Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

Prima

hola.jpg

In een hechte, geïsoleerde gemeenschap is alles familie. Behalve ik. Dat vond ik in de beginperiode erg prettig. Je bent een ander diersoort – solitair en vrij van sociale plichten en druk, vrij van verleden en imago, verjaardagen, bruiloften en begrafenissen. Een soort vliegende eenhoorn tussen de taaie muildieren.

Het was nog in de tijd waarin ik de woorden soledad en solamente door elkaar haalde.

‘Heb jij een moeder dan?’ Antonio viel bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het heilige M-woord uit mijn mond hoorde rollen. Ik kreeg er lol in, maar was minstens zo verbaasd dat hij daar zo verbaasd over was. ‘En nog drie zussen, een broer en een vader.’

‘Joder..’

Hij bekeek me alsof ik net een groot geheim had onthuld. ‘Joder, mujer…dát wist ik niet.’ Mompelde hij nog eens en stak een zwarte Ducado op en hief zijn flesje. ‘Chin Chin. A tu madre.’

Antonio wist niks van me, alleen dat ik kon hellingtrekken, uit het land van Kroijf en tulipanes kom, kon roken, praten en een bougie vervangen. Dat was al ruim de helft meer dan anderen in dit dorp van me wisten. Blijkbaar had hij nog niet met zekerheid vastgesteld dat ik van het menselijke ras was en als we een paar eeuwen zouden doorgraven, wellicht nog verre familie ook.

Een week later kwamen mijn ouders op vakantie. Hun allereerste vliegreis samen. Mijn allereerste familievisite. De moeder van de postbode omhelsde mijn vader alsof hij een lang verloren zoon was die terugkeerde uit een oorlog. Tranen. Mijn moeder had sjans van Paco de oude kastanje-zigeuner. ‘Zeg tegen je moeder dat ze vroeger een mooi vrouwtje moet zijn geweest.’ Ik heb de vrije vertaling gekozen. Ze bloosde. Een beetje mopperend.

De burgemeester kwam even persoonlijk een hand geven, de ober van La Farola, la Quinta en de twee venta’s langs de weg naar Ronda klopten me op mijn schouder alsof ik eindelijk de finish had bereikt van mijn familie-loze marathon. De lokale dorpsgek wurmde zich door een kiertje in de deur om mijn vader een snelcursus schreeuwen en schelden in het Spaans te geven. Mijn vader wurmde hem in het plat Venloos scheldend door hetzelfde kiertje weer naar buiten. Rosa speelde patience op het stoepje met mijn moeder, rokken op hun ronde bleke knieën, de kaarten tussen hen in op de koele steen. ‘Ze speelt vals, je moeder. Ik mag haar wel.’

We deden dingen die ik in mijn jeugd nooit gedaan had met ze: zwemmen in de rivier, picknicken, we zagen arenden en gieren, we maakten een kampvuur op de boerderij. Paseo in Ronda, werken in de tuin. Mijn moeder ving een kleine witte schorpioen op de rug van haar hand en zei: ‘Kijk nou wat parmantig dat staartje.’ En we gingen naar de Chinees. ‘Zijn er hier ook Chinezen???’ De Spaans sprekende buurt-Chinees ‘Hola’ in Ronda vonden ze minstens zo spannend als de hele grote klont Unesco-erfgoed eromheen.

Mooie mensen, mijn ouders. ‘Muy natural.’ Zei Juan van de Estanco. Het grootste compliment tegenwoordig.

Het afscheid viel zwaar. De moeder van de postbode huilde en vertelde mijn vader dat hij de knapste man was die sinds mensenheugenis in het dorp was geweest. Ze heeft nog weken over hem gepraat en mij om een foto gevraagd.

Antonio en de anderen konden daarna met een gerust hart weer verder wennen aan me. Nu ik geen vreemde familieboomloze vogelsoort bleek, maar gewoon een dochter, leek dat opeens stukken sneller te gaan. Vanaf de dag waarop mijn ouders weer naar huis keerden, noemde Antonio me Prima – nicht.

Ik vond het prima. (tranen)

Joder. Alles is familie.

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html

 

 

De foodbeweging volgens Pepa

 

 

(Ooit) in Spanje maakte ik kennis met Slowfood; prettige, hoogopgeleide gasten die hun vakantiedagen reserveerden voor ecologische landbouwworkshops, stilte- en natuurvakanties. Ik was ronduit verbaasd om opeens een marketing-CEO van een welbekende multinational met tranen van ontroering naar Pepa’s kikkererwten met varkensschenkel te zien staren. Pepa vond het geweldig. ‘We zullen die stadse leeghoofden eens laten zien wat eten is!’ Riep ook Balta steevast als ik weer een gast langs zijn illegale restaurantje in de verbouwde garagebox stuurde voor tuinslakken, stukjes gedroogde ham, bittere olijven of een halucinerend glaasje druiven-mosto.

Waren dit werkelijk dezelfde Nederlanders die mij een jaar of vijf geleden nog boven een salade met zwezerik voor gek verklaarden als ik vertelde dat TL-verlichte, betegelde etablissementen vol lelijke oude boeren en een schreeuwende TV en gestoofde dierendelen uit (schoon)moeders achterkeuken een feest waren? Nu deden de naar gedempt licht en Michelinsterren neigende slimmeriken opeens net alsof ze (na een tussenstop bij El Buli waar ze 4 jaar geleden een tafeltje voor twee reserveerden) in de verborgen hemel der culinair verantwoorde hoogstandjes waren beland.

Terwijl ik me zorgen maakte of Pepa’s afbladderende kalkplafond niet in de stoofpot zou belanden vandaag, vulde de keuken zich met oeh’s en ah’s. Pepa mopperde en roerde een beetje in haar pot, met die typische norse, stuurse kop vol ingehouden trots. Van binnen voelde ik mij ook een Pepa. Ik vond het aanstel, vanuit mijn simpele boerenleven gezien.

Tien jaar later, toen ik met mijn film Vleeswording in Nederland in hetzelfde circuit, maar dan aan de andere kant van het verstand belandde, groeide mijn verbazing over de stedelijke benadering van ons eten en ons leven in het algemeen alleen maar groter. Ik ontdekte dat Pepa’s homecooking, homy, slow, ruw en rauw, opeens sjiek, hip en intellectueel was. Sterker nog, sommigen van mijn oud keukentafel-gasten in Andalucia bleken inmiddels zelfs geroemd vanwege hun bijzondere expertise rond pure voeding, het kweken van pastinaken, of Neerlands oergeheugen terug in ons vlees te injecteren. In hippe, industriële tentjes zag ik opeens getatoeëerde meiden en bebaarde jongemannen met geblokte bloezen Pepa’s varkensschenkel en Juan’s lelijke dikke tomaten en gegrilde wilde asperges uitserveren. Alez, zo af en toe schiet de branding het feitelijke doel van de nieuwe foodbeweging voorbij, maar ook dat hoort bij een relatief ‘jonge’ industrie.

Ik vind het prachtig, die food-hype – begrijp me niet verkeerd – geweldig dat er massa’s mensen bezig zijn met het thema eten, gezond eten, glocal, lokaal, duurzaam, stadsboeren, zaadbommen, boombreien, varkens knuffelen, schapen roken, blije vis kweken, vergeten groente zoeken, Herefords BBQ-en, Grote Groene Eieren, de moestuin van oma, de schipholganzenvleeskroketten, foodtrucksconvooien, gamen met varkens, op hooibalen dineren, takkenboszuurdesembrood bakken, vleesloos vlees grillen, rauw prediken, goyabessen tellen, vensterbanksla grootkijken, varkens met krulhaar fokken.

Het is niet erg – het is beweging. Niet helemaal zoals Pepa  het bedoelde misschien, minder ‘puur’ dan we allemaal roeptoeteren, maar: Het IS BE-WE-GING. En daar hou ik van.

FoodDock Deventer Gisteren was ik op uitnodiging van SlowFood en Youth Food Movement te gast in het prachtige FoodDock in Deventer. 28 gasten aan tafel die genoten van een ‘kop-tot-kont-driegangen diner’ waarin van allerlei ongebruikelijke delen van varken en rund verwerkt waren. Tussen het runderhart en de hersentjes door, vertelde ik onder muzikale begeleiding van Ruud een Spaans vleesverhaal en na het toetje togen de gasten naar het kunstlab aan de overkant, om uit te buiken bij mijn film Vleeswording. De kokkin had met Mr. Hapje een mooi, eerlijk en stevig maal gemaakt (al leek ze in de verste verte niet op Pepa.) De industriële, ietwat rommelige en levendige entourage van het zwarte silo waarin we waren, deed me ook vaag aan mijn Spaanse jaren denken; net een tikje te veel etensdampen, de gezellige chaos van kletterende pannen, potten en kwetterende mensen aan houten tafels vol heerlijk uitziende gerechten – raciones. Ontdaan van porseleinen sjiek, design-vernuft of glim. Zen is uit, welkom creatieve chaos van de gewoonheid der dingen! Iemand had hier het concept van nieuwe horeca volledig goed begrepen en een uitstekende mix gebouwd tussen de vaak te gepolijste urban design van de grotere steden en een nuchter boerenverstand. Het zijn de grote steden die uitblinken in het uitzetten van de trends, maar vooral de kleinere steden die slim met deze concepten omgaan.

Terug naar de van kop-tot-kont-beleving. Ik had ongeveer een kwartier om het tafelgezelschap mee te nemen naar de keuken van Pepa, in de omgebouwde garagebar van Balta, voordat ze in de keuken van Berend zouden stappen met mijn film. Geholpen door de mooie flamenco akkoorden uit de gitaar van Ruud Post en de geuren van stoofpotten uit de keuken, drong zich een herinnering bij me op: Balta* aan wie ik probeerde uit te leggen wat Slow Food was en die me met open mond aanstaarde. En bij Pepa die stuurs-trots in haar garbanzos roerde.

Niks zo leuk als tevreden eters, grijnsde de Amerikaanse serveerster naar de kokkin. Ik zie een glimpje Pepa in haar ogen schitteren en ik hoor Balta – die vond dat alle Nederlandse mannen te verwijfd waren – al een compliment geven over de baard van Mr. Hapje.

Mooi is dat. Eten.

Kleine verborgen poortjes

Op de meeting stonden zo’n 30 mannen met ongeveer dezelfde kleur pakken en dassen. Het was de lilla en rose-periode. Een bescheiden en beschaafd gehum vulde de zaal van het prachtige seminarklooster. Ik slenterde quasi nonchalant door de zaal, op zoek naar de koffie. Krampachtig probeerde ik me enkele Linkedin-gezichten te herinneren en schudde in het wilde weg wat handen. 
Ik vroeg me af of er zoiets bestond als ‘fysieke branche-kenmerken’, want in deze zaal zonder fleurig vrouwmens leken alle mannen een beetje op elkaar. Misschien kwam het door de pakken. Of zouden mannen in een zelfde beroepsgroep, net als baasjes op hun honden, ook op elkaar gaan lijken? Je kon de zachte sector in 1 oogopslag onderscheiden van de zakenjongens: van die laatste groep  waren de pakken net iets mooier van snit. De zorgmannen hadden altijd wel een slobberig element dat hun verried, zoals vergeten deodorant op te doen, een warrig kapsel en meer verticale zorglijnen in hun gelaat (afhankelijk van het niveau binnen het management waarin ze opereerden.)
Ik bladerde door het programmaboekje. We zaten pas in het ‘informele netwerk met koffie-programmadeel’ en ik vroeg me benauwd af hoe onfeestelijk de formele programmaonderdelen er dan uit zouden gaan zien. Nog een hele lange dure dag te gaan. Ik mocht gratis trouwens, omdat men het goed vond voor de groep om enkele kunstenaars erin te mengen. Aangezien de gemiddelde kunstenaars dit soort weekeinden nooit zouden kunnen permitteren, was het een uitzonderlijke luxe en eer om als niet post-academicus in het walhalla der seminars te mogen zijn.
Een mooie mevrouw met een alles behalve kloosterlijke nonnenuitstraling tikte met haar harsnagels op het sprekersmicrofoontje en kondigde de eerste lezing aan in de Aula van het Licht. Tien minuten later zaten we met z’n allen met dichtgeknepen ogen in de Aula van Het Licht die zijn naam meer dan eer aandeed. Je zag er geen steek in de rondte.
De hoogleraar op het podium sprak in monotone en moeilijke bewoordingen over het thema van dit weekeinde: Inspiratie. Na een oeverloze en weinig inspirerende monoloog over inspiratie, klonk er een muziekje klonk door de Aula van het Licht. Het wekte op mijn lachspieren en ik grapte naar de zachte zorgmanager naast me dat we hierna Vangelis in de Mariagrot zouden doen. Hij wist vast niet wie Vangelis was, want hij lachte niet eens.
Het was alweer tijd voor een informeel samenzijn. In de kloostertuin deze keer. Konden we de ontzettende lezing even laten bezinken en in contact met de natuur een broodje biokaas eten.
Met z’n dertigen liepen we in een schuifelende rij door de kloostertuin. Het moet er heel belachelijk hebben uitgezien van boven. In de prachtige oude boomgaard met hoogstamfruit stond een pagodetent met een buffet vol biologisch heerlijks van eigen land. Ik nam wat brood en kaas mee en glipte weg. Een spannend paadje dat leidde naar een eveneens spannend poortje in de donkere, hoge kloostermuur leek gemaakt voor dit moment.
Het komt nog zelden voor tegenwoordig dat kleine verscholen poortjes open kunnen, dus die verleiding kon ik niet weerstaan. De wereld was wonderschoon en stil, aan de andere kant van de muur. Ik liep het zandpad naast de bosrand op tot ik het informele gehum niet meer hoorde. Naast het pad zat een boer op zijn trekker een boterham te eten. Hij genoot zichtbaar van zijn versgeploegde akker. De zonnestralen van toverden een warm rood op de verse aarde. Er is niets zo lekker als de geur van stille warme aarde aan de rand van een bos.
Ik was razend geïnspireerd opeens. Geen vezel aan mijn lichaam of ziel die mij nog terug door het poortje naar die inspiratiesessie zou dwingen. Ik vroeg dus aan de boer hoe ik het handigst bij de parking kwam aan de andere kant van het kloostercomplex, zonder door de tuin te hoeven. Hij moest toch die kant op en gaf me een lift tot aan mijn auto. Tijdens de rit langs de lange kloostermuur zag ik nog net het witte puntje van de informele pagode boven de muur uitpiepen.
Een half uur later zat ik dolgelukkig in mijn auto richting Limburg met een broodje tankstation op de bijrijderstoel. Ik had veel geleerd in de afgelopen 12 uur. Lang leve de kleine verborgen poortjes die leiden naar de andere kant van het verstand! 

Ome Juan doet Ernest Hemingway

(Uit het Boek van Blas)
Het was een normale stille zondag in het dorp. Tot dat Ome Juan met zijn grote Amerikaanse bak verscheen. De dorpelingen keken vol ontzag toe hoe hij sporen van de dure bordeauxrode lak van de lange slee achterliet op de zojuist witgekalkte muren. ‘De straten zijn te smal!’ Riep Ome Juan zwetend, terwijl hij de volgende bocht doorschraapte en zijn grote voorhoofd depte met een hagelwitte zakdoek. Catalina van de postbode sloeg weer een kruis toen Ome Juan met zijn zakdoek naar haar wuifde op het plein. Ze dacht nog steeds de herrijzenis van Hemingway te zien, zodra Juan met zijn dikke witte baard in het dorpje verscheen. Niet dat men hier in het dorp boeken van Hemingway las, maar omdat de schrijver veel zomertijd had doorgebracht in het nabijgelegen Ronda in de jaren veertig, had zij hem persoonlijk meerdere malen mogen ontmoeten. Ome Juan vond het mooi dat sommige ouderen in Ronda en omstreken zich omdraaiden als hij ergens verscheen. ‘Jammer dat ik niet zo kan schrijven als Ernest.’ Grapte hij en besloot twee minuten later dat hij een boek ging schrijven over zijn avonturen in de internationale vleeslobby en kunst-nevenhandel.
Niet alleen de straatjes en zandpaden, maar de wereld in z’n geheel was eigenlijk te klein voor Ome Juan.  Dat had hij zelf nog niet in de gaten. Hij was nog in hoge staat van verwondering over het feit dat de wereld zich nog steeds niet had weten aan te passen aan het volume van zijn geest, zijn stem en zijn geliefde Amerikaanse auto’s.
Binnen een uur was het feest. Want zo ging dat als Ome Juan eens per jaar op bezoek kwam. Het feest werd uit de tijd geslagen, alsof we iets in te halen hadden. Dikke lappen vlees lagen te sudderen in mijn pannen die hier normaliter alleen maar groenvoer zagen.  De wijn leek te verdampen met de snelheid van aceton in warme lucht, zodra Ome Jan ging zitten. Dronken werd hij niet van de wijn, maar van het samenzijn met mensen. Na twee flessen hield hij oprecht meer van iedereen die aan zijn lippen hing. Het erf vulde zich met zijn sterke verhalen en af en toe een bescheiden lachsalvo. Want om uitgebreid te bulderen, of te vragen of het waar was wat hij vertelde, daar gaf Ome Juan niemand de tijd voor, want er waren nog zoveel verhalen te vertellen.
Veel van zijn verhalen grensden aan het ongeloofwaardige. Maar zijn overtuigingskracht en verteltalent, de humor en ironie waarmee hij zijn soms vreselijke avonturen kon omschrijven, maakt het waarheidsgehalte van ondergeschikt belang. Zijn wereldreizen als handelaar in vooral vlees en soms wat kunst, deden elke Ludlum-thriller uit mijn vaders kast verbleken tot een flodderroman.
Met uitgeputte oren bleven we achter. De stilte was altijd immens na zo’n feestelijk bezoekje van Ome Juan. En we wogen daarna nog dagenlang de vermoedelijke onwaarheden of kromme wendingen van zijn avonturen. Altijd weer kwamen we tot de conclusie dat Ome Juan een gevaarlijk type was, vol harde en halve waarheden en een leven dat risicovoller was dan we ons konden voorstellen. Toch had hij een gouden hart. En de in Andalusië zeer gewaardeerde gave om met een paar flessen wijn en een sterk verhaal een feest te doen opvlammen uit het niets.
Enkele uren later hobbelde hij met zijn gekraste Amerikaan weer het zandpad op. Ons aandringen een kamer in het dorp te nemen vanwege de liters wijn die hij had laten verdampen, lachte Ome Juan bulderend weg: ‘’Ik heb vier rijbewijzen uit drie landen, dus dat komt wel goed.‘’ Tot kilometers ver hoorden we de bramentakken piepen en krassen tegen zijn autoflanken. Op weg naar zijn nieuwe vlees- of kunstavontuur en feesten met halve beroemdheden in zijn loft bij Marbella. We dachten, vanuit het perspectief van de arme boeren en hippies die we met z’n allen waren ten opzichte van de exorbitante Ome Juan, dat hij regelrecht het soepele leven van een corrupte rijkaard inreed, om over een paar maanden weer terug te komen met verse sterke verhalen. Alleen Alfredo de burgemeester dacht daar anders over: ‘’Die opknapbeurt aan die auto kost meer dan de gemiddelde finca hier in dit dorp.’’ Zei hij misprijzend. Als liefhebber en verzamelaar van oldtimers kon hij het weten.
Hoe je het ook wende of keerde, iedereen was op z’n eigen manier onder de indruk van Ome Juan. De een vanwege zijn verhalen, de ander vanwege zijn gelijkenis met Hemingway of zijn rijkdom en een enkeling voor zijn gulle hart.
Pas jaren later ontdekte ik de werkelijke aantrekkingskracht van onze stille vallei op Ome Juan. Uit zijn verhalen bleek steeds vaker dat hij niemand vertrouwde en dus nooit zijn verhalen kwijt kon tot in de echte smeuïge details. Hij zoog zich vol met onze simpele aandacht onder het mom dat hij het ‘geweldig knap’ vond hoe wij hier vrijwillig ‘op een houtje beten’. Zijn wantrouwen en drankdriften groeiden mettertijd als een dikke olievlek gedurende zijn verblijf in het mondaine, oppervlakkige en zuigende Marbella en het  besmette uiteindelijk ook onze relatie zodra wij op uitnodiging enkele malen in zijn territorium verbleven. Hoe meer aandacht hij kreeg, hoe meer hij overtuigd raakte dat iedereen tegen hem was, of iets van hem wilde. Hij leek niet in de gaten te hebben dat hij alle aandacht zelf genereerde, door meer feesten te geven dan Xaviera Hollander in die dagen. Ome Juan bleek nog een andere overeenkomst te hebben met Hemingway: Hij raakte verstrikt in zijn eigen verhalen en verslaafd aan een suïcidale levensstijl vol vrouwen, drank, medicijnen en culinaire cholesterol. Van een Bourgondische levensgenieter, werd hij een onvoorspelbaar feestbeest dat alles deed wat zijn artsen hem verboden hadden.
In 2010, na jaren van radiostilte, viel mijn oog op een klein berichtje in de krant. ‘Nederlander vermoord in Paraguay’ Het was Ome Juan. Dood aangetroffen in zijn appartement in Paraguay, waar hij de laatste jaren van zijn leven rentenierde. Op zijn bank met op tafel een lege wijnfles. Waarschijnlijk heeft hij eerst wijn gedronken en verhalen verteld aan zijn moordenaars.
Met terugwerkende kracht geloofde ik alle sterke verhalen toch. Hij had in al die verhalen zijn eigen moord voorspeld. Catalina van de postbode had inmiddels uitgerekend dat Ome Juan niet de reïncarnatie kon zijn van Ernest Hemingway. Maar toch. De parallellen waren achteraf ongelooflijk. Als hij had kunnen schrijven zoals hij geleefd had, was hij zeker net zo’n bestseller geworden dan ‘For whom the bell tolls’  Het verhaal waarin Ernest Hemingway zijn aankomende zelfmoord verpakte, iedereen het las, maar niemand hem geloofde.

Sorrie Ome Juan. Rust zacht in de verhalenhemel. 

Ploegen

Blas vond het een beetje vreemd dat ik me druk maakte over letters en vellen (leeg) papier. De regentijd was in aantocht, de weg naar het dorp kreeg nieuwe lantaarnpalen en Pepa’s en Paco’s jongste zoon was afgelopen zondag dood neergevallen tijdens de jaarlijkse dominocompetitie in Balta’s bar. Ik vond dat laatste heel erg, maar zat desalniettemin met mijn schrijversego te zuchten aan de keukentafel. Horendol van te veel oploskoffie en jammerend met een te grote berg woorden in mijn kop en een stapel veel te leeg papier.
Een typisch geval van schrijversaanstellerijblock. Hele rambam voor niks geweest, ik had net zo goed in Venlo kunnen blijven, concludeerde ik. Daar schreef ik als vanzelf, ondanks gebrek aan uitzicht en vooruitzicht. (Zwelg. Zwelg.) Ik zette er een CD van Cohen bij op. Dat hielp (zwelg).
Hij liet me achter aan mijn keukenschrijfzwelgdis om maar weer op het land te gaan werken. ‘Niks mee aan te vangen, die vrouw.’ Mompelde hij bij het weggaan. Hij baalde dat ik zijn koffie al sinds een week weigerde te roeren, sinds mijn plotsklaps ingedaalde besef dat ik me in mijn ijver me aan te passen aan lokale gebruiken gedroeg als een vrouw van vooroorlogse makelij. Ik kon me zelfs niet meer voorstellen dat ik ooit naar hennarood neigend haar had gehad, op Loesje stemde en de opzij-agenda kocht.
Ik was het zat, de rugpijn van het plukken en irrigeren, het gesjouw met waterslangen, zwangere honden en al die levensvragen die niet meer de mijne leken. Ik wilde niet meer weten hoeveel energie er in accu’s van de zonnepanelen paste, hoeveel kuub water in de irrigatieput, hoeveel kiwi’s, kastanjes, olijven of geitenmest in mijn kofferbak, hoeveel tomaten in een liter tomato frito. –Zwelg- Waarom was ik ook alweer hier? Juist. Ik was hier gekomen om een boek schrijven. Een literair hoogstaand werk dat zin en reden zou geven aan dit gedoe hier in de modder. En mijn chronische verbazing over het feit hoe ik ook al weer hier terecht gekomen was, zou mijn grote inspiratiebron moeten zijn.
Ammehoela. Mijn inspiratie was gekrompen tot het formaat van een vochtige rugzakje dat nog ergens in de kelder rondslingerde. Hoe meer eelt ik op mijn handen kreeg van het schoffelen en hakken, hoe slapper mijn geestelijke prestaties leken. Ik voelde me een vochtig schoolschrift met ezelsoren, wiens lijntjes weigerden mijn overdreven zware woorden te dragen. Ik viel door de mand; uiteindelijk was ik blijkbaar meer boer en koffieroerend vrouwmens dan mijn intellect mij wilde doen geloven in Nederland.
O ja. De Natuur. Nog zo’n onuitputtelijke inspiratiebron. Jammer genoeg bleek ik niet de schrijvende Marjolein Bastin die ik hoopte te worden hier in het bos. Mijn interpretatie van natuur was sowieso een grote misfit met de natuur zoals die zich hier manifesteerde dezer dagen. Niks Timothei-momenten. Of: ‘Ik-zat-aan-de-beek-te-mediteren-en-toen-snapte-ik–het-allemaal-momentje. Verre van dat.  De natuur was in deze dagen een klam beest dat continu over me heen walste. Een moodswing van wolken, regen en soms wat zon. Ik moest nog wennen aan dat idee dat het hier meer Grizzly Adams bleek te zijn dan Timothei of Zwitserleven-gevoel.
Twee dagen later was alles weer goed; ik had een potje stevig gezwolgen en was net niet verdronken. De zon scheen weer aarzelend en de stormen leken overgewaaid. Paco junior was begraven en de lantaarnpalen stonden overeind. De dorpsoudjes waren zo blij met het extra straatlicht in de donkere avonduren, dat ze een extra avond-paseo inlasten tot aan lantaarnpaal nummer 10 op de hoofdweg. Iets dat in de koude winterperiode heel ongebruikelijk was. Ik vond dat zo’n mooi beeld dat ik er spontaan van begon te schrijven. Over het dorp dat licht kreeg. Ik roerde weer braaf Blas’ koffie.
Schrijven is net als boeren; je zaait je akker van wit papier vol opportunisme en dromen en soms mislukt er een oogst. Blas had daar een heel simpele oplossing voor: ‘Je moet veel minder diep ploegen, want anders haal je het leven uit de bodem!’ 

Bruno’s ark op wielen

Elke en Bruno dweepten niet met hun verleden, want ze hadden besloten alleen nog maar te leven in het NU. Hij was ooit een gevierd antropoloog en altsax-speler en zij psychiater, gespecialiseerd in erfelijke psychiatrische aandoeningen. Beiden kinderen van invloedrijke Duitse families. Hun prachtige kasteeltje in de bossen bij Koblenz prijkte in menig Duits inrichtingsblad, want beide hoogleraren hielden van mooie antiek en hadden een verzameling prachtige schilderkunst uit de jaren 50-70.

Bruno, die sinds zijn jonge jeugd worstelde met de foute politieke geaardheid van zijn vader, verzette zich op zijn 57e nog steeds tegen alles dat ook maar iets aan zijn vader deed denken. Zijn riante jazzmuziekverzameling bestond uit bijna louter zwarte jazzmusici en hijzelf veranderde in een figuurlijke neger als hij zijn sax speelde.
Elke was een mooie vrouw geweest; ze had de klassieke, pezige contouren van een Slavische balletdanseres en Bruno was haar grote fysieke tegenwicht: Een kolossaal, massief lichaam, lichte blauwe ogen en vierkante kaken wiens spieren altijd op en neer rolden alsof hij zich chronisch ergerde.

In 1987 werd Elke overspannen en drongen de dranklustige genen van haar Russische grootvader zich op, om nooit meer weg te gaan. Ze stopte met werken en sloeg serieus aan de drank. Geld was er nog voor drie generaties, oud geld, nieuw geld, landerijen en huizen. Dat brak Bruno’s hart. Beiden beseften dat ze een arm rijk leven hadden geleid dat niet het hunne was. Het enige waar ze nog echt van konden genieten was het samenzijn in de stille bossen, samen met hun honden en elkaar, de muziek en de drankroes die het verleden oploste in de mist van katers of aangeschoten roes.

In 1988 namen ze een rigoureus besluit: Ze verkochten hun kunst- en antiekcollectie, zetten hun kasteel en landerijen te koop en organiseerden 3 weekeinden lang een grote carbootsale in de tuin van het kasteeltje. Van de opbrengst kochten ze vier Unimog vrachtwagens en een paar legerjeeps en tenten. Met een oproepje in de krant trommelden ze binnen enkele weken een klein leger aan jonge, avontuurlijke convooi-rijders op en vertrokken met de noorderzon.

Hun echte leven, hun lang gekoesterde droom ging beginnen: Een reis door de wereld met hun eigen konvooi. Bruno’s Ark op wielen.

Elke: ‘’Ik herinner me de eerste paar weken als een mooie droom; jonge mensen met veel energie, kampvuren en gitaren, de vastberadenheid die we voelden bij elke kilometer die ons verder weg bracht van Duitsland. We waren licht, bevrijd, alsof we de verloren tijd eindelijk mochten inhalen en alles dat zwaar woog achter ons hadden gelaten.’’

In de woestijn van Marokko ontstond er onenigheid in de groep, over de route. Het was te onrustig in Algerije om door te reizen, maar een boottocht of alternatieve route zou het grote reisplan van Bruno in de war schoppen. Bruno en Elke wilden rechtdoor. Ze waren onbevreesd als kinderen en in de waan dat geen oorlog hen kon raken in hun gepantserde Unimog vol dromen en jazz. Na een felle discussie brak de groep uiteen. De deelnemers en een zestal auto’s verdwenen in de nacht, met medeneming van de water- en voedselvoorraad en een van Elkes geliefde herdershonden.

De lichtvoetige vrijheid waarmee de missie was doordrenkt, was in één klap verdwenen.

De drankvoorraad van Elke was op de heenweg al ter hoogte van Zuid Frankrijk er doorheen gejaagd en haar verlangen naar een borrel dreef het echtpaar terug naar Zuid Spanje. Daar, vlak bij de plek waar ze hun laatste moment van energie, gitaren en kampvuren hadden meegemaakt, nestelden ze zich in een oude vervallen boerderij aan de rand van een klein dorp in de Serrania de Ronda. Twee Duitse vogels met gebroken vleugels, een Unimog vol zwarte jazz en drie honden. Ze verruilden hun droom van reizen in voor de gelofte van armoede en de wind in hun haren voor de bedompte duisternis van een koud, donker huisje onder de Andalusische zon.

Alsof ze niet alleen de rijkdom, maar ook het daglicht hadden afgezworen.

De Unimog staat sindsdien op de finca van Paco en Lola, aan de ingang van het dorp. Overwoekerd door bramen en jasmijn en vol kippenstront. Bijna verdwenen in het landschap als een oud, vergeten oorlogsmonument. Elke en Bruno verdwenen ook; ze werden kluizenaar en de dorpelingen vonden dat prima. Ze waren niet de enige vreemde vogels in het dorp en bovendien waren kluizenaren een welkome bron van speculatie- en intrigevermaak in de sfeer van ‘wel de lusten, maar niet de lasten.’

Eens per drie weken bezocht ik Elke en Bruno om wat boodschappen uit de grote stad en fruit van onze boerderij te droppen. We dronken oploskoffie met goedkope cognac en ik mocht op Bruno’s schapenvachtje zitten, in de enige comfortabele stoel die het keukentje rijk was. Elke lag meestal, als een stoffige oude prinses uit een middeleeuws schilderij, op het grote bed vol kussens. Ze dronk haar cognac zonder koffie, maar wel in een koffiekopje. We rookten zwarte tabak zonder filter.

Alles was bitter in het donkere keukentje; de koffie, de sigaretten, Bruno’s toon.

In stilte luisterden we muziek uit de gigantische muur van cassettebandjes. Albert Ammons, Django Reinhardt, naar John Cage en Sun Ra. Bruno rolde zijn kaakspieren op het ritme van de muziek en Elke aaide afwezig de honden aan haar voeten.

Ik hield het nooit langer dan twee uur vol bij Elke en Bruno. De teleurstelling over hun eigen bestaan trok in mijn ziel, als sigarenrook in een wollen trui. En ik kreeg koppijn van vrije jazz en het gebrek aan daglicht.

Elke en Bruno zijn inmiddels dood. Hun laatste jaren hebben ze geleefd in een grotwoning bij Granada, vlak bij het ziekenhuis waar Elke werd opgenomen met ernstig lever-falen. Ik vermoed dat ze beiden uiteindelijk zijn gestorven aan teleurstelling. Bezweken onder de zwaarte van hun nooit verworven vrijheid.

Alleen in de werkelijkheid te leven – wie van ons hield dat op den duur uit? Otto Weiss

Smaakbeleving van duizend doden en jamón

Het zoete zomerstof van tijm, fijne klei en misschien nog net een glimpje zilte, verdwaalde zeelucht. Mmm. Als ik niet op een slingerend zandweggetje langs ravijnen zou rijden, zou ik mijn ogen dichtdoen. Herinneringen struikelen over elkaar in mijn hoofd en vallen weer als fijn stof uiteen.

We zijn met camera en geluidshengel onderweg naar de finca van Berend Vroom, de hoofdpersoon in mijn documentaire ‘vleeswording’. De plek waar we een half jaar geleden twee varkens slachtten tijdens de matanza en wiens hammen we vanmiddag gaan afhalen uit het drooghuis in Yegen.

Ik sterf van de hoogtevrees, maar wil niets laten merken aan mijn reiscompagnon die 13 jaar jonger is. Dus ik rijd, uit mijn nek zwetsend en zwetend, moedig door. Het kleine huurautootje geeft bij elke trilimeter beweging bergopwaarts een zwiep alsof het steigeren wil. Het zweet gutst me na 2 kilometer in straaltjes over de rug. Hoogtevrees geeft dwanggedachten en ik dwankdenk steeds als ik in het ravijn kijk dat ik zwetsend zal sterven, in mijn harnas dus.

Ik begrijp nog steeds achteraf niet hoe ik het zonder al te veel zenuwinstortingen overleefd heb, al die jaren in de Serrania met derdehands auto’s door de bergen. Ik was een vlakkelander met hoogtevrees, verslingerd aan de bergen. Maar eenmaal verhuisd naar de kust, jaren later in Cadiz, keek ik uit het raam en zag ik de donkerblauwe stormen opzwellen in de massa van al dat machtige, diepe Atlantische water. Ook daar stierf ik ook duizend doden, want mijn dieptevrees voor het almachtige blauw bleek minstens zo erg als mijn hoogtevrees. Ik kan niet zwemmen. Ik ben eigenijk een bang avontuurlijk mens. 

De bergen maken dus van alles in me los. Maar gelukkig niet alleen trauma’s. De bergen vervullen me ook met de opwinding van een klein Venloos kind dat eens per jaar de Noordzee rook, voordat het met pa en ma en de koeltassen en parasol en windscherm over de duinen was geklommen. Die klim werd altijd op nieuw beloond; net zoals elke klim door de bergen voortdurend beloond wordt door nieuwe uitzichten en vertes.

Vier bochten verder was ik zoveel doden gestorven van alle dwangmatige visioenen over neerstortende kleine rode huurautootjes, dat ik me niet meer het opgewonden kind voelde, maar pa en ma, die zich helemaal de tering had gesjouwd met het ellendige strandmeubilair en eten voor een heel gezin, na 4 uur met een hete auto vol jengelend grut in de file te hebben gestaan vanaf Limburg.

Als ik op het punt sta om mijn reisgenoot huilend te verklappen dat ik eigenlijk niet durf te rijden, staat daar opeens – in het stoffige middagzonlicht langs de kant van de weg, een lachende Berend Vroom. Hij heeft een bosje tijm in zijn hand en draagt bretels met rode hondenpootjes. Binnen twee seconden glijdt alles van me af. We zijn gearriveerd. Het was het zweet waard.

Twee uur later zitten we weer in een auto en rijden dezelfde weg terug. Ik ben helemaal niet bang. Berend rijdt en hij kent elk ravijn en elke bocht op zijn duimpje. Camera loopt. We gaan hammen halen in het dorpje Yegen. De lekkerste ham die ik ooit zal proeven. En die gezouten en gerijpt is in deze mooie zilte bries met de geur van kruiden en een vleugje zee. In Yegen lopen we door de gedroogde hammen hemel en door het straatje waar Gerald Brenan ‘South of Granada’ schreef en Virginia Woolf bij hem op visite kwam. En samen aten ze ham natuurlijk.

Dat komt natuurlijk allemaal niet in die film. Maar toch.. over smaakbeleving gesproken. Duizend doden heb ik gestorven om een stukje ham op mijn tong te kunnen leggen. Als dat niet romantisch is, dan weet ik het ook niet meer.

Naakte gasten

In de bevestigingsmail hadden mijn nieuwe gasten-vrijwilligers niets gemeld over hun nudistische levensstijl. Bloot was niet zo het gebruik in ons dorp waar de helft van de vrouwen, soms al vanaf hun jonge jaren in drie lagen zwart en steunkousen rondliep hartje zomer. J en M arriveerden en beleefden een onvergetelijk nudistisch avontuur op onze boerderij.

Nietsvermoedend stond ik in mijn moestuin te rommelen, toen er een kreet door de vallei klonk. Het eerst dacht ik aan een eng insekt; giller nummer 1 onder de gasten die nog niet helemaal voorbereid bleken op het fenomeen natuur. Nog een gil. Het klonk verontrustender dan een insekt. Het klonk als Blas, die normaal nooit gilde.

Op het erf trof ik Blas aan met zijn muildier, druk zwaaiend met zijn armen en roepend om de Heilige Moeder Maria. Tegenover hem een poedelnaakt echtpaar dat verwoedde pogingen deed om Blas weg te jagen, alsof hij een ongewenste zwerfhond was. ‘Ksssst.’ Zei de vrouw, wier borsten bij elke armbeweging forse zwaaien maakten. ‘Ssssst, por Dios y el Santo Christo’. Ik voelde een onbeheerselijke lachstuipaanval opkomen en had geen flauw idee hoe ik hier moest bemiddelen.

‘Je had gezegd dat we hier privacy hebben, krijgen we binnen een uur een ouwe gluurder op ons dak.’ De vrouw was laaiend en leek zich totaal niet bewust te zijn dat haar laaiendheid zich vooral manifesteerde in haar trillende kalkoen-filets aan haar bovenarmen, golvende buik en zwaaiende borsten. Ik werd er enigszins ongemakkelijk van en begon me langzaam af te vragen waarom ik zo vreselijk beleefd bleef. De man, duidelijk niet de broek aan, stond als een te plomp uitgevallen Romeins Olympia-beeld met zijn kleine klokkenspel in de zon te kijken naar zijn vrouw, die maar doorraasde over privacy, vieze oude mannen, rare boeren. Wat een looser, dacht ik. Om hier een beetje in een bos te gaan staan met je blote piemel en dan je vrouw laten verkondigen dat boeren met kleren aan perverts zijn. In gedachten wenste ik haar een horzel toe en hem een verschroeid klokkenspel.

Haar naakt zijn was geen ‘natuurlijke state of mind’ zoals ze zelf graag wenste te geloven, maar een oeverloze brei van woorden uit damesbladen en ontdek-je-eigen-plekje-workshops. ‘Vrijheid, eenzijn met de natuur, oerverbindingen, geen sexuele betekenis hoeven toekennen aan naakt zijn, jezelf durven laten zien aan moeder natuur, etc, etc.

(Ik werd misselijk en wist niet of het door de zon of de woorden kwam.)

Ze zouden twee weken blijven en de natuur van el Alto del Genal zou zich hoogstwaarschijnlijk niet aanpassen aan de naturalistische eisen van deze gasten. Ik vroeg me benauwd af of ze morgen ook naakt gingen helpen op het land, ze waren immers als vrijwilliger hier te gast en er moest noeste arbeid op de helling verricht worden. De moed zakte me in de schoenen als ik dacht aan de komende lange weken die voor me lagen.

Gelukkig deed moeder natuur haar werk, zoals altijd grondig. Slechts twee dagen na aankomst werd de vrouw onwel na een braadsessie op het heetst van de dag en dezelfde avond trapte haar kleine Adonis met zijn naakte kloten in een nest vol gemeen stekende beestjes, die ik niet in mijn insectenencyclopedie kon terugvinden. Voor zonsondergang had ik een hotel voor ze geboekt met airco, in de stad.

De volgende ochtend kwam Blas voorzichtig kijken. ‘Zijn ze weg?’ Ik vertelde wat er voorgevallen was en toen we uitgelachen waren vroeg hij waarom er mensen waren die hier naakt zouden willen rondlopen. Ik probeerde de kern van naturisme uit te leggen en beschreef de campings die we er in Nederland en Duitsland voor hadden gemaakt. Blas sloeg zich op de knieën van het lachen en wees op zijn vier lagen warme kleding die hij ook bij 40 C droeg. Met zijn afgetrapte laarzen duwde hij tegen een bergje stenen aan zijn voeten en meteen kropen er een paar fikse duizendpoten alle kanten op. ‘Als je naakt gaat hier, dan ga je dood. En dat moeten we niet hebben, dooie buitenlanders. Krijg je gezeik mee.’

En zo was dat. We gingen koffie drinken en aan het werk. Alles was weer normaal.