementerende moeder (ze had al sinds 1995 geen woord meer gezegd, dus men ging er vanuit dat ze dement was) zat in een hoekje van de keuken, stevig in haar stoel gesnoerd met een oude veiligheidsriem. Op haar schoot een zak oude broden die ze in stukjes brak en in een cementkuip liet vallen. Aan het einde van de middag, gingen we de varkens voeren. Paco snoerde moeders met haar broodbrokken goed vast op de bijrijderstoel van zijn Landrover en we daalden af naar hun boerderijtje in de Genal- vallei.
Onderweg stopten we eerst nog bij Baltazar die een grote ton ruftend keukenafval achterop de auto bond en daarna langs Paco en Juamo om drie zakken geitenmest op te halen voor de moestuin.

Ruftend arriveerden we 1,5 uur later in het paradijs.

Na het voeren van de varkens, sleepten we stoeltjes en moeder naar de rivieroever en kwam er oude wijn en oude worst uit het keldertje te voorschijn. Moeders bleef zonder riemen, sereen en tevreden in haar stoeltje met afgezaagde poten zitten.
Carmen draaide de kaasjes in de stenen potten vol scherp ruikende olie en liet ons de kaas van afgelopen voorjaar proeven. We doopten vers brood in olie, Paco sneed de worst met zijn Zwitserse nepzakmes. In de schaduw van de kastanjebomen en met de kabbelende Genal aan onze voeten kauwden we stukje taaie worst en dronken we glazen zurige oude wijn met la Casera (7-up) die Carmen aan een touwtje uit de ijskoude Genal had gevist. Mensen met ijskasten, dat waren hier pas mietjes.

De varkens vochten, slurpten en wroetten enkele meters verderop in hun eigen koningsmaal en Carmen rekende hardop uit hoeveel mooie hammen en worsten we dit jaar zouden maken in november.

Tegen schemering was ik weer helemaal carnivoor. Want het was een bijzonder mooie dag in het vleesparadijs.