De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

De Gonzalodagen – een wilde flamencorit

Of ik even meeging naar een concertje van Gonzalo de Jerez. Ik was wel toe aan een cultureel uitstapje en had Gonzalo’s naam al vaker horen vallen in de diepere flamenco-kringen, dus deed mijn paasbeste jurk aan. In de groene stationcar van Gonzalo’s neef Juan, zat ik, ingeklemd tussen neef Juan en zijn pruilende Spaanse schone geklemd. Gonzalo op de bijrijderstoel rommelde aan de autoradio en schreeuwde in Simon el Rubio’s oor hoe hij moest rijden.

Gonzalo de Jerez was een omlaag gevallen zanger, van de categorie hopeloos trieste flamencoverslaafden. Toch leefde hij alsof het leven een groot feest was; hij vierde het leven en zijn langslepende ondergang scheldend, zuipend en zingend.

Een onuitstaanbaar, horkerig en lawaaierig ego, triest, maar ook intrigerend figuur. Hij had een hele zwerm van eveneens aan lager wal geraakte flamenco-muzikanten om zich heen hangen en daar zaten ongelooflijke meesters op retour en meesters in wording tussen. Alles rondom Gonzalo was altijd een chaotische strijd en wanorde.

Vanaf een uur of 10 ’s ochtends begon Gonzalo te drinken, vanaf een uur of 16.00 ’s middags, begon hij te zingen, al dan niet gevraagd of betaald. Wie hem een betaalde podiumklus gaf, moest maar afwachten in welke fase van dronkenschap Gonzalo ten tonele verschijnen zou. Heel dronken, straalbezopen of lamlazerus. Iedereen tussen Jerez en Cadiz wist dat, maar toch was Gonzalo de hele zomer en najaar ‘volgeboekt’.
En avond aan avond raspte Gonzalo met zijn stuk gerookte en verzopen stembanden wel tot in de derde laag van de luisteraarziel. Ik weet niet hoe hij het flikte, maar hij flikte het keer op keer weer.

Simon el Rubio was behalve Gonzalo’s vaste sologitarist ook zijn boekingsagent, chauffeur en pispaal. Als Gonzalo ruzie met zijn vrouw of dochters had, dan sliep hij zijn roes uit in Simons tuinhuisje. Simon ruimde alle puinhopen altijd netjes op die Gonzalo achterliet.

We eindigden na een veel te lange rit met veel onduidelijke tussenstops en een wisseling van neef, in de kleine garage-penã aan de rand van Puerto de Santa Maria. Gonzalo werd als een held binnengeloodst, meteen weer aan de drank gezet en het podium opgeschoven net voordat hij omkiepte. Want iedereen wist, op de rand van zijn dagelijkse bijna-dood was Gonzalo misschien wel op z’n best.

Simon telde buiten het geld; er was niet veel overgebleven na aftrek van de sterke drankrekening. ‘’een dag zoals alle andere Gonzalodagen.‘’ Zei Simon, die wonderbaarlijk genoeg nog steeds glimlachte.

De terugweg duurde langer dan mijn laatste voetreis naar Rome en bleek een ingewikkelde transfer te zijn van nog meer neven, een vlezige jonge schone Spaanse en een rit naar het volgende flamenco-feestje. Om te voorkomen dat ik voor eeuwig, net als Gonzalo, zou rondrijden in een volgepropte auto van feest naar feest en nooit meer mijn bed of daglicht zou zien, liet ik mij afzetten bij de eerstvolgende plek in de stad die ik herkende.

Door de stille stad liep ik naar huis. Ik was kapot. Het was 4 uur in de ochtend. De volgende dag zocht ik op waar ik geweest was.  Ik bleek uren – via Jerez – onderweg te zijn geweest naar een omgebouwde garage op nog geen 10 minuten loopafstand van mijn huis. Lang leve de Gonzalodagen. Niet voor herhaling vatbaar voor mij, maar wel een ritje flamenco om nooit meer te vergeten.