Broodje falafel met liefde

flfl

Zodra de deur van hun eetzaakje dicht viel, barstte er een familiefeest los en waande ik mij in een ver land en ook een beetje in mijn geliefde Zuid Spanje. Heel even verzette mijn vernederlandste geest zich tegen hun overweldigende vriendelijkheid, maar al snel voelde ik dat ik er ook heerlijk, op z’n Spaans van kon genieten. Anderhalf uur en vier heerlijke gerechten later vroeg ik wie er eigenlijk jarig was. Hilariteit alom; er bleek niemand jarig. ”Jij bent hier en dat moet gevierd worden.” Het was een doodgewone dinsdagavond in Venlo en ik was van plan om een broodje falafel te gaan eten, in plaats van te koken. Nog nooit werd ik zo mooi en rijkelijk beloond voor mijn luiheid als op die dinsdag.

In de maanden die volgen worden we vrienden. We vertellen elkaar over onze levens, onze families, onze struggles. Versnipperde levens in Aleppo, Spanje, Koeweit en Nederland. We mopperen op de bureaucratie en onzinnige regels van het land, de stad. We delen kwaaltjes en geluksmomenten, familiestrubbelingen, dromen en verlies. Fragmentarische gesprekken, vrolijk onderbroken door een lach, muziek, of gesmoord in nog meer heerlijk eten.

Als ik er grieperig of verkouden bijloop, maakt S haar beroemde medicinale linzensoep met extra knoflook en citroensap. En ik weet nog steeds niet of ik opknap van haar soep, of van de overtuiging en liefde waarmee ze deze bereidt en aanbiedt. Maar feit is: ik knap op.

”Broodje falafel eten?” vraag ik aan mijn nietsvermoedende date.

Mijn nieuwe vrienden zijn de perfecte eerste testpoort voor een snelle diepte-test. Sommigen vinden de drukte en al die lawaaierige genegenheid de hel en willen zo snel mogelijk naar buiten. Een ander blijkt allergisch voor kikkererwten of voor mensen met andere standpunten en levensenergie en gaat met vlekken in de nek naar buiten, op zoek naar zo’n overgewaardeerd vijf sterren restaurant waar je amper hardop durft te ademen. ”De volgende keer neem ik je mee naar een fatsoenlijke tent.” is de grootste belediging en date-failure op mijn zwarte lijst.

Wie standhoudt krijgt een kans.

”Ja hoor, lekker.”

Nietsvermoedend loopt hij met me mee het familiezaakje binnen.

De rest is geschiedenis, die nog geschreven moet worden.

Zonder voornemens, plan of ook maar de minste verwachtingen jezelf overleveren aan het universele gevoel van familiekracht. Dat is iets dat ik van Spanjaarden en Cubanen geleerd heb. (Dank jullie, Spanjaarden en Cubanen) Jarenlang met tegenzin en met mijn Nederlandse hakjes in het zand. Nu ik in Nederland woon, mis ik het. Het ‘familiale liefdesgeweld’, zoals ik het destijds noemde. Fuck alle multiculti-dilemma’s en a la mierda met de integratiediscussie. Eet, dans, drink, luister, vertel en omarm elkaar. Vreemdelingen zijn wij allen.

 

Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.

 

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Vleesfeest

foto: Franco Gori / The making of ‘Encarnación’
Pepe el Loco vond het belachelijk dat er rook van mijn geimproviseerde BBQ kwam en er helemaal geen gram vlees te bekennen was. Hij kwam altijd op rook af, die Pepe. Ik roosterde parika’s en courgettes op de gietijzeren paardenruif die was omgebouwd tot tijdelijke XL-BBQ bij gebrek aan paard en geld voor een Weber. Het zag er leuk uit, maar dat was dan ook alles.
Pepe droop al snel af, stapte mopperend in zijn Jeepje en hobbelde over het zandpad richting dorp, ons in een stofwolk achterlatende. Een biertje sloeg hij af. Geweldig hoe je de meest vervelende mensen uit dit dorp kon wegjagen met paprika’s. Soft gedoe, dat schrok de mensen af hier blijkbaar. We aten in stilte de geroosterde paprika’s en courgette met zeezout. Al was het wonderschoon enzo, al die natuur, die stilte, die paprika’s uit eigen tuin, het was saai.  
Pepe had gelijk, al had ik weinig behoefte om dat in 300 decibel scheldend naar mijn hoofd geslingerd te krijgen op een rustige zomeravond. Maar toch. Zijn bezoek deed me verlangen naar een sappige steak, of desnoods een braadworst. De stilte deed me soms verlangen naar een feest, met koud bier en de ochtendzon uit zijn wolkenbed zingen.
Het sissen van een biopaprika is nu eenmaal een slap geluidsaftreksel van een sissende lap vlees. En thee in een stil bos is ook maar thee in een stil bos.
Mijn stille wensen kwamen al sneller in vervulling dan gewenst; een lange stofwolk naderde over het zandpad. Lange stofwolken betekenden meestal meerdere auto’s, of Paco van Anna die met een snuif coke op met 60 KM per uur over het zandpad scheurde. Aangezien Paco nog in het ziekenhuis lag van zijn vorige suïcidale bosrit, moesten het wel een stel dronken dorpelingen zijn op dit tijdstip.
Enkele minuten later stond ik midden in een brok onverstaanbare mannenherrie en lagen er grote stukken vlees op mijn ruif te sissen. Iemand sleepte mijn wasteil naar de beek en gooide een paar sixpacks bier in het koude water.  Pepe el Loco glom van trots en flipte handig de lappen gebraad om met zijn Zwitserse zakmes. 
Toen ik over de irritatie heen was dat ik een ongewenst feest op een veel te laat tijdstip in mijn vegastrot geduwd kreeg, heb ik me er maar ingeworpen. Tegen de ochtendgloren hadden Pepe el Loco, Juan, Pedro, El Serio en ik samen een lastig integratievraagstuk opgelost. Ik beloofde dat ik weer vlees zou eten en bier zou drinken, in ruil voor hun directe vertrek. Dat was de beste deal die ik eruit kon slepen als beginneling.
Tevreden kroop ik in mijn bedstee en sliep voor het eerst sinds jaren een gat in de dag. De paprika’s en tomaten moesten geplukt worden, maar dat kon me even geen biet schelen. Al was ik als theedrinkende vegetariër natuurlijk een veel betere boer; ik besloot voordat ik in slaap sukkelde dat ik als bierdrinkende carnivoor een veel gelukkiger mens zou zijn hier waarschijnlijk.

Taco’s, kalfslever, weekendlimonade en Willem Ruis

Soms eet ik spul uit sentimentele overwegingen. Eten is namelijk heerlijk instant jeugdsentiment. Vanavond even terug naar de tijd van Willem Ruis, weekend-sinas en de geuren van zondagochtend als je kind bent.
Vanavond eten we Taco’s. Geen bijzonder culinair hoogstandje, geef ik toe. Maar wel een klein reisje naar de zaterdagavonden aan het begin van een schoolvakantie, glaasjes prik en minstens 2 uur na reguliere avondetenstijd iets ‘snackerigs’ eten, in plaats van het groente-vlees-aardappelen-trio. Taco’s bijvoorbeeld. Want in de jaren 70 was dat heel erg hip zaterdagavondvoedsel.  Nog hipper dan shoarma, luxer dan hamburgers met tartaar. We moesten zelfs kilometers rijden naar die ene winkel net over de Duitse grens in Kaldenkirchen, om zo’n doosje tacoschelpen te bemachtigen.  

Taco’s dus. Knus-knus: Een salontafel vol met kleine kommetjes: Stukjes tomaat, gerapse kaas (zo noemde ik dat vroeger), flinterdun gesneden rode uien, gekruid gehakt, reepjes ijsbergsla (toen ook heel hip) peterselie en Griekse yoghurt.  Steevast discussie over de volgorde van de ingrediënten. En of je het hoopje bonenprut nu op moest eten, of dat het echt alleen maar diende ter decoratie. Deed je het verkeerd om, klapte je tacoschelp al doormidden voordat je het richting mond kon bewegen. De kunst was stapelen van droog naar nat en dan zijwaarts happen, je hoofd iets schuin.
Hoe langer je glas (weekeinde)sinas half vol bleef, hoe later je naar bed mocht. Liever sterven van de dorst dan naar de eenzaamheid van je slaapkamertje vlakbij het gezellige gegons van televisie en moeder die luidruchtig commentaar levert op alles dat ze ziet bewegen op het scherm.
En dan toch, na Willem Ruijs, naar de slaapkamer.  De laatste slokjes priklimonade van dat weekeinde in je keel laten prikken. Als er nog prik op zat tenminste.
In bed hoor ik mijn moeder de grote soepketel op het fornuis zetten en het bouillonvlees sissend aanbraden. Op een asbest plaatje dat mijn vader er rond 23.00 uur onder de soepketel moest schuiven terwijl mijn moeder de zware soepketel omhoog tilde. Ik hield wel van soep, maar niet van de zondagen waarop ik gewekt werd door de weeïge geur van runderbouillon en prei. Want dat was de geur van mijn strenge oma op zondagse visite en verveling. De dag van de zondagse soep en een wit gestreken tafelkleed.
Van het bouillonvlees maakte mijn moeder later soms kroketjes. Als mijn oma weg was. Ik mocht helpen rollen; twee keer door het beschuitmeel.  Van die kleine, dikke bolle kroketjes vol heerlijke draadjesvleesragout. In de zomer aten we het bouillonvlees ’s avonds bij de boterham, met een augurkje en een beetje mayonaise.
Soms, bijvoorbeeld met Pasen, kerst, of als mijn moeder uitermate goed geluimd was, werd ik op zondagochtend vroeg wakker met de geur van in boter aangebraden kalfslever en de zoete geur van gesmoorde uien. Dan voelde de zondag meteen feestelijk. Een laat ontbijt met heerlijke, boterzachte lever, knettervers witbrood en een dikke glanzende bruine saus om stukjes brood in te dopen. Hemelse kost vond ik dat, dus ik vroeg aan mijn moeder waarom we dit niet elke zondag aten. Ze antwoordde steevast dat het geld haar niet op de rug groeide.  Ik begreep het verband jaren later pas.
Volgende week ga ik een mooie lever bereiden. Voor de late zondagochtend. Ik verheug me nu al. En voel me rijk.  

Vleeswording

Foto: Franco Gori
(Ook fotograaf Franco Gori kroop met zijn lens letterlijk en figuurlijk diep in de gebeurtenissen. Er volgen binnenkort nog veel meer prachtige beelden van Franco.

In december filmde ik met cameraman Arie van Dam en een zeer bijzonder Spaans-Nederlands gezelschap een bijzonder eetfenomeen in Zuid Spanje: de traditionele huisslacht, ofwel ‘Matanza. Met een tas vol mooie beelden en een hart vol warmte en verhalen keerden we terug naar koud en donker Nederland. Ik wist het zeker: Vlees is een sociale happening, het slachten een moeilijk, maar intens mooi ritueel, het delen een onlosmakelijk deel van samen mens durven zijn.

Dat gevoel wilde ik vasthouden en in de film leggen. Hoe precies, wist ik nog niet. Want een stel slachtende kerels die grappen makend een lief guitig varken in stukken snijden, is best lastig om te verbeelden als een warme, sociale en humane handeling.
Dat is dus de uitdaging van beschouwende films maken.

Terwijl ik me avond aan avond verloor in mijn vleesgefilosofeer tijdens de montage, bleek een van de deelnemers aan de thuisslacht zijn beeld over slachtethiek met terugwerkende kracht te hebben bijgesteld. Een week lang peuterde ik de man uit alle scenes en met mokkend filmhart zag ik samen met hem een reeks prachtige sleutelscenes als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Ik begon opnieuw en richtte me deze keer op de kern van de kern van de kern: De slacht. Er vloeide zoveel bloed over mijn montagescherm, dat ik spontaan veganistisch werd. Urenlang knipte ik in de schreeuw van de twee slachtvarkens. Maar hoe knip je een schreeuw van een bang dier? Maak je het korter zodat het publiek niet walgend of huilend wegloopt? Gooi ik er een muziekje doorheen om het een beetje te verzachten? Waren er regels voor de lengte van een schreeuw? Welk muziekje zet je daar onder in godsnaam? Welke artiest is in staat om de schreeuw van een dier in doodsnood te verzachten? Die twijfelachtige eer durfde ik zelfs AC/DC niet te gunnen.

Ook mijn eigen ethiek werd voortdurend op de proef gesteld. Ik was geen film aan het maken, maar een dilemma aan het uitvergroten. Maar, zoals een goede vriend en collega zei na mijn geweeklaag hierover: ‘’Daar doe je het voor, als kunstenaar of filmmaker; je produceert dilemma’s, nieuwe vragen, je HOEFT geen oplossing te bieden.’

Vreemd, waarom had ik in Nederland eigenlijk veel meer morele bezwaren dan in Spanje? Was het het zuurstofgehalte? De berglucht? De heimwee naar een tijd die ik nooit heb meegemaakt? De valse nostalgie die aan mijn ziel kleefde sinds mijn verhuizing terug naar Nederlnad? Noch tijdens het slachten, tijdens het eten of dicussieren met mijn schoenzolen nog in het varkensbloed, had ik last gehad van enig moraal bezwaar of ethisch euvel. Maar weer weg uit mijn geliefde oeromgeving van Zuid Spanje, terug in de wereld van de ethiek om de ethiek, discussies om de discussies en omringd door mensen die alles nog veel beter denken te weten dan ik, sloeg de twijfel toe. Waarom maakte ik ook alweer deze film? Wat wilde ik bewijzen? Oh ja, de oerlink. Vlees-mens-dier-dood-leven-feest-liefde. Meer niet.

Als je de montageschaar in handen hebt, ben je in principe klaar om de realiteit in hapklare stukjes te knippen. Je bent een beetje slager: ga ik dat prachtige varkenshoofd in z’n geheel in je vitrine leggen, of maak ik er een mooi schaaltje ambachtelijk verkoopbaar van?

Je hebt even een ontzettend grote macht over de dingen en gebeurtenissen tijdens zo’n montage. Je kunt iemand die lief is, gemeen maken, de dood minder erg maken en de schreeuw inkorten tot draaglijke proporties. Maar wat blijft er dan over van mijn diepste filmwens om iets in beeld te brengen dat er gewoon ‘is’, doorgedraaid vleesetend Nederland te laten zien dat er mooiere, diepere en rijkere verbanden bestaan tussen het dier, de dood en ons lapje vlees. Dat er ooit een wereld was waar sociale wetten en oerverbanden leidend waren en niet de Partij voor de Dieren, Herman Bleker, Herman ten Blijker, Pownieuws en overspannen CEO’s van de vleesindustrie.

Al wordt dit niet de meest subtiele film die ik heb gemaakt, ik verheug me weer op het knippen, snijden, foeteren en het gepeuter aan de schreeuw van het varken, de lach van Manolo, de ogen van Berend, de handen van Rosa. Maar dat was ik even vergeten.

Tot snel met meer nieuws over Vleeswording.

Flappie in Bokbier, een herdenkingsrecept

Ter ere van de 50ste sterfdag van Flappie.

Let op: dit is een live recept, geschreven terwijl ik kook. Ik geef dus geen garantie op het resultaat, maar het ruikt in elk geval lekker. Over 15 minuten ligtie op ons bordje. Ik ga nu de salade maken.

Men neme een tam konijn, in delen gesneden of vier tamme konijnenbouten. Wilde zijn lekkerder, maar in dit geval gaat het om Flappie en die was tam.
Even inzouten en rondom bruin aanbraden.
In een diepe braadpan: Dikke klont roomboter + scheut olijfolie, een hele bol (tenen met vel kneuzen en heel erin gooien) en 1 grofgesneden ui even goudgeel sudderen op laag vuur. een paar jeneverbessen, laurierblad, zwarte peper en zout toevoegen, konijn erin en het geheel aanvullen met een glas Hertog Jan bokbier en een flinke scheut frambozen- (of andere fruitige) azijn. Gooi er een handvol rozijnen in, een scheutje water erbij en evt bijzouten.
Even roeren en 5 minuten zonder deksel een beetje laten inkoken op middelmatig vuur.
Zet je pitje laag. Dek de pan af met bijvoorbeeld een deksel. Neem een biertje, want er is nog een halve fles over.
Relaxeer.
Lekker met turks brood en een frisse worteltjessalade met citroen, veel zwarte peper, beetje honing en wat rozijnen.
Salade: wortels in linten schrappen met een wortelschrapper of kaasschaaf. Dressen: Een halve citroen met een eetl honing en flink wat grof gemalen zwarte peper , scheutje olijfolie. Rozijnen erbij en even laten intrekken voor serveren.

Pre Traumatische Kerst Stress (PTKS)

De junk met ledlampjeskerstmuts bij de ingang van AH met zijn 3ehands daklozenkranten, doet goeie zaken tijdens deze dagen. Zijn Roemeense vrouwelijke collega zit duidelijk nog steeds 2e rang in de bedelhiërarchie, want haar groezelige doosje met de geplastificeerde NL-vertaling van een onleesbaar maar gegarandeerd ellendige levensverhaal, is lullig leeg. Ook bedelaars krijgen kerstkeurmerk. Liever een zingende junk dan zo’n tandeloos oud vochtig hoopje kleren dat geen woord Nederlands spreekt. Ik gooi een riante 2 euro in de vrouw haar doosje en krijg een vernietigende blik van de zingende junk die ogen op steeltjes blijkt te hebben. Ik wens hem gelukkig kerstfeest.

Rond deze dagen vind ik Nederland op z’n sneust. Chagrijnige koppen achter volgepropte winkelwagens, een volksmassa die lijdt aan het wellicht volgend jaar officieel medisch te diagnosticeren ‘’PTKS’’ (Pre Traumatische Kerststress). De mevrouw naast me heeft er duidelijk ook last van. Ze heeft het woord ‘’OP’’ verkeerd geïnterpreteerd, zoals naoorlogse mensen dat wel vaker doen. ‘’Op’’ bestaat niet en al helemaal niet met kerst voor zulke mensen. Ze heeft er paarse stressvlekken van in haar hals, doorlopende naar haar voorhoofd. Ze is woedend over dat de kip en literse flessen Coca Cola niet bijgevuld zijn. De chef wordt er bij gehaald, want de 16 jarige caissière heeft niet voldoende overwicht om haar te stoppen. ‘’Er valt niets bij te vullen, want op=op.’’ spreekt de chef, terwijl hij met een dweil een kapot gevallen pot appelmoes aan de andere kant van de kassa begint op te dweilen. Ook hij vertoond al wat vlekken, maar van een meer roze kleur. Supermarktmanagers zijn de nieuwe verlossers tijdens de kerst, maar dat ziet niemand.

Doodmoe sleep ik mezelf naar de auto waar ik een oud klasgenoot mij de toegang tot het rustgevende interieur van mijn vehikel blokkeert, omdat ze met een schreeuwend kind worstelt dat niet in haar stoeltje gepropt wil worden. Twee oudere kinderen zitten mokkend op de achterbank. Ik wacht geduldig, want het is natuurlijk totaal niet sympathiek om zo net voor kerst een oud klasgenoot op zo’n stressmoment nog meer in de stress te jagen. Inmiddels arriveert ook haar moeder om zich met het krijsende paars aangelopen kind en haar dochter te bemoeien. Ik herken de klagende vrouw van de kip en de cola. Het paars zit zeker in de familie.
Plots is mijn geduld op. Ik heb toch zeker ook recht op kerststress? Ik voel een vlek opkomen. Jee. Toch besmet.

Matanza – de dood en het plezier

Granada, Spanje. 10 december 2011

voor Lies, Henk, Arie, Franco, Berend, Roosje en de anderen.

Er is een leegte in mij, zo kort na de dood. De gewelddadige, schreeuwende dood. Het varken is niet meer, lang leve het varken!

Ik dacht dat ik net als de vorige keren, van alles zou voelen, traantje, misselijk op z’n minst. Maar niets gebeurde. Ik keek en schrok me half rot van de decibelmeters op de geluidsapparatuur toen het dier zijn laatste schreeuw schreeuwde.

Die leegte. Ja die lijkt sterk op honger na een stevige wandeltocht, maar dat kan niet zo zijn; hoe kan mijn mond nu verdragen wat mijn oren en ogen nog niet verwerkt hebben met mijn verstand?
Toch heb ik honger. Verwarrend, maar misschien wel gezond. Blauwige darmen blobben in een blauwe teil aan mijn voeten, iemand spoelt het geknoeide bloed van de patio, de honden kwispelen en likken het stoepje af, de slager snijdt een grote grijns in het gezicht van het varken en ik sta te bedenken hoe lang het duurt voordat die chicharones bruin en knapperig zijn.

Rosa roert met dromerige blik het bloed dat niet mag stollen en rookt ondertussen een sigaretje. Haar linkerhand met een Lucky Strike elegant in de lucht, haar rechterhand tot aan haar mouwen in het warme bloed. Dat beeld is nog lang blijven kleven aan de binnenkant van mijn ziel. Het helpt dat zij op Audrey Hepburn lijkt. Jezus, wat een steletje prachtige mensen bij elkaar eigenlijk, die had ik in geen 25 jaar kunnen casten.
Buurman Manolo en boer Berend zijn in hun element en werken met koortsblossen aan de ophanging en het schoonmaken van het varken.
De dood brengt feest met zich mee; een volle diepvries, en kamer vol met vrienden, buren, vreemdelingen en worsten, hammen om te drogen, bloedworst, kruiden, wijn en bier. De dood brengt plezier. Lang leve het dier.

Een dag in het vleesparadijs (Uit het boek van Blas)

Wat de dorpelingen betrof was je gewoon een domoor als je geen vlees at. Een domoor of een homo. En een etentje zonder vlees, was als een arena zonder stier, een kroeg zonder bier.

Ik heb het zelf maar heel even volgehouden; vegetarisch eten. Een gezonde eetstijl lag voor de hand: ik woonde immers in een mega-vega-paradijs met eigen fruit, groenten, noten en als ik een beetje dieper zou graven zouden er vast ook nog barstens veel knollen, bloemen en andere eetbare objecten in mijn hofje rondslingeren. Mijn partner deed aan Tai Chi , neigde naar macrobiotisch en er kwamen zelfs bezoekers van vega-verenigingen uit Nederland en Duitsland om mijn fruitbomen te knuffelen en mijn nootjes te rapen. Maar van zulke ontmoetingen kreeg ik nog meer zin in vlees.

Mijn kuitspieren, mijn dromen, mijn hoektanden en maag schreeuwden na enkele maanden om VLEES. Het was een fysiek verlangen. Ik had brute paardenkracht nodig om elke dag als een muildier tegen die hellingen van het paradijs op te klimmen en mijn lichaam redde dat niet op zaadjes en tofu en zongerijpte toestanden en al die andere gezonde dingen zonder pootjes.

Dus ik ging Carmen helpen in de keuken, waar hammen hingen te druppen en te drogen in de tocht, waar een grote stoofpot op het vuur stond met varkenspoten, gezouten ribbetjes en blokjes oude tranige ham hun weg vonden in dikke soepen, die me deden denken aan winter en mijn moeder. Achter in haar hofje zaten bendes konijnen te fokken en waggelde twee obesitasganzen rond, nog niets wetende van komende kerst. Bij Carmen was alles VLEES. Zelfs haar oorspronkelijke naam: Encarni, betekende vleeswording. Ze had de rode wangetjes van een Hollandse slagersvrouw en borsten waar je een heel dorp aan zou kunnen troosten.

Haar stokoude dementerende moeder (ze had al sinds 1995 geen woord meer gezegd, dus men ging er vanuit dat ze dement was) zat in een hoekje van de keuken, stevig in haar stoel gesnoerd met een oude veiligheidsriem. Op haar schoot een zak oude broden die ze in stukjes brak en in een cementkuip liet vallen. Aan het einde van de middag, gingen we de varkens voeren. Paco snoerde moeders met haar broodbrokken goed vast op de bijrijderstoel van zijn Landrover en we daalden af naar hun boerderijtje in de Genal- vallei.
Onderweg stopten we eerst nog bij Baltazar die een grote ton ruftend keukenafval achterop de auto bond en daarna langs Paco en Juamo om drie zakken geitenmest op te halen voor de moestuin.

Ruftend arriveerden we 1,5 uur later in het paradijs.

Na het voeren van de varkens, sleepten we stoeltjes en moeder naar de rivieroever en kwam er oude wijn en oude worst uit het keldertje te voorschijn. Moeders bleef zonder riemen, sereen en tevreden in haar stoeltje met afgezaagde poten zitten.
Carmen draaide de kaasjes in de stenen potten vol scherp ruikende olie en liet ons de kaas van afgelopen voorjaar proeven. We doopten vers brood in olie, Paco sneed de worst met zijn Zwitserse nepzakmes. In de schaduw van de kastanjebomen en met de kabbelende Genal aan onze voeten kauwden we stukje taaie worst en dronken we glazen zurige oude wijn met la Casera (7-up) die Carmen aan een touwtje uit de ijskoude Genal had gevist. Mensen met ijskasten, dat waren hier pas mietjes.

De varkens vochten, slurpten en wroetten enkele meters verderop in hun eigen koningsmaal en Carmen rekende hardop uit hoeveel mooie hammen en worsten we dit jaar zouden maken in november.

Tegen schemering was ik weer helemaal carnivoor. Want het was een bijzonder mooie dag in het vleesparadijs.