Influencersmarketing: worden wij als de Chinezen?

orwell

In China gaan ze vanaf 2020 de burger digitaal monitoren. Een pilot loopt al, met echte oefenburgers. 1.3 miljard Chinezen wonen er in China. George Orwell klimt van schrik uit zijn graf, want hier hebben we de volledig opgepoetste Big Brother 4.0, waar zelfs de bedenkers van Black Mirror zich van achter de oren krabben. Een nieuw game-level in onze datadictatuur: belonen of straffen op sociaal gedrag, maatschappelijke participatie en burgerlijke gehoorzaamheid. Stel je eens voor; punten verdienen voor het inslikken en verspreiden van staatspropaganda, je vuilnis op tijd wegzetten en een goede daad verrichten. Enge bedoening. Maar dat is in China. In Limburg heb ik nu de microvariant gevoeld: Ik werd uitgenodigd als (vak)mens met inzicht en enkele dagen later weer van de gastenlijst gekiept als datagehandicapte, omdat ik onvoldoende punten bleek te scoren online via mijn social media. Afgeserveerd na een online snelheidscontrole door de Social Media politie. Inzicht is voor ouwe baksels, de wereld draait nu om insights. 

”Wij stellen uw aanwezigheid zeer op prijs!” stond er in de enthousiaste uitnodigingsmail voor een persreis ter introductie van een nieuwe route-app. De persreis werd georganiseerd door een marketingbedrijf dat in opdracht van Provincie en andere toeristische gebiedspartners een stuk van Limburg vernieuwend op de kaart wil zetten. Natuurlijk zou het op prijs worden gesteld als wij, de genodigden – ook wel influencers genoemd – positief zouden berichten over de app en de route, mailde de organisatie.

Mooi. Ik blokte de dag in mijn agenda en bevestigde mijn deelname per mail. Er was zelfs een onkostenvergoeding voor de deelnemers en ik hoefde niet mijn eigen boterhammen mee te nemen. ”Wat leuk dat je meegaat!” Schreef de enthousiaste medewerkster terug op mijn aanmelding. ”Mijn collega neemt nog contact met je op voor de verdere afhandeling.”

Deze collega, specialiste in afhandeling naar later inderdaad bleek, vroeg mij enkele dagen later om de bezoekersdata van mijn social media-kanalen; de zogeheten analytics & insights. Oei. Een lastig puntje, want mijn Facebook, Instagram en Blog bestier ik op persoonlijke titel en ik heb geen tools in huis om zulke data-analyses te maken. Had het wel gekund, had ik het ook geweigerd, want ik zag eigenlijk niet in waarom ik met mijn private digitale databillen bloot moest om als filmmaker of blogger te mogen meegaan, op een door mijn eigen provincie gesponsorde persreis waar ik al voor uitgenodigd was.

Haar volgende mail was zo duidelijk als een stuk hout op je hoofd: ”Helaas kunnen wij geen samenwerking bij deze persrelease aangaan met je. Wellicht kunnen we in een ander project gebruik maken van je diensten.”

Huh? Diensten? Samenwerking? Maar ik was toch uitgenodigd? Had ik dan alles verkeerd begrepen? Waarom word ik dan uitgenodigd in the first place? Dat die 30 likes op mijn kiekje van de Maas met hashtag #Limburg op mijn Instagram geen mensenmassa’s naar een nieuwe Limburgse Point of Interest-route zal lokken, snapt mijn kont ook nog wel. Maar…om mij zo gemakkelijk af te schepen zonder een online kijkje te nemen in mijn werkverleden, waaronder 25 jaar (Limburgse) filmzalen, (Limburgse) festivals, (Limburgse) media, blogs, podium-discussies, interviews, lezingen, opdrachtfilms en exposities in Limburgse musea. Heel even voelde ik mij een argeloos afgedankt, nutteloos, analoog meubelstuk dat niet meer in de hedendaagse hedonistische data-entourage past.

Ik ga te rade bij de betere marketing-Goden bij Dr. Google. Mijn probleem is, volgens een Amerikaanse collega, dat ik een nano-influencer ben met een verregaand specialisme. Heb ik weer. Nano-Nabben. Enigszins gerustgesteld dat ik toch een naam heb in Data-rijk, kruip ik lekker in mijn mega grote bed en tel mijn laatste Instagram-likes even. Vijf stuks vandaag, dat schiet niet op. Sorrie Limburg!

Duizenden online communicatieprofessionals blinken uit in massatrends volgen, risicoanalyses, veilige prognoses voor opdrachtgevers toveren en economische algoritmes in diensten, producten en gebieden pompen. Bloggers worden reviewverkopers, bartering-sletten. Instagrammers worden ambassadeurs van schoenen, gezondheid, roze olifanten, regio’s, perfecte levens of maken gewoon zachte propaganda voor overheidsinstanties. Natuurlijk vraag ik mij weleens af of ik als Nano Nabben in deze tijd van koude data-analytics en massa-propaganda nog wel van algemeen inzetbaar nut in de communicatiebranche ben? Soms overweeg ik dan ook om mijn ziel te gaan verkopen aan de brand-managers, strategisch online content specialisten. De verleiding is groot. Waarom zou ik een mens zijn als ik ook een merk kan wezen?

Maar als ik mijn innerlijk insight en analytics echt laat spreken, blijf ik toch liever wie ik ben. Nano-mezelf in het grote Limburg, dat na deze persreis wellicht, zoals het Outlet Centrum in Roermond, ontdekt zal worden door de Chinezen.  dan is deze cirkel ook weer rond.

 

Wil je weten hoe dit er in China in 2020 ongeveer in de praktijk uit gaat zien? Doe dan deze TEST van de NOS 

#delenisgezelliger

Levenslang ruilen

Ik was altijd al in voor ruilhandel. Een buurttante gaf me elke maandagochtend om klokslag 11 een Caramax-reep, in ruil voor mijn belofte dat ik niet meeluisterde tijdens het koffie-uurtje. Ik was vier, ging op de bank zitten, probeerde zo stil mogelijk te zijn en genoot in een soort trance van de zoet-zoute caramelreep waar je altijd een beetje misselijk van werd, maar die toch verslavend lekker was.
In ruil voor roddelinformatie over de crisis-status quo van ons gezin, gaf de moeder van een basisschoolvriendin mij twee grote glazen cola en meters trekdrop die ik thuis niet kreeg. Ik wist toen nog niet wat roddel was, maar was natuurlijk zo corrupt als een kind maar kan zijn sinds de uitvinding van suiker. De buikpijn nam ik voor lief. In ruil voor een woensdagmiddag voetballen met een slungelig buurtjongetje dat totaal niet kon voetballen en wiens gezicht meestal op huilen stond, mocht ik jarenlang gratis met de stadsbus mee van zijn vader de buschauffeur. En zo vergrootte zich mijn kleine wereld; zonder dat mijn moeder het wist reed ik soms wel twee keer per week mee met de stadsbus de brug over en terug. En onderweg jokte ik tegen de buschauffeur over de vorderingen van zijn zoontje.
Ik deed ook domme ruilzaken; zo bood een vriendelijke buurtopa me een heel tupperware-bakje vol sleetse centen, in ruil voor mijn prachtige zilveren jubileumrijksdaalder die ik van een oom had gekregen voor mijn communie. Ik ging het lege tupperware-bakje netjes terugbrengen, zodra ik het geld thuis in mijn onbreekbare coca-cola-spaarpot had gestort, die nu opeens bomvol leek. Weken lang heb ik me een soort geheime bank op de Kaaiman-eilanden gewaand en zitten fantaseren wat ik allemaal kon doen met zoveel geld: een leven lang trekdrop of Belga kauwgums zonder stuivers te hoeven pikken uit moeders portemonnee. Dat schepte rust in een woelig kinderleven.
In Spanje ongeveer 25 jaar later, voelde ik me dus best snel thuis in de ruileconomie die in afgelegen dorpjes nog deel uitmaakt van de dagelijkse gang van zaken. Zaken zijn vaak ‘favores’ op het platteland. Als je een beetje kon bluffen zoals de Spanjaarden, waren er goeie ruilhandelsmogelijkheden. Als je een mindere dag had werd je een stevige poot uitgetrokken en kwam je thuis met een kat in de zak, een partij balken vol knaaglarven, een mislukte partij kaas of gewoon een rothumeur. In Nederland noemen ze dat al snel corruptie geloof ik, maar als je er midden in zit, zie je dat heel anders. Je ruilde een paar kilo noten en een paar flessen drank voor een snelle bouwvergunning.  Een favor scheelde al snel vele treden in de bureaucratie, of geld dat we niet hadden. Zat je eenmaal in de goeie flow van gezond ruilen (Of: remmend meegaan met de corruptie) dan was het prima overleven met heel weinig inkomsten en bijna altijd oplossingen. 
Je ruilspectrum groeide ongemerkt uit in de jaren tot een bijna full-time tijdslurpend monster.  Dat wel. Van al die artistiekerige voornemens zoals een boek schrijven en een filmmusical, de lotushouding oefenen, kwam dan ook niet veel daarginds. Ruilde je een complete fruitoogst tegen onderhoudswerkzaamheden op het land, moest je niet gek kijken als de wederdienst een jaartje of anderhalf op zich liet wachten, maar je ‘ruilpartner’ wel gedurende anderhalf jaar elke vrijdag bier kwam drinken om te verkondigen dat hij voorlopig geen tijd had. In zulke gevallen had je dus gewoon pech; 2.000 kilo kastanjes of kiwi’s kwijt en levenslang die man aan je keukendeur met hetzelfde lulverhaal. 
In Nederland is het ruilen geblazen van een heel andere orde. We willen vaak dingen ruilen die onzichtbaar zijn. Ik heb hier geen fruit, drank, bouwmaterialen, honden, varkens of andere fysieke handel, dus begeef ik me beroepsmatig in de schemerzone van de zakelijke ruilhandel. Diensten, in plaats van fruit en favores. Bijvoorbeeld iemand vraagt of ik voor hem een paar maanden mee kan nadenken over iets dat nogal ingewikkeld is en in ruil daarvoor mag ik mee surfen in zijn netwerk en krijg ik in de toekomst eventueel misschien een goedbetaalde opdracht. Dat is een typisch voorbeeld van een belabberde Nederlandse ruil: Ik zet mijn hersens in dienst van iemand die mijn ijskast of voorraadkeldertje de komende 6 maanden niet aanvult, maar net doet alsof ik een lot in de loterij heb gewonnen. Aangezien mijn hersens grotendeels aangestuurd worden en gemotiveerd via mijn maag, vind ik een lege voorraadkelder in ruil voor een vermoeiende hersen-lease meestal een slechte deal. Verontwaardigd word ik ervan als mensen denken dat mijn sappige (geestes)vruchten, mijn fruithandel dus, te ruilen valt voor een paar avondjes netwerksurfen in het Honolulu van de zakenwereld. Ik kan niet eens surfen trouwens.
Nou, ik zie mezelf wel al samen met manlief onder een palmboom zitten in een Zuid Amerikaans land. Overdag aan mijn memoires schrijven, ’s avonds gratis inspiratie van de zonsondergang in de zee. Namijmeren op het strand over hoe het was; al die inspiratie- en surfmomenten in ruil voor een lege maag en hypotheekbuikpijn en broodjes-kaas-avonden achter het beeldscherm. Ook wel carrière genoemd. Geef mij maar de dorpse versie: Fruit voor vlees voor hondenpups voor bouwvergunningen voor gedichten voor verhalen voor dromen voor een volle voorraadkelder en fris gemoed.