Bruno’s ark op wielen

Elke en Bruno dweepten niet met hun verleden, want ze hadden besloten alleen nog maar te leven in het NU. Hij was ooit een gevierd antropoloog en altsax-speler en zij psychiater, gespecialiseerd in erfelijke psychiatrische aandoeningen. Beiden kinderen van invloedrijke Duitse families. Hun prachtige kasteeltje in de bossen bij Koblenz prijkte in menig Duits inrichtingsblad, want beide hoogleraren hielden van mooie antiek en hadden een verzameling prachtige schilderkunst uit de jaren 50-70.

Bruno, die sinds zijn jonge jeugd worstelde met de foute politieke geaardheid van zijn vader, verzette zich op zijn 57e nog steeds tegen alles dat ook maar iets aan zijn vader deed denken. Zijn riante jazzmuziekverzameling bestond uit bijna louter zwarte jazzmusici en hijzelf veranderde in een figuurlijke neger als hij zijn sax speelde.
Elke was een mooie vrouw geweest; ze had de klassieke, pezige contouren van een Slavische balletdanseres en Bruno was haar grote fysieke tegenwicht: Een kolossaal, massief lichaam, lichte blauwe ogen en vierkante kaken wiens spieren altijd op en neer rolden alsof hij zich chronisch ergerde.

In 1987 werd Elke overspannen en drongen de dranklustige genen van haar Russische grootvader zich op, om nooit meer weg te gaan. Ze stopte met werken en sloeg serieus aan de drank. Geld was er nog voor drie generaties, oud geld, nieuw geld, landerijen en huizen. Dat brak Bruno’s hart. Beiden beseften dat ze een arm rijk leven hadden geleid dat niet het hunne was. Het enige waar ze nog echt van konden genieten was het samenzijn in de stille bossen, samen met hun honden en elkaar, de muziek en de drankroes die het verleden oploste in de mist van katers of aangeschoten roes.

In 1988 namen ze een rigoureus besluit: Ze verkochten hun kunst- en antiekcollectie, zetten hun kasteel en landerijen te koop en organiseerden 3 weekeinden lang een grote carbootsale in de tuin van het kasteeltje. Van de opbrengst kochten ze vier Unimog vrachtwagens en een paar legerjeeps en tenten. Met een oproepje in de krant trommelden ze binnen enkele weken een klein leger aan jonge, avontuurlijke convooi-rijders op en vertrokken met de noorderzon.

Hun echte leven, hun lang gekoesterde droom ging beginnen: Een reis door de wereld met hun eigen konvooi. Bruno’s Ark op wielen.

Elke: ‘’Ik herinner me de eerste paar weken als een mooie droom; jonge mensen met veel energie, kampvuren en gitaren, de vastberadenheid die we voelden bij elke kilometer die ons verder weg bracht van Duitsland. We waren licht, bevrijd, alsof we de verloren tijd eindelijk mochten inhalen en alles dat zwaar woog achter ons hadden gelaten.’’

In de woestijn van Marokko ontstond er onenigheid in de groep, over de route. Het was te onrustig in Algerije om door te reizen, maar een boottocht of alternatieve route zou het grote reisplan van Bruno in de war schoppen. Bruno en Elke wilden rechtdoor. Ze waren onbevreesd als kinderen en in de waan dat geen oorlog hen kon raken in hun gepantserde Unimog vol dromen en jazz. Na een felle discussie brak de groep uiteen. De deelnemers en een zestal auto’s verdwenen in de nacht, met medeneming van de water- en voedselvoorraad en een van Elkes geliefde herdershonden.

De lichtvoetige vrijheid waarmee de missie was doordrenkt, was in één klap verdwenen.

De drankvoorraad van Elke was op de heenweg al ter hoogte van Zuid Frankrijk er doorheen gejaagd en haar verlangen naar een borrel dreef het echtpaar terug naar Zuid Spanje. Daar, vlak bij de plek waar ze hun laatste moment van energie, gitaren en kampvuren hadden meegemaakt, nestelden ze zich in een oude vervallen boerderij aan de rand van een klein dorp in de Serrania de Ronda. Twee Duitse vogels met gebroken vleugels, een Unimog vol zwarte jazz en drie honden. Ze verruilden hun droom van reizen in voor de gelofte van armoede en de wind in hun haren voor de bedompte duisternis van een koud, donker huisje onder de Andalusische zon.

Alsof ze niet alleen de rijkdom, maar ook het daglicht hadden afgezworen.

De Unimog staat sindsdien op de finca van Paco en Lola, aan de ingang van het dorp. Overwoekerd door bramen en jasmijn en vol kippenstront. Bijna verdwenen in het landschap als een oud, vergeten oorlogsmonument. Elke en Bruno verdwenen ook; ze werden kluizenaar en de dorpelingen vonden dat prima. Ze waren niet de enige vreemde vogels in het dorp en bovendien waren kluizenaren een welkome bron van speculatie- en intrigevermaak in de sfeer van ‘wel de lusten, maar niet de lasten.’

Eens per drie weken bezocht ik Elke en Bruno om wat boodschappen uit de grote stad en fruit van onze boerderij te droppen. We dronken oploskoffie met goedkope cognac en ik mocht op Bruno’s schapenvachtje zitten, in de enige comfortabele stoel die het keukentje rijk was. Elke lag meestal, als een stoffige oude prinses uit een middeleeuws schilderij, op het grote bed vol kussens. Ze dronk haar cognac zonder koffie, maar wel in een koffiekopje. We rookten zwarte tabak zonder filter.

Alles was bitter in het donkere keukentje; de koffie, de sigaretten, Bruno’s toon.

In stilte luisterden we muziek uit de gigantische muur van cassettebandjes. Albert Ammons, Django Reinhardt, naar John Cage en Sun Ra. Bruno rolde zijn kaakspieren op het ritme van de muziek en Elke aaide afwezig de honden aan haar voeten.

Ik hield het nooit langer dan twee uur vol bij Elke en Bruno. De teleurstelling over hun eigen bestaan trok in mijn ziel, als sigarenrook in een wollen trui. En ik kreeg koppijn van vrije jazz en het gebrek aan daglicht.

Elke en Bruno zijn inmiddels dood. Hun laatste jaren hebben ze geleefd in een grotwoning bij Granada, vlak bij het ziekenhuis waar Elke werd opgenomen met ernstig lever-falen. Ik vermoed dat ze beiden uiteindelijk zijn gestorven aan teleurstelling. Bezweken onder de zwaarte van hun nooit verworven vrijheid.

Alleen in de werkelijkheid te leven – wie van ons hield dat op den duur uit? Otto Weiss

De Gonzalodagen – een wilde flamencorit

Of ik even meeging naar een concertje van Gonzalo de Jerez. Ik was wel toe aan een cultureel uitstapje en had Gonzalo’s naam al vaker horen vallen in de diepere flamenco-kringen, dus deed mijn paasbeste jurk aan. In de groene stationcar van Gonzalo’s neef Juan, zat ik, ingeklemd tussen neef Juan en zijn pruilende Spaanse schone geklemd. Gonzalo op de bijrijderstoel rommelde aan de autoradio en schreeuwde in Simon el Rubio’s oor hoe hij moest rijden.

Gonzalo de Jerez was een omlaag gevallen zanger, van de categorie hopeloos trieste flamencoverslaafden. Toch leefde hij alsof het leven een groot feest was; hij vierde het leven en zijn langslepende ondergang scheldend, zuipend en zingend.

Een onuitstaanbaar, horkerig en lawaaierig ego, triest, maar ook intrigerend figuur. Hij had een hele zwerm van eveneens aan lager wal geraakte flamenco-muzikanten om zich heen hangen en daar zaten ongelooflijke meesters op retour en meesters in wording tussen. Alles rondom Gonzalo was altijd een chaotische strijd en wanorde.

Vanaf een uur of 10 ’s ochtends begon Gonzalo te drinken, vanaf een uur of 16.00 ’s middags, begon hij te zingen, al dan niet gevraagd of betaald. Wie hem een betaalde podiumklus gaf, moest maar afwachten in welke fase van dronkenschap Gonzalo ten tonele verschijnen zou. Heel dronken, straalbezopen of lamlazerus. Iedereen tussen Jerez en Cadiz wist dat, maar toch was Gonzalo de hele zomer en najaar ‘volgeboekt’.
En avond aan avond raspte Gonzalo met zijn stuk gerookte en verzopen stembanden wel tot in de derde laag van de luisteraarziel. Ik weet niet hoe hij het flikte, maar hij flikte het keer op keer weer.

Simon el Rubio was behalve Gonzalo’s vaste sologitarist ook zijn boekingsagent, chauffeur en pispaal. Als Gonzalo ruzie met zijn vrouw of dochters had, dan sliep hij zijn roes uit in Simons tuinhuisje. Simon ruimde alle puinhopen altijd netjes op die Gonzalo achterliet.

We eindigden na een veel te lange rit met veel onduidelijke tussenstops en een wisseling van neef, in de kleine garage-penã aan de rand van Puerto de Santa Maria. Gonzalo werd als een held binnengeloodst, meteen weer aan de drank gezet en het podium opgeschoven net voordat hij omkiepte. Want iedereen wist, op de rand van zijn dagelijkse bijna-dood was Gonzalo misschien wel op z’n best.

Simon telde buiten het geld; er was niet veel overgebleven na aftrek van de sterke drankrekening. ‘’een dag zoals alle andere Gonzalodagen.‘’ Zei Simon, die wonderbaarlijk genoeg nog steeds glimlachte.

De terugweg duurde langer dan mijn laatste voetreis naar Rome en bleek een ingewikkelde transfer te zijn van nog meer neven, een vlezige jonge schone Spaanse en een rit naar het volgende flamenco-feestje. Om te voorkomen dat ik voor eeuwig, net als Gonzalo, zou rondrijden in een volgepropte auto van feest naar feest en nooit meer mijn bed of daglicht zou zien, liet ik mij afzetten bij de eerstvolgende plek in de stad die ik herkende.

Door de stille stad liep ik naar huis. Ik was kapot. Het was 4 uur in de ochtend. De volgende dag zocht ik op waar ik geweest was.  Ik bleek uren – via Jerez – onderweg te zijn geweest naar een omgebouwde garage op nog geen 10 minuten loopafstand van mijn huis. Lang leve de Gonzalodagen. Niet voor herhaling vatbaar voor mij, maar wel een ritje flamenco om nooit meer te vergeten.