Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.

 

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

De Vijf van Cuba – te gast bij Nomad & Villager

 

Foto: Nicole Franken
Foto: Nicole Franken

De Vijf van Cuba – Gastblog bij Nomad & Villager

Ik vind het een hele eer om als gast-reporter bij de dames Nomad & Villager (van het leukste reismagazine van Nederland ) te zijn!

Viva la Rumba de la Vida!

Consuminderen in stijl (Uit het boek van Blas)

Heel soms wilde Blas mee naar de supermarkt in de stad. Ik baalde dan een beetje, want de ritjes naar de supermarkt waren mijn meest frivole shoppinguitstapjes in die tijd. Ik maakte er altijd een uitstapje van; mooie kleren aan, make-upje, een tapaatje eten bij de venta onderweg. Het liefs ging ik tegen de avond, als het afkoelde en de zon alles in oranje en paars kleurde. Al was het slechts een dik half uur rijden, de schoonheid van het avondlandschap vertraagde de tijd. Ik draaide mijn favoriete muziekje en bralde luidkeels mee met Joni Mitchell of de euforische koren van de Misa Flamenca van Peña. ‘Santos, Santos!’ Met een een brok in mijn keel van het mooie landschap en de muziek die aan de touwtjes van mijn ziel trokken tot het tranenluik open ging. Heerlijk. Al was ik altijd bang dat ik op zulke momenten per ongeluk spontaan gelovig zou worden. Mijn praatkameraad Paco de treurige uit Madrid noemde dit ‘het heerlijke huilen’. Hij kon het weten want hij reed eens per maand op en neer naar Madrid, hij was de enige atheïst in het dorp en hij hield van Bach. Op de parking van de Hypersol werkte ik mijn mascara bij.
Met Blas naast me ging die emo-vogel niet op helaas. Met vragen als: ‘Waarom zing je zo vals vrouw?’ en: ‘Waarom huil je, vrouw?’, verprutste hij mijn trip totaal. 
(Pas nu ik het opschrijf vind ik dat komisch; destijds vond ik hem ronduit irritant op zulke momenten; alsof iemand me last minute mijn vakantie afnam.)
Na een rit waarin Blas aan een stuk door in mijn oor toeterde over welke dorpelingen er allemaal in de ravijnen waren gestort, kon het winkelfestijn beginnen. Blas duwde de kar (zo raakte ik hem niet kwijt, zoals de vorige keer) en ik shopte.
Dat ging ongeveer als volgt:
Bij de koekjes: Blas (schreeuwend): “Koekjes? Mmmm. Waarom koop je koekjes, vrouw? Die kun je toch goed zelf bakken?”
Bij de vleeswaren: “Chorizo? Die kun je toch veel beter bij Pepa kopen? Die heeft er nog een stuk of twintig hangen.”
Bij de eieren: “Eieren? Leggen die kippen van Juan dus nog steeds niks? Je moet die kippen slachten.”
Bij de kippengrill: “Kip? Je hebt toch kippen? En anders vraag je Juan van Paqui toch er eentje te slachten?
Bij de slijterij-afdeling: “Heb je die zelfgestookte voorraad aguardiente nou al op dan?”
Met 24 rollen wc-papier, een zak meel, suiker en een fles afwasmiddel droop ik af naar de kassa. Met Blas winkelen was niet leuk, maar wel kosten- en tijdbesparend. Na deze tocht wachtte me nog een hele kruistocht door het dorp: Langs Pepa’s worstenschuurtje, langs Paqui en Juan, een geschikte kip uitzoeken, naar Ana van de Farmacia voor aspirine voor de hoofdpijn van de aguardiente die ik zeker zou gaan drinken hierna. Ik was tenslotte geen Mormoon, al begon het er wel op te lijken langzaam.
Onder de sterrenhemel dronk ik die nacht een glaasje zelfgestookte aguardiente met een stuk kaas. Te moe om te koken na deze uit de hand gelopen consuminder-expeditie. Camerón op de radio. Smerig sterk spul op een bijna lege maag, maar met Camerón en zo’n  sterrenhemel net voldoende om even aan de touwtjes van mijn ziel te trekken. 
Chin Chin! Op het consuminderen. Dat eigenlijk uitgevonden is door Blas. 

Smaakbeleving van duizend doden en jamón

Het zoete zomerstof van tijm, fijne klei en misschien nog net een glimpje zilte, verdwaalde zeelucht. Mmm. Als ik niet op een slingerend zandweggetje langs ravijnen zou rijden, zou ik mijn ogen dichtdoen. Herinneringen struikelen over elkaar in mijn hoofd en vallen weer als fijn stof uiteen.

We zijn met camera en geluidshengel onderweg naar de finca van Berend Vroom, de hoofdpersoon in mijn documentaire ‘vleeswording’. De plek waar we een half jaar geleden twee varkens slachtten tijdens de matanza en wiens hammen we vanmiddag gaan afhalen uit het drooghuis in Yegen.

Ik sterf van de hoogtevrees, maar wil niets laten merken aan mijn reiscompagnon die 13 jaar jonger is. Dus ik rijd, uit mijn nek zwetsend en zwetend, moedig door. Het kleine huurautootje geeft bij elke trilimeter beweging bergopwaarts een zwiep alsof het steigeren wil. Het zweet gutst me na 2 kilometer in straaltjes over de rug. Hoogtevrees geeft dwanggedachten en ik dwankdenk steeds als ik in het ravijn kijk dat ik zwetsend zal sterven, in mijn harnas dus.

Ik begrijp nog steeds achteraf niet hoe ik het zonder al te veel zenuwinstortingen overleefd heb, al die jaren in de Serrania met derdehands auto’s door de bergen. Ik was een vlakkelander met hoogtevrees, verslingerd aan de bergen. Maar eenmaal verhuisd naar de kust, jaren later in Cadiz, keek ik uit het raam en zag ik de donkerblauwe stormen opzwellen in de massa van al dat machtige, diepe Atlantische water. Ook daar stierf ik ook duizend doden, want mijn dieptevrees voor het almachtige blauw bleek minstens zo erg als mijn hoogtevrees. Ik kan niet zwemmen. Ik ben eigenijk een bang avontuurlijk mens. 

De bergen maken dus van alles in me los. Maar gelukkig niet alleen trauma’s. De bergen vervullen me ook met de opwinding van een klein Venloos kind dat eens per jaar de Noordzee rook, voordat het met pa en ma en de koeltassen en parasol en windscherm over de duinen was geklommen. Die klim werd altijd op nieuw beloond; net zoals elke klim door de bergen voortdurend beloond wordt door nieuwe uitzichten en vertes.

Vier bochten verder was ik zoveel doden gestorven van alle dwangmatige visioenen over neerstortende kleine rode huurautootjes, dat ik me niet meer het opgewonden kind voelde, maar pa en ma, die zich helemaal de tering had gesjouwd met het ellendige strandmeubilair en eten voor een heel gezin, na 4 uur met een hete auto vol jengelend grut in de file te hebben gestaan vanaf Limburg.

Als ik op het punt sta om mijn reisgenoot huilend te verklappen dat ik eigenlijk niet durf te rijden, staat daar opeens – in het stoffige middagzonlicht langs de kant van de weg, een lachende Berend Vroom. Hij heeft een bosje tijm in zijn hand en draagt bretels met rode hondenpootjes. Binnen twee seconden glijdt alles van me af. We zijn gearriveerd. Het was het zweet waard.

Twee uur later zitten we weer in een auto en rijden dezelfde weg terug. Ik ben helemaal niet bang. Berend rijdt en hij kent elk ravijn en elke bocht op zijn duimpje. Camera loopt. We gaan hammen halen in het dorpje Yegen. De lekkerste ham die ik ooit zal proeven. En die gezouten en gerijpt is in deze mooie zilte bries met de geur van kruiden en een vleugje zee. In Yegen lopen we door de gedroogde hammen hemel en door het straatje waar Gerald Brenan ‘South of Granada’ schreef en Virginia Woolf bij hem op visite kwam. En samen aten ze ham natuurlijk.

Dat komt natuurlijk allemaal niet in die film. Maar toch.. over smaakbeleving gesproken. Duizend doden heb ik gestorven om een stukje ham op mijn tong te kunnen leggen. Als dat niet romantisch is, dan weet ik het ook niet meer.

Vleeswording

Foto: Franco Gori
(Ook fotograaf Franco Gori kroop met zijn lens letterlijk en figuurlijk diep in de gebeurtenissen. Er volgen binnenkort nog veel meer prachtige beelden van Franco.

In december filmde ik met cameraman Arie van Dam en een zeer bijzonder Spaans-Nederlands gezelschap een bijzonder eetfenomeen in Zuid Spanje: de traditionele huisslacht, ofwel ‘Matanza. Met een tas vol mooie beelden en een hart vol warmte en verhalen keerden we terug naar koud en donker Nederland. Ik wist het zeker: Vlees is een sociale happening, het slachten een moeilijk, maar intens mooi ritueel, het delen een onlosmakelijk deel van samen mens durven zijn.

Dat gevoel wilde ik vasthouden en in de film leggen. Hoe precies, wist ik nog niet. Want een stel slachtende kerels die grappen makend een lief guitig varken in stukken snijden, is best lastig om te verbeelden als een warme, sociale en humane handeling.
Dat is dus de uitdaging van beschouwende films maken.

Terwijl ik me avond aan avond verloor in mijn vleesgefilosofeer tijdens de montage, bleek een van de deelnemers aan de thuisslacht zijn beeld over slachtethiek met terugwerkende kracht te hebben bijgesteld. Een week lang peuterde ik de man uit alle scenes en met mokkend filmhart zag ik samen met hem een reeks prachtige sleutelscenes als sneeuw voor de zon verdwijnen.

Ik begon opnieuw en richtte me deze keer op de kern van de kern van de kern: De slacht. Er vloeide zoveel bloed over mijn montagescherm, dat ik spontaan veganistisch werd. Urenlang knipte ik in de schreeuw van de twee slachtvarkens. Maar hoe knip je een schreeuw van een bang dier? Maak je het korter zodat het publiek niet walgend of huilend wegloopt? Gooi ik er een muziekje doorheen om het een beetje te verzachten? Waren er regels voor de lengte van een schreeuw? Welk muziekje zet je daar onder in godsnaam? Welke artiest is in staat om de schreeuw van een dier in doodsnood te verzachten? Die twijfelachtige eer durfde ik zelfs AC/DC niet te gunnen.

Ook mijn eigen ethiek werd voortdurend op de proef gesteld. Ik was geen film aan het maken, maar een dilemma aan het uitvergroten. Maar, zoals een goede vriend en collega zei na mijn geweeklaag hierover: ‘’Daar doe je het voor, als kunstenaar of filmmaker; je produceert dilemma’s, nieuwe vragen, je HOEFT geen oplossing te bieden.’

Vreemd, waarom had ik in Nederland eigenlijk veel meer morele bezwaren dan in Spanje? Was het het zuurstofgehalte? De berglucht? De heimwee naar een tijd die ik nooit heb meegemaakt? De valse nostalgie die aan mijn ziel kleefde sinds mijn verhuizing terug naar Nederlnad? Noch tijdens het slachten, tijdens het eten of dicussieren met mijn schoenzolen nog in het varkensbloed, had ik last gehad van enig moraal bezwaar of ethisch euvel. Maar weer weg uit mijn geliefde oeromgeving van Zuid Spanje, terug in de wereld van de ethiek om de ethiek, discussies om de discussies en omringd door mensen die alles nog veel beter denken te weten dan ik, sloeg de twijfel toe. Waarom maakte ik ook alweer deze film? Wat wilde ik bewijzen? Oh ja, de oerlink. Vlees-mens-dier-dood-leven-feest-liefde. Meer niet.

Als je de montageschaar in handen hebt, ben je in principe klaar om de realiteit in hapklare stukjes te knippen. Je bent een beetje slager: ga ik dat prachtige varkenshoofd in z’n geheel in je vitrine leggen, of maak ik er een mooi schaaltje ambachtelijk verkoopbaar van?

Je hebt even een ontzettend grote macht over de dingen en gebeurtenissen tijdens zo’n montage. Je kunt iemand die lief is, gemeen maken, de dood minder erg maken en de schreeuw inkorten tot draaglijke proporties. Maar wat blijft er dan over van mijn diepste filmwens om iets in beeld te brengen dat er gewoon ‘is’, doorgedraaid vleesetend Nederland te laten zien dat er mooiere, diepere en rijkere verbanden bestaan tussen het dier, de dood en ons lapje vlees. Dat er ooit een wereld was waar sociale wetten en oerverbanden leidend waren en niet de Partij voor de Dieren, Herman Bleker, Herman ten Blijker, Pownieuws en overspannen CEO’s van de vleesindustrie.

Al wordt dit niet de meest subtiele film die ik heb gemaakt, ik verheug me weer op het knippen, snijden, foeteren en het gepeuter aan de schreeuw van het varken, de lach van Manolo, de ogen van Berend, de handen van Rosa. Maar dat was ik even vergeten.

Tot snel met meer nieuws over Vleeswording.

Flappie in Bokbier, een herdenkingsrecept

Ter ere van de 50ste sterfdag van Flappie.

Let op: dit is een live recept, geschreven terwijl ik kook. Ik geef dus geen garantie op het resultaat, maar het ruikt in elk geval lekker. Over 15 minuten ligtie op ons bordje. Ik ga nu de salade maken.

Men neme een tam konijn, in delen gesneden of vier tamme konijnenbouten. Wilde zijn lekkerder, maar in dit geval gaat het om Flappie en die was tam.
Even inzouten en rondom bruin aanbraden.
In een diepe braadpan: Dikke klont roomboter + scheut olijfolie, een hele bol (tenen met vel kneuzen en heel erin gooien) en 1 grofgesneden ui even goudgeel sudderen op laag vuur. een paar jeneverbessen, laurierblad, zwarte peper en zout toevoegen, konijn erin en het geheel aanvullen met een glas Hertog Jan bokbier en een flinke scheut frambozen- (of andere fruitige) azijn. Gooi er een handvol rozijnen in, een scheutje water erbij en evt bijzouten.
Even roeren en 5 minuten zonder deksel een beetje laten inkoken op middelmatig vuur.
Zet je pitje laag. Dek de pan af met bijvoorbeeld een deksel. Neem een biertje, want er is nog een halve fles over.
Relaxeer.
Lekker met turks brood en een frisse worteltjessalade met citroen, veel zwarte peper, beetje honing en wat rozijnen.
Salade: wortels in linten schrappen met een wortelschrapper of kaasschaaf. Dressen: Een halve citroen met een eetl honing en flink wat grof gemalen zwarte peper , scheutje olijfolie. Rozijnen erbij en even laten intrekken voor serveren.

Pre Traumatische Kerst Stress (PTKS)

De junk met ledlampjeskerstmuts bij de ingang van AH met zijn 3ehands daklozenkranten, doet goeie zaken tijdens deze dagen. Zijn Roemeense vrouwelijke collega zit duidelijk nog steeds 2e rang in de bedelhiërarchie, want haar groezelige doosje met de geplastificeerde NL-vertaling van een onleesbaar maar gegarandeerd ellendige levensverhaal, is lullig leeg. Ook bedelaars krijgen kerstkeurmerk. Liever een zingende junk dan zo’n tandeloos oud vochtig hoopje kleren dat geen woord Nederlands spreekt. Ik gooi een riante 2 euro in de vrouw haar doosje en krijg een vernietigende blik van de zingende junk die ogen op steeltjes blijkt te hebben. Ik wens hem gelukkig kerstfeest.

Rond deze dagen vind ik Nederland op z’n sneust. Chagrijnige koppen achter volgepropte winkelwagens, een volksmassa die lijdt aan het wellicht volgend jaar officieel medisch te diagnosticeren ‘’PTKS’’ (Pre Traumatische Kerststress). De mevrouw naast me heeft er duidelijk ook last van. Ze heeft het woord ‘’OP’’ verkeerd geïnterpreteerd, zoals naoorlogse mensen dat wel vaker doen. ‘’Op’’ bestaat niet en al helemaal niet met kerst voor zulke mensen. Ze heeft er paarse stressvlekken van in haar hals, doorlopende naar haar voorhoofd. Ze is woedend over dat de kip en literse flessen Coca Cola niet bijgevuld zijn. De chef wordt er bij gehaald, want de 16 jarige caissière heeft niet voldoende overwicht om haar te stoppen. ‘’Er valt niets bij te vullen, want op=op.’’ spreekt de chef, terwijl hij met een dweil een kapot gevallen pot appelmoes aan de andere kant van de kassa begint op te dweilen. Ook hij vertoond al wat vlekken, maar van een meer roze kleur. Supermarktmanagers zijn de nieuwe verlossers tijdens de kerst, maar dat ziet niemand.

Doodmoe sleep ik mezelf naar de auto waar ik een oud klasgenoot mij de toegang tot het rustgevende interieur van mijn vehikel blokkeert, omdat ze met een schreeuwend kind worstelt dat niet in haar stoeltje gepropt wil worden. Twee oudere kinderen zitten mokkend op de achterbank. Ik wacht geduldig, want het is natuurlijk totaal niet sympathiek om zo net voor kerst een oud klasgenoot op zo’n stressmoment nog meer in de stress te jagen. Inmiddels arriveert ook haar moeder om zich met het krijsende paars aangelopen kind en haar dochter te bemoeien. Ik herken de klagende vrouw van de kip en de cola. Het paars zit zeker in de familie.
Plots is mijn geduld op. Ik heb toch zeker ook recht op kerststress? Ik voel een vlek opkomen. Jee. Toch besmet.

Een dag in het vleesparadijs (Uit het boek van Blas)

Wat de dorpelingen betrof was je gewoon een domoor als je geen vlees at. Een domoor of een homo. En een etentje zonder vlees, was als een arena zonder stier, een kroeg zonder bier.

Ik heb het zelf maar heel even volgehouden; vegetarisch eten. Een gezonde eetstijl lag voor de hand: ik woonde immers in een mega-vega-paradijs met eigen fruit, groenten, noten en als ik een beetje dieper zou graven zouden er vast ook nog barstens veel knollen, bloemen en andere eetbare objecten in mijn hofje rondslingeren. Mijn partner deed aan Tai Chi , neigde naar macrobiotisch en er kwamen zelfs bezoekers van vega-verenigingen uit Nederland en Duitsland om mijn fruitbomen te knuffelen en mijn nootjes te rapen. Maar van zulke ontmoetingen kreeg ik nog meer zin in vlees.

Mijn kuitspieren, mijn dromen, mijn hoektanden en maag schreeuwden na enkele maanden om VLEES. Het was een fysiek verlangen. Ik had brute paardenkracht nodig om elke dag als een muildier tegen die hellingen van het paradijs op te klimmen en mijn lichaam redde dat niet op zaadjes en tofu en zongerijpte toestanden en al die andere gezonde dingen zonder pootjes.

Dus ik ging Carmen helpen in de keuken, waar hammen hingen te druppen en te drogen in de tocht, waar een grote stoofpot op het vuur stond met varkenspoten, gezouten ribbetjes en blokjes oude tranige ham hun weg vonden in dikke soepen, die me deden denken aan winter en mijn moeder. Achter in haar hofje zaten bendes konijnen te fokken en waggelde twee obesitasganzen rond, nog niets wetende van komende kerst. Bij Carmen was alles VLEES. Zelfs haar oorspronkelijke naam: Encarni, betekende vleeswording. Ze had de rode wangetjes van een Hollandse slagersvrouw en borsten waar je een heel dorp aan zou kunnen troosten.

Haar stokoude dementerende moeder (ze had al sinds 1995 geen woord meer gezegd, dus men ging er vanuit dat ze dement was) zat in een hoekje van de keuken, stevig in haar stoel gesnoerd met een oude veiligheidsriem. Op haar schoot een zak oude broden die ze in stukjes brak en in een cementkuip liet vallen. Aan het einde van de middag, gingen we de varkens voeren. Paco snoerde moeders met haar broodbrokken goed vast op de bijrijderstoel van zijn Landrover en we daalden af naar hun boerderijtje in de Genal- vallei.
Onderweg stopten we eerst nog bij Baltazar die een grote ton ruftend keukenafval achterop de auto bond en daarna langs Paco en Juamo om drie zakken geitenmest op te halen voor de moestuin.

Ruftend arriveerden we 1,5 uur later in het paradijs.

Na het voeren van de varkens, sleepten we stoeltjes en moeder naar de rivieroever en kwam er oude wijn en oude worst uit het keldertje te voorschijn. Moeders bleef zonder riemen, sereen en tevreden in haar stoeltje met afgezaagde poten zitten.
Carmen draaide de kaasjes in de stenen potten vol scherp ruikende olie en liet ons de kaas van afgelopen voorjaar proeven. We doopten vers brood in olie, Paco sneed de worst met zijn Zwitserse nepzakmes. In de schaduw van de kastanjebomen en met de kabbelende Genal aan onze voeten kauwden we stukje taaie worst en dronken we glazen zurige oude wijn met la Casera (7-up) die Carmen aan een touwtje uit de ijskoude Genal had gevist. Mensen met ijskasten, dat waren hier pas mietjes.

De varkens vochten, slurpten en wroetten enkele meters verderop in hun eigen koningsmaal en Carmen rekende hardop uit hoeveel mooie hammen en worsten we dit jaar zouden maken in november.

Tegen schemering was ik weer helemaal carnivoor. Want het was een bijzonder mooie dag in het vleesparadijs.

Het kloteparadijs (uit het Boek van Blas)

‘De zon gaat toch onder, ook al zijn we nog niet klaar zijn met de dag. ‘ Humt Blas naast me. Hij heeft altijd van die filosofische momentjes zodra het donker wordt. Ik ben te moe om het prachtig te vinden vandaag. We hebben de hele dag samen het gras gemaaid op de zuidhelling, met kleine zeisjes. Blas vond het maar vreemd dat ik meehielp met deze rotklus. ‘Moet je niet gaan koken?’ vroeg hij elk half uur als we even rechtop gingen staan en onze pijnlijke ruggen rekten.

Normaal zingt Blas altijd als hij het gras maait. Over zijn muildier, zijn moeder en de zee die hij sinds 1954 niet meer had gezien. Vandaag heeft hij geen noot gezongen. Hij lijkt uit zijn hum.

Alles lijkt uit z’n hum vandaag; het is een klotedag in het paradijs. Ik heb rugpijn en ben gestoken door een horzelachtig rotbeest door mijn shirt heen. Mijn neus zit vol stof, mijn kleren schuren en jeuken en er komen vieze kleine gemene steekvliegjes op mijn zweethoofd af. De zon was pokkenheet geweest vanaf 9 uur ’s ochtends en had alle energie uit mijn lijf en leden verdampt.

We hebben de klus net niet geklaard voor zonsondergang. En ik heb niet gekookt. Blas is ervan door de war. ‘En het eten dan?’ vraagt hij nerveus terwijl ik met puddingknieën van de helling afstrompel. ‘Ik gooi snel iets in de pan’ stel ik hem gerust. Blas kijkt me fronsend aan. Hij weet niet wat dat betekent, ‘iets in de pan gooien’.

Ik ga naar binnen en maak een hele grote omelet met jamon en tomatensalade en zet een homp kaas op tafel met brood. Na 10 minuten roep ik Blas aan tafel. Hij schuifelt binnen, hangt zijn pet aan het deurhaakje en kijkt verbijsterd naar de tafel.

‘Maar mujer! Dit is geen avondeten, dit is middageten!’ Blas is geschokt.

We eten mokkend en in stilte. Ik erger me aan zijn tandenloze slurp- en smakgeluiden. En aan het kleine benauwde keukentje in dit grote benauwde bos. Kloteparadijs.

‘Je hebt wel goeie tomaten dit jaar., maar je moet andere olie gebruiken.’ Zegt Blas als hij zijn lege bord van zich afschuift. ‘Maar ik zeg je, vrouw, dit is geen avondeten’.

Ik zeg maar niets en denk aan de broodjes kroket, opgewarmde kliekjes en talloze variaties tosti’s die ik achter het beeldscherm in Nederland verorberde, omdat ik mijn werk ‘niet op tijd’ af had. En aan alle geëmancipeerde Nederlandse mannen die ik met een pan op het hoofd zou hebben geslagen na zo’n opmerking.

Verontwaardigd over mijn slechte huisvrouwschap, weigert hij koffie vanavond. ‘Ik drink wel koffie bij mijn schoonzus.’

Als Blas met zijn muilezel het zandpad oploopt richting zijn dorp, zwaai ik gewoontegetrouw vanuit de keukendeur en wacht op zijn gebruikelijke ‘Tot morgen!’ Blas zwijgt echter en weigert zijn stugge rug te draaien. Pijnlijk alleen blijf ik achter in mijn kloteparadijs en verdrink de rest van de avond in zelfmedelijden met een zielig boek en Leonard Cohen liedjes.

Dat helpt.

De volgende ochtend sta ik extra vroeg op om aan het laatste stukje helling te beginnen. Ik wil Blas verrassen. Maar hij komt niet vandaag. Als ik klaar ben en de hellingen aan de overkant van de vallei afspeur, zie ik hem staan. Roerloos en zoals altijd met zijn hand boven zijn ogen. Ik zwaai en wijs op het gemaaide veldje. Blas trekt zijn schouders op en loopt weg, richting zandpad.

Ik rij naar het dorp om mijn post af te halen en stort mijn hart uit bij Catalina, de moeder van de postbode. Ze is er zo klaar mee: ‘Je moet met je tengels van het werk van Blas afblijven. Je hebt hem iets afgenomen dat al 60 jaar van hem is.’ Catalina is een wijze vrouw.

Op de terugweg naar mijn kloteparadijs schaam ik me diep. En ik ben ook een beetje opgelucht: ik zal nooit meer gras maaien op de zuidhelling. Hoe lekker is dat.