Een ode aan Sintermertes Veugelke

Voor J.

f5f925001442ee12d899411a7ac8344dfdc9734d

”Leuk he, die lichtgevende schoenen van die kinderen.”

Ik vond het helemaal niks, die fluorescerende LED-zenuwzooltjes in het donker. Ik wilde een rij kinderen met lampionnen en luidkeels meebrullen met ”Sintermertes veugelke” zoals ik dat vroeger ook deed. Ik wilde geen kinderen volgehangen met LED lampjes van de Action! Fakkels en rijstpapieren lampions waar een week lang bloedserieus aan gewerkt was! Dat wilde ik zien vanavond! Want ik had me er 20 jaar op verheugd om weer eens Sintermerte te zien.

Ik had zojuist een half uur lang doorgezaagd over een paar van mijn beste jeugdherinneringen: de prachtige Venlose Sintermerte-optochten en -vuren.

Eerder die dag had ik al proberen uit te leggen dat we in de wintermaanden en rond Sint Maarten als kinderen altijd ”wierksten” op straat; we slingerden met lege conservenblikken met gaatjes en gloeiende kooltjes aan een lange ijzerdraad rondjes, om een aardappel gaar te poffen, die onze moeders voorgekookt hadden, omdat het anders veel te lang duurde. Later deden we er ook weleens andere dingen in, zoals een plastic Smurfje met nagellakremover van onze oudere zussen, of koffiemelkpoeder, dan kreeg je vliegende blauwe vlammen of een cirkel-steekvlam.

Ik had er niet zo heel veel indruk mee gemaakt, merkte ik. Maar dat ging ik vanavond goed maken met het prachtige Sintermertesfeest. 

Zodra ik het gevoel van tradities zoals wierksen, sintermerte en vastelaovend probeer uit te leggen aan iemand van buiten Limburg, loop ik hartstikke klem tussen mijn nostalgische beleving van vroeger en de rauwe werkelijkheid van de moderne tijd. LED is het nieuwe kaarslicht, wierksen klinkt alsof ik drie eeuwen oud ben en in een vochtige grot geboren, vastelaovend krijg ik alleen nog maar uitgelegd als ik iemand dwing naar de film ”Truuk noa ’t Zuuje” van Rob Hodselmans en Lex Uiting te kijken en Sinter Merte lijkt ook al niet meer wat het in mijn herinneringen was, nu ik mij een ongeluk moest zoeken naar een lampion of zingend kind.

”Dus hij heeft ook een paard? Geen mijter? Geen schimmel? Maar wat doet hij dan met die mantel?”

”Het is een Romeinse Soldaat geloof ik. Hij snijdt zijn mantel in twee stukken en geeft die aan een arme bedelaar die het koud heeft.”

Nu leek hij een beetje onder de indruk.

”En dat doet hij allemaal op dat paard bij dat vuur? Een halve mantel? Maar die bedelaar kan zich toch warmen aan dat vuur? Het is nu al bloedheet hier.”

Ik gaf het op. Soms word je als Limburger nu eenmaal niet helemaal serieus genomen. Sintermerte moet je zien. Of beleefd hebben.

”Wacht maar af, je ziet het vanzelf.”

Het vuur begon al aardig volume te krijgen en we wachtten geduldig op het steigerende paard met die wilde en jongere, Romeinse variant van Sinterklaas, die in een groots en theatraal gebaar zijn mantel zou afzwaaien en aan een geknielde man schenken, geflankeerd door honderden kindertjes en ouders die luidkeels ”Sintermertes Veugelke – Haet ein roed wit keugelke” zongen. Ik voelde de brok in mijn keel al groter worden bij het vooruitzicht. Dit lied, een lied waarvan niemand sinds 1928 eigenlijk de tekst begrijpt, maar wel onthoudt, maakt Sinterklaas Kapoentje tot een minkukel, legde ik uit.

Ik vond Sintermerte als kind al een stuk leuker dan Sinterklaas. Hij had geen zak, geen groot big-brother-is-watching-you-boek en geen zwarte pieten of ongeloofwaardig verhaal over schoorstenen en wortels in je schoen. Ik wist al vanaf mijn 5e dat de GoedHeiligman Nummer Een gewoon de voorzitter van de buurtvereniging was, of juffrouw Ans met een diepere stem en een baard. Bij gebrek aan iets om in te geloven ben ik destijds al overgestapt naar GoedHeiligman Nummer Twee: Sintermerte. Want niets uit zijn verhaal leek een leugen. En ik hield altijd al van overzichtelijke feesten en verhalen: 1 lied, 1 vuur, 1 Heiligman, 1 lampion, 1 avond. Lekker duidelijk.

Het vuur begon alweer aardig over haar hoogtepunt heen te raken en de ouders met jonge kinderen druppelden weg, de donkere avond in en terug naar warme huiskamers, grote LED-tv’s en pyjamaatjes. Met enige moeite klom ik uit mijn nostalgische euforie en aanvaardde het heden: Goed-Heiligman-Nummer-Twee, zijn paard en bedelaar waren wegbezuinigd. De fanfare en het kinderkoor, waarvan ik vond dat ze perfect in toon en ritme bleven, bleken uit de luidsprekers te komen van een Daihatsu die langs de weg geparkeerd stond. En toch waren er een paar honderd mensen op de been, die allemaal een beetje genoten hadden van dat grote vuur. Datdanweerwel.

”Wel apart hoor, zo’n groot vuur met verder niks erbij. Kijk, daar lopen die kids met die LED-schoenen weer!”

Op de terugweg naar huis, zag ik een bedelaar zitten bij de stille roltrappen van de Jumbo; in elkaar gedoken onder een grote jas. In de verte meende ik hoefgetrappel te horen en het hinniken van een paard. Maar dat kon verbeelding zijn geweest..

 

ps: in onderstaand filmpje (van voor mijn tijd) zowel de traditie van het wierksen, Sintermerte en het prachtige lied Sintermertes Veugelke 😉

Sintermertes Veugelke in Venlo 1924 en 1939

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

PickleBob en de metrosexuele verstopping – een dialoog met mezelf

images (16)

Datingsites en 45+ers. Ik deed mijn schaamtekleed af en schreef me in. 

Ik bevind me sinds 48 uur in de krochten van andermans zielen, vreemde plannen, frustraties, lusten, rugzakken. Maar ook hele grappige, waarvan ik serieus van het lachen van mijn stoel val.

Ik ben ingelogd op OKcupid. Die is gratis en je kunt er partners zoeken uit alle exotische oorden ter wereld. Je vult ongeveer 5 miljoen vragen in en je matching-feest kan beginnen. Bij ‘matches’ zie je 2 cijfers boven de profielfoto: Matchpercentage in procenten en daarnaast in rood: het ‘niet-matchpercentage’. Ook belangrijk. Ik kan er om lachen, maar sophisticated en razendsnel is het systeem wel. Nog even uitzoeken hoe de filters werken, want ik heb zoveel matches dat ik ongeveer tot mijn 90ste kan daten.

Dat geeft geen hoop, maar wanhoop. Ik werd bij het zien van de aantallen ook meteen overvallen door een zware vermoeidheid bij de gedachte aan zo’n zoekklus.

Ik weet nog steeds niet precies wat ik verkeerd heb gedaan bij het invullen, maar binnen no-time kreeg ik een container mannen uit Texas, Parijs, Brussel, Londen, Rotterdam Noord en Kuwait die de meest stompzinnige openingszinnen hadden die ik ooit in mijn leven gelezen had.

”Hi, I’m PickleBob – Love your smile. Sent me a message if you like me too. Love to hear from you, Picklebob.”

Soortgelijke knallers kwamen ook van o.a. BigBlack78 (te jong) en LoveUBisexual en Amore4u50 (te oud?) en…PickleBob dus.

Ik bedoel, stel zelfs al is dit een ontzettende metroseksuele Antonio Bandoleras-achtige man. Met de naam PickleBob. Daar schiet je toch van in de kramp. Of stel je voor, je moet hem aan je getrouwde vrienden voorstellen op een verjaardagsfuif. Jongens, dit is PickleBob uit Texas. We hebben elkaar leren kennen op de datingsite waarover ik jullie vertelde. Ik zie een zwart gat voor me zonder sociaal leven en alleen met PickleBob in het noord Texas.

Tegen de tijd dat mijn fantasie uitgeblust is op PickleBobs obesitasprobleem, en BigBlack78 uit Luik eindelijk van mijn virtuele been heb geschud ben ik leeg en lusteloos en helemaal niet meer op zoek naar een man, een compliment of iets in die richting.

Kijk, het is wel heel komisch, maar ook van een grote treurigheid. Treurig komisch. En dat treurige overvalt me als ik uitgelachen ben en besef hoe veel mensen er jagen op eenzame mensen en hoeveel mensen zoals ik er lachen omdat iemand onzeker of lelijk, te dik of te dun is.

Nu ben ik een van hen. De anderen. De mensen die naar elkaar gluren en elkaar vanachter de anonieme beeldschermen aftasten, de kwade en de goede bedoelingen van elkaar proberen te scheiden, sommigen met een filter, een ander net te gulzig of met een leugen.

Het is heel mooi dat online dating bestaat en ik weet zeker dat er heel veel mooie relaties uit voortkomen. Maar het heeft voor mij vandaag een schaduwkant die verder gaat dan alleen fakeprofielen en sexjagers. Want hoe sophisticated ook, er rollen minstens zoveel leugens en teleurstellingen uit dit geniale systeem als echte liefde. En dat maakt het internet-daten een schemergebied, een casino voor de ziel – verslavend en een tikje gevaarlijk. Voor mij, maar ook voor die arme PickleBob uit Texas, die thuis geen meisje krijgen kan.

En fascinerend is het ook: miljoenen mensen die elkaar niet kennen en hunkerend naar iets rondzweven op het web. En sommigen zijn desnoods, als het dan toch niet wil lukken in het echt, al blij als er een vrouwmens aan de andere kant van de wereld iets leuks tegen ze zegt waar ze misschien wel de dag leuk mee doorkomen.

Een vriendin had me getipt om niet te ‘slim’ op mijn profiel over te komen. Ik hoefde niet dommig, maar ook niet zoals ik BEN, vond ze. Ik had nooit nagedacht over het verband tussen mijn handige hersens en het vinden van een partner en juist altijd gedacht dat het alleen maar goed is dat ik zo slim ben, omdat ik niet zo knap ben. Maar nee, ik moest knapper op de foto en dommer in mijn omschrijvingen en antwoorden. Te slim schrikt af en voila! Haar strategie werkte zo goed (of misschien nam ik het te letterlijk) dat ik amper twee uur nadat ik mijn virtuele contactpoort open gooide, alle mate nen soorten PickleBobs en BigBlack78’s van deze aarde in mijn postbus gekwakt kreeg. Tientallen!

Ik dobber vertwijfelt een uur rond in deze oceaan van sneuheid.

Wat is mijn rol, mijn doel ook alweer? Verhef ik mezelf boven ‘de anderen’ door er een beetje als een nep-antropoloog in te gaan zitten roeren en van bovenuit er naar te kijken? Dat is arrogant.

Wil ik me in die oceaan bevinden? Nee, ook niet. Dus ik lach wel om PickleBob, maar wie lacht er om mij?

Opeens, terwijl ik dit schrijf, een bericht in mijn liefdesmailbox. Het is de eerste man die er leuk en interessant uitziet en ook nog leuke dingen schrijft die het voorgenoemde level met mijlen overstegen. De match-statistieken ontploffen in mijn hoofd er bijna van, zelfs onze 17% niet-match lonkt als kerstverlichting. Ik laat PickleBob en mijn schaamte en doemdenkerij vallen als een baksteen en spoed me naar zijn profiel.

Kijk daar hebben we het al. Zo werkt het dus. De ‘trap’ is dat je net op het moment dat je wil kiezen voor afhaken in plaats van in die sneue oceaan verdrinken, valt er een type metroseksueel zo in je inbox en gelooft een mens weer spontaan in wonderen.  Hij is ook de eerste die zijn best heeft gedaan om een indrukwekkende eerste boodschap te formuleren. Van sneu gaan mijn filters op alert-stand: ik lees hersens, elegantie, interesse, humor, twijfel en gepaste afstand met voldoende prikkel.

Dus opeens ben ik de enige drenkeling in de sneue oceaan die een mooi stuk drijfhout vindt?

Zo snel kan dat gaan soms.

Maar toch. Tegen beter catfish-weten in heb ik mijn weak spots laten op-vlijen en probeer ik te verzinnen wat ik terug moet schrijven aan zoveel woordelijk evenwicht.

Bevind ik mij op de rand van het leugenravijn van een vreemdeling, of ben ik ook maar een mens dat goed wil ontmoeten en door zwemt?

Na een kop koffie weet ik het en ik schrijf terug:

 ‘Je hebt een leuke lach’ 

(ps: Ik meen het)

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

Vleeswording

Foto: Franco Gori
(Ook fotograaf Franco Gori kroop met zijn lens letterlijk en figuurlijk diep in de gebeurtenissen. Er volgen binnenkort nog veel meer prachtige beelden van Franco.

In december filmde ik met cameraman Arie van Dam en een zeer bijzonder Spaans-Nederlands gezelschap een bijzonder eetfenomeen in Zuid Spanje: de traditionele huisslacht, ofwel ‘Matanza. Met een tas vol mooie beelden en een hart vol warmte en verhalen keerden we terug naar koud en donker Nederland. Ik wist het zeker: Vlees is een sociale happening, het slachten een moeilijk, maar intens mooi ritueel, het delen een onlosmakelijk deel van samen mens durven zijn.

Dat gevoel wilde ik vasthouden en in de film leggen. Hoe precies, wist ik nog niet. Want een stel slachtende kerels die grappen makend een lief guitig varken in stukken snijden, is best lastig om te verbeelden als een warme, sociale en humane handeling.
Dat is dus de uitdaging van beschouwende films maken.

Terwijl ik me avond aan avond verloor in mijn vleesgefilosofeer tijdens de montage, bleek een van de deelnemers aan de thuisslacht zijn beeld over slachtethiek met terugwerkende kracht te hebben bijgesteld. Een week lang peuterde ik de man uit alle scenes en met mokkend filmhart zag ik samen met hem een reeks prachtige sleutelscenes als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Ik begon opnieuw en richtte me deze keer op de kern van de kern van de kern: De slacht. Er vloeide zoveel bloed over mijn montagescherm, dat ik spontaan veganistisch werd. Urenlang knipte ik in de schreeuw van de twee slachtvarkens. Maar hoe knip je een schreeuw van een bang dier? Maak je het korter zodat het publiek niet walgend of huilend wegloopt? Gooi ik er een muziekje doorheen om het een beetje te verzachten? Waren er regels voor de lengte van een schreeuw? Welk muziekje zet je daar onder in godsnaam? Welke artiest is in staat om de schreeuw van een dier in doodsnood te verzachten? Die twijfelachtige eer durfde ik zelfs AC/DC niet te gunnen.

Ook mijn eigen ethiek werd voortdurend op de proef gesteld. Ik was geen film aan het maken, maar een dilemma aan het uitvergroten. Maar, zoals een goede vriend en collega zei na mijn geweeklaag hierover: ‘’Daar doe je het voor, als kunstenaar of filmmaker; je produceert dilemma’s, nieuwe vragen, je HOEFT geen oplossing te bieden.’

Vreemd, waarom had ik in Nederland eigenlijk veel meer morele bezwaren dan in Spanje? Was het het zuurstofgehalte? De berglucht? De heimwee naar een tijd die ik nooit heb meegemaakt? De valse nostalgie die aan mijn ziel kleefde sinds mijn verhuizing terug naar Nederlnad? Noch tijdens het slachten, tijdens het eten of dicussieren met mijn schoenzolen nog in het varkensbloed, had ik last gehad van enig moraal bezwaar of ethisch euvel. Maar weer weg uit mijn geliefde oeromgeving van Zuid Spanje, terug in de wereld van de ethiek om de ethiek, discussies om de discussies en omringd door mensen die alles nog veel beter denken te weten dan ik, sloeg de twijfel toe. Waarom maakte ik ook alweer deze film? Wat wilde ik bewijzen? Oh ja, de oerlink. Vlees-mens-dier-dood-leven-feest-liefde. Meer niet.

Als je de montageschaar in handen hebt, ben je in principe klaar om de realiteit in hapklare stukjes te knippen. Je bent een beetje slager: ga ik dat prachtige varkenshoofd in z’n geheel in je vitrine leggen, of maak ik er een mooi schaaltje ambachtelijk verkoopbaar van?

Je hebt even een ontzettend grote macht over de dingen en gebeurtenissen tijdens zo’n montage. Je kunt iemand die lief is, gemeen maken, de dood minder erg maken en de schreeuw inkorten tot draaglijke proporties. Maar wat blijft er dan over van mijn diepste filmwens om iets in beeld te brengen dat er gewoon ‘is’, doorgedraaid vleesetend Nederland te laten zien dat er mooiere, diepere en rijkere verbanden bestaan tussen het dier, de dood en ons lapje vlees. Dat er ooit een wereld was waar sociale wetten en oerverbanden leidend waren en niet de Partij voor de Dieren, Herman Bleker, Herman ten Blijker, Pownieuws en overspannen CEO’s van de vleesindustrie.

Al wordt dit niet de meest subtiele film die ik heb gemaakt, ik verheug me weer op het knippen, snijden, foeteren en het gepeuter aan de schreeuw van het varken, de lach van Manolo, de ogen van Berend, de handen van Rosa. Maar dat was ik even vergeten.

Tot snel met meer nieuws over Vleeswording.