Ome Juan doet Ernest Hemingway

(Uit het Boek van Blas)
Het was een normale stille zondag in het dorp. Tot Ome Juan met zijn grote nieuwe, goudkleurige Jaguar verscheen. De dorpelingen keken vol ontzag toe hoe hij sporen van goudlak achterliet op de zojuist witgekalkte muren. ‘De straten zijn te smal!’ Riep Ome Juan zwetend, terwijl hij de volgende bocht doorschraapte en zijn grote voorhoofd depte met een hagelwitte zakdoek. Catalina van de postbode sloeg weer een kruis toen Ome Juan met zijn zakdoek naar haar wuifde op het plein. Ze dacht nog steeds de herrijzenis van Hemingway te zien, zodra Juan met zijn dikke witte baard in het dorpje verscheen. Niet dat men hier in het dorp boeken van Hemingway las, maar omdat de schrijver veel zomertijd had doorgebracht in het nabijgelegen Ronda in de jaren veertig, had zij hem persoonlijk meerdere malen mogen ontmoeten. Ome Juan vond het prachtig dat sommige oudjes in Ronda en omstreken zich omdraaiden als hij verscheen. ‘Jammer dat ik niet zo kan schrijven als Ernest.’ Grapte hij en hij besloot twee minuten later dat hij een boek wilde schrijven over zijn avonturen in de internationale vleeslobby en kunst-nevenhandel.
Niet alleen de straatjes en zandpaden, maar de wereld in z’n geheel was eigenlijk te klein voor Ome Juan.  Dat had hij zelf niet in de gaten. Hij was nog in hoge staat van verwondering over het feit dat de wereld zich nog steeds niet had weten aan te passen aan het volume van zijn geest, zijn stem en zijn auto’s.
Binnen een uur was het feest. Want zo ging dat als Ome Juan op bezoek kwam. Het feest werd uit de tijd geslagen, alsof we iets in te halen hadden. Dikke lappen vlees lagen te sudderen in mijn pannen die hier normaliter alleen maar groenvoer zagen. De wijn leek te verdampen met de snelheid van aceton in warme lucht. Dronken werd hij niet van de wijn, maar van het samenzijn met mensen. Na twee flessen hield hij oprecht meer van iedereen die aan zijn lippen hing. Het erf vulde zich met zijn sterke verhalen en af en toe een bescheiden lachsalvo. Want om uitgebreid te bulderen, of te vragen of het waar was wat hij vertelde, daar gaf Ome Juan niemand de tijd voor, want er waren nog zoveel verhalen te vertellen.
Veel van zijn verhalen grensden aan het ongeloofwaardige. Maar zijn overtuigingskracht en verteltalent, de humor en ironie waarmee hij zijn soms vreselijke avonturen kon omschrijven, maakt het waarheidsgehalte van ondergeschikt belang. Zijn wereldreizen als handelaar in vooral vlees en soms wat kunst, deden elke Ludlum-thriller uit mijn vaders kast verbleken tot een flodderroman.
Met uitgeputte oren bleven we achter. De stilte was altijd immens na zo’n feestelijk bezoekje van Ome Juan. En we wogen daarna nog dagenlang de vermoedelijke onwaarheden of kromme wendingen van zijn avonturen. Altijd weer kwamen we tot de conclusie dat Ome Juan een gevaarlijk type was, vol harde en halve waarheden en een leven dat risicovoller was dan we ons konden voorstellen. Toch had hij een gouden hart. En de in Andalusië zeer gewaardeerde gave om met een paar flessen wijn en een sterk verhaal een feest te doen opvlammen uit het niets.
Enkele uren later hobbelde hij met zijn gekraste Jag weer het zandpad op. Ons aandringen een kamer in het dorp te nemen vanwege de liters wijn die hij had laten verdampen, lachte Ome Juan bulderend weg: ‘’Ik heb vier rijbewijzen uit drie landen en ken alle Guardia’s tussen Sevilla en Marbella, dus dat komt wel goed.‘’ Tot kilometers ver hoorden we de bramentakken piepen en krassen tegen zijn autoflanken. Op weg naar zijn nieuwe vlees- of kunstavontuur en feesten met halve beroemdheden in zijn loft bij Marbella.
Hoe je het ook wende of keerde, iedereen was op z’n eigen manier onder de indruk van Ome Juan. De een vanwege zijn verhalen, de ander vanwege zijn gelijkenis met Hemingway of zijn rijkdom en een enkeling voor zijn gulle hart.
Onze laatste ontmoeting was feestelijk. In de setting van een typisch Marbellaans huisfeestje zoals rijke mensen dat deden daar. Er vloeide wijn, er waren veel oppervlakkige mensen en dito gesprekken, iedereen liep er op en top gekleed bij, de vrouwen vers van hun favoriete gay-kapper of Thaise nagelstudio, de mannen in design vrije tijdskleding. Ome Jan stond in zijn onderbroek lappen vlees te draaien op zijn prachtig BBQ. Als hij een huisfeestje gaf, deed hij zelden meer dan een onderbroek aan. ”Ik durf me best kwetsbaar op te stellen” bulderde hij toen ik hem vroeg waarom hij zijn gasten dwong om naar zijn bijna naakte lijf te kijken, dat zo immens was, dat je er simpelweg niet naast kón kijken.
Hij was de naakte waarheid op een feestje vol leugens. Dat niemand echt wilde kijken naar zijn ontzettende vlezige grote lijf met die veel te kleine onderbroek, leek hem niet te storen. Sterker nog, later vertelde hij mij dat hij het geweldig grappig vond om de overbeschaafde eendagsvrienden, die nietsvermoedend voor het eerst op een van zijn beroemde huisfeestjes terecht kwamen, te choqueren. Het resultaat was dat iedereen zo zijn/haar vreselijke best ging zitten doen om niet gechoqueerd te zijn, dat het exhibitionisme van ome Juan een sociale filter werd. Wie hier geen opmerking over durft te maken, of op z’n minst een goeie grap, hoefde geen tweede keer meer terug te komen. De koning zonder kleren, wilde geen onbetrouwbare volgelingen in zijn hof.
Pas jaren later ontdekte ik de werkelijke aantrekkingskracht van onze stille vallei op Ome Juan. Uit zijn verhalen bleek steeds vaker dat hij niemand vertrouwde en dus nooit zijn verhalen kwijt kon tot in de echte smeuïge details. Hij zoog zich vol met onze simpele aandacht. Terwijl er een vreemde soort van vriendschap tussen ons begon te groeien, groeiden ook zijn wantrouwen en drankdriften. Het besmette uiteindelijk ook onze relatie. Ik irriteerde me steeds vaker aan zijn paranoïde gezwets. Hoe meer aandacht hij kreeg, hoe meer hij overtuigd raakte dat iedereen tegen hem was, of iets van hem wilde. Hij leek niet in de gaten te hebben dat hij alle aandacht zelf genereerde, door meer feesten te geven dan Xaviera Hollander in die dagen en elk half jaar in een nieuwe kleur Jaguar rond te rijden.
Ome Juan bleek nog een andere overeenkomst te hebben met Hemingway: Hij raakte verstrikt in zijn eigen verhalen en verslaafd aan een suïcidale levensstijl vol hoeren, drank, medicijnen en culinaire cholesterol. Van een Bourgondische levensgenieter, werd hij een wantrouwend en cynisch feestbeest dat alles deed wat zijn artsen hem verboden hadden. Wie hem waarschuwde voor een hartaanval, werd verdronken in dure wijn, of liet hij gewoonweg vallen als een baksteen. Ome Jan was zo overtuigd dat hij aan zijn einde zou komen door misplaatst vertrouwen in eigen nest, dat hij zijn overgewicht en cholesterol niet eens meer voelde.
In 2010, na jaren van radiostilte, viel mijn oog op een klein berichtje in de krant. ‘Nederlander vermoord in Paraguay’ Het was Ome Juan. Dood aangetroffen in zijn appartement in Paraguay, waar hij de laatste jaren van zijn leven rentenierde. De lokale politie had hem aangetroffen in zijn huiskamer, in zijn onderbroek, zittend op zijn bank met op tafel een lege wijnfles en drie glazen. Waarschijnlijk had hij eerst wijn gedronken en verhalen verteld aan zijn moordenaars. De twee mensen die hem aantroffen behoorden tot zijn intimi.
Met terugwerkende kracht geloofde ik alle sterke verhalen toch. Hij had in al die verhalen zijn eigen moord voorspeld. Catalina van de postbode had inmiddels uitgerekend dat Ome Juan niet de reïncarnatie kon zijn van Ernest Hemingway. Maar toch. De parallellen waren achteraf ongelooflijk. Als hij had kunnen schrijven zoals hij geleefd had, was hij zeker net zo’n bestseller geworden dan ‘For whom the bell tolls’: het verhaal waarin Ernest Hemingway zijn aankomende zelfmoord verpakte, iedereen het las, maar niemand hem geloofde.
Sorry Ome Juan. Rust zacht in de verhalenhemel. Lekker in je onderbroek.