mijn zorgrobot en de punaises van Oma

robot-flower-wallpaper-1

Vroeger hadden we thuis een boekje getiteld Oma weet Het Beter. De eerste druk, met nog ouderwetsche Nederlandsche woorden erin. Bij een zwerende vinger, een teek (was het nu linksom of rechtsom draaien, een gloeiende sigaret erop of verdrinken in olie of afschrikken met terpetine?) maar ook nachtmerries, een zwaar gemoed of een kater na te veel drank. (rauwe eieren of haringen?) In Oma Weet Het Beter stonden eigenlijk alle oplossingen voor de grote wereldproblemen die zich zo dagelijks kunnen manifesteren in een groot huishouden.

Ik slaapwandelde als kind wel eens. En nogal uitgebreid. Zo werd ik weleens wakker met mijn hoofd in het felle ijskastlicht, in de hondenmand naast Bruno, of slapend onder de salontafel. Mijn moeder maakte zich zorgen nadat er een broodje-aap verhaal rondging over iemand in de buurt die uit het raam was gesprongen tijdens het slaapwandelen. Waar gebeurd of niet, het was een eng verhaal. Ze raadpleegde ons beduimelde Oma-orakel. Natte lappen naast het bed, was het advies. En als dat niet werkt: schoenspijkertjes. Mijn broer, die zich in die tijd in de sadistische puberale fase bevond, wist meteen een doos punaises te vinden en zei: die blijven beter liggen.

Natuurlijk heeft mijn moeder geen schoenspijkers, natte lappen of punaises rond mijn bed gestrooid. Maar voor mij leek het beeld al voldoende om ’s nachts gewoon in mijn bed te blijven liggen.

‘Oma weet raad’, de slimme best-sellende opvolger van ‘Oma weet het beter’’ heeft er goed munt uitgeslagen sinds de eerste druk in 1992; het boek is inmiddels tig keer in de herdruk gegaan en een succesvolle website schiet online dagelijks duizenden huishoudens te hulp bij het signaleren van een teek, een zilvervisje, of een jengelig kind met melktandjespijn. Oma’s raad reikt in feite nog veel verder dan boekjes en websites; ouderwetsche huishoudtips zijn miljoenenhandel en de basis voor talloze vrouwenmagazines, de marketingstrategie van biologische merken en ketens, tv-formats, gezondheid-vlogs, Instagram-dieet-guru’s. Oma zit zelfs tot in de haarvaten van advies- en psychologen-praktijken en alternatieve geneesmarkt. Oma is ons pre-technologische geweten uit de tijd toen we nog niet wisten dat we de wereld om zeep hielpen, maar wel wisten hoe we moesten overleven met de beperkte kennis en met de simpele middelen die we toen binnen bereik hadden. Als Oma had geweten dat er een eeuw later een miljoenen industrie zou ontstaan rondom deze simpelheid, dan had ze de rechten van haar eerste boekje in 1928 wel beter vastgelegd bij de notaris.  Of Dokter Vogel geheten. En hiermee had ze dan weer haar nazaten tot en met de vijfde generatie kunnen voorzien van een basisinkomen.

Dusss….Inmiddels weten we het zeker: Oma wist het fucking beter!

Waarom ik zelf ook nog naar dit soort boekjes neig te grijpen als ik een huishoudelijk wereldprobleem heb, weet ik eigenlijk niet. Maar ik stopte onlangs toch weer eens een natte krant in mijn nieuwe schoenen, legde een spons met azijn op een schoteltje, steek kruidnagels in sinaasappelen die te lang gelegen hebben en heb me onlangs nog flink laten uitlachen omdat ik weegbreebladeren in mijn sokken had gestopt. Dat hadden ook vier flesjes spray kunnen zijn uit een winkel: schoenen-soepelmaak-nano-spray, HG-nare-luchtjes-spray, Febreze luchtverfrisser oriëntaal met kruidnagel, voeten-zonder-blaren-spray.

Onlangs slaapwandelde ik weer eens sinds hele lange tijd. De trap naar mijn slaapkamer is Amsterdams steil en hoog voor Eindhovense begrippen; een bijna-ladder. Ik schrok wakker op ongeveer een halve meter voor de trap. Mijn geest had er snel een doosje punaises en natte lappen neergegooid, bleek. Auw. Zo zie je maar weer. Oma’s domme belachelijke raad, heeft zich in mijn systeem genesteld als welkome alarmbel.

Moderne tijd en ouderwetse wijsheid; ze zijn een prima huwelijk. Generatieoverschrijdend ook. Ik omarm beide. Generatiedingetje. Als ik later bijvoorbeeld een zorgrobot krijg, dan leer ik die gewoon kruidnagels in sinaasappelen steken en weegbree plukken als ik niet meer kan bukken.

PS. Mijn eigen oma’s wisten trouwens helemaal niks. De enige wijze raad die ik mij van oma #1 kan heugen: ”Kind, zorg dat je altijd een schone witte onderbroek aan hebt en eentje in de tas, voor het geval je een ongeluk krijg en ze je vinden.” Oma #2’s tip voor het leven was: ”Meisje, zorg ervoor dat je geen grote borsten krijgt, want dat moet je allemaal maar meeslepen een leven lang.” 

 

 

 

Cut

editing

Vroeger, als ik een dag flink gerolschaatst had en ik trok daarna mijn normale schoenen weer aan, ging ik steevast op mijn bek. Je hersenen wilden nog vaart maken, maar je benen begrepen dat nog niet.

Alhoewel ik gelukkig veel afwisseling in mijn vak ken – slaan bij het monteren van video de repeterende bewegingen minstens zo sterk in mijn systeem dan vroeger bij het rolschaatsen.

Omdat montages vaak best lange en eenzame ritten zijn, hanteer ik een streng regime van elke 6 uur CO2 tanken, veel bananen eten, beetje bewegen en af en toe een echt levend mens hallo zeggen.

Maar mijn benen rolschaatsen nog omdat mijn hersenen de normale loop van het leven nog niet aan mijn voeten gecommuniceerd hebben.

Eenmaal buiten begin ik de wereld meteen in stukjes te knippen. ‘’Mooi die gele auto van links naar rechts door het beeld met die donkere herfstwolken en licht groene lentebladeren.’’ Ik bedenk een Braziliaans muziekje op het ritme van de piepende fiets van de student die voor me rijdt, leg een lekker lente-achtig kleurfiltertje over de loodgrijze regenluchten. Ook de twee mollige vis-broers op de Tongersestraat staan er weer mooi bij in Zeemanblauw en smoezelig wit vandaag. Hun glimmende gezichten uitgelicht in het blauw van de lichtbak en op het zilver van de duizenden sardientjes in ijs zou een prachtige titelanimatie passen. Een Lasse Halströmpje.

Alles is een scene, een fragment. Ik laveer tussen de ruis van audiosporen, kleuren en halve dialogen – en doe de boodschappen voor het avondeten. Alle vervelende scenes, mensen en geluiden filter ik er lekker uit, nu mijn hersenen dat nog toelaten.

Want soms is de echte wereld net niet de film waarin ik wil ‘rolschaatsen’. Dus ik erase alle Trump-en Erdogan-krantenkoppen, de buurman met zijn flexzaag-, de roddelende collega-, de meneer die een bejaarde bijna van haar looprek reed vanochtend.

En ik maak freeze frames van alles wat glimlacht, bloeit en in maximaal 60 frames per seconde is te verhapstukken.

Cut – rewind – pan en zoom (out) – erase – no (light) filter – fade in – renderen.. en nu een kopje koffie en dan weer lekker mijn rolschaatsen aan.

Vandaag geen zon in Solwaster

P1010892.JPG

 

In mijn fantasie vind ik België een soort Zuid Spanje naast de deur. Van het gemoedelijke tot de simpele pure kost die de herbergen en bruine kroegen vol lelijke boerenkoppen serveren. Het Carpe Diem gevoel dat op geheel eigen wijze in de praktijk van het dagelijkse leven irritaties oproept bij ons, ‘’opgeruimde’’ Nederlanders. De pleurisbende in het boerenland, de mix van oeroude stenen huizen en oerlelijke nieuw-geld villa’s. Als ik aan België denk, zie ik Jacques Brels gulle mond in zwart wit zoals ik Cameron voor me zie in een wit betegeld buurtkroegje als ik ergens in de Bahia de Cádiz ben.

We waren twee dagen in België. Misschien had ik het huisje in Solwaster gehuurd omdat ik kerstmis zo graag wil overslaan soms. Misschien omdat ik net in enkele dagen mijn verloren gewaande Carpe Diem hervond in zo’n wit betegeld kroegje vol lelijke koppen in Spanje en ik dit gevoel nog even wilde oproepen, op rijafstand.

In Solwaster kreeg mijn voortdurend valse nostalgie producerende ziel een winterse, ontnuchterende regenbui over zich heen. Solwaster was bruin. Nat. Leeg. Grijs. Het huis was mooi. Te mooi. Alsof ik even in het huis van een gegoede Nederlandse familie met een investeringspandje in de Ardennen mocht logeren, omdat ik al tien jaar golfde met de vrouw des huizes. Alles was er. Zelfs een raclette set en een kerstboom met een tijdklok. Om 16 uur ging kerstmis aan en om 22.30 uur weer uit. Hartelijke eigenaren. Zorgzaam. Schoon. Vriendelijk. Good looking. Mensen met smaak. Het gastenboek van de Bijenkorf vol dankbare kreten van prachtig en comfortabel, indrukwekkende natuur. Wandelroutes 55 en 58 een MUST. Ik wil niet musten. En alleen gekken wandelen in de regen in de bergen zei Blas altijd. En hij kon het weten.

Maar waar was Jacques Brel?

Ik werd best verdrietig opeens daar in België. Zoals ik ook wel eens verdrietig word als ik in een stad loop waar de winkels en mensen en honden zo op elkaar lijken, dat ik vergeet in welke stad ik ook alweer was. Dit had in elke mooie plek op een toeristische route in heel Europa kunnen zijn. Nou ja, op de plaatsnaam, het weer en de wegbewijzering na dan.

De zware geest van mijn moeder op mijn schouder die altijd zei: Vertrouw nooit een Belg’, terwijl haar voorvaderen uit Liège kwamen. Fragmentarische herinneringen van een kil slaapkamertje met strakke spreien en hard plastic poppen met dode ogen en verknipte gelige pruikjes waar ik met een paar wildvreemde achternichtjes door hun moeder gescheiden werd van de gezellige volwassenwereld in de huiskamer. De markt in Luik, waar we gingen griezelen bij de man die tweedehands kunstgebitten verkocht.

Mijn moeder die geen woord Frans verstond, moest altijd huilen als ze Jacques Brel hoorde. En ik vond dat hij op ome Mart leek en een beetje op mijn vader. Dat huilen begreep ik niet zo, noch de teksten.

Nu huil ik ook bij Jacques Brel. Misschien word ik ouder, misschien zit er ergens een Belg verstopt, achter mijn Verspaanste Venlose hart. Of lijk ik toch gewoon op mijn moeder die altijd treurig werd in Belgie.

Onze benedenbuurman in Solwaster bleek een Spanjaard en tevens uitbater van de dorpskroeg. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik het licht zag aanspringen. TL-licht. Jacques, Cameron en een beetje zon braken door. Ik vind het normaliter erg aanstellerig om Spaans te gaan babbelen als je je belabberde Frans zou moeten oefenen, maar de woorden rolden gewoon uit mijn mond, ook al was de soep van de dag (sinds decennia waarschijnlijk) Franse uiensoep en de inrichting uit een horecacatalogus van een bedrijf in Verviers dat ergens in de jaren tachtig failliet moet zijn gegaan.

Aan een TL balk alleen kun je je niet warmen.

Hoe vaak had ik zelf die vraag verwenst als mensen uit Nederland in Cartajima hem aan mij stelden: ‘Hoe ben je HIER in Godsnaam terecht gekomen?’ Ik werd door die vraag destijds een soort wandelend pre-ik-vertrek-format. En mijn verhaal werd steeds korter. Kort voordat ik terugkeerde naar Venlo, zat ik al op twee woorden:

Carpe Diem (en een weids gebaar naar de wit betegelde en zonovergoten wereld om me heen)

De vraag drong zich toch op. De Spanjaard leek ook een beetje treurig, uitgeblust in de winter-regens van Solwaster. Misschien kon ik hem en mezelf even opvrolijken. Moerstaal, zon.

¿Cómo se acabó aquí en Solwaster?

Hij zuchtte: ‘’Via een weekje vakantie in Malaga 31 jaar geleden, toen ik mijn vrouw leerde kennen en ben meegegaan.’’

Ik bestelde twee carajillo’s met koffie

‘Mujer. Ik serveer geen carajillo.’

Geen zonlicht vandaag.

Ik drink duistere rum uit Capo Verde met koffie en als ik mijn neus in het glas rum steek, wenste ik dat ik in Cuba was. Capo Verde lijkt me niks. Met mijn mannen, Jacques en Cameron. Of gewoon lekker thuis in Eindhoven. Op de bank met een slechte kerstfilm, mijn mannen en Lonnie de kat.

Bij de grens van Nederland klik ik op de nieuwsberichten. De zon breekt door en we laten het regengordijn van België achter ons. George Michael is dood. Iedereen treurt.

En later zeg ik misschien ooit. Ja, ik herinner me nog goed toen George Michael stierf. Op de grens van België en Nederland reden we toen. Iedereen treurde, waar ik was alleen maar blij dat de zon doorbrak en we door mijn Limburgse land door een spiksplinternieuwe tunnel terug naar huis reden.

Nee, Carpe Diem is toch geen tegelspreukje. Het is ook een beetje verdrietig zijn in Solwaster. Of samen thuiskomen als de zon doorbreekt.

 

Foto: een verdwaalde kabouter in het natte bos bij Solwaster.

We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Enge beestjes, Enzo Knol en andere puber-vriendelijke gespreksstof

pubers

“Worden wij nu ook van die ouwe zemelaars die op een verjaardag doorzemelen over hun verleden dat zo avontuurlijk was?” Dat vroeg laatst een vriendin aan me, tijdens een reünie-etentje. “Ik ben dat thuis al in elk geval.” Antwoordde ik. Ik trakteer man en zoon regelmatig ongevraagd op een avontuurlijke anekdote uit mijn Spaanse boerderij tijd. Want wat is nu leuker als indruk maken met stoere verhalen op twee jongens tegelijk?

Of.. Is dat echt leuk? Eigenlijk is het lastiger om indruk te maken op een 12 jarige dan een exelente marketingstrategie te bedenken voor een abstracte innovatie die nog gematerialiseerd moet worden. ..

Dus ik begin mijn anekdote; over enge beesten in de nacht deze keer. De 12 jarige kijkt me af en toe aan alsof hij denkt: ja, ja – en hier in Eindhoven ben je bang voor een spin in de huiskamer. Ik besef met de jaren die verstrijken hoe ongeloofwaardig mijn ecosofische avonturen soms moeten klinken in de oren van een jongen die ik nu een kop thee breng terwijl hij op zijn PlayStation mensen omver rijdt, voetballers transfert en zijn toekomstige stoere brugklassers-vocabulaire oefent op zijn mobieltje, terwijl hij met zijn derde oog op zijn ipad lacht om de slechte grappen van Enzo Knol.

Ik wil indruk maken met mijn stoere verleden, maar dat lukt niet altijd. Het online-avontuur lonkt altijd en is stukken meer ‘beleving’ dan die eendimensionale haardvuurverhalen van mij (zonder plaatjes, filmpjes en ontploffingsgeluiden).

Toch doe ik nog een poging, waaruit dat dit soort gesprekken rollen:

Hij: Zaten er grote spinnen in Spanje?

Ik: (dolblij met deze interessevraag) Heeeeele grote – en soms ook schorpioenen en reuze-duizendpoten! (ik werk naar het spannende scolupendra-avontuur en andere griezelverhalen toe..)

Hij: En was je dan niet de hele tijd bang? Hier ben je altijd bang voor beestjes..

Ik: nee, daar wen je wel aan, dat er allerlei beestjes rondkruipen (lieg-een-beetje)

Hij: verf jij je haren?

Ik: Hoezo? Wat heeft dat met die enge beesten te maken?

Hij: Gewoon, dat dacht ik. Je hebt zo’n vreemde kleur haar en het is zo dun.

Ik: zal ik je nog dat verhaal vertellen over de enge beestjes?

Hij: Heb je dat niet al verteld? Van dat je gebeten was door hoe-heet-zo’n-ding? En waarom ben jij nog niet grijs dan? Je bent toch al best oud?

Ik (nog net een opvlieger onderdrukkende) Ik ben wel grijs, maar dat zie je niet goed bij mijn kleur haar.

Hij ‘Maakte jij alle enge beesten meteen dood toen op de boerderij?’

Ik: Nee, alleen als ze in mijn huis rondkropen of als ze probeerden te steken of te bijten (ik rekende tot mijn huis ook het erf, de schuur en de bijgebouwtjes)

Hij: Heb je wel eens een heel groot dier doodgemaakt?

Ik: uh… (te lang nadenkend over de formulering ‘groot’ – bedoelde hij een groot insect of een koe hier?)

Hij (haakt alweer af): ..Weet je, iemand op youtube had voor een challenge een regenworm gegeten. Heb je wel eens een regenworm gegeten?

Van een ‘senior verhalenverteller’ was ik thuis in vijf vragen een ietwat schijterige beestjes-killingmachine met vreemd haar die niet eens ooit een regenworm had gegeten. Mijn opborrelende anekdote over ons geurloze wormen-compost-toilet op de boerderij, slikte ik nog net op tijd in.

We eten. (‘Je weet toch dat ik geen witlof lust!’ ) Geen spannend verhaal vandaag. Morgen nog eens proberen. De volhouder wint.

 

 

De Vijf van Cuba – te gast bij Nomad & Villager

 

Foto: Nicole Franken
Foto: Nicole Franken

De Vijf van Cuba – Gastblog bij Nomad & Villager

Ik vind het een hele eer om als gast-reporter bij de dames Nomad & Villager (van het leukste reismagazine van Nederland ) te zijn!

Viva la Rumba de la Vida!

De dood en ons dagelijkse brood (Uit het boek van Blas)

Paco, de oudste zoon van Paqui en Juan was patsboem dood omgevallen tijdens een dominopartijtje in Balta’s bar op een bloedhete zondagmiddag. Slechts 35 Spaanse lentes had hij meegemaakt, het arme bakkersjong. Raar vond niemand het, die hartaanval. Al was het wel even schrikken op zo’n gewone, stille zondag in een dorpje waar zelden iemand nog stierf tegenwoordig. Paco had er een nogal ongezonde levensstijl op nagehouden; veel te dik, hij rookte als een ketter, dronk als een Costa-Rus en was een zeer zwijgzame binnenvetter. Het verdriet van Paqui en de stille, gebroken Juan raakte ons allen diep. Nog nooit had hij een meisje gehad, snikte Paqui’s zus terwijl we met stoelen en opklaptafels sleepten in de hete zon. En ik vroeg me af of dat goed of slecht was. Het scheelde alweer een veel te jonge zwarte weduwe die bij een verdrietige schoonmoeder in huis haar jonge dagen mag slijten. Daar waren er al meer dan voldoende van in dit dorp.
De manier waarop de dorpelingen zich voorbereidden op een begrafenis, had hetzelfde koortsachtige karakter als de dag voor de jaarlijkse dorpsferia.  Niemand had echt de regie, maar alles liep toch op rolletjes. Er werden massa’s eten gekookt door de vrouwen uit de Calle Alto en de vrouwen van de ‘Hermandad del Nino Jesus de Cartajima’ bakten taarten en schikten bloemstukken voor in de kerk. De straten werden aangeveegd en de kleine achterkamer van de bakkerij was leeggeruimd om de opbaartafel met de gigantische oude koelmotor te installeren.  Terwijl vijf sterke mannen Paco’s logge dode lichaam van Balta’s kroegkoelcel naar de achterkamer manoeuvreerden, namen de vrouwen Paqui mee voor een ommetje. Dat was maar goed ook bleek later, want de kar waar ze Paco op hadden gelegd om naar zijn ouderlijke huis te vervoeren, was omgekiept bij de laatste bocht, waardoor Paco’s zwarte pak onder het stof zat.
Na enige manoeuvres en een snelle borstelbeurt kon de wake in Paqui’s keuken beginnen.  Paco lag er bij alsof er iets gebeurd was. Al snel zat de kleine achterkamer –die ook als opslag voor de winkel diende – vol. Iedereen zweeg, behalve Paqui die in lange uithalen weeklaagde en zich met haar vuist op de borst sloeg. ‘Mijn zoon, mijn zoon, waarom toch mijn zoon?’ De koelmotor van de baartafel vocht als een beest tegen de tropische hitte en iemand wisselde het volle koelwaterlekbakje onder het nylon gordijntje aan het voeteneinde. Niemand keek echt naar Paco, omdat de opbaartafel veel te hoog was ten opzichte van de typische Andalusische stoeltjes met veel te korte poten. Ik denk dat niemand het heel erg vond, want Paco was niet bepaald Sneeuwwitje in zijn zwarte glimmende Hermanidad-kostuum. Dus stil staarden we met z’n allen naar het nylon gordijntje en de kartonnen dozen met gezouten botten en pakken melk die iemand haastig tegen de muur had geschoven. Buiten was het een kabaal van jewelste; het reüniegevoel onder de mannen zwol aan.
Tot diep in de nacht druppelden er familieleden en buren het dorp binnen. De straatjes vulden zich met begroetingen en kinderstemmen, uit de keukenramen van de Calle Alto klonk pannengekletter en sissende olie. Het mocht geen feest heten, maar toch was het dorp op z’n gezelligst als er iemand dood was gegaan. Iedereen leefde er even van op.
De dag na de begrafenis, als de laatste auto’s van neven, nichten en aanhangende familieleden toeterend verdwenen waren in de bocht, was het dorp weer net als altijd: doods.  Balta deed zijn bierprijs weer een kwartje omlaag en plakte nieuwe lijsten op voor de volgende dominocompetitie. Paqui stond weer gewoon achter haar toonbank met donkere kringen van verdriet rond haar ogen en Juan  maakte de oven schoon, zwijgend zoals altijd. Het was druk in de winkel en een gekakel van jewelste. Iedereen had 2 dagen vers brood gemist en Paqui’s winkelvoorraad Bimbo-brood was gisteren al op.
We waren 72 uur verder.
Paqui zou vanaf vandaag en voor de rest van haar leven zwart dragen. Want alhoewel deze rouwtraditie in de meeste delen van Spanje al sinds de jaren 50 was afgeschaft, hield men hier nog stevig vast aan wat ooit sociaal gewenst was. Juan zei zijn lidmaatschap bij de dominoclub op en hij zette geen voet meer binnen bij Balta. Behalve bij begrafenissen, want dan was het dorp weer 48 uur van iedereen.  
En zo werd de stille Paco weer deel van het dorpsplaatje; in de kolossale zwarte schortjurken van zijn moeder en het eeuwige zwijgen van Juan die ons dagelijkse brood bakte.

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.