De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.

 

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

Boer zoekt vrouw – de oerversie

 
Ik moet eerlijk bekennen dat ik Rosa weinig benijdde om haar zware, benauwende leven in haar familiehuis vol mantelzorg behoevenden en lastige kinderen. Maar wars van medelijden zoals Rosa was, probeerde ik altijd net te doen alsof ik het normaal vond, die desastreuze, gewelddadige familieperikelen die ze me al jaren in kleine brokjes voerde. Rosa vertelde nooit vanuit sensatiezucht en deed geen enkele moeite haar verhalen aan te dikken. Het fascineerde me hoe ze stand hield. Hoe ze haar lach had behouden, haar tanden verloren. Hoe ze haar rug recht hield in het leven al haar dromen had uitgewist.
Rosa was een beest van een vrouw.  En ik haar enige vriendin en leeftijdgenoot in het dorpje in die jaren. Dat we beiden buitenbeentjes waren schepte een extra band. Of ik het leuk vond of niet. Soms stak het me wel eens dat ze nooit vroeg naar mijn leven, mijn verleden. Of mijn desastreuze familieperikelen desnoods. En dat ze na al die jaren nog steeds mijn voornaam niet uitsprak. Maar van de andere kant vond ik het prima zo. Mijn perikelen zouden immers verbleken bij die van haar, die rechtstreeks uit een boek van Marquez leken te komen en soms de plattelandsduisternis van Kosinsky overstegen.
Als het winterweer het toeliet, zetten we onze stoepvergaderingen met uitzicht op de vallei stug voort. Met dikke paardendekens, uit de wind. Want zodra Rosa me aan zag komen lopen op het zandpad richting dorp, wuifde ze me schreeuwend in haar richting: ‘Veeeeeeen Holandesa, venteporaquiiiiii!’  Ik heb nooit goed begrepen hoe ze in staat was om midden in de chaos van haar vele bezigheden al op 300 meter afstand iemand te spotten tussen het groen.
Ooit was ik gebukt onder haar keukenraam doorgekropen, omdat ik geen tijd en zin had in een stoepsessie. Ze moet het geroken hebben, want ze betrapte me op heterdaad en had me meteen door. ‘Dat flik je me niet meer he, Holandesa! Riep ze boos lachend, hangend uit het keukenraam. ‘Niemand komt ongezien mijn huis voorbij.’ Ik voelde me geïntimideerd en ben op de terugweg,  schoorvoetend als een betrapt kind, braaf op haar stoepje gaan zitten om tegen heug en meug een half blik bier, twee sigaretten en twee vreselijke verhalen te nuttigen.
Toen ik enkele jaren later in Cadiz met een filmscenario bezig was voor een Andalusisch-Nederlandse filmmusical die het witte doek en de omroep nooit zou halen, vroeg de regisseur of ik een paar van de dorpspersonages uit het verhaal een meer typerend en scherper karakter kon geven. Ik had eigenlijk geen idee wat de lieve man bedoelde, dus ik begon maar te schrijven met mijn ogen dicht, terwijl ik dacht aan Rosa.
Haar lompe grappen, zwarte humor, snerpende stemgeluid, haar bijna intimiderende oerkracht, haar gebrek aan dromen en overvloed aan nooit vertelde verhalen. Maar ook haar ruwhartige liefde, haar onhebbelijke zoon en vervelende schoonmoeder en buurman nam ik mee. Na twee dagen en nachten van koortsachtig schrijven, overhandigde ik mijn huiswerk aan de regisseur.
Hij was een hele lange tijd doodstil en dat leek me geen goed teken, want de beste man mocht graag zelf het middelpunt van het geluidsuniversum zijn. Toen hij klaar was met lezen, meende ik een kleine traan in zijn rechterooghoek te zien blinken, maar misschien was dat pure hoopverbeelding. ‘Godverdomme.’ Sprak hij en zweeg weer een poos, terwijl hij zijn vierkante kin kneedde. Ik schrok. Hij vond het dus kut. ‘Dit is godverdomme goed!’ Ging hij verder tot mijn grote opluchting. ‘Het lijkt zo verdomd  echt! Waar haal je het toch allemaal vandaan..’ We dansten een rondje door de kamer en gingen onze nieuwe mijlpaal vieren in Bar Luna. Chin-Chin – op Rosa!
Enkele weken later zat ik met filmscenario en zweethanden naast de regisseur in een vergaderkamer in het mediapark. Tegenover ons mensen uit het Cobofonds, een Schotse script-doctor, een producent en een jongeman van de zojuist gelanceerde omroep MAX. Ik was al zo blij als een kleuter omdat we het al helemaal tot deze Hilversumse vergaderkamer geschopt hadden met ons scenario. Zo blij, dat ik niet eens echt meekreeg dat de film keihard werd afgeketst door de meneer van Omroep Max en een mevrouw van het Cobofonds die ook nog iets vertelde over de glutenallergie van haar zoontje. (Als ik blij ben, onthoud ik altijd de verkeerde details) Pas later, in een ongemakkelijke troostlunch met de producent en de regisseur in een sjiek restaurant in Laren aan een meer met witte zwanen, begreep ik dat dit voorlopig onze laatste lunch met mes en vork in Nederland zou zijn. 
Voordat we ons echter fysiek en in professionele schaamte gehuld weer mochten terugtrekken in Spanje, werden we nog getrakteerd op een masterclass. Dit bleek een uitgebreide en berispende analyse van de Schotse scriptdoctor.  Zijn eindconclusie deed ons bloed koken van belediging. ‘Probeer de volgende keer wat realistischer om te gaan met je karakters. De mensen in deze film zijn ‘allemaal zwaar over the top’ en dus niet geloofwaardig genoeg voor het publiek om zich in te leven. Onderschat het publiek niet, die voelen perfect aan of iets echt of onecht is.’ 
Ik herinner me een rommelige rit in een klein muf autootje door het drukke Amsterdam, met twee luid ruziënde mannen voorin. Ik was misselijk en dacht aan hoe lekker rustig het zou zijn om nu op het stoepje te zitten met Rosa.

De Gonzalodagen – een wilde flamencorit

Of ik even meeging naar een concertje van Gonzalo de Jerez. Ik was wel toe aan een cultureel uitstapje en had Gonzalo’s naam al vaker horen vallen in de diepere flamenco-kringen, dus deed mijn paasbeste jurk aan. In de groene stationcar van Gonzalo’s neef Juan, zat ik, ingeklemd tussen neef Juan en zijn pruilende Spaanse schone geklemd. Gonzalo op de bijrijderstoel rommelde aan de autoradio en schreeuwde in Simon el Rubio’s oor hoe hij moest rijden.

Gonzalo de Jerez was een omlaag gevallen zanger, van de categorie hopeloos trieste flamencoverslaafden. Toch leefde hij alsof het leven een groot feest was; hij vierde het leven en zijn langslepende ondergang scheldend, zuipend en zingend.

Een onuitstaanbaar, horkerig en lawaaierig ego, triest, maar ook intrigerend figuur. Hij had een hele zwerm van eveneens aan lager wal geraakte flamenco-muzikanten om zich heen hangen en daar zaten ongelooflijke meesters op retour en meesters in wording tussen. Alles rondom Gonzalo was altijd een chaotische strijd en wanorde.

Vanaf een uur of 10 ’s ochtends begon Gonzalo te drinken, vanaf een uur of 16.00 ’s middags, begon hij te zingen, al dan niet gevraagd of betaald. Wie hem een betaalde podiumklus gaf, moest maar afwachten in welke fase van dronkenschap Gonzalo ten tonele verschijnen zou. Heel dronken, straalbezopen of lamlazerus. Iedereen tussen Jerez en Cadiz wist dat, maar toch was Gonzalo de hele zomer en najaar ‘volgeboekt’.
En avond aan avond raspte Gonzalo met zijn stuk gerookte en verzopen stembanden wel tot in de derde laag van de luisteraarziel. Ik weet niet hoe hij het flikte, maar hij flikte het keer op keer weer.

Simon el Rubio was behalve Gonzalo’s vaste sologitarist ook zijn boekingsagent, chauffeur en pispaal. Als Gonzalo ruzie met zijn vrouw of dochters had, dan sliep hij zijn roes uit in Simons tuinhuisje. Simon ruimde alle puinhopen altijd netjes op die Gonzalo achterliet.

We eindigden na een veel te lange rit met veel onduidelijke tussenstops en een wisseling van neef, in de kleine garage-penã aan de rand van Puerto de Santa Maria. Gonzalo werd als een held binnengeloodst, meteen weer aan de drank gezet en het podium opgeschoven net voordat hij omkiepte. Want iedereen wist, op de rand van zijn dagelijkse bijna-dood was Gonzalo misschien wel op z’n best.

Simon telde buiten het geld; er was niet veel overgebleven na aftrek van de sterke drankrekening. ‘’een dag zoals alle andere Gonzalodagen.‘’ Zei Simon, die wonderbaarlijk genoeg nog steeds glimlachte.

De terugweg duurde langer dan mijn laatste voetreis naar Rome en bleek een ingewikkelde transfer te zijn van nog meer neven, een vlezige jonge schone Spaanse en een rit naar het volgende flamenco-feestje. Om te voorkomen dat ik voor eeuwig, net als Gonzalo, zou rondrijden in een volgepropte auto van feest naar feest en nooit meer mijn bed of daglicht zou zien, liet ik mij afzetten bij de eerstvolgende plek in de stad die ik herkende.

Door de stille stad liep ik naar huis. Ik was kapot. Het was 4 uur in de ochtend. De volgende dag zocht ik op waar ik geweest was.  Ik bleek uren – via Jerez – onderweg te zijn geweest naar een omgebouwde garage op nog geen 10 minuten loopafstand van mijn huis. Lang leve de Gonzalodagen. Niet voor herhaling vatbaar voor mij, maar wel een ritje flamenco om nooit meer te vergeten.

 

El caminante (Uit het boek van Blas)

Voor R.
Paco el Pintor had bij het vreemdelingenlegioen gezeten en daarna jaren op de Atlantische gevaren. Trots liet hij mij een keer zijn vervaagde tattoos zien op zijn onderarmen; een soort wazige orgie tussen een schorpioen, een palmboom en de Maagd Maria. ‘’Dat verhaal vertel ik je nog een keer..’’ Zo had Paco wel vaker een ‘cliffhanger’ voor ons, maar uiteindelijk vertelde hij nooit iets. Hij zat dromerig en afwezig aan het dode hoekje van de bar en dronk zijn wijntje.

Iedereen in de stad wist wie Paco was, maar niemand kende hem echt.

Soms, als Julio el Ciego er was met zijn gitaar, kwam Paco even tot leven. Zodra Julio ‘El Caminante’ voorzichtig inzette, stond Paco heel langzaam op, alsof hij aanstalten maakte om te gaan dansen. Hij vouwde zijn grote eeltige schildershanden, trok zijn brede schouders hoog, deed zijn ogen dicht en zong. Het was dan een en al plechtige stilte in Bar Luna. Stem en gitaar sleurden ons, de stamgasten langs diepe afgronden en we kregen er allemaal tranen van. Behalve Paco zelf natuurlijk. Want die vond huilen voor mietjes.

Maar zoals Julio el Ciego zei: Paco kon zeven jaar huilen in 1 lied, dan heb je geen traanbuisjes nodig.

‘’…va
yo voy andando camino adelante
siempre buscando donde descansar’’

Uit: El caminante, Camerón de la Isla. (bulería)