De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

Penelope Cruz en de figuranten van Bar Luna



Het is begin april en de stad is een en al vrolijkheid en lente. De zeewind van de Atlantische is vandaag lekker lauw, de obers en serveersters nog fris en vrolijk. Ik heb weken binnen gezeten om te sleutelen aan een regenachtig scenario en snak naar gezelschap en een verzetje. Onderweg naar Bar Luna word ik ingehaald door Paco el Pintor, die in alle staten is. ‘Heb je het al gehoord?’ Ik ben een en al oor en hij is ademloos van opwinding. ‘Ze zochten figuranten  voor de filmopnames van ‘Manolete’ en Borja, Pedro, Juan, Julio en ik zijn aangenomen!’ Ik had me gisteren al afgevraagd waarom de stierenarena naast mijn huis afgezet was met geel-zwarte linten en er zoveel campers op de parkeerplaats stonden. Geen stierengevecht, maar een film dus.

‘’En weet je wie er mee doet? Penelooope!” Nu werd het interessant; Penelope is in town. We duiken bar Luna in waar de rest van de figurantenclub nerveus door elkaar heen zit te praten. De vrouw van Borja vindt het maar niks, dat haar man opeens in de film moet meespelen met Penelope Cruz. ‘Aanstellers’ mokt ze terwijl ze luidruchtig tostada’s met slordige tomatenprut op onze tafeltjes kwakt. Julio de Blinde vraagt zich hardop af of het wel zin heeft, een blinde figurant. Borja’s vrouw antwoord sarcastisch dat hij net zo goed hier kan blijven om haar te helpen met de afwas, omdat hij de film toch niet terug kan kijken.
De figuranten moeten zich om 11 uur melden bij de achteringang van de arena, in de grote tent. Met de voltallige clientèle van Bar Luna lopen we in een stoet  achter ‘onze figuranten’ aan.  Lola, de vrouw van Borja blijft mopperend achter in een volstrekt lege kroeg. Terwijl iedereen onderweg in de Calle Lucia Penelope meent te spotten, zie ik Adrien Brody voorbij slenteren. Ik knipoog en hij knipoogt niet terug. Ik lieg tegen Merche en vertel haar dat ik zojuist heb geflirt met Adrien Brody. Ze kijkt me aan alsof ik Venloos praat en heeft geen flauw idee wie Adrien is.
Bij de geel-zwarte linten blijven we staan en zwaaien de mannen uit tot ze achter de tentflappen zijn verdwenen. We nestelen ons op mijn dak, dat uitkijkt op de arena en deparkeerplaats. Meche begint te schreeuwen als ze Paco el Pinto met Pedro ziet lopen. De twee mannen steken stijf van ongemak het plein over in een militair jaren dertig kostuum. Paco hoort ons roepen, kijkt op en ik heb de arme man nog nooit zo ongelukkig zien kijken. De getatoeëerde oude man die ooit vocht tegen de mannen in zulke bruine pakken en ook in het vreemdelingenlegioen had gezeten. ‘Paco zit in de verkeerde film.’ Mompel ik en Manolo mompelt adrem dat dit voor zijn hele leven geldt.
De volgende ochtend is het druk bij Bar Luna. Want iedereen wil natuurlijk weten hoe dat was, meespelen in zo’n echte film met Penelope erbij. Paco is stil en trekt onverschillig zijn schouders op. ‘’Geen Penelope gezien.’’ Mompelt hij na een poosje. ‘’En dat pak kriebelde en zat te strak.’ Vulde Julio de Blinde aan. ‘Het was te heet om de hele middag in de zon stil te staan voor die twee tientjes.’  Juan komt binnen. Zijn gezicht is verbrand en hij trekt met zijn linkerbeen. ‘Hebben ze me verdomme twaalf keer op en neer laten rennen over het strand van La Puntilla. En geen Penelope gezien, alleen een schreeuwende, lelijke kerel met een megafoon.’ Borja’s vrouw sloeg zich op de schort van leedvermaak.
We besluiten in broederlijke verontwaardiging dat de filmindustrie niet ons ding is en we druipen, enigszins gedesillusioneerd, af naar huis. Als ik zwijgend naast Paco onze straat in loop,  worden we op vijftig meter van mijn huis tegengehouden door een man in bewakingsuniform. Naast de ingang van mijn huis stopt een geblindeerde auto. Een kluit voetgangers en bromfietsers hopen zich nieuwsgierig op tegen onze ruggen. Een slank elegant been komt uit de auto. Gemompel stijgt op. Het is Penelope.  De enige echte. Ze kijkt heel kort en niet vrolijk naar de mompelende kluit mensen en verdwijnt in een leegstaande vervallen herenhuis. Uit een volgende auto stapt Adrien Brody. Hij knipoogt niet. Ik ook niet.
We vertellen niemand in Bar Luna van onze close encounter met Penelope en Adrien-die-niemand-hier-kent. Want we hadden toch al besloten dat we niks met de filmbusiness hebben. Ik ging naar binnen en schreef in een ruk de laatste scene van mijn scenario en belde de producent in Amsterdam om te vragen of we Adrien Brody niet zouden kunnen strikken voor een bijrol. Hij dacht dat ik dronken was en hing op.

De film ‘Manolete’, over het leven van een beroemde Spaanse stierenvechter, is pas vele jaren later dan gepland en na allerlei financiële en cinema-politische hobbels, in première gegaan. In de drie-films-voor-een-tientje-bak van Blokker vond ik de DVD deze week onder de titel: ‘’The Passion within’’.
In het Spaans: