Een ode aan Sintermertes Veugelke

Voor J.

f5f925001442ee12d899411a7ac8344dfdc9734d

”Leuk he, die lichtgevende schoenen van die kinderen.”

Ik vond het helemaal niks, die fluorescerende LED-zenuwzooltjes in het donker. Ik wilde een rij kinderen met lampionnen en luidkeels meebrullen met ”Sintermertes veugelke” zoals ik dat vroeger ook deed. Ik wilde geen kinderen volgehangen met LED lampjes van de Action! Fakkels en rijstpapieren lampions waar een week lang bloedserieus aan gewerkt was! Dat wilde ik zien vanavond! Want ik had me er 20 jaar op verheugd om weer eens Sintermerte te zien.

Ik had zojuist een half uur lang doorgezaagd over een paar van mijn beste jeugdherinneringen: de prachtige Venlose Sintermerte-optochten en -vuren.

Eerder die dag had ik al proberen uit te leggen dat we in de wintermaanden en rond Sint Maarten als kinderen altijd ”wierksten” op straat; we slingerden met lege conservenblikken met gaatjes en gloeiende kooltjes aan een lange ijzerdraad rondjes, om een aardappel gaar te poffen, die onze moeders voorgekookt hadden, omdat het anders veel te lang duurde. Later deden we er ook weleens andere dingen in, zoals een plastic Smurfje met nagellakremover van onze oudere zussen, of koffiemelkpoeder, dan kreeg je vliegende blauwe vlammen of een cirkel-steekvlam.

Ik had er niet zo heel veel indruk mee gemaakt, merkte ik. Maar dat ging ik vanavond goed maken met het prachtige Sintermertesfeest. 

Zodra ik het gevoel van tradities zoals wierksen, sintermerte en vastelaovend probeer uit te leggen aan iemand van buiten Limburg, loop ik hartstikke klem tussen mijn nostalgische beleving van vroeger en de rauwe werkelijkheid van de moderne tijd. LED is het nieuwe kaarslicht, wierksen klinkt alsof ik drie eeuwen oud ben en in een vochtige grot geboren, vastelaovend krijg ik alleen nog maar uitgelegd als ik iemand dwing naar de film ”Truuk noa ’t Zuuje” van Rob Hodselmans en Lex Uiting te kijken en Sinter Merte lijkt ook al niet meer wat het in mijn herinneringen was, nu ik mij een ongeluk moest zoeken naar een lampion of zingend kind.

”Dus hij heeft ook een paard? Geen mijter? Geen schimmel? Maar wat doet hij dan met die mantel?”

”Het is een Romeinse Soldaat geloof ik. Hij snijdt zijn mantel in twee stukken en geeft die aan een arme bedelaar die het koud heeft.”

Nu leek hij een beetje onder de indruk.

”En dat doet hij allemaal op dat paard bij dat vuur? Een halve mantel? Maar die bedelaar kan zich toch warmen aan dat vuur? Het is nu al bloedheet hier.”

Ik gaf het op. Soms word je als Limburger nu eenmaal niet helemaal serieus genomen. Sintermerte moet je zien. Of beleefd hebben.

”Wacht maar af, je ziet het vanzelf.”

Het vuur begon al aardig volume te krijgen en we wachtten geduldig op het steigerende paard met die wilde en jongere, Romeinse variant van Sinterklaas, die in een groots en theatraal gebaar zijn mantel zou afzwaaien en aan een geknielde man schenken, geflankeerd door honderden kindertjes en ouders die luidkeels ”Sintermertes Veugelke – Haet ein roed wit keugelke” zongen. Ik voelde de brok in mijn keel al groter worden bij het vooruitzicht. Dit lied, een lied waarvan niemand sinds 1928 eigenlijk de tekst begrijpt, maar wel onthoudt, maakt Sinterklaas Kapoentje tot een minkukel, legde ik uit.

Ik vond Sintermerte als kind al een stuk leuker dan Sinterklaas. Hij had geen zak, geen groot big-brother-is-watching-you-boek en geen zwarte pieten of ongeloofwaardig verhaal over schoorstenen en wortels in je schoen. Ik wist al vanaf mijn 5e dat de GoedHeiligman Nummer Een gewoon de voorzitter van de buurtvereniging was, of juffrouw Ans met een diepere stem en een baard. Bij gebrek aan iets om in te geloven ben ik destijds al overgestapt naar GoedHeiligman Nummer Twee: Sintermerte. Want niets uit zijn verhaal leek een leugen. En ik hield altijd al van overzichtelijke feesten en verhalen: 1 lied, 1 vuur, 1 Heiligman, 1 lampion, 1 avond. Lekker duidelijk.

Het vuur begon alweer aardig over haar hoogtepunt heen te raken en de ouders met jonge kinderen druppelden weg, de donkere avond in en terug naar warme huiskamers, grote LED-tv’s en pyjamaatjes. Met enige moeite klom ik uit mijn nostalgische euforie en aanvaardde het heden: Goed-Heiligman-Nummer-Twee, zijn paard en bedelaar waren wegbezuinigd. De fanfare en het kinderkoor, waarvan ik vond dat ze perfect in toon en ritme bleven, bleken uit de luidsprekers te komen van een Daihatsu die langs de weg geparkeerd stond. En toch waren er een paar honderd mensen op de been, die allemaal een beetje genoten hadden van dat grote vuur. Datdanweerwel.

”Wel apart hoor, zo’n groot vuur met verder niks erbij. Kijk, daar lopen die kids met die LED-schoenen weer!”

Op de terugweg naar huis, zag ik een bedelaar zitten bij de stille roltrappen van de Jumbo; in elkaar gedoken onder een grote jas. In de verte meende ik hoefgetrappel te horen en het hinniken van een paard. Maar dat kon verbeelding zijn geweest..

 

ps: in onderstaand filmpje (van voor mijn tijd) zowel de traditie van het wierksen, Sintermerte en het prachtige lied Sintermertes Veugelke 😉

Sintermertes Veugelke in Venlo 1924 en 1939

Influencersmarketing: worden wij als de Chinezen?

orwell

In China gaan ze vanaf 2020 de burger digitaal monitoren. Een pilot loopt al, met echte oefenburgers. 1.3 miljard Chinezen wonen er in China. George Orwell klimt van schrik uit zijn graf, want hier hebben we de volledig opgepoetste Big Brother 4.0, waar zelfs de bedenkers van Black Mirror zich van achter de oren krabben. Een nieuw game-level in onze datadictatuur: belonen of straffen op sociaal gedrag, maatschappelijke participatie en burgerlijke gehoorzaamheid. Stel je eens voor; punten verdienen voor het inslikken en verspreiden van staatspropaganda, je vuilnis op tijd wegzetten en een goede daad verrichten. Enge bedoening. Maar dat is in China. In Limburg heb ik nu de microvariant gevoeld: Ik werd uitgenodigd als (vak)mens met inzicht en enkele dagen later weer van de gastenlijst gekiept als datagehandicapte, omdat ik onvoldoende punten bleek te scoren online via mijn social media. Afgeserveerd na een online snelheidscontrole door de Social Media politie. Inzicht is voor ouwe baksels, de wereld draait nu om insights. 

”Wij stellen uw aanwezigheid zeer op prijs!” stond er in de enthousiaste uitnodigingsmail voor een persreis ter introductie van een nieuwe route-app. De persreis werd georganiseerd door een marketingbedrijf dat in opdracht van Provincie en andere toeristische gebiedspartners een stuk van Limburg vernieuwend op de kaart wil zetten. Natuurlijk zou het op prijs worden gesteld als wij, de genodigden – ook wel influencers genoemd – positief zouden berichten over de app en de route, mailde de organisatie.

Mooi. Ik blokte de dag in mijn agenda en bevestigde mijn deelname per mail. Er was zelfs een onkostenvergoeding voor de deelnemers en ik hoefde niet mijn eigen boterhammen mee te nemen. ”Wat leuk dat je meegaat!” Schreef de enthousiaste medewerkster terug op mijn aanmelding. ”Mijn collega neemt nog contact met je op voor de verdere afhandeling.”

Deze collega, specialiste in afhandeling naar later inderdaad bleek, vroeg mij enkele dagen later om de bezoekersdata van mijn social media-kanalen; de zogeheten analytics & insights. Oei. Een lastig puntje, want mijn Facebook, Instagram en Blog bestier ik op persoonlijke titel en ik heb geen tools in huis om zulke data-analyses te maken. Had het wel gekund, had ik het ook geweigerd, want ik zag eigenlijk niet in waarom ik met mijn private digitale databillen bloot moest om als filmmaker of blogger te mogen meegaan, op een door mijn eigen provincie gesponsorde persreis waar ik al voor uitgenodigd was.

Haar volgende mail was zo duidelijk als een stuk hout op je hoofd: ”Helaas kunnen wij geen samenwerking bij deze persrelease aangaan met je. Wellicht kunnen we in een ander project gebruik maken van je diensten.”

Huh? Diensten? Samenwerking? Maar ik was toch uitgenodigd? Had ik dan alles verkeerd begrepen? Waarom word ik dan uitgenodigd in the first place? Dat die 30 likes op mijn kiekje van de Maas met hashtag #Limburg op mijn Instagram geen mensenmassa’s naar een nieuwe Limburgse Point of Interest-route zal lokken, snapt mijn kont ook nog wel. Maar…om mij zo gemakkelijk af te schepen zonder een online kijkje te nemen in mijn werkverleden, waaronder 25 jaar (Limburgse) filmzalen, (Limburgse) festivals, (Limburgse) media, blogs, podium-discussies, interviews, lezingen, opdrachtfilms en exposities in Limburgse musea. Heel even voelde ik mij een argeloos afgedankt, nutteloos, analoog meubelstuk dat niet meer in de hedendaagse hedonistische data-entourage past.

Ik ga te rade bij de betere marketing-Goden bij Dr. Google. Mijn probleem is, volgens een Amerikaanse collega, dat ik een nano-influencer ben met een verregaand specialisme. Heb ik weer. Nano-Nabben. Enigszins gerustgesteld dat ik toch een naam heb in Data-rijk, kruip ik lekker in mijn mega grote bed en tel mijn laatste Instagram-likes even. Vijf stuks vandaag, dat schiet niet op. Sorrie Limburg!

Duizenden online communicatieprofessionals blinken uit in massatrends volgen, risicoanalyses, veilige prognoses voor opdrachtgevers toveren en economische algoritmes in diensten, producten en gebieden pompen. Bloggers worden reviewverkopers, bartering-sletten. Instagrammers worden ambassadeurs van schoenen, gezondheid, roze olifanten, regio’s, perfecte levens of maken gewoon zachte propaganda voor overheidsinstanties. Natuurlijk vraag ik mij weleens af of ik als Nano Nabben in deze tijd van koude data-analytics en massa-propaganda nog wel van algemeen inzetbaar nut in de communicatiebranche ben? Soms overweeg ik dan ook om mijn ziel te gaan verkopen aan de brand-managers, strategisch online content specialisten. De verleiding is groot. Waarom zou ik een mens zijn als ik ook een merk kan wezen?

Maar als ik mijn innerlijk insight en analytics echt laat spreken, blijf ik toch liever wie ik ben. Nano-mezelf in het grote Limburg, dat na deze persreis wellicht, zoals het Outlet Centrum in Roermond, ontdekt zal worden door de Chinezen.  dan is deze cirkel ook weer rond.

 

Wil je weten hoe dit er in China in 2020 ongeveer in de praktijk uit gaat zien? Doe dan deze TEST van de NOS 

#delenisgezelliger

Een clochard in Parijs en drie Marokkanen in Lelystad

boswijkfoto: wijkraad Boswijk Lelystad – havenkom.

 

We zijn verdwaald ergens op het water tussen Dronten en Almere Haven. Dat daar ook Lelystad ergens tussenin lag, wist ik niet. Ik was nog nooit eerder in deze contreien en had als Limburger het idee dat Almere en Lelystad een pot nat waren: een grote klont ongezellige beton in een grote plas ongezellig water.

Maar het leven kent vreemde zijpaden en zo ben je opeens een verdwaalde Limburger op een boot met een Zwollenaar, ergens op een kanaal. Je maakt wat mee als je eens een provinciegrens oversteekt.

Ik hou van verdwalen, dat heb ik van mijn moeder. Die hield er niet van, maar ze heeft me wel de kunst van het verdwalen in de genen meegegeven. Mijn vader, die ook geen best oriëntatievermogen bezit, reed ons gezin in de jaren zeventig  – met mijn moeder kaartlezend (niet dus)- ooit vier keer door het spitsuur van Parijs over dezelfde rondweg. We wilden helemaal niet in Parijs zijn. Stel je voor, een auto met 5 kinderen en een aanhangwagen vol tentjes en slaapzakken, luchtbedden. (Het was nog in de tijd toen luchtbedden van dikke gestoffeerde rubber waren en 3 kilo per stuk wogen.) Uiteindelijk, na alweer een rondje afslag gemist, belandden we midden in het drukke centrum van Parijs. We moesten ergens richting Marseille zijn, al wisten we met z’n allen waarschijnlijk niet eens waar dat precies lag. Het was nog in de tijd toen onze vaders nog op borden en gevoel naar de andere kant van Europa reden met een kluit mekkerende kinderen achterin. We werden uiteindelijk gered door een liftende zwerver. Een van mijn zusjes sprak vier woorden Frans en met de vrolijke zwerver tussen de zussen en broer op de achterbank geperst, reden we ons – A DROIT – A GAUCHE – NO A DROIT! – helemaal klem in het centrum van Parijs. De zwerver stapte uit op zijn plaats van bestemming, bedankte ons vrolijk en zwaaide ons uit, richting de afslag naar de autobaan richting Marseille. Ik, achterin de kattenbak van de stationcar op de slaapzakken, vond het een geweldig avontuur. Van de rest van die vakantie kan ik me weinig herinneren, maar deze helse dwaling door Parijs, met mijn vader scheldend achter het stuur, die meurende zwerver tussen mijn gruwende zussen in die ons schreeuwend door de verkeersdrukte loodste, zal ik nooit meer vergeten.

Ok ik dwaal af. Dat was Parijs. En toen was ik 8 jaar. Ik geloofde er heilig in dat elke (ver)dwaling een mooi avontuur op kon leveren. En dat elke (ver)dwaling een uitstel was van de executie der saaiheid. Nu geloof ik dat nog steeds. Ik hou van een (ver)dwaling of zijpad op ’n tijd. Want als je de route even loslaat, gebeuren de leukste dingen. Wie goed verdwaalt, die goed ontmoet.

Terug naar de boot. Het kanaal loopt dood midden in een levendige woonwijk. Nooit gedacht dat Almere zo levendig zou zijn. (Dat bleek later dan ook te kloppen, want we zaten in Lelystad.) Een klein druk plein met trappen naar het water, omringd door flats en sociale woningbouwwoningen van het minder gezellige type. En toch gezelligheid. Bankjes waar mensen op zitten met een boek, of zomaar met elkaar te kletsen, stoepjes waar kinderen spelen, mensen die kuieren. Nergens een bordje ”verboden te… ”. Een oase van ambtelijk loslaten avant la lettre, dit stukje beton in Almere – uh Lelystad? Ik schiet er bijna vol van. Op het terras van de buurtkroeg staat een uitbundige club kale kerels glazen bier te hijsen, het terras van een Marokkaans couscous Restaurant wordt geveegd, ik zie een tattoo-shop, een Turks eethuis en een frituur. ”Frietje?” vraagt mijn dwaalkapitein die mijn gedachten kan lezen. Ik overweeg heel even couscous met een tattoo als toetje maar ga toch voor het frietje.

Ik vraag aan een paar Marokkanen op het bankje bij de boot, of ze even op de boot willen passen, die we aan een prullenbak naast hun bankje hebben vastgebonden, bij gebrek aan aanlegpalen. De jongemannen kijken me in eerste instantie enigszins wezenloos, maar niet onvriendelijk aan, dus ik leg uit dat we een frietje gaan halen aan de overkant. Als het drietal vrolijk ja knikt en zegt dat we ons geen zorgen hoef te maken, denk ik heel even: ”Inshallah, إذا لم يسرقوا قاربنا! (‘iidha lm yasraquu qaribana!)*

We keren weder met frietjes naar de niet gestolen boot en genieten nog even na van de gezellige sfeer aan wal. Als we tegen zonsondergang wegvaren, ben ik drie vooroordelen lichter over Flevoland, Marokkanen op een bankje in de publieke ruimte en levendige woonwijken. En nu ben ik razend benieuwd naar Almere.

De wereld is zo slecht nog niet als je zo af en toe verdwaalt.

Meer verhalen over verdwalen lezen? In Spanje was ik (ver)dwaal-specialist bij uitstek. 

De weg naar de omweg (een wandelroute)

De weg naar Plasentia

De Gonzalodagen – een wilde flamenco-rit

 

 

 

 

Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

mijn zorgrobot en de punaises van Oma

robot-flower-wallpaper-1

Vroeger hadden we thuis een boekje getiteld Oma weet Het Beter. De eerste druk, met nog ouderwetsche Nederlandsche woorden erin. Bij een zwerende vinger, een teek (was het nu linksom of rechtsom draaien, een gloeiende sigaret erop of verdrinken in olie of afschrikken met terpetine?) maar ook nachtmerries, een zwaar gemoed of een kater na te veel drank. (rauwe eieren of haringen?) In Oma Weet Het Beter stonden eigenlijk alle oplossingen voor de grote wereldproblemen die zich zo dagelijks kunnen manifesteren in een groot huishouden.

Ik slaapwandelde als kind wel eens. En nogal uitgebreid. Zo werd ik weleens wakker met mijn hoofd in het felle ijskastlicht, in de hondenmand naast Bruno, of slapend onder de salontafel. Mijn moeder maakte zich zorgen nadat er een broodje-aap verhaal rondging over iemand in de buurt die uit het raam was gesprongen tijdens het slaapwandelen. Waar gebeurd of niet, het was een eng verhaal. Ze raadpleegde ons beduimelde Oma-orakel. Natte lappen naast het bed, was het advies. En als dat niet werkt: schoenspijkertjes. Mijn broer, die zich in die tijd in de sadistische puberale fase bevond, wist meteen een doos punaises te vinden en zei: die blijven beter liggen.

Natuurlijk heeft mijn moeder geen schoenspijkers, natte lappen of punaises rond mijn bed gestrooid. Maar voor mij leek het beeld al voldoende om ’s nachts gewoon in mijn bed te blijven liggen.

‘Oma weet raad’, de slimme best-sellende opvolger van ‘Oma weet het beter’’ heeft er goed munt uitgeslagen sinds de eerste druk in 1992; het boek is inmiddels tig keer in de herdruk gegaan en een succesvolle website schiet online dagelijks duizenden huishoudens te hulp bij het signaleren van een teek, een zilvervisje, of een jengelig kind met melktandjespijn. Oma’s raad reikt in feite nog veel verder dan boekjes en websites; ouderwetsche huishoudtips zijn miljoenenhandel en de basis voor talloze vrouwenmagazines, de marketingstrategie van biologische merken en ketens, tv-formats, gezondheid-vlogs, Instagram-dieet-guru’s. Oma zit zelfs tot in de haarvaten van advies- en psychologen-praktijken en alternatieve geneesmarkt. Oma is ons pre-technologische geweten uit de tijd toen we nog niet wisten dat we de wereld om zeep hielpen, maar wel wisten hoe we moesten overleven met de beperkte kennis en met de simpele middelen die we toen binnen bereik hadden. Als Oma had geweten dat er een eeuw later een miljoenen industrie zou ontstaan rondom deze simpelheid, dan had ze de rechten van haar eerste boekje in 1928 wel beter vastgelegd bij de notaris.  Of Dokter Vogel geheten. En hiermee had ze dan weer haar nazaten tot en met de vijfde generatie kunnen voorzien van een basisinkomen.

Dusss….Inmiddels weten we het zeker: Oma wist het fucking beter!

Waarom ik zelf ook nog naar dit soort boekjes neig te grijpen als ik een huishoudelijk wereldprobleem heb, weet ik eigenlijk niet. Maar ik stopte onlangs toch weer eens een natte krant in mijn nieuwe schoenen, legde een spons met azijn op een schoteltje, steek kruidnagels in sinaasappelen die te lang gelegen hebben en heb me onlangs nog flink laten uitlachen omdat ik weegbreebladeren in mijn sokken had gestopt. Dat hadden ook vier flesjes spray kunnen zijn uit een winkel: schoenen-soepelmaak-nano-spray, HG-nare-luchtjes-spray, Febreze luchtverfrisser oriëntaal met kruidnagel, voeten-zonder-blaren-spray.

Onlangs slaapwandelde ik weer eens sinds hele lange tijd. De trap naar mijn slaapkamer is Amsterdams steil en hoog voor Eindhovense begrippen; een bijna-ladder. Ik schrok wakker op ongeveer een halve meter voor de trap. Mijn geest had er snel een doosje punaises en natte lappen neergegooid, bleek. Auw. Zo zie je maar weer. Oma’s domme belachelijke raad, heeft zich in mijn systeem genesteld als welkome alarmbel.

Moderne tijd en ouderwetse wijsheid; ze zijn een prima huwelijk. Generatieoverschrijdend ook. Ik omarm beide. Generatiedingetje. Als ik later bijvoorbeeld een zorgrobot krijg, dan leer ik die gewoon kruidnagels in sinaasappelen steken en weegbree plukken als ik niet meer kan bukken.

PS. Mijn eigen oma’s wisten trouwens helemaal niks. De enige wijze raad die ik mij van oma #1 kan heugen: ”Kind, zorg dat je altijd een schone witte onderbroek aan hebt en eentje in de tas, voor het geval je een ongeluk krijg en ze je vinden.” Oma #2’s tip voor het leven was: ”Meisje, zorg ervoor dat je geen grote borsten krijgt, want dat moet je allemaal maar meeslepen een leven lang.” 

 

 

 

Vandaag geen zon in Solwaster

P1010892.JPG

 

In mijn fantasie vind ik België een soort Zuid Spanje naast de deur. Van het gemoedelijke tot de simpele pure kost die de herbergen en bruine kroegen vol lelijke boerenkoppen serveren. Het Carpe Diem gevoel dat op geheel eigen wijze in de praktijk van het dagelijkse leven irritaties oproept bij ons, ‘’opgeruimde’’ Nederlanders. De pleurisbende in het boerenland, de mix van oeroude stenen huizen en oerlelijke nieuw-geld villa’s. Als ik aan België denk, zie ik Jacques Brels gulle mond in zwart wit zoals ik Cameron voor me zie in een wit betegeld buurtkroegje als ik ergens in de Bahia de Cádiz ben.

We waren twee dagen in België. Misschien had ik het huisje in Solwaster gehuurd omdat ik kerstmis zo graag wil overslaan soms. Misschien omdat ik net in enkele dagen mijn verloren gewaande Carpe Diem hervond in zo’n wit betegeld kroegje vol lelijke koppen in Spanje en ik dit gevoel nog even wilde oproepen, op rijafstand.

In Solwaster kreeg mijn voortdurend valse nostalgie producerende ziel een winterse, ontnuchterende regenbui over zich heen. Solwaster was bruin. Nat. Leeg. Grijs. Het huis was mooi. Te mooi. Alsof ik even in het huis van een gegoede Nederlandse familie met een investeringspandje in de Ardennen mocht logeren, omdat ik al tien jaar golfde met de vrouw des huizes. Alles was er. Zelfs een raclette set en een kerstboom met een tijdklok. Om 16 uur ging kerstmis aan en om 22.30 uur weer uit. Hartelijke eigenaren. Zorgzaam. Schoon. Vriendelijk. Good looking. Mensen met smaak. Het gastenboek van de Bijenkorf vol dankbare kreten van prachtig en comfortabel, indrukwekkende natuur. Wandelroutes 55 en 58 een MUST. Ik wil niet musten. En alleen gekken wandelen in de regen in de bergen zei Blas altijd. En hij kon het weten.

Maar waar was Jacques Brel?

Ik werd best verdrietig opeens daar in België. Zoals ik ook wel eens verdrietig word als ik in een stad loop waar de winkels en mensen en honden zo op elkaar lijken, dat ik vergeet in welke stad ik ook alweer was. Dit had in elke mooie plek op een toeristische route in heel Europa kunnen zijn. Nou ja, op de plaatsnaam, het weer en de wegbewijzering na dan.

De zware geest van mijn moeder op mijn schouder die altijd zei: Vertrouw nooit een Belg’, terwijl haar voorvaderen uit Liège kwamen. Fragmentarische herinneringen van een kil slaapkamertje met strakke spreien en hard plastic poppen met dode ogen en verknipte gelige pruikjes waar ik met een paar wildvreemde achternichtjes door hun moeder gescheiden werd van de gezellige volwassenwereld in de huiskamer. De markt in Luik, waar we gingen griezelen bij de man die tweedehands kunstgebitten verkocht.

Mijn moeder die geen woord Frans verstond, moest altijd huilen als ze Jacques Brel hoorde. En ik vond dat hij op ome Mart leek en een beetje op mijn vader. Dat huilen begreep ik niet zo, noch de teksten.

Nu huil ik ook bij Jacques Brel. Misschien word ik ouder, misschien zit er ergens een Belg verstopt, achter mijn Verspaanste Venlose hart. Of lijk ik toch gewoon op mijn moeder die altijd treurig werd in Belgie.

Onze benedenbuurman in Solwaster bleek een Spanjaard en tevens uitbater van de dorpskroeg. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik het licht zag aanspringen. TL-licht. Jacques, Cameron en een beetje zon braken door. Ik vind het normaliter erg aanstellerig om Spaans te gaan babbelen als je je belabberde Frans zou moeten oefenen, maar de woorden rolden gewoon uit mijn mond, ook al was de soep van de dag (sinds decennia waarschijnlijk) Franse uiensoep en de inrichting uit een horecacatalogus van een bedrijf in Verviers dat ergens in de jaren tachtig failliet moet zijn gegaan.

Aan een TL balk alleen kun je je niet warmen.

Hoe vaak had ik zelf die vraag verwenst als mensen uit Nederland in Cartajima hem aan mij stelden: ‘Hoe ben je HIER in Godsnaam terecht gekomen?’ Ik werd door die vraag destijds een soort wandelend pre-ik-vertrek-format. En mijn verhaal werd steeds korter. Kort voordat ik terugkeerde naar Venlo, zat ik al op twee woorden:

Carpe Diem (en een weids gebaar naar de wit betegelde en zonovergoten wereld om me heen)

De vraag drong zich toch op. De Spanjaard leek ook een beetje treurig, uitgeblust in de winter-regens van Solwaster. Misschien kon ik hem en mezelf even opvrolijken. Moerstaal, zon.

¿Cómo se acabó aquí en Solwaster?

Hij zuchtte: ‘’Via een weekje vakantie in Malaga 31 jaar geleden, toen ik mijn vrouw leerde kennen en ben meegegaan.’’

Ik bestelde twee carajillo’s met koffie

‘Mujer. Ik serveer geen carajillo.’

Geen zonlicht vandaag.

Ik drink duistere rum uit Capo Verde met koffie en als ik mijn neus in het glas rum steek, wenste ik dat ik in Cuba was. Capo Verde lijkt me niks. Met mijn mannen, Jacques en Cameron. Of gewoon lekker thuis in Eindhoven. Op de bank met een slechte kerstfilm, mijn mannen en Lonnie de kat.

Bij de grens van Nederland klik ik op de nieuwsberichten. De zon breekt door en we laten het regengordijn van België achter ons. George Michael is dood. Iedereen treurt.

En later zeg ik misschien ooit. Ja, ik herinner me nog goed toen George Michael stierf. Op de grens van België en Nederland reden we toen. Iedereen treurde, waar ik was alleen maar blij dat de zon doorbrak en we door mijn Limburgse land door een spiksplinternieuwe tunnel terug naar huis reden.

Nee, Carpe Diem is toch geen tegelspreukje. Het is ook een beetje verdrietig zijn in Solwaster. Of samen thuiskomen als de zon doorbreekt.

 

Foto: een verdwaalde kabouter in het natte bos bij Solwaster.

We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Enge beestjes, Enzo Knol en andere puber-vriendelijke gespreksstof

pubers

“Worden wij nu ook van die ouwe zemelaars die op een verjaardag doorzemelen over hun verleden dat zo avontuurlijk was?” Dat vroeg laatst een vriendin aan me, tijdens een reünie-etentje. “Ik ben dat thuis al in elk geval.” Antwoordde ik. Ik trakteer man en zoon regelmatig ongevraagd op een avontuurlijke anekdote uit mijn Spaanse boerderij tijd. Want wat is nu leuker als indruk maken met stoere verhalen op twee jongens tegelijk?

Of.. Is dat echt leuk? Eigenlijk is het lastiger om indruk te maken op een 12 jarige dan een exelente marketingstrategie te bedenken voor een abstracte innovatie die nog gematerialiseerd moet worden. ..

Dus ik begin mijn anekdote; over enge beesten in de nacht deze keer. De 12 jarige kijkt me af en toe aan alsof hij denkt: ja, ja – en hier in Eindhoven ben je bang voor een spin in de huiskamer. Ik besef met de jaren die verstrijken hoe ongeloofwaardig mijn ecosofische avonturen soms moeten klinken in de oren van een jongen die ik nu een kop thee breng terwijl hij op zijn PlayStation mensen omver rijdt, voetballers transfert en zijn toekomstige stoere brugklassers-vocabulaire oefent op zijn mobieltje, terwijl hij met zijn derde oog op zijn ipad lacht om de slechte grappen van Enzo Knol.

Ik wil indruk maken met mijn stoere verleden, maar dat lukt niet altijd. Het online-avontuur lonkt altijd en is stukken meer ‘beleving’ dan die eendimensionale haardvuurverhalen van mij (zonder plaatjes, filmpjes en ontploffingsgeluiden).

Toch doe ik nog een poging, waaruit dat dit soort gesprekken rollen:

Hij: Zaten er grote spinnen in Spanje?

Ik: (dolblij met deze interessevraag) Heeeeele grote – en soms ook schorpioenen en reuze-duizendpoten! (ik werk naar het spannende scolupendra-avontuur en andere griezelverhalen toe..)

Hij: En was je dan niet de hele tijd bang? Hier ben je altijd bang voor beestjes..

Ik: nee, daar wen je wel aan, dat er allerlei beestjes rondkruipen (lieg-een-beetje)

Hij: verf jij je haren?

Ik: Hoezo? Wat heeft dat met die enge beesten te maken?

Hij: Gewoon, dat dacht ik. Je hebt zo’n vreemde kleur haar en het is zo dun.

Ik: zal ik je nog dat verhaal vertellen over de enge beestjes?

Hij: Heb je dat niet al verteld? Van dat je gebeten was door hoe-heet-zo’n-ding? En waarom ben jij nog niet grijs dan? Je bent toch al best oud?

Ik (nog net een opvlieger onderdrukkende) Ik ben wel grijs, maar dat zie je niet goed bij mijn kleur haar.

Hij ‘Maakte jij alle enge beesten meteen dood toen op de boerderij?’

Ik: Nee, alleen als ze in mijn huis rondkropen of als ze probeerden te steken of te bijten (ik rekende tot mijn huis ook het erf, de schuur en de bijgebouwtjes)

Hij: Heb je wel eens een heel groot dier doodgemaakt?

Ik: uh… (te lang nadenkend over de formulering ‘groot’ – bedoelde hij een groot insect of een koe hier?)

Hij (haakt alweer af): ..Weet je, iemand op youtube had voor een challenge een regenworm gegeten. Heb je wel eens een regenworm gegeten?

Van een ‘senior verhalenverteller’ was ik thuis in vijf vragen een ietwat schijterige beestjes-killingmachine met vreemd haar die niet eens ooit een regenworm had gegeten. Mijn opborrelende anekdote over ons geurloze wormen-compost-toilet op de boerderij, slikte ik nog net op tijd in.

We eten. (‘Je weet toch dat ik geen witlof lust!’ ) Geen spannend verhaal vandaag. Morgen nog eens proberen. De volhouder wint.

 

 

De krolse kat en de blauwe staafdiagram

De voorzitter van de werkgroep preekt over het ‘verdienmodel’. Ik heb het verhaal al 100 keer gehoord; iedereen preekt het in deze tijden van crisis en papegaaicultuur.  Mijn blik dwaalt af naar het raam van de vergadervilla; een venster vol lentegroen, blauwe luchten, vijf dikke auto’s en mijn fiets.  Er is duidelijk iets mis met mijn eigen verdienmodel. Het dak van de voorzitters Porsche Cayenne mag wel eens geboend worden, er zit vogelpoep op. Een krolse kat schreeuwt als een dame in nood, ergens vlak onder het raam, terwijl de voorzitter dreigt met nog een powerpoint vol staafdiagrammen en wenstaarten. De krolse kat zwijgt en even later zie ik haar kopjes geven tegen de sokkel van het bronzen kunstwerk op het grasveldje. Het is een beeld van een vogel die wegvliegen wil, maar dat waarschijnlijk niet kan omdat hij nu eenmaal van brons is.
Dat brengt me weer terug naar de vergadertafel, waar men inmiddels een tweede rondje koffie doet en babbelt over de staafdiagram. Onze staaf is blauw en stijgt boven wel zes groene en rode staafjes uit. Ik mis alleen nog de wolken en een stel Teletubbies.  De voorzitter en tevens bedenker van de wenstaarten en hoopstaafdiagrammen zit te glunderen. Hij is tevreden met de reactie van de overige vergaderleden: Niemand reageert. Ik neem een derde kop koffie en bedenk er een sigaret en een scheut bruine rum bij.
Na agendapunt 28 is het mijn beurt om te presenteren. Ik gooi mijn Prezi-presentatie terug in mijn tas en besluit het op een andere boeg te gooien. Ik vertel over de vogel die niet vliegen kon omdat hij van het verkeerde materiaal was gemaakt. Het verdienmodel van een vogel is nu eenmaal bepaald door het materiaal van zijn vleugels. De voorzitter kijkt me aan of ik gek ben geworden en vraagt ongeduldig waar ik naartoe wil. Ik zeg: “Ik wil wel graag hoog vliegen, maar zolang mijn vleugels de vorm hebben van een blauw staafdiagram, gaat dat niet lukken..”
Ik glunder. Niemand reageert.  Al snel zijn we bij punt 30. Punt 29 kan worden verschoven naar de volgende vergadering. Het werkt ook nog eens versnellend, zo’n filosofische presentatie. Ik denk: Bingo-tjakka en ik fiets op vleugels naar huis in de eerste versnelling.
Om een lang verhaal kort te houden, ik ben de dag na deze vergadering ontslagen. Per mail. Niet eens per luchtpost of zo. Mijn vervanger kan niet vliegen. Maar wel hard rennen en kakelen. Hij is een dikke kip in een mooi pak die gouden eieren belooft te leggen op commando.  
Niet mijn type vogel.
Het verdienmodel van creatieve communicatie zit ‘m dus niet meer in de vliegkracht, maar in de tamheid van de soort. Ik vlieg liever. Kip, struisvogel of papagaai kan ik altijd nog worden als ik oud en moe ben van het vliegen.
Waar een schreeuw van een krolse kat al niet toe kan leiden..