Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html

 

 

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Consuminderen in stijl (Uit het boek van Blas)

Heel soms wilde Blas mee naar de supermarkt in de stad. Ik baalde dan een beetje, want de ritjes naar de supermarkt waren mijn meest frivole shoppinguitstapjes in die tijd. Ik maakte er altijd een uitstapje van; mooie kleren aan, make-upje, een tapaatje eten bij de venta onderweg. Het liefs ging ik tegen de avond, als het afkoelde en de zon alles in oranje en paars kleurde. Al was het slechts een dik half uur rijden, de schoonheid van het avondlandschap vertraagde de tijd. Ik draaide mijn favoriete muziekje en bralde luidkeels mee met Joni Mitchell of de euforische koren van de Misa Flamenca van Peña. ‘Santos, Santos!’ Met een een brok in mijn keel van het mooie landschap en de muziek die aan de touwtjes van mijn ziel trokken tot het tranenluik open ging. Heerlijk. Al was ik altijd bang dat ik op zulke momenten per ongeluk spontaan gelovig zou worden. Mijn praatkameraad Paco de treurige uit Madrid noemde dit ‘het heerlijke huilen’. Hij kon het weten want hij reed eens per maand op en neer naar Madrid, hij was de enige atheïst in het dorp en hij hield van Bach. Op de parking van de Hypersol werkte ik mijn mascara bij.
Met Blas naast me ging die emo-vogel niet op helaas. Met vragen als: ‘Waarom zing je zo vals vrouw?’ en: ‘Waarom huil je, vrouw?’, verprutste hij mijn trip totaal. 
(Pas nu ik het opschrijf vind ik dat komisch; destijds vond ik hem ronduit irritant op zulke momenten; alsof iemand me last minute mijn vakantie afnam.)
Na een rit waarin Blas aan een stuk door in mijn oor toeterde over welke dorpelingen er allemaal in de ravijnen waren gestort, kon het winkelfestijn beginnen. Blas duwde de kar (zo raakte ik hem niet kwijt, zoals de vorige keer) en ik shopte.
Dat ging ongeveer als volgt:
Bij de koekjes: Blas (schreeuwend): “Koekjes? Mmmm. Waarom koop je koekjes, vrouw? Die kun je toch goed zelf bakken?”
Bij de vleeswaren: “Chorizo? Die kun je toch veel beter bij Pepa kopen? Die heeft er nog een stuk of twintig hangen.”
Bij de eieren: “Eieren? Leggen die kippen van Juan dus nog steeds niks? Je moet die kippen slachten.”
Bij de kippengrill: “Kip? Je hebt toch kippen? En anders vraag je Juan van Paqui toch er eentje te slachten?
Bij de slijterij-afdeling: “Heb je die zelfgestookte voorraad aguardiente nou al op dan?”
Met 24 rollen wc-papier, een zak meel, suiker en een fles afwasmiddel droop ik af naar de kassa. Met Blas winkelen was niet leuk, maar wel kosten- en tijdbesparend. Na deze tocht wachtte me nog een hele kruistocht door het dorp: Langs Pepa’s worstenschuurtje, langs Paqui en Juan, een geschikte kip uitzoeken, naar Ana van de Farmacia voor aspirine voor de hoofdpijn van de aguardiente die ik zeker zou gaan drinken hierna. Ik was tenslotte geen Mormoon, al begon het er wel op te lijken langzaam.
Onder de sterrenhemel dronk ik die nacht een glaasje zelfgestookte aguardiente met een stuk kaas. Te moe om te koken na deze uit de hand gelopen consuminder-expeditie. Camerón op de radio. Smerig sterk spul op een bijna lege maag, maar met Camerón en zo’n  sterrenhemel net voldoende om even aan de touwtjes van mijn ziel te trekken. 
Chin Chin! Op het consuminderen. Dat eigenlijk uitgevonden is door Blas. 

Een blikje misère met Rosa #2

Of: De Schreeuw (het helpt)
[Uit het Boek van Blas]
Rosa liet me foto’s zien van vroeger. ‘Toen was ik nog mooi.’ Ik staar naar een klein zwart-wit kiekje met een stralend meisje van een jaar of 14, voor het huis waar we nu zaten. Sprankelende ogen, een ondeugende grijns, gitzwart haar in twee vlechten over een geblokte schortjurk. Op de achtergrond een schelle kreet uit het TL verlichte keukenraampje van Rosa’s huis. ‘Toen kon ik nog lachen.’ Grijnsde ze. ‘Toen had ik nog tanden.’ Ik realiseerde me nu pas dat Rosa niet zo vreemd sprak en grijnsde omdat de vorm van haar bovenlip niet anders toeliet, maar omdat ze geen tanden meer had. Ze wachtte al weken op een lift van Manolo naar Ronda, waar in het tandenlab van haar achterneef een fonkelnieuw gebit op haar lag te wachten. Ik bood haar een lift aan naar Ronda. Het zou haar goed doen, tanden. Ze weigerde en wuifde haar tanden weg.
Iemand met overslaande stem kondigde aan te moeten plassen en een mannenstem eiste bulderend een fles bier en de afstandsbediening. Zuchtend stond Rosa op, mij met haar zwart-wit jeugd achterlatend.
Rosa was de laatste weken nog meer aan huis gebonden dan ze al was. Haar vrijgezelle broer Manolo de Geitenhoeder was van de trap gevallen. Op zich nog niet zo heel ernstig, was het niet zo geweest dat hij met een touw om zijn middel vast zat aan zijn 80-jarige moeder, die daardoor haar heup en daarna Manolos schedel gebroken had. Rosa’s moeder die zwaar dementerende was, maar nog de lichamelijke kracht van een paard had, zat 24/7 met een touw vastgebonden aan een van de familieleden, omdat ze anders het ravijn in sprong om te gaan plassen of zomaar bloot het bos inliep. Nee, mantelzorgen voor je dementerende moeder in de bergen is geen kattenpis, met al die gevaarlijke afgronden en dwaalpaadjes. 
Het was altijd misère bij Rosa thuis, maar nu was het wel heel erg. Haar man Juan had zich –heel slim- tijdelijk teruggetrokken in de geitenstal van zijn schoonbroer om de geiten waar te nemen en weg te zijn van het familiehuis. Haar oudste zoon werkte doordeweeks aan de Costa en haar jongste vulde Rosa’s spaarzame gaatjes in de tijd met puberterreur van het ergste soort.
Zuchtend kwam ze weer naast me zitten op het stoepje en trok een blik bier open. Het was doodstil in de keuken. De nacht was prachtig en we zwegen wel vaker, maar Rosa’s zwijgen had opeens iets onheilspellends. De luchtdruk om haar heen kon veranderen als bij een plots opduikende bergstorm. Als ze op dat moment verteld zou hebben dat ze haar moeder en broer eeuwig tot zwijgen zou hebben gebracht, was ik niet verbaasd geweest. Ze pakte het fotootje uit mijn hand, zoog alle stilte in een ademteug naar binnen, gooide haar hoofd in haar nek en schreeuwde oorverdovend hard in de stilte.
Uit het keukenraam klonk een benauwde stem: ‘Zeg, wat was dat nou?’ Het was Rosa’s broer. Gelukkig. Ze leefden nog. En Rosa grijnsde: ‘Moet je ook eens doen, het helpt.’ 

Ploegen

Blas vond het een beetje vreemd dat ik me druk maakte over letters en vellen (leeg) papier. De regentijd was in aantocht, de weg naar het dorp kreeg nieuwe lantaarnpalen en Pepa’s en Paco’s jongste zoon was afgelopen zondag dood neergevallen tijdens de jaarlijkse dominocompetitie in Balta’s bar. Ik vond dat laatste heel erg, maar zat desalniettemin met mijn schrijversego te zuchten aan de keukentafel. Horendol van te veel oploskoffie en jammerend met een te grote berg woorden in mijn kop en een stapel veel te leeg papier.
Een typisch geval van schrijversaanstellerijblock. Hele rambam voor niks geweest, ik had net zo goed in Venlo kunnen blijven, concludeerde ik. Daar schreef ik als vanzelf, ondanks gebrek aan uitzicht en vooruitzicht. (Zwelg. Zwelg.) Ik zette er een CD van Cohen bij op. Dat hielp (zwelg).
Hij liet me achter aan mijn keukenschrijfzwelgdis om maar weer op het land te gaan werken. ‘Niks mee aan te vangen, die vrouw.’ Mompelde hij bij het weggaan. Hij baalde dat ik zijn koffie al sinds een week weigerde te roeren, sinds mijn plotsklaps ingedaalde besef dat ik me in mijn ijver me aan te passen aan lokale gebruiken gedroeg als een vrouw van vooroorlogse makelij. Ik kon me zelfs niet meer voorstellen dat ik ooit naar hennarood neigend haar had gehad, op Loesje stemde en de opzij-agenda kocht.
Ik was het zat, de rugpijn van het plukken en irrigeren, het gesjouw met waterslangen, zwangere honden en al die levensvragen die niet meer de mijne leken. Ik wilde niet meer weten hoeveel energie er in accu’s van de zonnepanelen paste, hoeveel kuub water in de irrigatieput, hoeveel kiwi’s, kastanjes, olijven of geitenmest in mijn kofferbak, hoeveel tomaten in een liter tomato frito. –Zwelg- Waarom was ik ook alweer hier? Juist. Ik was hier gekomen om een boek schrijven. Een literair hoogstaand werk dat zin en reden zou geven aan dit gedoe hier in de modder. En mijn chronische verbazing over het feit hoe ik ook al weer hier terecht gekomen was, zou mijn grote inspiratiebron moeten zijn.
Ammehoela. Mijn inspiratie was gekrompen tot het formaat van een vochtige rugzakje dat nog ergens in de kelder rondslingerde. Hoe meer eelt ik op mijn handen kreeg van het schoffelen en hakken, hoe slapper mijn geestelijke prestaties leken. Ik voelde me een vochtig schoolschrift met ezelsoren, wiens lijntjes weigerden mijn overdreven zware woorden te dragen. Ik viel door de mand; uiteindelijk was ik blijkbaar meer boer en koffieroerend vrouwmens dan mijn intellect mij wilde doen geloven in Nederland.
O ja. De Natuur. Nog zo’n onuitputtelijke inspiratiebron. Jammer genoeg bleek ik niet de schrijvende Marjolein Bastin die ik hoopte te worden hier in het bos. Mijn interpretatie van natuur was sowieso een grote misfit met de natuur zoals die zich hier manifesteerde dezer dagen. Niks Timothei-momenten. Of: ‘Ik-zat-aan-de-beek-te-mediteren-en-toen-snapte-ik–het-allemaal-momentje. Verre van dat.  De natuur was in deze dagen een klam beest dat continu over me heen walste. Een moodswing van wolken, regen en soms wat zon. Ik moest nog wennen aan dat idee dat het hier meer Grizzly Adams bleek te zijn dan Timothei of Zwitserleven-gevoel.
Twee dagen later was alles weer goed; ik had een potje stevig gezwolgen en was net niet verdronken. De zon scheen weer aarzelend en de stormen leken overgewaaid. Paco junior was begraven en de lantaarnpalen stonden overeind. De dorpsoudjes waren zo blij met het extra straatlicht in de donkere avonduren, dat ze een extra avond-paseo inlasten tot aan lantaarnpaal nummer 10 op de hoofdweg. Iets dat in de koude winterperiode heel ongebruikelijk was. Ik vond dat zo’n mooi beeld dat ik er spontaan van begon te schrijven. Over het dorp dat licht kreeg. Ik roerde weer braaf Blas’ koffie.
Schrijven is net als boeren; je zaait je akker van wit papier vol opportunisme en dromen en soms mislukt er een oogst. Blas had daar een heel simpele oplossing voor: ‘Je moet veel minder diep ploegen, want anders haal je het leven uit de bodem!’ 

Een dag in het vleesparadijs (Uit het boek van Blas)

Wat de dorpelingen betrof was je gewoon een domoor als je geen vlees at. Een domoor of een homo. En een etentje zonder vlees, was als een arena zonder stier, een kroeg zonder bier.

Ik heb het zelf maar heel even volgehouden; vegetarisch eten. Een gezonde eetstijl lag voor de hand: ik woonde immers in een mega-vega-paradijs met eigen fruit, groenten, noten en als ik een beetje dieper zou graven zouden er vast ook nog barstens veel knollen, bloemen en andere eetbare objecten in mijn hofje rondslingeren. Mijn partner deed aan Tai Chi , neigde naar macrobiotisch en er kwamen zelfs bezoekers van vega-verenigingen uit Nederland en Duitsland om mijn fruitbomen te knuffelen en mijn nootjes te rapen. Maar van zulke ontmoetingen kreeg ik nog meer zin in vlees.

Mijn kuitspieren, mijn dromen, mijn hoektanden en maag schreeuwden na enkele maanden om VLEES. Het was een fysiek verlangen. Ik had brute paardenkracht nodig om elke dag als een muildier tegen die hellingen van het paradijs op te klimmen en mijn lichaam redde dat niet op zaadjes en tofu en zongerijpte toestanden en al die andere gezonde dingen zonder pootjes.

Dus ik ging Carmen helpen in de keuken, waar hammen hingen te druppen en te drogen in de tocht, waar een grote stoofpot op het vuur stond met varkenspoten, gezouten ribbetjes en blokjes oude tranige ham hun weg vonden in dikke soepen, die me deden denken aan winter en mijn moeder. Achter in haar hofje zaten bendes konijnen te fokken en waggelde twee obesitasganzen rond, nog niets wetende van komende kerst. Bij Carmen was alles VLEES. Zelfs haar oorspronkelijke naam: Encarni, betekende vleeswording. Ze had de rode wangetjes van een Hollandse slagersvrouw en borsten waar je een heel dorp aan zou kunnen troosten.

Haar stokoude dementerende moeder (ze had al sinds 1995 geen woord meer gezegd, dus men ging er vanuit dat ze dement was) zat in een hoekje van de keuken, stevig in haar stoel gesnoerd met een oude veiligheidsriem. Op haar schoot een zak oude broden die ze in stukjes brak en in een cementkuip liet vallen. Aan het einde van de middag, gingen we de varkens voeren. Paco snoerde moeders met haar broodbrokken goed vast op de bijrijderstoel van zijn Landrover en we daalden af naar hun boerderijtje in de Genal- vallei.
Onderweg stopten we eerst nog bij Baltazar die een grote ton ruftend keukenafval achterop de auto bond en daarna langs Paco en Juamo om drie zakken geitenmest op te halen voor de moestuin.

Ruftend arriveerden we 1,5 uur later in het paradijs.

Na het voeren van de varkens, sleepten we stoeltjes en moeder naar de rivieroever en kwam er oude wijn en oude worst uit het keldertje te voorschijn. Moeders bleef zonder riemen, sereen en tevreden in haar stoeltje met afgezaagde poten zitten.
Carmen draaide de kaasjes in de stenen potten vol scherp ruikende olie en liet ons de kaas van afgelopen voorjaar proeven. We doopten vers brood in olie, Paco sneed de worst met zijn Zwitserse nepzakmes. In de schaduw van de kastanjebomen en met de kabbelende Genal aan onze voeten kauwden we stukje taaie worst en dronken we glazen zurige oude wijn met la Casera (7-up) die Carmen aan een touwtje uit de ijskoude Genal had gevist. Mensen met ijskasten, dat waren hier pas mietjes.

De varkens vochten, slurpten en wroetten enkele meters verderop in hun eigen koningsmaal en Carmen rekende hardop uit hoeveel mooie hammen en worsten we dit jaar zouden maken in november.

Tegen schemering was ik weer helemaal carnivoor. Want het was een bijzonder mooie dag in het vleesparadijs.

Met een oog minder kun je prima leven

‘Wat een Fellini-gruwel hier.’ Zei een oud-collega die op doorreis kwam kijken waar ik neergestreken was. Ik zag dat niet en wenste hem beledigd een prettige cultuurreis naar Sevilla. Ik vond het juist prachtig hoe al die verstandelijk en lichamelijk gehandicapten gewoon thuis, op hun eigen stek bij hun familie mochten wonen, de oudjes nog tot hun 88ste op hun stukjes land rond schuifelden.

Ik verkeerde nog in de Bambi-fase en speelde tijdsreiziger. Dit prachtige weerbarstige bergproject zou ik wel even in duizend verhalen genieten.

Heel naïef dat ik dacht dat alles in Zuid Spanje van een meer lichtvoetige aard zou zijn; de mensen, de dingen, het leven in het algemeen. Dat was de eerste maanden ook zo; de pioniersroes van de simpele stedeling die nog niets weet van de bureaucratie, het Franco-trauma dat het dorp in een zompige achterdocht onderdompelde, de mishandelingen achter gesloten deuren, het stille lijden van de oudjes die hun nest kwijt zijn geraakt en achtergebleven met door incest gedegenereerde nazaten die letterlijk en figuurlijk de ‘bus naar de Costa’ of de autofabrieken in Toulouse gemist hadden.

Mijn wake-up call over de sociale mismaaktheid van het dorp, kwam op een zonnige dag toen ik aan Paqui van de bakker vroeg waarom Pepa met een lapje voor haar oog liep.

1 brood met verhaal. Ik was dol op Paqui’s verhalen, ze kende iedereen in het dorp. Het was rustig in de winkel en we gingen in de achterkamer zitten. Dat beloofde een stevig verhaal.

P. was 16 toen ze moest trouwen met haar neef R. P, niet moeders mooiste noch slimste leek hiermee een relatief veilige toekomst tegemoet te zien en de familie stemde in met het huwelijk uit gemakzucht. Het huwelijk bleek al snel een ramp, maar P, die aan de lopende band zwanger was en drie van haar zes kinderen gehandicapt thuis had, bleef trouw aan haar neef-man, want scheiden was in hun familie een onmogelijke zaak en als alleenstaande vrouw zou ze niet overleven in deze regio. Hij sloeg haar, iedereen wist dat, maar niemand droeg haar kruis. ‘Huiselijke problemen worden in dit dorp binnenshuis gehouden, waar ze horen.’ Aldus Paqui.

Enkele dagen geleden was R zoals wel vaker, dronken thuisgekomen. Er was een gebruikelijke ruzie op de patio, die sinds 15 jaar ‘in verbouwing was’ en bestond uit betonnen paaltjes met stukken uitstekende betonijzers . Ook niets bijzonders. Verbouwingen duren vaak 15 jaar en ieder echtpaar maakt ruzie. Toen werd het stil. R had P een duw gegeven en ze was met haar hoofd op het uitstekende, roestige, ja afschuwelijk. (ik stopte met luisteren en probeerde aan puppies en een kabbelende beek en hossende mensen met carnaval te denken om niet flauw te vallen van de verdere details die Paqui ademloos beschreef.) De kilte en koude drongen binnen in mijn warme comfortabele romantiekparadijs. 

‘Ze had nog heel veel geluk gehad, eindigde Paqui krassend vanuit de verte en vanachter puppies en kabbelende beken. ‘Als die spijker in haar voorhoofd had gezeten, was ze dood geweest. En met 1 oog kun je prima leven. ’ Zo relatief kan ‘heel veel geluk’ zijn.

De winkelbel rinkelde en het leven onder zon zoals ik het kende, in al haar lichtvoetigheid ging gewoon door: Paqui discussieerde met Ana over hoe zout de gezouten botten voor de soep de laatste tijd waren, iemand maakte een grapje tegen de pastoor die nooit lachte, en op de terugweg zag ik Rafa zingend in zijn oude Jeep het pad afrollen.

Ex-is-ten-tia-lis-ti-sche gesprekken met Blas (Uit het boek van Blas)

Ik: Zou je nooit weg willen van hier, ergens anders naartoe?

Blas: Waarom?

Ik: Omdat er zo veel meer te zien is dan dit dorp

Blas: Wat dan?

Ik (belerend): Nou, steden, mensen, andere werelden.

Blas: Tontería! Onzin! (lacht me hartelijk onbevangen uit)

Ik (gepikeerd): Hoezo onzin?

Blas: ‘Hier is toch alles: huizen, mensen, stenen, bomen, rivieren, de lucht, het eten. En dat is toch alles?

Ik: stil van zoveel wijsheid.

Hij heeft helemaal gelijk en ik baal daarvan. Hij is gewoon een soort monnik eigenlijk, zonder dat hij het zelf weet. Toch krom: want hij is volgens de geldende norm en moderne diagnostiek geestelijk gehandicapt en ik vind mezelf ontzettend slim. Dat wringt bij dit soort existentialistische gesprekken. Hij IS, ik DENK dus ik BESTA.

Zware confronterende zenshit voor een vrijdagmiddag na het oogsten. Ik zeg het je. Het was weer eens een van die dagen dat ik weg wilde uit het paradijs van schoffelen, gesprekken met Blas en vliegjes in mijn zweethals.

Blas, lekker op dreef vandaag, doet er nog een schep bovenop:

‘Er zijn plekken waar dit allemaal niet is. En de mensen die daar wonen lachen nooit. Ik heb het gezien ooit, in Frankrijk, Parijs. Er zijn geen vogels, geen bomen en de lucht is altijd grijs. Als je daar geboren bent, dan kun je maar beter weggaan. Naar hier bijvoorbeeld. Want hier is alles. Ik zweer het je; vraag me iets dat je nodig hebt en ik zal het hier vinden.’

Ik had in mijn kinderachtige mokbui opeens heel erg zin in afhaalpizza, maar dat zou heel erg flauw zijn om te zeggen. Dus ik zei: water? Blas liep trots naar de bron, hield zijn handen in het water, grijnsde en riep:
‘Je moet wel naar de bron toekomen, de bron komt niet naar jou!’

Daar flikte hij het weer. Zou hij ook op water kunnen lopen?

Manolo en de buitenlanders (uit Het boek van Blas)

In het begin dacht ik dat bijna alle Andaluciërs xenofoben waren. Maar dat was niet zo, bleek. Ze hadden in de bergen gewoon een hekel aan buitenlanders die deden alsof ze alles wisten.

Manolo verdiende goud geld aan zijn buitenlandse stamgasten, ongeveer de helft van zijn klantenbestand. Maar vriendelijk was hij nooit tegen ze. Waarom zou hij, drinken deden ze toch wel. Zijn knorrige achterdochtige blik en zijn weigering om ook maar 1 woord Engels te proberen, deden wonderen. De buitenlanders waren zo mak als lammetjes in Manolo’s kroeg. Niemand durfde met Manolo te discussieren en dat hield hij graag zo. Op momenten waar hij een zwak vertoonde voor een zeldzame knappe buitenlandse dame, was daar Encarni, zijn vrouw. En Belen, zijn moeder. Hun vernietigende blikken vanuit de half open keuken deden alle feromonen meteen de das om. Manolo was op z’n best en veiligst als hij gewoon boos keek.

’Ik heb liever 10 dronken Britten die de zaak kort en klein slaan, dan 1 Nederlander die zijn reisgids op de bar legt, een kopje thee bestelt om 9 uur ’s avonds en me dan tot sluitingstijd uit gaat leggen hoe het ook al weer zat in de tijd van Franco.’

Zo was Manolo. En daar deed je niks aan.