Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

Er loopt een neger in het bos (Uit het Boek van Blas)

Blas zou altijd over me waken. En vooral als er Moren in het dorp waren.

‘’Er loopt een neger door het bos!’’ Schreeuwt Blas terwijl hij sneller dan zijn muildier probeert het zandpad omlaag te rennen. Ik schrik me rot. Niet van die neger in het bos, want die kende ik. Het is mijn logé, Brian. Ik schrik omdat Blas onbeschaamd en confronterend het woord neger door de vallei schalt met alle echo’s van dien.

Alsof de Moren binnenvallen.

‘’Issie bij jou? Heb je hem al gezien? Hij liep deze richting uit.!’’ Hijgt Blas als hij eindelijk in een stofwolk is gearriveerd. Hij is een en al zorgen, dat is duidelijk.

Terwijl ik hem probeer te kalmeren en uit wil leggen dat hij niet meer neger mocht zeggen in het nabij zijn van mijn gast, komt Brian, de bewuste neger in kwestie, aanslenteren met zijn gebruikelijke brede grijns. Blas gaat een beetje schuin achter me staan, alsof er een grommend beest op hem af komt. Het lijkt geen aanstel, hij is duidelijk bang. Brian steekt zijn joviale hand uit naar Blas, die deze na lang aarzelen accepteert, maar niet van harte schudt.

(Hij controleert snel even zijn eigen handen, om zichzelf ervan te overtuigen dat hij niet van vorm of kleur is veranderd door de handaanraking met Brian. Hij doet me denken aan kleine Afrikaanse kindjes, die over je huid willen wrijven om te kijken of het wit niet afgeeft.)

Brian, die zich weinig aantrekt van de gespannen situatie, omdat hij er van uit gaat dat in dit soort contreien iedereen verstandelijk gehandicapt of dement is en altijd zo reageert op vreemdelingen, trekt zich terug met een boek op de patio. Mijn waakhonden scharen zich op zijn voeten. Blas blijft zitten om nog een kwartier ongegeneerd te staren.

Hoofdschuddend mompelt hij: ‘’Een neger die kan lezen, het moet niet gekker worden dan dit..’’

Terwijl hij Brian scherp in de gaten blijft houden, komt hij de keuken binnen en fluistert: ‘Hij is wel oké, denk ik. Maar ik blijf hier vannacht.’ Hij knikt naar zijn siëstahoek in de ingang van de bodega. ‘Je weet maar nooit. En aan die honden heb je ook niks.’

’s Avonds stookt Blas een vuurtje op het erf, om de vochtige koude avondlucht nog even weg te houden. Zwijgend hebben we urenlang gedrieën in de vlammen gestaard.
Van vuur komt verbroedering.

Blas kan met een gerust hart gaan slapen en de Moor keert morgen weer terug naar huis.