De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.

 

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij  de kroeg van Pablo de Galiciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras.  Op de de bussenparkeerplaats bij het strand stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden.  Toen we twee uur later eindelijk op het stadsstrandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander die vindt dat ze haar tijd nuttig moet besteden.
Daar zaten we dan. Een Spaanse drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde buitenlander. We deelden brood en wijn en zwegen. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en ik porde hem steeds zodra ik een ster zag vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe geheel overbodig. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart  met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wens was uitgekomen. Dat alles even zou blijven zoals het was.

Penelope Cruz en de figuranten van Bar Luna



Het is begin april en de stad is een en al vrolijkheid en lente. De zeewind van de Atlantische is vandaag lekker lauw, de obers en serveersters nog fris en vrolijk. Ik heb weken binnen gezeten om te sleutelen aan een regenachtig scenario en snak naar gezelschap en een verzetje. Onderweg naar Bar Luna word ik ingehaald door Paco el Pintor, die in alle staten is. ‘Heb je het al gehoord?’ Ik ben een en al oor en hij is ademloos van opwinding. ‘Ze zochten figuranten  voor de filmopnames van ‘Manolete’ en Borja, Pedro, Juan, Julio en ik zijn aangenomen!’ Ik had me gisteren al afgevraagd waarom de stierenarena naast mijn huis afgezet was met geel-zwarte linten en er zoveel campers op de parkeerplaats stonden. Geen stierengevecht, maar een film dus.

‘’En weet je wie er mee doet? Penelooope!” Nu werd het interessant; Penelope is in town. We duiken bar Luna in waar de rest van de figurantenclub nerveus door elkaar heen zit te praten. De vrouw van Borja vindt het maar niks, dat haar man opeens in de film moet meespelen met Penelope Cruz. ‘Aanstellers’ mokt ze terwijl ze luidruchtig tostada’s met slordige tomatenprut op onze tafeltjes kwakt. Julio de Blinde vraagt zich hardop af of het wel zin heeft, een blinde figurant. Borja’s vrouw antwoord sarcastisch dat hij net zo goed hier kan blijven om haar te helpen met de afwas, omdat hij de film toch niet terug kan kijken.
De figuranten moeten zich om 11 uur melden bij de achteringang van de arena, in de grote tent. Met de voltallige clientèle van Bar Luna lopen we in een stoet  achter ‘onze figuranten’ aan.  Lola, de vrouw van Borja blijft mopperend achter in een volstrekt lege kroeg. Terwijl iedereen onderweg in de Calle Lucia Penelope meent te spotten, zie ik Adrien Brody voorbij slenteren. Ik knipoog en hij knipoogt niet terug. Ik lieg tegen Merche en vertel haar dat ik zojuist heb geflirt met Adrien Brody. Ze kijkt me aan alsof ik Venloos praat en heeft geen flauw idee wie Adrien is.
Bij de geel-zwarte linten blijven we staan en zwaaien de mannen uit tot ze achter de tentflappen zijn verdwenen. We nestelen ons op mijn dak, dat uitkijkt op de arena en deparkeerplaats. Meche begint te schreeuwen als ze Paco el Pinto met Pedro ziet lopen. De twee mannen steken stijf van ongemak het plein over in een militair jaren dertig kostuum. Paco hoort ons roepen, kijkt op en ik heb de arme man nog nooit zo ongelukkig zien kijken. De getatoeëerde oude man die ooit vocht tegen de mannen in zulke bruine pakken en ook in het vreemdelingenlegioen had gezeten. ‘Paco zit in de verkeerde film.’ Mompel ik en Manolo mompelt adrem dat dit voor zijn hele leven geldt.
De volgende ochtend is het druk bij Bar Luna. Want iedereen wil natuurlijk weten hoe dat was, meespelen in zo’n echte film met Penelope erbij. Paco is stil en trekt onverschillig zijn schouders op. ‘’Geen Penelope gezien.’’ Mompelt hij na een poosje. ‘’En dat pak kriebelde en zat te strak.’ Vulde Julio de Blinde aan. ‘Het was te heet om de hele middag in de zon stil te staan voor die twee tientjes.’  Juan komt binnen. Zijn gezicht is verbrand en hij trekt met zijn linkerbeen. ‘Hebben ze me verdomme twaalf keer op en neer laten rennen over het strand van La Puntilla. En geen Penelope gezien, alleen een schreeuwende, lelijke kerel met een megafoon.’ Borja’s vrouw sloeg zich op de schort van leedvermaak.
We besluiten in broederlijke verontwaardiging dat de filmindustrie niet ons ding is en we druipen, enigszins gedesillusioneerd, af naar huis. Als ik zwijgend naast Paco onze straat in loop,  worden we op vijftig meter van mijn huis tegengehouden door een man in bewakingsuniform. Naast de ingang van mijn huis stopt een geblindeerde auto. Een kluit voetgangers en bromfietsers hopen zich nieuwsgierig op tegen onze ruggen. Een slank elegant been komt uit de auto. Gemompel stijgt op. Het is Penelope.  De enige echte. Ze kijkt heel kort en niet vrolijk naar de mompelende kluit mensen en verdwijnt in een leegstaande vervallen herenhuis. Uit een volgende auto stapt Adrien Brody. Hij knipoogt niet. Ik ook niet.
We vertellen niemand in Bar Luna van onze close encounter met Penelope en Adrien-die-niemand-hier-kent. Want we hadden toch al besloten dat we niks met de filmbusiness hebben. Ik ging naar binnen en schreef in een ruk de laatste scene van mijn scenario en belde de producent in Amsterdam om te vragen of we Adrien Brody niet zouden kunnen strikken voor een bijrol. Hij dacht dat ik dronken was en hing op.

De film ‘Manolete’, over het leven van een beroemde Spaanse stierenvechter, is pas vele jaren later dan gepland en na allerlei financiële en cinema-politische hobbels, in première gegaan. In de drie-films-voor-een-tientje-bak van Blokker vond ik de DVD deze week onder de titel: ‘’The Passion within’’.
In het Spaans:

Winterslaap der straatengelen

Alhoewel we aan de Kust van het Licht woonden, waren nergens de wintermaanden zo donker als in El Puerto de Santa Maria. Vanaf oktober, als de zomergasten, toeristen en pensionista’s de ijskoude Atlantische wind zoveel mogelijk meden, was de stad weer even dorp. Verwarming, thermopeen of andersoortige isolatie, waren in de oude binnenstad tussen de haven en de stierenarena van El Puerto nog niet doorgedrongen. Wie mooi wilde wonen moest maar pijn lijden, vonden we. Wie een keuken had met een kachel, leefde drie maanden in de keuken. Met een beetje pech of mazzel (maar net hoe je het bekijkt) heb je drie maanden de halve straat in de keuken zitten. Wie een kroegje had dat klein en warm was, deed goeie zaken.

Deze stad, door de Spanjaarden en toeristengidsen ook wel ‘La ciudad de los cien palacio’s’ genoemd, was gebouwd voor de zomermaanden. Al eeuwen geleden zetten de rijke cherry-families hun tientallen‘zomerpaleizen’ hier neer om de zengende hitte van het achterland te ontvluchten en avond na avond te flaneren langs de standsstranden en te feesten in de familiewijnkelders. Zet een groep pionierende Ieren, Zuid Spanjaarden en Zuid Amerikanen bij elkaar in een winderig hanvenstadje en je hebt behalve eeuwen van handel ook eeuwen van feest.

Ik woonde toevallig in zo’n rose zomerpaleis, ooit het vrouwen- en renpaardenverblijf van de invloedrijke cherryfamilie ‘Caballero’. Het tochtige, maar prachtige bediendenhuis op het dak van het paleis, dat ik voor twee jaar huurde om te werken en te wonen was net zoals de rest van deze immense rose, 17e eeuwse marmertaart, ook niet bepaald winterproof. Schrijfdagen van stilzitten achter de laptop zoals in de zomer, was er niet bij.

De binnenstadbewoners kropen letterlijk en figuurlijk dichter bij elkaar. De kleinste kroegjes en flamenco-keldertjes zaten bomvol elke avond, terwijl de grote horecajongens luiken op hun gevels lieten timmeren voor de winter. Het had iets spookachtigs, maar ook iets geruststellends; iedereen kende elkaar weer en wij deelden de lege pleinen en straten met de wind en met elkaar. Als je alle warme plekken wist in de stad, dan was de kans op een winterdepressie het kleinst.

De kleurrijke figuren die in de zomermaanden de straathoeken en doorgezakte terrasstoelen op alle strategische plekken in de haven en de binnenstad bezetten, verdwenen met het naderen van de winterstormen. Zoals onze aller pleinpatriarch Cabeza, wiens rheuma en toch al bozige humeur bij gebrek aan zonlicht dusdanig opspeelde, dat hij van zichzelf vond dat hij beter niet te veel onder de mensen kon komen.
Soms, omdat we zijn gebrom en geblaf mistten, bezochten we hem met een paar stamgasten van Paco’s koffiehuis, waar Cabeza op het terras 8 maanden per jaar kantoor hield. Zijn uitgebouwde dubbele autogarage aan de rand van de wijk, waar de verharde bestrating en legale stroomaansluitingen ophielden, had hij afgelopen jaren omgetoverd tot een ‘boengaló Americano’ van pracht en praal, vol marmer, messing en stijgerende paardenbeelden.

‘El boengaló’ was het winterdomein van Cabeza’s vrouw, inwonende dochter met twee kleine kinderen, zijn 93-jarige schoonmoeder. Cabeza zelf sleet de korte winterdagen in zijn ‘bodeguita’; een zelf gegraven keldertje op de patio, compleet met antieke eiken Pedro de Jimenez-vaten, prachtige selectie Oloroso en een klein Maria-grotje met eeuwige vlam op 12 Volt. Het keldertje van Cabeza zat als gegoten om zijn grote lichaam heen. Wij pastten er eigenlijk niet echt meer bij en zaten met z’n 3-en op het tochtige trapje, knieën in elkaars rug, elk een limonadeglas peperdure Oloroso. ‘Laten we eten en drinken tegen de kou en de duisternis’, zei Cabeza terwijl hij weer een half vol glas in de lucht stak. Cabeza in zijn keldertje had iets plechtigs en komisch tegelijk, hij leek op een oude tovenaar in een veel te kleine tovergrot.

We bleven altijd maar twee glaasjes Oloroso lang bij Cabeza in de winter. Want na twee glaasjes was de kans erg groot dat hij Boney M ging draaien, na drie glazen meende hij dat hij terminaal was en de winter niet zou overleven, om vervolgens een kudde luidruchtige, zuipende hard-core flamenco-neven te mobiliseren voor een feest waar je alleen met een pistool of een ziekenauto nog weg kunt komen. We waren er allemaal al een keer ingetrapt, in dat derde glaasje oloroso.

Zodra het weer lente werd en de zon de stenen van het plein en de kades weer verwarmde, de koude zeewind zich terugtrok uit de straten, was hij er weer. Als een dikke oude engel zat hij weer voor Paco’s bar. Cabeza in de zon, gewassen en geschoren, getalkt, gekamd en gebrylcreemd; een aandoenlijk gezicht. ‘Ik ben er weer!’ Riep hij dan dagenlang tegen zo ongeveer elke voorbijganger. Niemand toonde uitbundige blijdschap, maar van binnen waren we best allemaal opgelucht dat de beer weer uit zijn winterhol geklommen was. Want Cabeza was de voorloper van de optocht die alle kleurrijke mensen weer op de straten leek te trekken.

Binnen een week waren ze er allemaal weer:
Cabeza, Julio el Ciego de blinde lootjesverkoper, Marta met de zeven pruiken, Josita met haar schrale stem, Pepe met zijn dieselsloepjeshandel, Juamo die niet echt de neef van Camaron was, Paquito el pintor die eigenijk niet kon schilderen, de dikke jongens van Las Sopas die altijd en overal zongen, Borja del Norte die Cantabria nog steeds mistte, Lupa de schone Argentijnse waar iedereen verliefd op werd, Loli die de beste chicharones kon bakken van de hele provincie, El Calvo, het zwarte schaap van de Osbornes en Mussaf die Chinese tapijten en snelkookpannen verkocht op de parkeerplaats bij de boten.

De straatengelen waren weer terug, om de stad van de honderd paleizen te behoeden voor gewoonheid van massatoerisme en costa-sleur. Zolang zij er nog waren, had deze stad als een van de weinige aan de kapotgeexploiteerde costa’s, zijn eigen(zinnig)heid en authenticiteit kunnen behouden.

Send me a rainbow instead of a postcard, een gezongen verhaaltje uit SPanje

Afscheidsconcert, de dag voor mijn definitieve vertrek uit Spanje. Een verrassing van onderbuurman Leonardo en mijn vrienden van bar Luna. We speelden op een benefietconcert in het prachtige auditorium van Monesterio San Miguel van El Puerto de Santa Maria.
Ik vond het een grote eer om ‘zingend’ Spanje te mogen verlaten.

Zes uur later zat ik in een volgepakte auto op weg naar Venlo en zong ik in mijn hoofd: Send me a rainbow instead of a postcard. En dat klinkt leuk in een liedje, maar is in de realiteit verdomd lastig. Ik heb tot aan Madrid zitten snikken als een kind. Instant heimwee.

Rafael Alberti. (1927-1928). Gentes de las esquinas

EL ÁNGEL AVARO

Gentes de las esquinas
de pueblos y naciones que no están en el mapa
comentaban.
Ese hombre está muerto
y no lo sabe.
Quiere asaltar la banca,
robar nubes, estrellas, cometas de oro,
comprar lo más difícil:
el cielo.

Y ese hombre está muerto.
Temblores subterráneos le sacuden la frente.
Tumbos de tierra desprendida,
ecos desvariados,
sones confusos de piquetas y azadas,
los oídos.
Los ojos,
luces de acetileno,
húmedas, áureas galerías.
El corazón,
explosiones de piedras, júbilos, dinamita.
Sueña con las minas.

Rafael Alberti, el Puerto de Santa Maria 1927

El caminante (Uit het boek van Blas)

Voor R.
Paco el Pintor had bij het vreemdelingenlegioen gezeten en daarna jaren op de Atlantische gevaren. Trots liet hij mij een keer zijn vervaagde tattoos zien op zijn onderarmen; een soort wazige orgie tussen een schorpioen, een palmboom en de Maagd Maria. ‘’Dat verhaal vertel ik je nog een keer..’’ Zo had Paco wel vaker een ‘cliffhanger’ voor ons, maar uiteindelijk vertelde hij nooit iets. Hij zat dromerig en afwezig aan het dode hoekje van de bar en dronk zijn wijntje.

Iedereen in de stad wist wie Paco was, maar niemand kende hem echt.

Soms, als Julio el Ciego er was met zijn gitaar, kwam Paco even tot leven. Zodra Julio ‘El Caminante’ voorzichtig inzette, stond Paco heel langzaam op, alsof hij aanstalten maakte om te gaan dansen. Hij vouwde zijn grote eeltige schildershanden, trok zijn brede schouders hoog, deed zijn ogen dicht en zong. Het was dan een en al plechtige stilte in Bar Luna. Stem en gitaar sleurden ons, de stamgasten langs diepe afgronden en we kregen er allemaal tranen van. Behalve Paco zelf natuurlijk. Want die vond huilen voor mietjes.

Maar zoals Julio el Ciego zei: Paco kon zeven jaar huilen in 1 lied, dan heb je geen traanbuisjes nodig.

‘’…va
yo voy andando camino adelante
siempre buscando donde descansar’’

Uit: El caminante, Camerón de la Isla. (bulería)