Autokappenkunstroof – het zal je maar gebeuren..

 

Er staat opeens een kleurig kunstwerk in de straat. Ik denk: ‘Interventie – ruig, stoer, hier heeft iemand zijn auto door een kunstenaar laten bewerken, of iemand heeft een grap uitgehaald met vingerverf bij een vriend van de carnavalswagenvereniging.  Je weet het nooit echt zeker met autoschilderkunst in Limburg.
Nee, geen oud gammel golfje dat door een paar trippende drugtouristen roze met groene stippels was geschilderd, omdat het kan, maar een echte mooie auto hippe Volvo met een  schilderwerk die me deed denken aan Appel in confusie, of Brood in een woeste opdracht-nood.
Het bleek een heuse Rob van Trier, weet ik inmiddels, nu de auto door de politie is weggesleept.
Interventiekust is geweldig spul als het er opeens staat. Je verbaast je, je verwondert en dan ga je je afvragen wie het brein of het merk achter deze autokunst is. Provincie, gemeente, de Cultuurraad, de Wijkvereniging? Ik verheug me op de stijgende huizenprijs in dit toch wel pittoreske Venlo Zuid achter het spoor. Want ik weet van de wijk- en stadsvisionairen die ik onlangs ontmoet heb, dat kunst in de wijk waarde toevoegt. Ha!
Nu hou ik toevallig helemaal niet van nieuwe Volvo’s en ben ik geen voorstander van autokappenkunst als reclamemiddel in het algemeen. Maar toch. Ik mis hem wel al, nu hij weg is. De straat is weer Opel-blauw en Mazdagrijs – kunst doet toch wat, net als die onooglijke, jarenlang slecht gesnoeide scheve boom. Die pas opvalt als hij wordt omgekapt en de straat 20 vierkante meter minder groen en vogelfluiterij kent.
Enfin, Rob van Triers autokappenkunstwerk is dus terecht! Omdat ik toevallig vanochtend vroeg op een belachelijk vroeg geplande vergadering moest zijn en er een warrige junk aan de auto morrelde. Ik ben geen held ’s ochtends (meer een avondheld) en deed niks. Toen schoot door me heen dat dit niet zomaar een auto was, maar misschien wel een kunstwerk.
(Ik grijp mijn pepperspray, ga in de Kong-Fu-houding staan en slaak een gil, terwijl ik met 1 vooruitgesrekt been door de lucht zweef en een foto maak met mijn telefoon. Zo daar had de junk helemaal niet van terug!)
Nee hoor, ik kuchte. Ik kan ontzettend luid kuchen namelijk. De junk schrok zich rot en rende weg. Zo simpel kan het zijn, lang leve de burgerkuch!
Thuis toch maar even het kenteken gegoogled. Jeeminee, wat een avontuur tussen twee vergaderingen in! De auto bleek volgens het Brabants Dagblad in augustus gestolen en de eigenaar, een chefkok  met een onwaarschijnlijke liefde voor autokappenkunst en/of Rob van Trier, was er heel rot van aan. Als een bonte kanarie tussen de grijze mussen, tref ik de auto nog eens aan op www.gestolenobjectenregister.nl.
Ik besluit de opwinding van een potentieel sterk verhaal nog even te rekken en niet a-la-minuut de politie te bellen. Politieagenten in Venlo zijn namelijk toch altijd binnen handbereik,  in onze pittoreske buurt achter het spoor. En ze hebben het zo druk dat ze waarschijnlijk deze week al 35 keer langs dit kunstwerk zijn gereden. Dus bel ik eerst het 06-nummer dat op de gestolenobjectenregisterpagina staat. Ik veronderstel dat ik rechtstreeks met de eigenaar bel en verheug me al op zijn tranen van blijdschap. Een brommerig persoon neemt op, ik zeg ‘ik heb zojuist uw auto aangetroffen, wilt u zelf de politie verwittigen of zal ik dat even doen?’ Hij bromt: ‘Ben nu bezig, bel me straks terug.’ en verbreekt de verbinding.
Dat soort mensen zijn niet goed midden in een sterk verhaal. De politie heeft het kunstwerk inmiddels veiliggesteld, de brommerige meneer belde zojuist om een bedankje te brommen en nog wat gegevens voor de verzekering te noteren. De vermoedens van de eigenaar, dat het ding inmiddels in Roemenië  door een oude oma in brand is gestoken, kloppen gelukkig niet. Kunst met kenteken is toch wat lastiger om over des lands grenzen te smokkelen.
Het is pas 9.30 uur en ik heb al een kunstroof opgelost, een autodiefstal en een poging tot inbraak. Dit is een mooie dag. Ik ga mijn Kung-Fu-sprong oefenen terwijl ik Instagram bedien. Want de volgende keer wil ik wel wat heldhaftiger in mijn blog staan.

http://www.volvofamily.nl/bestanden/VolvoFamily_nr2_2010.pdf

Sterrenregen in Cadiz

 

Als het aan Pepe met de zeven pruiken had gelegen, lagen we met z’n allen de hele dag half naakt op het stadsstrandje om tegen elkaar te zeggen hoe mooi we waren, of we liepen in een lange bonte stoet door de straten om mensen te entertainen. Maar de stamgasten van Bar Luna dachten daar anders over. Ze accepteerden hem wel, maar niemand ging ooit in op de smeekbedes van Pepe met de Zeven Pruiken, om met hem te flaneren en publique. Ik vond dat sneu voor hem, al durfde ik zelf ook niet goed over straat met Pepe, gezien de massa ongewenste aandacht die ik dan mee mocht genieten.
Omdat Julio de blinde toch blind was en ik een zwak had voor de ontiegelijke kinderlijke, opdringerige energie van de oude Pruiken-Pepe, besloot ik op een warme zomermiddag toch een keer op zijn uitnodiging in te gaan. Een lange, ingewikkelde voettocht door de stad volgde: We moesten eerst Julio afmelden bij zijn buurvrouw die elke dag voor hem kookte (en die geen telefoon had), vervolgens een paar flesjes drank ophalen bij een neef van een neef in de Barrio Alto. We kochten brood en blikjes tonijn bij El Calvo en bij de kroeg van Pablo de GalIciër werden we nog even ongewenst betrokken bij een felle discussie over een openstaande rekening te midden van een bomvol terras. Op de busparkeerplaats bij het strandje stopte Pepe voor een groepje Japanse toeristen die met hem op de foto wilden. Hij nam de tijd. Japanse vrouwen hadden mooie kuiten vondt hij. Toen we twee uur later eindelijk op het stads-strandje arriveerden, was de zon al richting ondergang. Doodmoe ploften we in het zand. Ik had een pestpokkenhumeur over al die verloren tijd en omwegen die me een halve dag gekost hadden. Al had ik die dag niks bijzonders op mijn programma staan, ik was en bleef toch een Nederlander.
Daar zaten we dan. Een drag queen, een blinde troubadour en een verdwaalde Limburger. We deelden brood, wijn en tonijn en zwegen. Dat was zeldzaam. Pepe’s zondagse krullenpruik lag als een dood poedeltje in het zand. We zagen de nachtvissers met hun kleine boten en grote lampen een nieuwe sterrenhemel op het zwarte, kalme water toveren. ‘Daar komen de vallende sterren al’ zei Pepe tevreden, alsof hij net op tijd was aangeschoven voor zijn favoriete TV-programma. Ook Julio wendde zijn hoofd naar de hemel en we porden hem steeds als we een ster zagen vallen. Om beurten deden we een wens, tot we niks meer te wensen hadden.
‘Mooi dit’ mompelde Pepe. ‘Wat zien jullie?’ Vroeg Julio. ‘De sterren, de lichten van de vissersboten…Maar er is meer dan dat, iets onbeschrijflijks.’ Probeerde Pepe. ‘De opkomende nacht die het water van de zee zwart met een zweem van donkerblauw kleurt zoals de hemel?’ Vraagt Julio. ‘Ja. Hoe weet jij dat?’ Zegt Pepe ademloos. ‘Omdat ik dat al veertig jaar zie, dag en nacht. Ik ben ooit blijven steken in een herinnering aan de Atlantische nacht. Een nacht als deze misschien.’
De volgende middag troffen we elkaar weer in Bar Luna. Pepe had een blauwe pruik op vandaag omdat het maandag was en Julio stemde zijn oude gitaar en mopperde zijn stem warm. Mijn wensen waren uitgekomen. Dat alles nog even zou blijven zoals het was.

De Lama en de kleine Samurai

(uit het boek van Blas)

Een prima stevig karretje, bulderde Juan el Gordo, terwijl hij bij wijze van demonstratie nog eens wild aan de imperiaal van de Suzuki Samurai rukte. Ik was bijna bang dat het karretje uit elkaar zou vallen, voordat ik de berg af was.

Toch had Juan gelijk; het 1.000-euro-karretje had het karakter van een echte Samurai. Het vuil-witte blikje bleek over onverwoestbare krachten te beschikken op de steile bergweggetjes en overtrof zelfs zijn grote, zware gebull-barde broers, die hun logge, blinkende carrosserie met moeite door de modder bergopwaarts kregen getrokken bij regenweer. We kregen al snel een hechte band, de Samurai en ik.

Buiten de vallei was het andere koek. Bij hoge windsnelheden en scherpe bochten op de grote weg, kon het arme diertje niet sneller dan 60, want anders kiepte het om, of waaide het uit de bocht als een leeg bierblikje op een winderige straathoek. Ik zag soortgenoten regelmatig als opgefrommeld in ravijnen liggen. Daar kon geen waarschuwingsbord tegenop.

Als ik met de Samurai naar de grote stad of het vliegveld moest rijden, was ik doodmoe. De snerpende geluiden van het kleine motortje, het gerammel van de veerplaten, de stoffige warme, of snijdende koude wind die door de gaten en kieren van het sleetse canvas dakje blies. Blas moest altijd lachen als ik terug kwam na zo’n expeditie. Geel van het stof, of blauw van de kou, mijn nieren ergens waar ze niet hoorden te zitten en een pesthumeur van hier tot Granada. Voor hem was het weer een zoveelste bevestiging van zijn overtuiging dat weggaan uit de vallei nergens goed voor was.

Rondom de Kleine Dappere Samurai ontsproot een waar nieuw sociaal netwerk: de vier broers, zus en drie schoonzussen van ‘Taller Hernandes’ in Ronda, zagen me zo vaak in hun garage, dat ik mee mocht eten tussen de middag. De twee broers van de lokale sleepdienst hadden al drie keer hun levensverhalen met me gedeeld, zo vaak was ik door ze opgesleept en naar de de familie Hernandes gebracht. Een grote familie. Na zes jaar noemden ze me allemaal Prima.

Blas vertrouwde de Samurai helemaal niet, zoals hij niks vertrouwde dat na 1930 gefabriceerd was. Heel soms reed hij mee naar het dorp of stad en dan hield hij zich met twee handen aan de dakbeugel vast, ogen dichtgeknepen, alsof hij in een achtbaan zat. Ik reed dan stapvoets en werd soms ingehaald door fanatieke Hollandse wandelaars die dan weer boos keken omdat ik hun milieu, rust en uitzicht verstoorde met mijn ronkende vehikel en scheldende Blas. Meestal na zo’n rit probeerde hij me te overtuigen van alle voordelen van een muildier. Dat het met zo’n muildier 4,5 uur sjokken was naar de supermarkt, vond hij bijzaak.

Een spiritueel getint einde was achteraf gezien onvermijdelijk voor deze kleine dappere auto. Kort voordat hij het echt begaf, diende zich een heel speciale gast aan op de boerderij: Lama Rinpoche Mogchok. Tijdens onze avondwandeling over de finca zag de Lama de kleine Samurai staan. Zijn ogen begonnen te twinkelen en lachend stelde hij een vraag aan zijn tolk. De Lama wilde graag een ritje over de zandweg. Omdat ik niet bepaald ervaring had in het ontvangen van Tibetaanse Lama’s, had ik een halve hectare volgeplempt met meditatieplekken, kussens, matjes en her en der wat gebedsvlaggetjes opgehangen in de bomen, de paden vrijgemaakt van mierennesten en onkruid, de logeerkamer tot een Tibetaanse slaapcel ge-restyled, inclusief offeraltaar conform de protocollen die ons vooraf waren toegestuurd door de staf van de Rinpoche. Ik dweepte stiekem met het beeld van mijn boomgaarden vol mediterende gasten en gelukkige Lama’s. Lekker rustig en blij. Maar het leven is geen Flow-magazine. In plaats van mijn onrustige ziel en grond met wat Ohmmm te zalven, wilde de Lama een rondje crossen in mijn Samurai die naar natte hond, hooi, valfruit en schimmelige bekleding stonk.

Ik zal de lach van Lama Mogchok Rinpoche nooit meer vergeten; het was de heldere schaterlach van een kind. Een heel blij kind. Blas, die de Lama al uren lang met opengevallen (en niet meer dichtgeklapte) mond had aangestaard,  moest ook onbedaarlijk lachen en haalde de Maagd Maria er nog bij, want hij had nog nooit een lachende kerel in een jurk gezien. En de kleine Samurai deed nog een keer zijn uiterste best om mooie stofwolken te slippen. Mooi was dat. Heel interreligieus.

Zo zie je maar weer, klein geluk zit overal waar je het niet neigt te zoeken.

Het kloteparadijs (uit het Boek van Blas)

‘De zon gaat toch onder, ook al zijn we nog niet klaar zijn met de dag. ‘ Humt Blas naast me. Hij heeft altijd van die filosofische momentjes zodra het donker wordt. Ik ben te moe om het prachtig te vinden vandaag. We hebben de hele dag samen het gras gemaaid op de zuidhelling, met kleine zeisjes. Blas vond het maar vreemd dat ik meehielp met deze rotklus. ‘Moet je niet gaan koken?’ vroeg hij elk half uur als we even rechtop gingen staan en onze pijnlijke ruggen rekten.

Normaal zingt Blas altijd als hij het gras maait. Over zijn muildier, zijn moeder en de zee die hij sinds 1954 niet meer had gezien. Vandaag heeft hij geen noot gezongen. Hij lijkt uit zijn hum.

Alles lijkt uit z’n hum vandaag; het is een klotedag in het paradijs. Ik heb rugpijn en ben gestoken door een horzelachtig rotbeest door mijn shirt heen. Mijn neus zit vol stof, mijn kleren schuren en jeuken en er komen vieze kleine gemene steekvliegjes op mijn zweethoofd af. De zon was pokkenheet geweest vanaf 9 uur ’s ochtends en had alle energie uit mijn lijf en leden verdampt.

We hebben de klus net niet geklaard voor zonsondergang. En ik heb niet gekookt. Blas is ervan door de war. ‘En het eten dan?’ vraagt hij nerveus terwijl ik met puddingknieën van de helling afstrompel. ‘Ik gooi snel iets in de pan’ stel ik hem gerust. Blas kijkt me fronsend aan. Hij weet niet wat dat betekent, ‘iets in de pan gooien’.

Ik ga naar binnen en maak een hele grote omelet met jamon en tomatensalade en zet een homp kaas op tafel met brood. Na 10 minuten roep ik Blas aan tafel. Hij schuifelt binnen, hangt zijn pet aan het deurhaakje en kijkt verbijsterd naar de tafel.

‘Maar mujer! Dit is geen avondeten, dit is middageten!’ Blas is geschokt.

We eten mokkend en in stilte. Ik erger me aan zijn tandenloze slurp- en smakgeluiden. En aan het kleine benauwde keukentje in dit grote benauwde bos. Kloteparadijs.

‘Je hebt wel goeie tomaten dit jaar., maar je moet andere olie gebruiken.’ Zegt Blas als hij zijn lege bord van zich afschuift. ‘Maar ik zeg je, vrouw, dit is geen avondeten’.

Ik zeg maar niets en denk aan de broodjes kroket, opgewarmde kliekjes en talloze variaties tosti’s die ik achter het beeldscherm in Nederland verorberde, omdat ik mijn werk ‘niet op tijd’ af had. En aan alle geëmancipeerde Nederlandse mannen die ik met een pan op het hoofd zou hebben geslagen na zo’n opmerking.

Verontwaardigd over mijn slechte huisvrouwschap, weigert hij koffie vanavond. ‘Ik drink wel koffie bij mijn schoonzus.’

Als Blas met zijn muilezel het zandpad oploopt richting zijn dorp, zwaai ik gewoontegetrouw vanuit de keukendeur en wacht op zijn gebruikelijke ‘Tot morgen!’ Blas zwijgt echter en weigert zijn stugge rug te draaien. Pijnlijk alleen blijf ik achter in mijn kloteparadijs en verdrink de rest van de avond in zelfmedelijden met een zielig boek en Leonard Cohen liedjes.

Dat helpt.

De volgende ochtend sta ik extra vroeg op om aan het laatste stukje helling te beginnen. Ik wil Blas verrassen. Maar hij komt niet vandaag. Als ik klaar ben en de hellingen aan de overkant van de vallei afspeur, zie ik hem staan. Roerloos en zoals altijd met zijn hand boven zijn ogen. Ik zwaai en wijs op het gemaaide veldje. Blas trekt zijn schouders op en loopt weg, richting zandpad.

Ik rij naar het dorp om mijn post af te halen en stort mijn hart uit bij Catalina, de moeder van de postbode. Ze is er zo klaar mee: ‘Je moet met je tengels van het werk van Blas afblijven. Je hebt hem iets afgenomen dat al 60 jaar van hem is.’ Catalina is een wijze vrouw.

Op de terugweg naar mijn kloteparadijs schaam ik me diep. En ik ben ook een beetje opgelucht: ik zal nooit meer gras maaien op de zuidhelling. Hoe lekker is dat.