Vandaag geen zon in Solwaster

P1010892.JPG

 

In mijn fantasie vind ik België een soort Zuid Spanje naast de deur. Van het gemoedelijke tot de simpele pure kost die de herbergen en bruine kroegen vol lelijke boerenkoppen serveren. Het Carpe Diem gevoel dat op geheel eigen wijze in de praktijk van het dagelijkse leven irritaties oproept bij ons, ‘’opgeruimde’’ Nederlanders. De pleurisbende in het boerenland, de mix van oeroude stenen huizen en oerlelijke nieuw-geld villa’s. Als ik aan België denk, zie ik Jacques Brels gulle mond in zwart wit zoals ik Cameron voor me zie in een wit betegeld buurtkroegje als ik ergens in de Bahia de Cádiz ben.

We waren twee dagen in België. Misschien had ik het huisje in Solwaster gehuurd omdat ik kerstmis zo graag wil overslaan soms. Misschien omdat ik net in enkele dagen mijn verloren gewaande Carpe Diem hervond in zo’n wit betegeld kroegje vol lelijke koppen in Spanje en ik dit gevoel nog even wilde oproepen, op rijafstand.

In Solwaster kreeg mijn voortdurend valse nostalgie producerende ziel een winterse, ontnuchterende regenbui over zich heen. Solwaster was bruin. Nat. Leeg. Grijs. Het huis was mooi. Te mooi. Alsof ik even in het huis van een gegoede Nederlandse familie met een investeringspandje in de Ardennen mocht logeren, omdat ik al tien jaar golfde met de vrouw des huizes. Alles was er. Zelfs een raclette set en een kerstboom met een tijdklok. Om 16 uur ging kerstmis aan en om 22.30 uur weer uit. Hartelijke eigenaren. Zorgzaam. Schoon. Vriendelijk. Good looking. Mensen met smaak. Het gastenboek van de Bijenkorf vol dankbare kreten van prachtig en comfortabel, indrukwekkende natuur. Wandelroutes 55 en 58 een MUST. Ik wil niet musten. En alleen gekken wandelen in de regen in de bergen zei Blas altijd. En hij kon het weten.

Maar waar was Jacques Brel?

Ik werd best verdrietig opeens daar in België. Zoals ik ook wel eens verdrietig word als ik in een stad loop waar de winkels en mensen en honden zo op elkaar lijken, dat ik vergeet in welke stad ik ook alweer was. Dit had in elke mooie plek op een toeristische route in heel Europa kunnen zijn. Nou ja, op de plaatsnaam, het weer en de wegbewijzering na dan.

De zware geest van mijn moeder op mijn schouder die altijd zei: Vertrouw nooit een Belg’, terwijl haar voorvaderen uit Liège kwamen. Fragmentarische herinneringen van een kil slaapkamertje met strakke spreien en hard plastic poppen met dode ogen en verknipte gelige pruikjes waar ik met een paar wildvreemde achternichtjes door hun moeder gescheiden werd van de gezellige volwassenwereld in de huiskamer. De markt in Luik, waar we gingen griezelen bij de man die tweedehands kunstgebitten verkocht.

Mijn moeder die geen woord Frans verstond, moest altijd huilen als ze Jacques Brel hoorde. En ik vond dat hij op ome Mart leek en een beetje op mijn vader. Dat huilen begreep ik niet zo, noch de teksten.

Nu huil ik ook bij Jacques Brel. Misschien word ik ouder, misschien zit er ergens een Belg verstopt, achter mijn Verspaanste Venlose hart. Of lijk ik toch gewoon op mijn moeder die altijd treurig werd in Belgie.

Onze benedenbuurman in Solwaster bleek een Spanjaard en tevens uitbater van de dorpskroeg. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik het licht zag aanspringen. TL-licht. Jacques, Cameron en een beetje zon braken door. Ik vind het normaliter erg aanstellerig om Spaans te gaan babbelen als je je belabberde Frans zou moeten oefenen, maar de woorden rolden gewoon uit mijn mond, ook al was de soep van de dag (sinds decennia waarschijnlijk) Franse uiensoep en de inrichting uit een horecacatalogus van een bedrijf in Verviers dat ergens in de jaren tachtig failliet moet zijn gegaan.

Aan een TL balk alleen kun je je niet warmen.

Hoe vaak had ik zelf die vraag verwenst als mensen uit Nederland in Cartajima hem aan mij stelden: ‘Hoe ben je HIER in Godsnaam terecht gekomen?’ Ik werd door die vraag destijds een soort wandelend pre-ik-vertrek-format. En mijn verhaal werd steeds korter. Kort voordat ik terugkeerde naar Venlo, zat ik al op twee woorden:

Carpe Diem (en een weids gebaar naar de wit betegelde en zonovergoten wereld om me heen)

De vraag drong zich toch op. De Spanjaard leek ook een beetje treurig, uitgeblust in de winter-regens van Solwaster. Misschien kon ik hem en mezelf even opvrolijken. Moerstaal, zon.

¿Cómo se acabó aquí en Solwaster?

Hij zuchtte: ‘’Via een weekje vakantie in Malaga 31 jaar geleden, toen ik mijn vrouw leerde kennen en ben meegegaan.’’

Ik bestelde twee carajillo’s met koffie

‘Mujer. Ik serveer geen carajillo.’

Geen zonlicht vandaag.

Ik drink duistere rum uit Capo Verde met koffie en als ik mijn neus in het glas rum steek, wenste ik dat ik in Cuba was. Capo Verde lijkt me niks. Met mijn mannen, Jacques en Cameron. Of gewoon lekker thuis in Eindhoven. Op de bank met een slechte kerstfilm, mijn mannen en Lonnie de kat.

Bij de grens van Nederland klik ik op de nieuwsberichten. De zon breekt door en we laten het regengordijn van België achter ons. George Michael is dood. Iedereen treurt.

En later zeg ik misschien ooit. Ja, ik herinner me nog goed toen George Michael stierf. Op de grens van België en Nederland reden we toen. Iedereen treurde, waar ik was alleen maar blij dat de zon doorbrak en we door mijn Limburgse land door een spiksplinternieuwe tunnel terug naar huis reden.

Nee, Carpe Diem is toch geen tegelspreukje. Het is ook een beetje verdrietig zijn in Solwaster. Of samen thuiskomen als de zon doorbreekt.

 

Foto: een verdwaalde kabouter in het natte bos bij Solwaster.

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

Manolo en de buitenlanders (uit Het boek van Blas)

In het begin dacht ik dat bijna alle Andaluciërs xenofoben waren. Maar dat was niet zo, bleek. Ze hadden in de bergen gewoon een hekel aan buitenlanders die deden alsof ze alles wisten.

Manolo verdiende goud geld aan zijn buitenlandse stamgasten, ongeveer de helft van zijn klantenbestand. Maar vriendelijk was hij nooit tegen ze. Waarom zou hij, drinken deden ze toch wel. Zijn knorrige achterdochtige blik en zijn weigering om ook maar 1 woord Engels te proberen, deden wonderen. De buitenlanders waren zo mak als lammetjes in Manolo’s kroeg. Niemand durfde met Manolo te discussieren en dat hield hij graag zo. Op momenten waar hij een zwak vertoonde voor een zeldzame knappe buitenlandse dame, was daar Encarni, zijn vrouw. En Belen, zijn moeder. Hun vernietigende blikken vanuit de half open keuken deden alle feromonen meteen de das om. Manolo was op z’n best en veiligst als hij gewoon boos keek.

’Ik heb liever 10 dronken Britten die de zaak kort en klein slaan, dan 1 Nederlander die zijn reisgids op de bar legt, een kopje thee bestelt om 9 uur ’s avonds en me dan tot sluitingstijd uit gaat leggen hoe het ook al weer zat in de tijd van Franco.’

Zo was Manolo. En daar deed je niks aan.