Just a normal day?

Unknown

Buiten is alles normaal. Fietsers fietsen, vrachtwagens lossen, een hond pist tegen het bord van de Jumbo. Just a normal day.

ME busjes. Knuppels. Ik kruis mijn blik met een man met een oortje in en een kogelvrij vest aan – niet onaantrekkelijk kaal – net als in de film. Opgefokte jeugd met telefoontjes, heel opvallend en toch ongezien – lopen zich vast in een oploopje. Verdwijnen tussen schouders en capuchons. Stemmen vol adrenaline, bleke, boze gezichten van mannen, ooms, neven, buren. Bloemen op straat. Alweer opwaaiend cellofaan. Een huilende vrouw. Waar hij lag. Met een opgetrokken knie. Te jong en te dood. Boosheid, verdriet, begrijpelijk maar beangstigend. Een groepje agenten trekt een sprint naar een onzichtbare finish om de hoek. Omroepbusje, twee nerveuze cameramannen met een veel te zwaar statief.

Twee straten verderop. Uitgestorven. Mijn vader luistert radio. De kranten op tafel, een halve kop thee. De hond slaapt, hij lijkt wel dood, maar ik durf niks te zeggen. Hij hoort me denken en zegt: ”17 jaar en 4 maanden is hij nu.” Een hond van de dag. De hond zucht diep en ademt uit met een rochel. Apneu misschien. Opluchting. Niet vandaag aub.

”Ik ga de hond uitlaten, dat beest moet pissen.”

” Zal ik even meelopen?”

”Nee gek, ze zijn nu wel klaar met schieten.”

”Ga je niet te ver?”

”Nee kind.”

Ik blijf achter met het nieuws op de radio en volg mijn vader en hond vanachter de vitrages. Onrust in Blerick, daders voortvluchtig, bewoners boos, na de reclame. Ik pak mijn camera en film mijn vader die helemaal alleen over de verder lege straat slentert, in gedachten verzonken.

”Ben je niet bang?” vraag ik als hij terug is.

”Als mijn tijd gekomen is, dan is dat zo. Ik ben niet bang. En ik zeg nog steeds iedereen in de buurt hallo. Of ze dat nu gek vinden of niet. Kijk je wel uit op de terugweg kind?”Hij legt een oude beddensprei over mijn camera die op de bijrijdersstoel ligt.

”Je moet die auto eens wassen en uitmesten, wat een puinhoop kind. Ben voorzichtig.”

”Jij ook pa.”

Ik beloof beter tegen beter weten in. We lachen. We zoenen. Ik toeter, hij zwaait. Ik rij. Met een hele grote boog (van een kilometer of twaalf) om de realiteit en de boosheid heen. Ik wandel, ik winkel, ik werk, steek een kaars aan, maak spaghetti carbonara, ik bel met vrienden, drink een borrel, kijk het nieuws, draai Lou Reed.

Maar het helpt niet.

Ik pak een boek. Een grappig boek. En val na de titel uitgeput in slaap op de bank. Ergens tussen ontwaken en echt wakker worden zie ik door mijn vitrage de wereld die een fractie donkerder lijkt dan gisteren rond deze tijd. Mijn kaars brandt nog. Mijn ogen moeten nog wennen aan het nieuwe donker. Voorzichtig tast ik mijn verse herinneringen af op de valreep van de zonsopgang.

Buiten fietsen fietsers. Een vrachtwagen lost zijn vracht, bovenbuur klettert een ochtendplas. Aarzelend omarm ik deze dag. Just a normal day

 

De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

De Vijf van Cuba – te gast bij Nomad & Villager

 

Foto: Nicole Franken
Foto: Nicole Franken

De Vijf van Cuba – Gastblog bij Nomad & Villager

Ik vind het een hele eer om als gast-reporter bij de dames Nomad & Villager (van het leukste reismagazine van Nederland ) te zijn!

Viva la Rumba de la Vida!

Levenslang ruilen

Ik was altijd al in voor ruilhandel. Een buurttante gaf me elke maandagochtend om klokslag 11 een Caramax-reep, in ruil voor mijn belofte dat ik niet meeluisterde tijdens het koffie-uurtje. Ik was vier, ging op de bank zitten, probeerde zo stil mogelijk te zijn en genoot in een soort trance van de zoet-zoute caramelreep waar je altijd een beetje misselijk van werd, maar die toch verslavend lekker was.
In ruil voor roddelinformatie over de crisis-status quo van ons gezin, gaf de moeder van een basisschoolvriendin mij twee grote glazen cola en meters trekdrop die ik thuis niet kreeg. Ik wist toen nog niet wat roddel was, maar was natuurlijk zo corrupt als een kind maar kan zijn sinds de uitvinding van suiker. De buikpijn nam ik voor lief. In ruil voor een woensdagmiddag voetballen met een slungelig buurtjongetje dat totaal niet kon voetballen en wiens gezicht meestal op huilen stond, mocht ik jarenlang gratis met de stadsbus mee van zijn vader de buschauffeur. En zo vergrootte zich mijn kleine wereld; zonder dat mijn moeder het wist reed ik soms wel twee keer per week mee met de stadsbus de brug over en terug. En onderweg jokte ik tegen de buschauffeur over de vorderingen van zijn zoontje.
Ik deed ook domme ruilzaken; zo bood een vriendelijke buurtopa me een heel tupperware-bakje vol sleetse centen, in ruil voor mijn prachtige zilveren jubileumrijksdaalder die ik van een oom had gekregen voor mijn communie. Ik ging het lege tupperware-bakje netjes terugbrengen, zodra ik het geld thuis in mijn onbreekbare coca-cola-spaarpot had gestort, die nu opeens bomvol leek. Weken lang heb ik me een soort geheime bank op de Kaaiman-eilanden gewaand en zitten fantaseren wat ik allemaal kon doen met zoveel geld: een leven lang trekdrop of Belga kauwgums zonder stuivers te hoeven pikken uit moeders portemonnee. Dat schepte rust in een woelig kinderleven.
In Spanje ongeveer 25 jaar later, voelde ik me dus best snel thuis in de ruileconomie die in afgelegen dorpjes nog deel uitmaakt van de dagelijkse gang van zaken. Zaken zijn vaak ‘favores’ op het platteland. Als je een beetje kon bluffen zoals de Spanjaarden, waren er goeie ruilhandelsmogelijkheden. Als je een mindere dag had werd je een stevige poot uitgetrokken en kwam je thuis met een kat in de zak, een partij balken vol knaaglarven, een mislukte partij kaas of gewoon een rothumeur. In Nederland noemen ze dat al snel corruptie geloof ik, maar als je er midden in zit, zie je dat heel anders. Je ruilde een paar kilo noten en een paar flessen drank voor een snelle bouwvergunning.  Een favor scheelde al snel vele treden in de bureaucratie, of geld dat we niet hadden. Zat je eenmaal in de goeie flow van gezond ruilen (Of: remmend meegaan met de corruptie) dan was het prima overleven met heel weinig inkomsten en bijna altijd oplossingen. 
Je ruilspectrum groeide ongemerkt uit in de jaren tot een bijna full-time tijdslurpend monster.  Dat wel. Van al die artistiekerige voornemens zoals een boek schrijven en een filmmusical, de lotushouding oefenen, kwam dan ook niet veel daarginds. Ruilde je een complete fruitoogst tegen onderhoudswerkzaamheden op het land, moest je niet gek kijken als de wederdienst een jaartje of anderhalf op zich liet wachten, maar je ‘ruilpartner’ wel gedurende anderhalf jaar elke vrijdag bier kwam drinken om te verkondigen dat hij voorlopig geen tijd had. In zulke gevallen had je dus gewoon pech; 2.000 kilo kastanjes of kiwi’s kwijt en levenslang die man aan je keukendeur met hetzelfde lulverhaal. 
In Nederland is het ruilen geblazen van een heel andere orde. We willen vaak dingen ruilen die onzichtbaar zijn. Ik heb hier geen fruit, drank, bouwmaterialen, honden, varkens of andere fysieke handel, dus begeef ik me beroepsmatig in de schemerzone van de zakelijke ruilhandel. Diensten, in plaats van fruit en favores. Bijvoorbeeld iemand vraagt of ik voor hem een paar maanden mee kan nadenken over iets dat nogal ingewikkeld is en in ruil daarvoor mag ik mee surfen in zijn netwerk en krijg ik in de toekomst eventueel misschien een goedbetaalde opdracht. Dat is een typisch voorbeeld van een belabberde Nederlandse ruil: Ik zet mijn hersens in dienst van iemand die mijn ijskast of voorraadkeldertje de komende 6 maanden niet aanvult, maar net doet alsof ik een lot in de loterij heb gewonnen. Aangezien mijn hersens grotendeels aangestuurd worden en gemotiveerd via mijn maag, vind ik een lege voorraadkelder in ruil voor een vermoeiende hersen-lease meestal een slechte deal. Verontwaardigd word ik ervan als mensen denken dat mijn sappige (geestes)vruchten, mijn fruithandel dus, te ruilen valt voor een paar avondjes netwerksurfen in het Honolulu van de zakenwereld. Ik kan niet eens surfen trouwens.
Nou, ik zie mezelf wel al samen met manlief onder een palmboom zitten in een Zuid Amerikaans land. Overdag aan mijn memoires schrijven, ’s avonds gratis inspiratie van de zonsondergang in de zee. Namijmeren op het strand over hoe het was; al die inspiratie- en surfmomenten in ruil voor een lege maag en hypotheekbuikpijn en broodjes-kaas-avonden achter het beeldscherm. Ook wel carrière genoemd. Geef mij maar de dorpse versie: Fruit voor vlees voor hondenpups voor bouwvergunningen voor gedichten voor verhalen voor dromen voor een volle voorraadkelder en fris gemoed. 

Boer zoekt vrouw – de oerversie

 
Ik moet eerlijk bekennen dat ik Rosa weinig benijdde om haar zware, benauwende leven in haar familiehuis vol mantelzorg behoevenden en lastige kinderen. Maar wars van medelijden zoals Rosa was, probeerde ik altijd net te doen alsof ik het normaal vond, die desastreuze, gewelddadige familieperikelen die ze me al jaren in kleine brokjes voerde. Rosa vertelde nooit vanuit sensatiezucht en deed geen enkele moeite haar verhalen aan te dikken. Het fascineerde me hoe ze stand hield. Hoe ze haar lach had behouden, haar tanden verloren. Hoe ze haar rug recht hield in het leven al haar dromen had uitgewist.
Rosa was een beest van een vrouw.  En ik haar enige vriendin en leeftijdgenoot in het dorpje in die jaren. Dat we beiden buitenbeentjes waren schepte een extra band. Of ik het leuk vond of niet. Soms stak het me wel eens dat ze nooit vroeg naar mijn leven, mijn verleden. Of mijn desastreuze familieperikelen desnoods. En dat ze na al die jaren nog steeds mijn voornaam niet uitsprak. Maar van de andere kant vond ik het prima zo. Mijn perikelen zouden immers verbleken bij die van haar, die rechtstreeks uit een boek van Marquez leken te komen en soms de plattelandsduisternis van Kosinsky overstegen.
Als het winterweer het toeliet, zetten we onze stoepvergaderingen met uitzicht op de vallei stug voort. Met dikke paardendekens, uit de wind. Want zodra Rosa me aan zag komen lopen op het zandpad richting dorp, wuifde ze me schreeuwend in haar richting: ‘Veeeeeeen Holandesa, venteporaquiiiiii!’  Ik heb nooit goed begrepen hoe ze in staat was om midden in de chaos van haar vele bezigheden al op 300 meter afstand iemand te spotten tussen het groen.
Ooit was ik gebukt onder haar keukenraam doorgekropen, omdat ik geen tijd en zin had in een stoepsessie. Ze moet het geroken hebben, want ze betrapte me op heterdaad en had me meteen door. ‘Dat flik je me niet meer he, Holandesa! Riep ze boos lachend, hangend uit het keukenraam. ‘Niemand komt ongezien mijn huis voorbij.’ Ik voelde me geïntimideerd en ben op de terugweg,  schoorvoetend als een betrapt kind, braaf op haar stoepje gaan zitten om tegen heug en meug een half blik bier, twee sigaretten en twee vreselijke verhalen te nuttigen.
Toen ik enkele jaren later in Cadiz met een filmscenario bezig was voor een Andalusisch-Nederlandse filmmusical die het witte doek en de omroep nooit zou halen, vroeg de regisseur of ik een paar van de dorpspersonages uit het verhaal een meer typerend en scherper karakter kon geven. Ik had eigenlijk geen idee wat de lieve man bedoelde, dus ik begon maar te schrijven met mijn ogen dicht, terwijl ik dacht aan Rosa.
Haar lompe grappen, zwarte humor, snerpende stemgeluid, haar bijna intimiderende oerkracht, haar gebrek aan dromen en overvloed aan nooit vertelde verhalen. Maar ook haar ruwhartige liefde, haar onhebbelijke zoon en vervelende schoonmoeder en buurman nam ik mee. Na twee dagen en nachten van koortsachtig schrijven, overhandigde ik mijn huiswerk aan de regisseur.
Hij was een hele lange tijd doodstil en dat leek me geen goed teken, want de beste man mocht graag zelf het middelpunt van het geluidsuniversum zijn. Toen hij klaar was met lezen, meende ik een kleine traan in zijn rechterooghoek te zien blinken, maar misschien was dat pure hoopverbeelding. ‘Godverdomme.’ Sprak hij en zweeg weer een poos, terwijl hij zijn vierkante kin kneedde. Ik schrok. Hij vond het dus kut. ‘Dit is godverdomme goed!’ Ging hij verder tot mijn grote opluchting. ‘Het lijkt zo verdomd  echt! Waar haal je het toch allemaal vandaan..’ We dansten een rondje door de kamer en gingen onze nieuwe mijlpaal vieren in Bar Luna. Chin-Chin – op Rosa!
Enkele weken later zat ik met filmscenario en zweethanden naast de regisseur in een vergaderkamer in het mediapark. Tegenover ons mensen uit het Cobofonds, een Schotse script-doctor, een producent en een jongeman van de zojuist gelanceerde omroep MAX. Ik was al zo blij als een kleuter omdat we het al helemaal tot deze Hilversumse vergaderkamer geschopt hadden met ons scenario. Zo blij, dat ik niet eens echt meekreeg dat de film keihard werd afgeketst door de meneer van Omroep Max en een mevrouw van het Cobofonds die ook nog iets vertelde over de glutenallergie van haar zoontje. (Als ik blij ben, onthoud ik altijd de verkeerde details) Pas later, in een ongemakkelijke troostlunch met de producent en de regisseur in een sjiek restaurant in Laren aan een meer met witte zwanen, begreep ik dat dit voorlopig onze laatste lunch met mes en vork in Nederland zou zijn. 
Voordat we ons echter fysiek en in professionele schaamte gehuld weer mochten terugtrekken in Spanje, werden we nog getrakteerd op een masterclass. Dit bleek een uitgebreide en berispende analyse van de Schotse scriptdoctor.  Zijn eindconclusie deed ons bloed koken van belediging. ‘Probeer de volgende keer wat realistischer om te gaan met je karakters. De mensen in deze film zijn ‘allemaal zwaar over the top’ en dus niet geloofwaardig genoeg voor het publiek om zich in te leven. Onderschat het publiek niet, die voelen perfect aan of iets echt of onecht is.’ 
Ik herinner me een rommelige rit in een klein muf autootje door het drukke Amsterdam, met twee luid ruziënde mannen voorin. Ik was misselijk en dacht aan hoe lekker rustig het zou zijn om nu op het stoepje te zitten met Rosa.

Goed boeren na de storm

De storm brengt naast vernietiging ook nieuw geluk; alsof de natuur je een tweede, betere kans geeft om opnieuw te beginnen. En na elke storm blijkt maar weer: Opportunisme is nooit stormbestendig.

Zodra de regen stopt, lopen we naar buiten om te kijken wat de schade is. Een late voorjaarsstorm is niet waar we op zaten te wachten met een halve hectare jonge aanplant. Ik loop naar de oever van de beek, maar de oever is weg. Er kolkt water langs mijn voeten, vol schuim, dingen en kolken, dat niks niet op mijn beek lijkt. Heel even denk ik dat ik droom, tot Blas me aan mijn kraag met een zwiep naar achteren trekt en we samen in de modder belanden. Terwijl ik mezelf foeterend overeind probeer te helpen, maant Blas me tot stilte en wijst naar de beek. Een boomstronk en een halve tuintafel komen met een krachtige stroom water onze kant op dansen en nemen het laatste brokje oever mee, waar ik zojuist nog verbaasd stond te zijn.

De beek is woest. Ik nog woester.

Een halve hectare monnikenwerk verdwenen in 1 hoosbui? Jonge planten, mijn truttige vogelhuis, de tafel, stoelen, het zwijnenpad, honderden zaden, de kweeperen en moerbei. Weg. Ik was even vergeten dat onze vallei het afvoerputje van de watergoden was en ik een klein stom mens dat dacht dat moeder natuur een plaatje uit een tuinmagazine was..
Zin om te janken, kreeg ik ervan. Drie dagen lang. Maar in dit geval, met alleen de onverstoorbare oude Blas aan mijn zijde, die nooit medelijden had met mijn onnozele gevecht tegen de woeste natuur, had huilen weinig zin. Dus ik schold; Venloos-Andalusisch en Blas lachte er een beetje om.

Ook in Nederland sta ik soms langs/op figuurlijke oevers die voor mijn voeten worden weggeslagen. Dat hoort bij het leven, af en toe een flinke overstroming of storm, waar je ook woont. Het mooiste van elke storm is misschien wel het besef dat we allemaal wispelturige kleine wezens zijn, overgeleverd aan een heel grote wispelturige natuur. Bij die natuur reken ik ook de jungle die Nederland soms kan zijn; maatschappelijk, sociaal, economisch.

Blas is onuitstaanbaar opgewekt: ‘Het is altijd goed boeren na een storm.’ Het zal me een worst wezen of ik 100 of 50 kilo pimentos of tomaten moet drogen en doordraaien dit jaar. Doodmoe word ik van dit geboer zonder einde. Zelfvoorzienendheid sucks, als de natuur niet meewerkt.

We bouwen in een kleine week weer een nieuwe tuin op, krijgen jonge tomaten van Manolo en 20 pimientos van Paqui. Balta komt helpen met stenen sjouwen voor een waterkering en we mogen de kleine bobcat en een gespierde neef lenen van de burgemeester. Bij de Viveros in Ronda krijg ik drie nieuwe kweeperen en een jonge moerbei toegestopt. Van de deur van het halve schuurtje dat het water ons gebracht had, maken we een nieuwe tafel waar P.H. Eek jaloers op zou zijn geweest. Blas zoekt tijdens de siesta’s langs de oevers tot aan Pujerra naar mooie stukken hout om de oeverwal mee te verstevigen, terwijl ik takken mulch voor de nieuwe werkpaadjes. Soms kijken we naar de lucht richting ‘El Riesgo’, want daar komt altijd de vernietigende regen vandaan. ‘Het blijft droog.’ Mompelt Blas en wijst naar de wolken jonge insecten die boven de oever dansen.
Binnen enkele dagen krioelt het weer van leven en groen op de vochtige beekoever. De beek is weer zoals ik haar graag hebben wilde; een kalm stroompje van een meter of twee breed, met her en der het lied van een kleine waterval. Alles is weer goed, want mijn hofje ziet er weer uit zoals in dat vrouwenblad over zen-tuinieren.

Balkenbrijtijd

Balkenbrij. Dat vind ik net als spruiten, heerlijk herinneringsvoedsel. Het doet me denken aan vroeger. Aan sinterklaas. Aan mijn moeder en mijn oma. Aan zaterdagochtend in de winter. Aan thuiskomen met een ijspegel aan je neus en hongerig van het schaatsen. Aan een verrassing bij de lunch in de herfst. Het huis ruikt naar kruidnagel, rommelkruid en spek, het is balkenbrijtijd. Ik struin alle slagers in de omgeving af naar goeie balkenbrij tegenwoordig. Lastig product. De supermarkten, met hun kleverige bruine bloedklompen gezouten meel in vacuümverpakkingen heb ik allemaal geprobeerd. Bah. Een beetje bruin-rood-grijzig met veel spek, zo zie ik hem graag. De lichte bittere nasmaak van boekweit, het zoutige van goeie bouillon en kleine draadjes mooi gaar vlees wil ik proeven in de balkenbrij. In de pan moet hij snel knapperig worden, zodat je de ultieme smaaksensatie krijgt van crunch en van binnen smeuïg. Het liefst eet ik balkenbrij met ouderwetse Limburgse appelstroop. Het zure frisse van de stroop als dip bij knapperig uitgebakken strookjes balkenbrij en een stukje knettervers wit vloerbrood. Of met een paar plakken gebakken zure goudrenetten, ook lekker.

Waarom is balkenbrij niet hip eigenlijk? In de middeleeuwen was balkenbrij de ultieme vleesvervanger voor armelui. Ik verwacht een revival. Want het is crisis. Balkenbrijtijd.