Een nieuw begin

In memoriam: Blas

Voor Jacques L, Lies W, Francisco C en Jacques G.

Dat haarspeldbochten en contouren van bergen zich nestelen in een geheugen, wist ik niet. Misschien omdat ik in mijn leven net een paar haarspeldbochten te veel nam, of misschien heb ik gewoon een heel selectief geheugen. Precies zoals in mijn herinneringen, na de bocht met de overhangende rotsblok, manifesteerde het dorp zich als in een beginscene van een dramatische film; een stille klont witte huisjes, tegen de grillige contouren van El Riesgo en met de glooiende groene heuvels van de Genal-vallei aan haar voeten. Niets kan zo dramatisch en mooi zijn als een landschap zonder mensen.

Juamo was de eerste die mij had zien rijden. Zijn beperkte verstandelijke vermogens, dito woordenschat en bijziendheid maakte dat zijn woorden dubbel zo hard binnenkwamen. ‘’Ik zag twee kleine glimmende oogjes en zei: daar is Tanja.’’ Een groter compliment en opluchting, een meer complete bevestiging van dat is nog leef, zaten in die woorden. Ik glim nog en dat was alles wat ik vandaag weten wilde. En Juamo had dat gezien en bewaard in zijn mooie geheugen.

Gezien worden in een gehucht dat zo stil is dat zelfs de kakkerlakken op hakjes leken te lopen, was niet zo moeilijk. Maar dat iemand mij in zijn geheugen, tussen de haarspeldbochten van de weg naar het dorp, had bewaard als twee glimmende oogjes, stelde me gerust. Ik had niet ongezien hier een halve droom gebouwd en weer afgebroken, in stilte geleefd, in afzondering op een paar vierkante kilometer met mensen die mij niet kenden en nooit zouden leren kennen. De jaren na mijn vertrek waren voorbijgevlogen, mijn jaren hier waren destijds voorbij getikt in langere seconden, tragere dagen, in uitgerekte seizoenen, brandende zonnen en af en toe een storm. Mijn tijd hier voelde niet als jaren, maar als een groots fragment, een overhangende rots op mijn tijdspad.

In de Estanco was het stil. ‘’Goed volk’’ riep ik richting achterkamer. Juan en Carmen waren blij me te zien en trokken blikjes cola uit de ijskast. We maakten grappen over ons ouder worden. Zij kregen met de jaren de kilo’s cadeau, ik de rimpels. Binnen tien minuten wist ik wie er allemaal dood was en waaraan overleden. Iedereen die ik kende ongeveer. De postbode, de bakker en zijn vrouw, hun zonen, de loodgieter, mijn buurman, zijn broers en neven.

Eén naam werd niet genoemd en ik stelde mijn brandende vraag uit. Ik wilde nog even het idee-fixe vasthouden dat hij nog leefde, al was het tegen beter weten en logica in.

‘’En Blas?’’.

Er viel een korte stilte. Carmen wendde haar blik even af. Ze had de vriendschap tussen Blas en mij altijd onbegrijpelijk en ongemakkelijk gevonden. Vriendschappen tussen oude mannen en jonge vrouwen, waren nog steeds ongebruikelijk hier. ‘’Ook dood’’. Ze voelde dat het gevoelig lag en trok met veel lawaai een paar lades van haar toonbank open en ging over op en droogte van de afgelopen jaren en de lente die al veel te vroeg kwam dit jaar.

Blas, mijn muze. Drie jaar geleden overleden. Van hem leerde ik hoe je een stok kunt snijden, hoe je een vuur maakt dat langer brandt, hoe je vijgen plukt zonder ze te krassen, hoe je een amandelboom moet enten, een dier doden, een slang kan zien naderen, of een klootzak uit het dorp, hoe je in het vuur kan staren, het water in de beek kan laten zingen, hoe je een boom na kunt doen, paddenstoelen vinden, mest kan maken van vleermuizenpoep en vals zingen in de ochtenddauw. Van Blas leerde ik hoe je alleen kunt zijn en hoe je langzaam bergop kunt lopen en toch niet moe wordt.

In de brandende lentezon liepen we het twee kilometer lange pad af naar mijn oude boerderij. Waar het geluid van water hoorbaar werd, zag ik de kleine groene oase met het witte huisje en bijgebouwtjes opdoemen tussen het groen langs de beek. Twee mannen, vader en zoon, staken tegelijk hun arm omhoog, zodra ze ons zagen. Enigszins aarzelend liep ik het terrein op. Struikelend over herinneringen liep ik richting het huis. Het graf van mijn honden Kika en Mosje. De agaven die ik tegen de rotswanden plantte, de stenen stapelmuurtjes langs de kruidentuin. De kuil in de weg die na elke regenbui moest worden opgevuld met stenen. Elke steen had ik in mijn handen gehad en losgelaten. De planten waren imposant gegroeid; de tijd had alles nog mooier gemaakt dan in mijn herinneringen.

De vader begroette me met twee amicale zoenen alsof we oude vrienden waren. ‘’Pedro. Jij moet Tanja zijn’’, zei hij glunderend, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik hier na 13 jaar tijdens de siësta op een doordeweekse dinsdag zou aanwippen. ‘’Neem je tijd, kijk rond. Mijn huis is jouw huis. Je kent de weg.’’ Hij beende naar binnen en twintig seconden later stond ik met een glas rode wijn in mijn hand op het erf; ‘’Van jouw druiven – de lekkerste wijn ooit.’’ We proostten op het leven en op Blas en het voorrecht om in een verborgen paradijsje te kunnen zijn. We lachten onze tranen weg, wisselden hugs en telefoonnummers uit en gingen samen op de foto. Het was een gelukkig afscheid. Een einde en nieuw begin.

Er viel een rotsblok van tijd van mijn schouders af.

Drie mannen op een rotsblok

hemingway

De dood was alom aanwezig in het dorp. Het begon al bij de ingang. Cartajima is het enige Moorse gehuchtje op de befaamde witte dorpen-route, dat niet alleen aan het einde van een doodlopende weg ligt, maar ook is het allereerste bouwwerk dat je ziet bij het betreden van het dorp een volgebouwd kerkhofje op een kleine heuvel. De doden en bijna doden verwelkomen u, grapte ik toen ik voor het eerst het dorp inreed en tegenover het kerkhofje drie stokoude boeren met open mond zag zitten op een rotsblok. Dat ik er maanden later zou wonen, zou ik op dat moment nooit bedacht kunnen hebben. En dat een van die stokoude, tandeloze boeren mijn trouwste dorpsvriend en later ook blogmuze zou worden, lag ook niet in de lijn van mijn levensplannen.

De gemiddelde leeftijd in het dorpje was zo hoog, dat er in sommige seizoenen wel vier of vijf begrafenissen achter elkaar waren. Meestal was de hitteperiode de tijd waarin de oudsten omvielen en af en toe een ravijnval van boeren die dronken over de gevaarlijke bergweggetjes slingerden van dorpsfeest naar dorpsfeest. Door de steile straatjes en vele trappen, drempels en andere Moorse obstakels in het dorp dat nu eenmaal gebouwd was in de eeuwen voor de uitvinding van de rolstoel en het looprek, was een aanzienlijk deel van de ouderen in de loop van hun oude dag onzichtbaar geworden, want ze konden niet hun huizen uit. Aan oud worden hier was weinig heroïsch. Wie niet depressief werd van het binnenzitten en toch drager was van de oergezonde genen van voorouders die ook al heel oud konden worden zonder beweging of sociaal leven, of met een werkbochel, had pech en bracht zijn laatste jaren door in een kleine kamer met dikke muren. Misschien wel de ergste dood voor een buitenmens met een taai lichaam: de langzame binnendood.

De dood bracht ook wel drukte en leven, leerde ik later. Hectiek en herrie die de normaliter lethargische stilte doorbrak met lawaaierige en kinderrijke familie van verre, ronkende auto’s en een rinkelende kassa voor iedereen die in Gibraltar taxfree drank en tabak had ingeslagen. Baltazar van de bar en de familie Estanco glommen dan nog wekenlang na, zelfs als het hun eigen familie was die hun schrale winteromzet rechttrokken. Wie nog niet zelf dood was, leefde eigenlijk best op van een begrafenis.

Er waren momenten waarop ik mij als relatief nuchtere buitenstaander en van begrafenisrituelen geen kaas gegeten hebbende Nederlander, vaak afvroeg waarom het allemaal zo luidruchtig en gehaast moest, zo’n begrafenis. Hier in het zuiden gaat immers alles traag, behalve begrafenissen dus. Het lichaam moet in de zomermaanden binnen 24 uur en in de winter binnen 48 uur begraven of gecremeerd zijn. Dat de Spanjaarden in staat zijn om elke uitvaart tot in de puntjes verzorgd en weten te organiseren vanuit een simpel en afgelegen berggehucht, verbaast me steeds weer. Want het is nogal een klus als de helft van je familie in Frankrijk, Duitsland Barcelona en Madrid woont. En toch lukt het altijd weer. Niet iedereen haalt het op tijd, maar wie later aansluit door vertragingen of logistieke perikelen, wordt als een uitgelopen marathonloper met dezelfde liefde en feestelijkheid ontvangen in de na-uren van de begrafenis. Tijdens een begrafenis lijkt de tijd zich te rekken. De wake, een intens laatste moment waarin moeders, dochters, kleinkinderen, buren, nichten urenlang rond de baar zitten, rozenkransen biddend, in zwijgen of zacht jammeren gehuld. En dan de mis, de vele bloemen, de prachtige kist, de enorme hoeveelheden eten, de mooie kleren voor de kleinkinderen. Voor alles is ruimte, ondanks de strakke deadline van het event.

De voettocht naar de dorpsbegraafplaats en het dragen van de kist is een zware mannenaangelegenheid door de krappe, hellende dorpsstraten. Niemand staat langs de kant, want iedereen loopt mee. Behalve dan de oudjes die niet meer hun huizen uitkomen natuurlijk. De luiken van de huizen zijn gesloten. Soms is de sliert mensen langer dan de straatjes van het dorp zijn en slingert de in zwart gehulde, schuifelende optocht als een trage adder door de witte straatjes, om zichzelf bij het centrale plein weer in eigen staart te bijten.

’s Avonds vloeit er bier en wijn. Er worden herinneringen opgehaald alsof we al op de volgende reünie van de overledene zijn beland. Zo snel als men hier iemand ter aarde kan bestellen, zo snel maakt men hier herinneringen tot verhalen.

Binnen 72 uur is het dorp weer stil, het pleintje, de straten en het dorpskroegje schoongeboend, alsof er nooit iets gebeurd is. Behalve bij de ingang van het dorp, waar nog maar twee stokoude, tadeloze boeren op de grote rots zitten, tegenover het kerkhofje. Herinneringen ophalende aan hun rots-maat, die verhuisd is naar de overkant.

 

 

Een duimpje voor Narcissus

narcissus

Paco was meester in het opscheppen over zichzelf. In het dorp was iedereen er al lang aan gewend. Behalve dat hij in het verre Madrid gestudeerd had, decennialang voor de klas had gestaan van de dorpsschool en zichzelf daardoor als enige intellectueel van het dorp beschouwde, was hij ook fervent aquarellist, schrijver en speelde hij een redelijk partijtje flamencogitaar, kerkorgel en als het moest ook synthesizer – gevraagd en ongevraagd. Een van Paco’s stokpaardjes was dat hij Rainer Maria Rilke had ontmoet in Ronda, tijdens een wandeling in het Alameda; een moment waarop hij als jonge jongen besloot om ook een groot schrijver te worden.

Druk baasje, die kortbenige Paco en het was dan ook onvoorstelbaar dat je hem elke dag in de dorpskroeg aan de tap zag hangen, orerend tegen een stel ongeïnteresseerde dorpelingen die met een oog naar de stierengevechten op TV keken. Paco’s vrouw Maria was een bedeesde en altijd bezorgd kijkende vrouw die meestal in een huishoudschort rondliep en zich zelden in het openbaar vertoonde naast haar altijd lawaaierige echtgenoot sinds 1962. Toonbeeld van vlijt en verzorging, een vrouw met een groot talent voor het onzichtbaar bewegen in de grote schaduw van de kleine Paco. De dorpelingen waren er aan gewend; Maria was nu eenmaal schuchter en Paco maakte lawaai. Volgens Encarni waren Paco’s veel te korte beentjes reden voor zijn lawaaierige hoofd. Compensatiegedrag bij het ontbreken van lengte, was een bekend fenomeen in deze contreien, waar de mens nog geboren neigde te worden in middeleeuwse Moorse formaten, gedrongen borstkassen, korte nekken en dito benen. Encarni zou een geniale socioloog en antropoloog zijn, misschien wel een schrijver – als ze geen analfabeet zou zijn geweest – want ze toverde altijd geweldig geloofwaardige analyses tevoorschijn in gesprekken bij de bakker. Maar Paco was de kwaadste niet, volgens de meeste vrouwen. Voor hetzelfde geld, zei zijn buurvrouw Rosa, sloeg je man je elke avond bont en blauw – dan kon je maar beter met iemand als Paco getrouwd zijn, altijd druk (en vaak weg); een voornaam burger met voorname vrienden onder de intellectuelen en artistiekelingen in de hele streek.

Paco had zelfs twee boeken geschreven, gedrukt door zijn schoonbroer, die in de stad de familiedrukkerij runde. Het plaatselijke VVV-kantoortje had zich onder druk van de drammerige Paco een stapeltje boeken op de toonbank laten duwen en ik had in een moment van nieuwsgierigheid een exemplaar gekocht. Volgens het meisje van de VVV het eerste verkochte exemplaar sinds twee maanden. Het boek, waarop de cover een foto van de bolbuikige Paco in een strak wielrenpakje tegen de achtergrond van ons witte Moorse dorp en de grijze kliffen van El Riesgo, bleek een slaapverwekkende uiteenzetting van oninteressante observaties, gelardeerd door nog minder boeiende foto’s van steeds dezelfde Paco in steeds een ander landschap, steeds vanuit hetzelfde kikvorsperspectief gefotografeerd, waarschijnlijk door zijn vrouw.

Op een dag kwam ik Paco tegen bij de rivier, aan de rand van mijn land. Hij liep er een beetje quasinonchalant bij, alsof hij een verdwaalde wandeltoerist was. Maar aangezien hij een uiterst nauwkeurige passage had geschreven in zijn tweede boek, over het kleine riviertje, wist ik dat hij niet verdwaald was. Al snel had Paco zich babbelend aan mijn keukentafel gewurmd en zat hij met een kop koffie een eind weg te kletsen over zichzelf, zijn nieuwe boek en de teleurstellende opkomst van zijn laatste aquarellenexpositie en boeksigneersessie in het stadhuis, vanwege de hevige sneeuwval. Ik had in dit dorp nog nooit iemand zo opgelucht alle natuurverschijnselen zoals sneeuwval, hitte, Mistralwinden en bergverzakkingen zien aangrijpen zoals Paco, die weigerde in te zien dat lege zaaltjes nu eenmaal de hoge prijs waren voor het overschreeuwen van middelmatigheid. Er kwam nooit iemand naar zijn exposities, lezingen, signeersessies of optredens. Er luisterde nooit iemand naar zijn ellenlange en slaapverwekkende dorps- en feestspeeches, zijn saaie uiteenzettingen over zandweggetjes en strakblauwe luchten, zijn liedjes, zijn grappen. En er was geen hond in dit dorp dat zijn boek had gelezen of ooit zou gaan lezen.

En dat laatste was misschien wel Paco’s grote geluk. Want zonder publiek was er ook geen noot van kritiek en kon hij zichzelf als de ware Narcissus tot in de lengte der jaren laven aan zijn vermeende genialiteit, zijn schrijverschap, intellect en roem.

Bij het uitgaan, bleef Paco’s blik verrast haken aan zijn boek ”Memoires van een dorpeling deel 1”. ”Ga je mij in het Spaans lezen?” Vroeg hij, terwijl zijn grote gezicht bijna uit elkaar barstte in een poging zijn opwinding en vreugde te verbergen over het feit dat hij eindelijk een lezer had gevonden die twaalf euro over had gehad voor zijn memoires. Ik beloofde dat ik mijn best zou doen. ”Je kunt ook wachten op de vertaling.” opperde hij net iets te gretig. Paco wist en ik wist ook dat die vertaling er nooit zou komen. ”Zal ik het signeren?” vroeg hij terwijl het boek al in zijn handen had en zijn linkerhand een pen uit zijn borstzakje trok. ”Ja graag.” Loog ik.

Sinds die dag spraken Paco en ik nooit meer met elkaar. Wel stak ik – lafaard – altijd vrolijk mijn duim op als ik hem zag lopen in het dorp, in de hoop dat hij dat universele gebaartje zou opvatten als compliment voor zijn boek dat ik nooit had gelezen. Pas jaren later, toen Facebook haar intrede deed, begreep ik dat de wereld vol zit met Paco’s en halfbakken laf publiek zoals ik dat een duim opsteekt om de ander gerust te stellen.

Paco overleed in hetzelfde jaar waarin de wereld zich massaal op Facebook stortte en ook ons dorp dankzij een ijverige burgemeester met connecties in Madrid als een van de eerste dorpen in deze uithoek op het internet werd aangesloten. Rosa had hem gevonden langs de kant van het water, vlakbij mijn boerderij. Hij had zijn aquarellen-collectie en alle manuscripten van nooit afgemaakte boeken postuum geschonken aan het gemeentelijke museum, die de vijf kuub middelmatig levenswerk stilletjes in het depot en de vergetelheid begroeven. Zijn vrouw bloeide op en verhuisde naar een mooie flat aan de Costa del Sol. Maar dat zou hij allemaal nooit meer weten en dat was misschien beter ook.

Sommigen zeiden dat hij struikelde, anderen fluisterden dat het zelfmoord was. Ik hoopte dat Paco verdronk in een omhelzing met zijn eigen spiegelbeeld. Op die mooie plek aan het water, waar nu narcissen bloeien. Wie goed luistert, hoort de vage echo van Paco die op zijn synthesizer een vrolijke Paso Doble speelde. Want dat kon hij wel als de beste.

 

 

De tussendeur naar kerst

cartajima

Ik stookte het haardvuur op zoals alle avonden en nestelde me in de schommelstoel met een boek dat ik al vier keer gelezen had. Een ingewikkelde dag die simpel en voorspelbaar eindigde: een vuur, een schommelstoel en een verhaal waarvan je het plot niet meer kunt keren. De oude Blas pookte in het vuur en gooide er nog een mooie dikke houtblok bij. ”Goed droog hout dit jaar, hiermee hou je het wel warm tot de vroege ochtend.” Ik vond het altijd mooi als hij een vuur voor mij maakte. Het vuur was, net als het roeren van zijn koffie, het zwijgend kastanjes rapen op de helling, of het neerleggen van verse kruiden op mijn keukentafel, een van die vele ultieme handelingen waaruit onze simpele burenvriendschap gebouwd was. En al gingen onze gesprekken zelden over iets anders dan de kwaliteit van het hout, de oogst, de hitte of de kou, ons samenzijn had een stille diepgang die zelfs mij tot zwijgen kon brengen. ‘Bueno, ik vertrek maar eens richting dorp. Kom je morgen naar de avondmis in het dorp?” Blas geloofde nog steeds niet helemaal dat ik ook een ongelovige was. Bij het weggaan bleef hij nog enkele minuten dralen bij de deur. Het was in zijn ogen een non- scenario, om een vrouw alleen in de vallei achter te laten, terwijl hij – een man – in de veilige armen van de dorpsgemeenschap vluchtte, zodra de nacht zich liet zien. Het liefs zou hij zich op zijn siësta-stretcher in de schuur nestelen, om een oogje in het zeil te houden. Maar zijn angst voor de nacht, die zich overigens alleen in de donkere wintermaanden manifesteerde en nooit in de zomer, won het van zijn neiging mij te beschermen tegen het kwaad en de wilde dieren.

”Ik ben niet bang Blas, ga nu maar.” jokte ik en deed net alsof ik in mijn boek verzonken was. ”Ok, sluit de deur achter me.” Met gespitste oren luisterde ik naar de uitstervende voetstappen van Blas en zijn altijd blaffende honden Canila en Hond, die de hele middag buiten in de vrieskou trouw op hun baasje hadden gewacht. Ik sloot de deur. Mijn honden lagen soezend rond de haard, iets dat Blas net zo belachelijk vond dan Lola van Juan, die haar teckels in de winter zelfgebreide, roze pullovertjes aantrok. ”Een hond is een hond is een hond.” zei hij dan hoofdschuddend. Al duizend keer had ik gepoogd hem uit te leggen dat ik het gezellig vond, met mijn honden voor de haard. Het fenomeen gezelligheid was lastig uit te leggen aan Blas, bleek onder andere uit zijn gewoonte om meteen bij binnenkomst het felle TL licht aan te klikken als ik in schemerlicht bij een olielamp poogde mijn avondlijke bestaan knus te maken. In Blas zijn leven was alles functioneel of niet functioneel en had alles en iedereen zijn plek. Honden buiten, mensen binnen. Zijn gewoonte om mijn slaperige dieren met een laars en luid gesis naar buiten te jagen waar ze hoorden, had ik inmiddels – na vele jaren – doorbroken met mijn overstijgende huisregel: ”Mijn huis, is jouw huis, maar ook weer niet helemaal.” Blas moest altijd lachen om dat gezegde, maar begreep uiteindelijk de strekking.

”Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.”

Zelf sliep Blas in de stal naast zijn ouderlijke dorpshuis, op een oud ijzeren ledikant met daarop een bobbelige matras gevuld met varens. Elk voorjaar ververste hij die. ”Het houdt de beestjes weg”. Op amper vijf meter van zijn bed, achter een laag muurtje stond zijn muildier, genaamd Verloofde. In de hoek van zijn stalkamer, bij de zwartgeblakerde vuurplaats, twee oude keukenstoelen met afgezaagde pootjes, een mintgroene keukenkast uit de jaren vijftig met tochtgaten voor het bewaren van zijn bloedworsten, droogworsten en geitenkaas en een kleine formica keukentafel. Hij sliep daar niet omdat de familie geen huis had. Sterker nog, zijn broers en zussen bezaten gezamenlijk zeven grote dorpshuizen en meerdere boerderijtjes in de vallei.  Het brandschone, aangrenzende familiehuis werd alleen gebruikt tijdens de Semana Santa-week, kerst, of een begrafenis als logeeronderdak voor verre familie. De meubels waren de rest van het jaar afgedekt met doorschijnende plastic hoezen, lakens en gehaakte kleedjes. Heel af en toe, verklapte Blas op een avond, als de lichten van zijn zusters huis aan de overkant van de straat uit waren, glipte hij via de tussendeur naar het brandschone en afgedekte familiehuis, waar een grote TV stond. ”Dan ga ik naar de TV kijken.” zei hij met een ondeugende grijns.

Ik stelde me voor hoe hij daar op de plastic hoes zat en nachten lang naar oude zwart-wit films, of misschien wel een stierengevecht of herhalingen van familieshows keek. En speelde dat hij een normaal, modern mens was met een bankstel en een TV. Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.

Dus bracht ik kerstavond door in een heuse stal, met een balkende ezel*, aan het warme haardvuur, op een stoel met afgezaagde poten. Blas porde het vuur, ik roerde de koffie, waar we een flinke scheut van onze zelf gestookte aquardiente in hadden verstopt. Het huis naast ons vulde zich met familieherrie. De mis was uit. Iemand deed luidruchtig de tussendeur op slot. ”Een deur, is een deur, is een deur.” mompelde ik en we kregen de slappe lach.

Op speciale avonden als deze vertelde Blas altijd het verhaal van de verschijning en verdwijning van Maria, de enige liefde in zijn leven. Een oud verhaal, dat ik al vele malen had gehoord, maar dat deed niet af aan de bezieling waarmee hij vertelde en het geruststellende gevoel van een onomkeerbaar plot.

* eigenlijk een muildier

 

 

Een ode aan Sintermertes Veugelke

Voor J.

f5f925001442ee12d899411a7ac8344dfdc9734d

”Leuk he, die lichtgevende schoenen van die kinderen.”

Ik vond het helemaal niks, die fluorescerende LED-zenuwzooltjes in het donker. Ik wilde een rij kinderen met lampionnen en luidkeels meebrullen met ”Sintermertes veugelke” zoals ik dat vroeger ook deed. Ik wilde geen kinderen volgehangen met LED lampjes van de Action! Fakkels en rijstpapieren lampions waar een week lang bloedserieus aan gewerkt was! Dat wilde ik zien vanavond! Want ik had me er 20 jaar op verheugd om weer eens Sintermerte te zien.

Ik had zojuist een half uur lang doorgezaagd over een paar van mijn beste jeugdherinneringen: de prachtige Venlose Sintermerte-optochten en -vuren.

Eerder die dag had ik al proberen uit te leggen dat we in de wintermaanden en rond Sint Maarten als kinderen altijd ”wierksten” op straat; we slingerden met lege conservenblikken met gaatjes en gloeiende kooltjes aan een lange ijzerdraad rondjes, om een aardappel gaar te poffen, die onze moeders voorgekookt hadden, omdat het anders veel te lang duurde. Later deden we er ook weleens andere dingen in, zoals een plastic Smurfje met nagellakremover van onze oudere zussen, of koffiemelkpoeder, dan kreeg je vliegende blauwe vlammen of een cirkel-steekvlam.

Ik had er niet zo heel veel indruk mee gemaakt, merkte ik. Maar dat ging ik vanavond goed maken met het prachtige Sintermertesfeest. 

Zodra ik het gevoel van tradities zoals wierksen, sintermerte en vastelaovend probeer uit te leggen aan iemand van buiten Limburg, loop ik hartstikke klem tussen mijn nostalgische beleving van vroeger en de rauwe werkelijkheid van de moderne tijd. LED is het nieuwe kaarslicht, wierksen klinkt alsof ik drie eeuwen oud ben en in een vochtige grot geboren, vastelaovend krijg ik alleen nog maar uitgelegd als ik iemand dwing naar de film ”Truuk noa ’t Zuuje” van Rob Hodselmans en Lex Uiting te kijken en Sinter Merte lijkt ook al niet meer wat het in mijn herinneringen was, nu ik mij een ongeluk moest zoeken naar een lampion of zingend kind.

”Dus hij heeft ook een paard? Geen mijter? Geen schimmel? Maar wat doet hij dan met die mantel?”

”Het is een Romeinse Soldaat geloof ik. Hij snijdt zijn mantel in twee stukken en geeft die aan een arme bedelaar die het koud heeft.”

Nu leek hij een beetje onder de indruk.

”En dat doet hij allemaal op dat paard bij dat vuur? Een halve mantel? Maar die bedelaar kan zich toch warmen aan dat vuur? Het is nu al bloedheet hier.”

Ik gaf het op. Soms word je als Limburger nu eenmaal niet helemaal serieus genomen. Sintermerte moet je zien. Of beleefd hebben.

”Wacht maar af, je ziet het vanzelf.”

Het vuur begon al aardig volume te krijgen en we wachtten geduldig op het steigerende paard met die wilde en jongere, Romeinse variant van Sinterklaas, die in een groots en theatraal gebaar zijn mantel zou afzwaaien en aan een geknielde man schenken, geflankeerd door honderden kindertjes en ouders die luidkeels ”Sintermertes Veugelke – Haet ein roed wit keugelke” zongen. Ik voelde de brok in mijn keel al groter worden bij het vooruitzicht. Dit lied, een lied waarvan niemand sinds 1928 eigenlijk de tekst begrijpt, maar wel onthoudt, maakt Sinterklaas Kapoentje tot een minkukel, legde ik uit.

Ik vond Sintermerte als kind al een stuk leuker dan Sinterklaas. Hij had geen zak, geen groot big-brother-is-watching-you-boek en geen zwarte pieten of ongeloofwaardig verhaal over schoorstenen en wortels in je schoen. Ik wist al vanaf mijn 5e dat de GoedHeiligman Nummer Een gewoon de voorzitter van de buurtvereniging was, of juffrouw Ans met een diepere stem en een baard. Bij gebrek aan iets om in te geloven ben ik destijds al overgestapt naar GoedHeiligman Nummer Twee: Sintermerte. Want niets uit zijn verhaal leek een leugen. En ik hield altijd al van overzichtelijke feesten en verhalen: 1 lied, 1 vuur, 1 Heiligman, 1 lampion, 1 avond. Lekker duidelijk.

Het vuur begon alweer aardig over haar hoogtepunt heen te raken en de ouders met jonge kinderen druppelden weg, de donkere avond in en terug naar warme huiskamers, grote LED-tv’s en pyjamaatjes. Met enige moeite klom ik uit mijn nostalgische euforie en aanvaardde het heden: Goed-Heiligman-Nummer-Twee, zijn paard en bedelaar waren wegbezuinigd. De fanfare en het kinderkoor, waarvan ik vond dat ze perfect in toon en ritme bleven, bleken uit de luidsprekers te komen van een Daihatsu die langs de weg geparkeerd stond. En toch waren er een paar honderd mensen op de been, die allemaal een beetje genoten hadden van dat grote vuur. Datdanweerwel.

”Wel apart hoor, zo’n groot vuur met verder niks erbij. Kijk, daar lopen die kids met die LED-schoenen weer!”

Op de terugweg naar huis, zag ik een bedelaar zitten bij de stille roltrappen van de Jumbo; in elkaar gedoken onder een grote jas. In de verte meende ik hoefgetrappel te horen en het hinniken van een paard. Maar dat kon verbeelding zijn geweest..

 

ps: in onderstaand filmpje (van voor mijn tijd) zowel de traditie van het wierksen, Sintermerte en het prachtige lied Sintermertes Veugelke 😉

Sintermertes Veugelke in Venlo 1924 en 1939

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

Een blikje misère met Rosa #2

Of: De Schreeuw (het helpt)
[Uit het Boek van Blas]
Rosa liet me foto’s zien van vroeger. ‘Toen was ik nog mooi.’ Ik staar naar een klein zwart-wit kiekje met een stralend meisje van een jaar of 14, voor het huis waar we nu zaten. Sprankelende ogen, een ondeugende grijns, gitzwart haar in twee vlechten over een geblokte schortjurk. Op de achtergrond een schelle kreet uit het TL verlichte keukenraampje van Rosa’s huis. ‘Toen kon ik nog lachen.’ Grijnsde ze. ‘Toen had ik nog tanden.’ Ik realiseerde me nu pas dat Rosa niet zo vreemd sprak en grijnsde omdat de vorm van haar bovenlip niet anders toeliet, maar omdat ze geen tanden meer had. Ze wachtte al weken op een lift van Manolo naar Ronda, waar in het tandenlab van haar achterneef een fonkelnieuw gebit op haar lag te wachten. Ik bood haar een lift aan naar Ronda. Het zou haar goed doen, tanden. Ze weigerde en wuifde haar tanden weg.
Iemand met overslaande stem kondigde aan te moeten plassen en een mannenstem eiste bulderend een fles bier en de afstandsbediening. Zuchtend stond Rosa op, mij met haar zwart-wit jeugd achterlatend.
Rosa was de laatste weken nog meer aan huis gebonden dan ze al was. Haar vrijgezelle broer Manolo de Geitenhoeder was van de trap gevallen. Op zich nog niet zo heel ernstig, was het niet zo geweest dat hij met een touw om zijn middel vast zat aan zijn 80-jarige moeder, die daardoor haar heup en daarna Manolos schedel gebroken had. Rosa’s moeder die zwaar dementerende was, maar nog de lichamelijke kracht van een paard had, zat 24/7 met een touw vastgebonden aan een van de familieleden, omdat ze anders het ravijn in sprong om te gaan plassen of zomaar bloot het bos inliep. Nee, mantelzorgen voor je dementerende moeder in de bergen is geen kattenpis, met al die gevaarlijke afgronden en dwaalpaadjes. 
Het was altijd misère bij Rosa thuis, maar nu was het wel heel erg. Haar man Juan had zich –heel slim- tijdelijk teruggetrokken in de geitenstal van zijn schoonbroer om de geiten waar te nemen en weg te zijn van het familiehuis. Haar oudste zoon werkte doordeweeks aan de Costa en haar jongste vulde Rosa’s spaarzame gaatjes in de tijd met puberterreur van het ergste soort.
Zuchtend kwam ze weer naast me zitten op het stoepje en trok een blik bier open. Het was doodstil in de keuken. De nacht was prachtig en we zwegen wel vaker, maar Rosa’s zwijgen had opeens iets onheilspellends. De luchtdruk om haar heen kon veranderen als bij een plots opduikende bergstorm. Als ze op dat moment verteld zou hebben dat ze haar moeder en broer eeuwig tot zwijgen zou hebben gebracht, was ik niet verbaasd geweest. Ze pakte het fotootje uit mijn hand, zoog alle stilte in een ademteug naar binnen, gooide haar hoofd in haar nek en schreeuwde oorverdovend hard in de stilte.
Uit het keukenraam klonk een benauwde stem: ‘Zeg, wat was dat nou?’ Het was Rosa’s broer. Gelukkig. Ze leefden nog. En Rosa grijnsde: ‘Moet je ook eens doen, het helpt.’ 

Ploegen

Blas vond het een beetje vreemd dat ik me druk maakte over letters en vellen (leeg) papier. De regentijd was in aantocht, de weg naar het dorp kreeg nieuwe lantaarnpalen en Pepa’s en Paco’s jongste zoon was afgelopen zondag dood neergevallen tijdens de jaarlijkse dominocompetitie in Balta’s bar. Ik vond dat laatste heel erg, maar zat desalniettemin met mijn schrijversego te zuchten aan de keukentafel. Horendol van te veel oploskoffie en jammerend met een te grote berg woorden in mijn kop en een stapel veel te leeg papier.
Een typisch geval van schrijversaanstellerijblock. Hele rambam voor niks geweest, ik had net zo goed in Venlo kunnen blijven, concludeerde ik. Daar schreef ik als vanzelf, ondanks gebrek aan uitzicht en vooruitzicht. (Zwelg. Zwelg.) Ik zette er een CD van Cohen bij op. Dat hielp (zwelg).
Hij liet me achter aan mijn keukenschrijfzwelgdis om maar weer op het land te gaan werken. ‘Niks mee aan te vangen, die vrouw.’ Mompelde hij bij het weggaan. Hij baalde dat ik zijn koffie al sinds een week weigerde te roeren, sinds mijn plotsklaps ingedaalde besef dat ik me in mijn ijver me aan te passen aan lokale gebruiken gedroeg als een vrouw van vooroorlogse makelij. Ik kon me zelfs niet meer voorstellen dat ik ooit naar hennarood neigend haar had gehad, op Loesje stemde en de opzij-agenda kocht.
Ik was het zat, de rugpijn van het plukken en irrigeren, het gesjouw met waterslangen, zwangere honden en al die levensvragen die niet meer de mijne leken. Ik wilde niet meer weten hoeveel energie er in accu’s van de zonnepanelen paste, hoeveel kuub water in de irrigatieput, hoeveel kiwi’s, kastanjes, olijven of geitenmest in mijn kofferbak, hoeveel tomaten in een liter tomato frito. –Zwelg- Waarom was ik ook alweer hier? Juist. Ik was hier gekomen om een boek schrijven. Een literair hoogstaand werk dat zin en reden zou geven aan dit gedoe hier in de modder. En mijn chronische verbazing over het feit hoe ik ook al weer hier terecht gekomen was, zou mijn grote inspiratiebron moeten zijn.
Ammehoela. Mijn inspiratie was gekrompen tot het formaat van een vochtige rugzakje dat nog ergens in de kelder rondslingerde. Hoe meer eelt ik op mijn handen kreeg van het schoffelen en hakken, hoe slapper mijn geestelijke prestaties leken. Ik voelde me een vochtig schoolschrift met ezelsoren, wiens lijntjes weigerden mijn overdreven zware woorden te dragen. Ik viel door de mand; uiteindelijk was ik blijkbaar meer boer en koffieroerend vrouwmens dan mijn intellect mij wilde doen geloven in Nederland.
O ja. De Natuur. Nog zo’n onuitputtelijke inspiratiebron. Jammer genoeg bleek ik niet de schrijvende Marjolein Bastin die ik hoopte te worden hier in het bos. Mijn interpretatie van natuur was sowieso een grote misfit met de natuur zoals die zich hier manifesteerde dezer dagen. Niks Timothei-momenten. Of: ‘Ik-zat-aan-de-beek-te-mediteren-en-toen-snapte-ik–het-allemaal-momentje. Verre van dat.  De natuur was in deze dagen een klam beest dat continu over me heen walste. Een moodswing van wolken, regen en soms wat zon. Ik moest nog wennen aan dat idee dat het hier meer Grizzly Adams bleek te zijn dan Timothei of Zwitserleven-gevoel.
Twee dagen later was alles weer goed; ik had een potje stevig gezwolgen en was net niet verdronken. De zon scheen weer aarzelend en de stormen leken overgewaaid. Paco junior was begraven en de lantaarnpalen stonden overeind. De dorpsoudjes waren zo blij met het extra straatlicht in de donkere avonduren, dat ze een extra avond-paseo inlasten tot aan lantaarnpaal nummer 10 op de hoofdweg. Iets dat in de koude winterperiode heel ongebruikelijk was. Ik vond dat zo’n mooi beeld dat ik er spontaan van begon te schrijven. Over het dorp dat licht kreeg. Ik roerde weer braaf Blas’ koffie.
Schrijven is net als boeren; je zaait je akker van wit papier vol opportunisme en dromen en soms mislukt er een oogst. Blas had daar een heel simpele oplossing voor: ‘Je moet veel minder diep ploegen, want anders haal je het leven uit de bodem!’ 

De Lama en de kleine Samurai

(uit het boek van Blas)

Een prima stevig karretje, bulderde Juan el Gordo, terwijl hij bij wijze van demonstratie nog eens wild aan de imperiaal van de Suzuki Samurai rukte. Ik was bijna bang dat het karretje uit elkaar zou vallen, voordat ik de berg af was.

Toch had Juan gelijk; het 1.000-euro-karretje had het karakter van een echte Samurai. Het vuil-witte blikje bleek over onverwoestbare krachten te beschikken op de steile bergweggetjes en overtrof zelfs zijn grote, zware gebull-barde broers, die hun logge, blinkende carrosserie met moeite door de modder bergopwaarts kregen getrokken bij regenweer. We kregen al snel een hechte band, de Samurai en ik.

Buiten de vallei was het andere koek. Bij hoge windsnelheden en scherpe bochten op de grote weg, kon het arme diertje niet sneller dan 60, want anders kiepte het om, of waaide het uit de bocht als een leeg bierblikje op een winderige straathoek. Ik zag soortgenoten regelmatig als opgefrommeld in ravijnen liggen. Daar kon geen waarschuwingsbord tegenop.

Als ik met de Samurai naar de grote stad of het vliegveld moest rijden, was ik doodmoe. De snerpende geluiden van het kleine motortje, het gerammel van de veerplaten, de stoffige warme, of snijdende koude wind die door de gaten en kieren van het sleetse canvas dakje blies. Blas moest altijd lachen als ik terug kwam na zo’n expeditie. Geel van het stof, of blauw van de kou, mijn nieren ergens waar ze niet hoorden te zitten en een pesthumeur van hier tot Granada. Voor hem was het weer een zoveelste bevestiging van zijn overtuiging dat weggaan uit de vallei nergens goed voor was.

Rondom de Kleine Dappere Samurai ontsproot een waar nieuw sociaal netwerk: de vier broers, zus en drie schoonzussen van ‘Taller Hernandes’ in Ronda, zagen me zo vaak in hun garage, dat ik mee mocht eten tussen de middag. De twee broers van de lokale sleepdienst hadden al drie keer hun levensverhalen met me gedeeld, zo vaak was ik door ze opgesleept en naar de de familie Hernandes gebracht. Een grote familie. Na zes jaar noemden ze me allemaal Prima.

Blas vertrouwde de Samurai helemaal niet, zoals hij niks vertrouwde dat na 1930 gefabriceerd was. Heel soms reed hij mee naar het dorp of stad en dan hield hij zich met twee handen aan de dakbeugel vast, ogen dichtgeknepen, alsof hij in een achtbaan zat. Ik reed dan stapvoets en werd soms ingehaald door fanatieke Hollandse wandelaars die dan weer boos keken omdat ik hun milieu, rust en uitzicht verstoorde met mijn ronkende vehikel en scheldende Blas. Meestal na zo’n rit probeerde hij me te overtuigen van alle voordelen van een muildier. Dat het met zo’n muildier 4,5 uur sjokken was naar de supermarkt, vond hij bijzaak.

Een spiritueel getint einde was achteraf gezien onvermijdelijk voor deze kleine dappere auto. Kort voordat hij het echt begaf, diende zich een heel speciale gast aan op de boerderij: Lama Rinpoche Mogchok. Tijdens onze avondwandeling over de finca zag de Lama de kleine Samurai staan. Zijn ogen begonnen te twinkelen en lachend stelde hij een vraag aan zijn tolk. De Lama wilde graag een ritje over de zandweg. Omdat ik niet bepaald ervaring had in het ontvangen van Tibetaanse Lama’s, had ik een halve hectare volgeplempt met meditatieplekken, kussens, matjes en her en der wat gebedsvlaggetjes opgehangen in de bomen, de paden vrijgemaakt van mierennesten en onkruid, de logeerkamer tot een Tibetaanse slaapcel ge-restyled, inclusief offeraltaar conform de protocollen die ons vooraf waren toegestuurd door de staf van de Rinpoche. Ik dweepte stiekem met het beeld van mijn boomgaarden vol mediterende gasten en gelukkige Lama’s. Lekker rustig en blij. Maar het leven is geen Flow-magazine. In plaats van mijn onrustige ziel en grond met wat Ohmmm te zalven, wilde de Lama een rondje crossen in mijn Samurai die naar natte hond, hooi, valfruit en schimmelige bekleding stonk.

Ik zal de lach van Lama Mogchok Rinpoche nooit meer vergeten; het was de heldere schaterlach van een kind. Een heel blij kind. Blas, die de Lama al uren lang met opengevallen (en niet meer dichtgeklapte) mond had aangestaard,  moest ook onbedaarlijk lachen en haalde de Maagd Maria er nog bij, want hij had nog nooit een lachende kerel in een jurk gezien. En de kleine Samurai deed nog een keer zijn uiterste best om mooie stofwolken te slippen. Mooi was dat. Heel interreligieus.

Zo zie je maar weer, klein geluk zit overal waar je het niet neigt te zoeken.

Bruno’s ark op wielen

Elke en Bruno dweepten niet met hun verleden, want ze hadden besloten alleen nog maar te leven in het NU. Hij was ooit een gevierd antropoloog en altsax-speler en zij psychiater, gespecialiseerd in erfelijke psychiatrische aandoeningen. Beiden kinderen van invloedrijke Duitse families. Hun prachtige kasteeltje in de bossen bij Koblenz prijkte in menig Duits inrichtingsblad, want beide hoogleraren hielden van mooie antiek en hadden een verzameling prachtige schilderkunst uit de jaren 50-70.

Bruno, die sinds zijn jonge jeugd worstelde met de foute politieke geaardheid van zijn vader, verzette zich op zijn 57e nog steeds tegen alles dat ook maar iets aan zijn vader deed denken. Zijn riante jazzmuziekverzameling bestond uit bijna louter zwarte jazzmusici en hijzelf veranderde in een figuurlijke neger als hij zijn sax speelde.
Elke was een mooie vrouw geweest; ze had de klassieke, pezige contouren van een Slavische balletdanseres en Bruno was haar grote fysieke tegenwicht: Een kolossaal, massief lichaam, lichte blauwe ogen en vierkante kaken wiens spieren altijd op en neer rolden alsof hij zich chronisch ergerde.

In 1987 werd Elke overspannen en drongen de dranklustige genen van haar Russische grootvader zich op, om nooit meer weg te gaan. Ze stopte met werken en sloeg serieus aan de drank. Geld was er nog voor drie generaties, oud geld, nieuw geld, landerijen en huizen. Dat brak Bruno’s hart. Beiden beseften dat ze een arm rijk leven hadden geleid dat niet het hunne was. Het enige waar ze nog echt van konden genieten was het samenzijn in de stille bossen, samen met hun honden en elkaar, de muziek en de drankroes die het verleden oploste in de mist van katers of aangeschoten roes.

In 1988 namen ze een rigoureus besluit: Ze verkochten hun kunst- en antiekcollectie, zetten hun kasteel en landerijen te koop en organiseerden 3 weekeinden lang een grote carbootsale in de tuin van het kasteeltje. Van de opbrengst kochten ze vier Unimog vrachtwagens en een paar legerjeeps en tenten. Met een oproepje in de krant trommelden ze binnen enkele weken een klein leger aan jonge, avontuurlijke convooi-rijders op en vertrokken met de noorderzon.

Hun echte leven, hun lang gekoesterde droom ging beginnen: Een reis door de wereld met hun eigen konvooi. Bruno’s Ark op wielen.

Elke: ‘’Ik herinner me de eerste paar weken als een mooie droom; jonge mensen met veel energie, kampvuren en gitaren, de vastberadenheid die we voelden bij elke kilometer die ons verder weg bracht van Duitsland. We waren licht, bevrijd, alsof we de verloren tijd eindelijk mochten inhalen en alles dat zwaar woog achter ons hadden gelaten.’’

In de woestijn van Marokko ontstond er onenigheid in de groep, over de route. Het was te onrustig in Algerije om door te reizen, maar een boottocht of alternatieve route zou het grote reisplan van Bruno in de war schoppen. Bruno en Elke wilden rechtdoor. Ze waren onbevreesd als kinderen en in de waan dat geen oorlog hen kon raken in hun gepantserde Unimog vol dromen en jazz. Na een felle discussie brak de groep uiteen. De deelnemers en een zestal auto’s verdwenen in de nacht, met medeneming van de water- en voedselvoorraad en een van Elkes geliefde herdershonden.

De lichtvoetige vrijheid waarmee de missie was doordrenkt, was in één klap verdwenen.

De drankvoorraad van Elke was op de heenweg al ter hoogte van Zuid Frankrijk er doorheen gejaagd en haar verlangen naar een borrel dreef het echtpaar terug naar Zuid Spanje. Daar, vlak bij de plek waar ze hun laatste moment van energie, gitaren en kampvuren hadden meegemaakt, nestelden ze zich in een oude vervallen boerderij aan de rand van een klein dorp in de Serrania de Ronda. Twee Duitse vogels met gebroken vleugels, een Unimog vol zwarte jazz en drie honden. Ze verruilden hun droom van reizen in voor de gelofte van armoede en de wind in hun haren voor de bedompte duisternis van een koud, donker huisje onder de Andalusische zon.

Alsof ze niet alleen de rijkdom, maar ook het daglicht hadden afgezworen.

De Unimog staat sindsdien op de finca van Paco en Lola, aan de ingang van het dorp. Overwoekerd door bramen en jasmijn en vol kippenstront. Bijna verdwenen in het landschap als een oud, vergeten oorlogsmonument. Elke en Bruno verdwenen ook; ze werden kluizenaar en de dorpelingen vonden dat prima. Ze waren niet de enige vreemde vogels in het dorp en bovendien waren kluizenaren een welkome bron van speculatie- en intrigevermaak in de sfeer van ‘wel de lusten, maar niet de lasten.’

Eens per drie weken bezocht ik Elke en Bruno om wat boodschappen uit de grote stad en fruit van onze boerderij te droppen. We dronken oploskoffie met goedkope cognac en ik mocht op Bruno’s schapenvachtje zitten, in de enige comfortabele stoel die het keukentje rijk was. Elke lag meestal, als een stoffige oude prinses uit een middeleeuws schilderij, op het grote bed vol kussens. Ze dronk haar cognac zonder koffie, maar wel in een koffiekopje. We rookten zwarte tabak zonder filter.

Alles was bitter in het donkere keukentje; de koffie, de sigaretten, Bruno’s toon.

In stilte luisterden we muziek uit de gigantische muur van cassettebandjes. Albert Ammons, Django Reinhardt, naar John Cage en Sun Ra. Bruno rolde zijn kaakspieren op het ritme van de muziek en Elke aaide afwezig de honden aan haar voeten.

Ik hield het nooit langer dan twee uur vol bij Elke en Bruno. De teleurstelling over hun eigen bestaan trok in mijn ziel, als sigarenrook in een wollen trui. En ik kreeg koppijn van vrije jazz en het gebrek aan daglicht.

Elke en Bruno zijn inmiddels dood. Hun laatste jaren hebben ze geleefd in een grotwoning bij Granada, vlak bij het ziekenhuis waar Elke werd opgenomen met ernstig lever-falen. Ik vermoed dat ze beiden uiteindelijk zijn gestorven aan teleurstelling. Bezweken onder de zwaarte van hun nooit verworven vrijheid.

Alleen in de werkelijkheid te leven – wie van ons hield dat op den duur uit? Otto Weiss