De drie gradaties van gekte

In onze dorpstaal, die zo oud was dat je de Vandalen, Feniciërs en Moren er nog in kunt horen doorklinken, bestaan drie gradaties van waanzin. Je bent nerveus, gek, of verloren.

’Es un poco nervioso’’, zei men over iedereen die een beetje, tot ernstig chronisch gespannen of overspannen was. Variërend van wat tandenknarsen op te veel cola, tot bijvoorbeeld iemand als Pepe de Razende die soms spontaan een paar tafels en lampen in diggelen sloeg als hij verloor met dominospelen en dan naar zijn moeder ging om daar een snuif coke te nemen om vervolgens met zijn Jeep net niet in een ravijn te rijden en in het buurdorp voorgaande tafereel te herhalen. Of Juan de Trieste, waarvan ik overigens nooit begreep waarom ze hem niet Juan de Nerveuze noemden, die zijn jachtgeweer ging halen als iemand iets over zijn knappe dochter zei, of het woord Franco in de mond nam. ‘’Juan is nerveus. Hij koelt wel af.’’ Niemand werd nog warm of koud van een beetje spanning onder de TL-balken, of een schuimbekkende buurman met een rokende karabijn.

De tweede categorie was: ‘’loco’’. Ofwel gewoon ronduit gek. De dorpelingen die gek waren, zagen er ook gek uit, of deden op z’n minst heel vreemde dingen waardoor ze erg opvielen in het toch al uitgedunde roedel. Had je er bijvoorbeeld een krom been bij, dan werd je mank en gek genoemd. Wel heel duidelijk allemaal. Wie afweek wist meteen zijn plek.

Onder loco viel bijvoorbeeld Paquito die door de weeks een gewone boer was in de gebruikelijke ton-sur-ton van bruin op grijs of een smoezelige blauwe overall. In de weekenden en tijdens de dorpsfeesten droeg hij hakjes, een grote Engelse strohoed met bloemen en soms een jurk met stroken, maar meestal een broekpak. Als boer nam hij volledig deel aan het sociale verkeer. Niet dat dat veel meer inhield dan af en toe wat gebrom over het weer op de zandweg, maar hij deed wat alle mannen deden; boer zijn overdag en ’s avonds bier drinken en TV kijken in de kroeg. Als hij half vrouw was, zoals Pepa van de bakker hem noemde, dan was hij alleen. Niemand praatte dan met hem, de tien kinderen die het dorp nog rijk was, jouwden hem na. De minder expliciete dorpsgekken bestonden uit een dove, een vrouw met smetvrees, een Engelse alleenstaande kunstenares op leeftijd en een handjevol verstrooide kluizenaars die zich door de eeuwen heen altijd in en rond dit gehucht wisten te nestelen. Ook ikzelf bungelde aan de tweede dorpsladder van de gekte. 

De verlorenen waren de meest eenzamen. Perdido. Als men dat over iemand zei dan was het foute boel. Want eenmaal verloren, deed niemand meer de moeite om nog echt naar ze te kijken, of een gesprek met ze aan te gaan. Perdido zijn stond gelijk met verdwijnen. Exclusie was een heel normaal verschijnsel, want gekte bracht ongeluk, wie omging met gekken, werd besmet. Wel waren de gekken en verlorenen (de nerveuzen niet, die waren vreemd genoeg heel populair in het dorp) bron voor vele, vaak spannende of zelfs gruwelijke dorpsverhalen. Incidentjes en insinuaties werden tot mythische proporties uitvergroot en in smeuïge verhalen doorgegeven. Zo kon het zomaar gebeuren dat iemand door de generaties heen van een doodgewone gek, of verlorene, kon groeien tot een heilige of held.

In dit dorp huisden meer gekken dan elders, zo vertelde men mij steevast in de buurdorpen. De een dacht dat het door de hoge wind kwam, de ander het lot. Ik denk dat het de doodlopende weg was die naar het dorp leidt en die eindigt op die grote rots met 200 nazaten van de Vandalen, Feniciërs, Moren en Franco-soldaten. Een oeroud levend monument van exclusie en angst. Ofwel de grote boze wereld in een notendop. 

Een nieuw begin

In memoriam: Blas

Voor Jacques L, Lies W, Francisco C en Jacques G.

Dat haarspeldbochten en contouren van bergen zich nestelen in een geheugen, wist ik niet. Misschien omdat ik in mijn leven net een paar haarspeldbochten te veel nam, of misschien heb ik gewoon een heel selectief geheugen. Precies zoals in mijn herinneringen, na de bocht met de overhangende rotsblok, manifesteerde het dorp zich als in een beginscene van een dramatische film; een stille klont witte huisjes, tegen de grillige contouren van El Riesgo en met de glooiende groene heuvels van de Genal-vallei aan haar voeten. Niets kan zo dramatisch en mooi zijn als een landschap zonder mensen.

Juamo was de eerste die mij had zien rijden. Zijn beperkte verstandelijke vermogens, dito woordenschat en bijziendheid maakte dat zijn woorden dubbel zo hard binnenkwamen. ‘’Ik zag twee kleine glimmende oogjes en zei: daar is Tanja.’’ Een groter compliment en opluchting, een meer complete bevestiging van dat ik nog leef, zaten in die woorden. Ik glim nog en dat was alles wat ik vandaag weten wilde. En Juamo had dat gezien en bewaard in zijn mooie geheugen.

Gezien worden in een gehucht dat zo stil is dat zelfs de kakkerlakken op hakjes leken te lopen, was niet zo moeilijk. Maar dat iemand mij in zijn geheugen, tussen de haarspeldbochten van de weg naar het dorp, had bewaard als twee glimmende oogjes, stelde me gerust. Ik had niet ongezien hier een halve droom gebouwd en weer afgebroken, in stilte geleefd, in afzondering op een paar vierkante kilometer met mensen die mij niet kenden en nooit zouden leren kennen. De jaren na mijn vertrek waren voorbijgevlogen, mijn jaren hier waren destijds voorbij getikt in langere seconden, tragere dagen, in uitgerekte seizoenen, brandende zonnen en af en toe een storm. Mijn tijd hier voelde niet als jaren, maar als een groots fragment, een overhangende rots op mijn tijdspad.

In de Estanco was het stil. ‘’Goed volk’’ riep ik richting achterkamer. Juan en Carmen waren blij me te zien en trokken blikjes cola uit de ijskast. We maakten grappen over ons ouder worden. Zij kregen met de jaren de kilo’s cadeau, ik de rimpels. Binnen tien minuten wist ik wie er allemaal dood was en waaraan overleden. Iedereen die ik kende ongeveer. De postbode, de bakker en zijn vrouw, hun zonen, de loodgieter, mijn buurman, zijn broers en neven.

Eén naam werd niet genoemd en ik stelde mijn brandende vraag uit. Ik wilde nog even het idee-fixe vasthouden dat hij nog leefde, al was het tegen beter weten en logica in.

‘’En Blas?’’.

Er viel een korte stilte. Carmen wendde haar blik even af. Ze had de vriendschap tussen Blas en mij altijd onbegrijpelijk en ongemakkelijk gevonden. Vriendschappen tussen oude mannen en jonge vrouwen, waren nog steeds ongebruikelijk hier. ‘’Ook dood’’. Ze voelde dat het gevoelig lag en trok met veel lawaai een paar lades van haar toonbank open en ging over op en droogte van de afgelopen jaren en de lente die al veel te vroeg kwam dit jaar.

Blas, mijn muze. Drie jaar geleden overleden. Van hem leerde ik hoe je een stok kunt snijden, hoe je een vuur maakt dat langer brandt, hoe je vijgen plukt zonder ze te krassen, hoe je een amandelboom moet enten, een dier doden, een slang kan zien naderen, of een klootzak uit het dorp, hoe je in het vuur kan staren, het water in de beek kan laten zingen, hoe je een boom na kunt doen, paddenstoelen vinden, mest kan maken van vleermuizenpoep en vals zingen in de ochtenddauw. Van Blas leerde ik hoe je alleen kunt zijn en hoe je langzaam bergop kunt lopen en toch niet moe wordt.

In de brandende lentezon liepen we het twee kilometer lange pad af naar mijn oude boerderij. Waar het geluid van water hoorbaar werd, zag ik de kleine groene oase met het witte huisje en bijgebouwtjes opdoemen tussen het groen langs de beek. Twee mannen, vader en zoon, staken tegelijk hun arm omhoog, zodra ze ons zagen. Enigszins aarzelend liep ik het terrein op. Struikelend over herinneringen liep ik richting het huis. Het graf van mijn honden Kika en Mosje. De agaven die ik tegen de rotswanden plantte, de stenen stapelmuurtjes langs de kruidentuin. De kuil in de weg die na elke regenbui moest worden opgevuld met stenen. Elke steen had ik in mijn handen gehad en losgelaten. De planten waren imposant gegroeid; de tijd had alles nog mooier gemaakt dan in mijn herinneringen.

De vader begroette me met twee amicale zoenen alsof we oude vrienden waren. ‘’Pedro. Jij moet Tanja zijn’’, zei hij glunderend, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik hier na 13 jaar tijdens de siësta op een doordeweekse dinsdag zou aanwippen. ‘’Neem je tijd, kijk rond. Mijn huis is jouw huis. Je kent de weg.’’ Hij beende naar binnen en twintig seconden later stond ik met een glas rode wijn in mijn hand op het erf; ‘’Van jouw druiven – de lekkerste wijn ooit.’’ We proostten op het leven en op Blas en het voorrecht om in een verborgen paradijsje te kunnen zijn. We lachten onze tranen weg, wisselden hugs en telefoonnummers uit en gingen samen op de foto. Het was een gelukkig afscheid. Een einde en nieuw begin.

Er viel een rotsblok van tijd van mijn schouders af.

Drie mannen op een rotsblok

hemingway

De dood was alom aanwezig in het dorp. Het begon al bij de ingang. Cartajima is het enige Moorse gehuchtje op de befaamde witte dorpen-route, dat niet alleen aan het einde van een doodlopende weg ligt, maar ook is het allereerste bouwwerk dat je ziet bij het betreden van het dorp een volgebouwd kerkhofje op een kleine heuvel. De doden en bijna doden verwelkomen u, grapte ik toen ik voor het eerst het dorp inreed en tegenover het kerkhofje drie stokoude boeren met open mond zag zitten op een rotsblok. Dat ik er maanden later zou wonen, zou ik op dat moment nooit bedacht kunnen hebben. En dat een van die stokoude, tandeloze boeren mijn trouwste dorpsvriend en later ook blogmuze zou worden, lag ook niet in de lijn van mijn levensplannen.

De gemiddelde leeftijd in het dorpje was zo hoog, dat er in sommige seizoenen wel vier of vijf begrafenissen achter elkaar waren. Meestal was de hitteperiode de tijd waarin de oudsten omvielen en af en toe een ravijnval van boeren die dronken over de gevaarlijke bergweggetjes slingerden van dorpsfeest naar dorpsfeest. Door de steile straatjes en vele trappen, drempels en andere Moorse obstakels in het dorp dat nu eenmaal gebouwd was in de eeuwen voor de uitvinding van de rolstoel en het looprek, was een aanzienlijk deel van de ouderen in de loop van hun oude dag onzichtbaar geworden, want ze konden niet hun huizen uit. Aan oud worden hier was weinig heroïsch. Wie niet depressief werd van het binnenzitten en toch drager was van de oergezonde genen van voorouders die ook al heel oud konden worden zonder beweging of sociaal leven, of met een werkbochel, had pech en bracht zijn laatste jaren door in een kleine kamer met dikke muren. Misschien wel de ergste dood voor een buitenmens met een taai lichaam: de langzame binnendood.

De dood bracht ook wel drukte en leven, leerde ik later. Hectiek en herrie die de normaliter lethargische stilte doorbrak met lawaaierige en kinderrijke familie van verre, ronkende auto’s en een rinkelende kassa voor iedereen die in Gibraltar taxfree drank en tabak had ingeslagen. Baltazar van de bar en de familie Estanco glommen dan nog wekenlang na, zelfs als het hun eigen familie was die hun schrale winteromzet rechttrokken. Wie nog niet zelf dood was, leefde eigenlijk best op van een begrafenis.

Er waren momenten waarop ik mij als relatief nuchtere buitenstaander en van begrafenisrituelen geen kaas gegeten hebbende Nederlander, vaak afvroeg waarom het allemaal zo luidruchtig en gehaast moest, zo’n begrafenis. Hier in het zuiden gaat immers alles traag, behalve begrafenissen dus. Het lichaam moet in de zomermaanden binnen 24 uur en in de winter binnen 48 uur begraven of gecremeerd zijn. Dat de Spanjaarden in staat zijn om elke uitvaart tot in de puntjes verzorgd en weten te organiseren vanuit een simpel en afgelegen berggehucht, verbaast me steeds weer. Want het is nogal een klus als de helft van je familie in Frankrijk, Duitsland Barcelona en Madrid woont. En toch lukt het altijd weer. Niet iedereen haalt het op tijd, maar wie later aansluit door vertragingen of logistieke perikelen, wordt als een uitgelopen marathonloper met dezelfde liefde en feestelijkheid ontvangen in de na-uren van de begrafenis. Tijdens een begrafenis lijkt de tijd zich te rekken. De wake, een intens laatste moment waarin moeders, dochters, kleinkinderen, buren, nichten urenlang rond de baar zitten, rozenkransen biddend, in zwijgen of zacht jammeren gehuld. En dan de mis, de vele bloemen, de prachtige kist, de enorme hoeveelheden eten, de mooie kleren voor de kleinkinderen. Voor alles is ruimte, ondanks de strakke deadline van het event.

De voettocht naar de dorpsbegraafplaats en het dragen van de kist is een zware mannenaangelegenheid door de krappe, hellende dorpsstraten. Niemand staat langs de kant, want iedereen loopt mee. Behalve dan de oudjes die niet meer hun huizen uitkomen natuurlijk. De luiken van de huizen zijn gesloten. Soms is de sliert mensen langer dan de straatjes van het dorp zijn en slingert de in zwart gehulde, schuifelende optocht als een trage adder door de witte straatjes, om zichzelf bij het centrale plein weer in eigen staart te bijten.

’s Avonds vloeit er bier en wijn. Er worden herinneringen opgehaald alsof we al op de volgende reünie van de overledene zijn beland. Zo snel als men hier iemand ter aarde kan bestellen, zo snel maakt men hier herinneringen tot verhalen.

Binnen 72 uur is het dorp weer stil, het pleintje, de straten en het dorpskroegje schoongeboend, alsof er nooit iets gebeurd is. Behalve bij de ingang van het dorp, waar nog maar twee stokoude, tadeloze boeren op de grote rots zitten, tegenover het kerkhofje. Herinneringen ophalende aan hun rots-maat, die verhuisd is naar de overkant.

 

 

Een duimpje voor Narcissus

narcissus

Paco was meester in het opscheppen over zichzelf. In het dorp was iedereen er al lang aan gewend. Behalve dat hij in het verre Madrid gestudeerd had, decennialang voor de klas had gestaan van de dorpsschool en zichzelf daardoor als enige intellectueel van het dorp beschouwde, was hij ook fervent aquarellist, schrijver en speelde hij een redelijk partijtje flamencogitaar, kerkorgel en als het moest ook synthesizer – gevraagd en ongevraagd. Een van Paco’s stokpaardjes was dat hij Rainer Maria Rilke had ontmoet in Ronda, tijdens een wandeling in het Alameda; een moment waarop hij als jonge jongen besloot om ook een groot schrijver te worden.

Druk baasje, die kortbenige Paco en het was dan ook onvoorstelbaar dat je hem elke dag in de dorpskroeg aan de tap zag hangen, orerend tegen een stel ongeïnteresseerde dorpelingen die met een oog naar de stierengevechten op TV keken. Paco’s vrouw Maria was een bedeesde en altijd bezorgd kijkende vrouw die meestal in een huishoudschort rondliep en zich zelden in het openbaar vertoonde naast haar altijd lawaaierige echtgenoot sinds 1962. Toonbeeld van vlijt en verzorging, een vrouw met een groot talent voor het onzichtbaar bewegen in de grote schaduw van de kleine Paco. De dorpelingen waren er aan gewend; Maria was nu eenmaal schuchter en Paco maakte lawaai. Volgens Encarni waren Paco’s veel te korte beentjes reden voor zijn lawaaierige hoofd. Compensatiegedrag bij het ontbreken van lengte, was een bekend fenomeen in deze contreien, waar de mens nog geboren neigde te worden in middeleeuwse Moorse formaten, gedrongen borstkassen, korte nekken en dito benen. Encarni zou een geniale socioloog en antropoloog zijn, misschien wel een schrijver – als ze geen analfabeet zou zijn geweest – want ze toverde altijd geweldig geloofwaardige analyses tevoorschijn in gesprekken bij de bakker. Maar Paco was de kwaadste niet, volgens de meeste vrouwen. Voor hetzelfde geld, zei zijn buurvrouw Rosa, sloeg je man je elke avond bont en blauw – dan kon je maar beter met iemand als Paco getrouwd zijn, altijd druk (en vaak weg); een voornaam burger met voorname vrienden onder de intellectuelen en artistiekelingen in de hele streek.

Paco had zelfs twee boeken geschreven, gedrukt door zijn schoonbroer, die in de stad de familiedrukkerij runde. Het plaatselijke VVV-kantoortje had zich onder druk van de drammerige Paco een stapeltje boeken op de toonbank laten duwen en ik had in een moment van nieuwsgierigheid een exemplaar gekocht. Volgens het meisje van de VVV het eerste verkochte exemplaar sinds twee maanden. Het boek, waarop de cover een foto van de bolbuikige Paco in een strak wielrenpakje tegen de achtergrond van ons witte Moorse dorp en de grijze kliffen van El Riesgo, bleek een slaapverwekkende uiteenzetting van oninteressante observaties, gelardeerd door nog minder boeiende foto’s van steeds dezelfde Paco in steeds een ander landschap, steeds vanuit hetzelfde kikvorsperspectief gefotografeerd, waarschijnlijk door zijn vrouw.

Op een dag kwam ik Paco tegen bij de rivier, aan de rand van mijn land. Hij liep er een beetje quasinonchalant bij, alsof hij een verdwaalde wandeltoerist was. Maar aangezien hij een uiterst nauwkeurige passage had geschreven in zijn tweede boek, over het kleine riviertje, wist ik dat hij niet verdwaald was. Al snel had Paco zich babbelend aan mijn keukentafel gewurmd en zat hij met een kop koffie een eind weg te kletsen over zichzelf, zijn nieuwe boek en de teleurstellende opkomst van zijn laatste aquarellenexpositie en boeksigneersessie in het stadhuis, vanwege de hevige sneeuwval. Ik had in dit dorp nog nooit iemand zo opgelucht alle natuurverschijnselen zoals sneeuwval, hitte, Mistralwinden en bergverzakkingen zien aangrijpen zoals Paco, die weigerde in te zien dat lege zaaltjes nu eenmaal de hoge prijs waren voor het overschreeuwen van middelmatigheid. Er kwam nooit iemand naar zijn exposities, lezingen, signeersessies of optredens. Er luisterde nooit iemand naar zijn ellenlange en slaapverwekkende dorps- en feestspeeches, zijn saaie uiteenzettingen over zandweggetjes en strakblauwe luchten, zijn liedjes, zijn grappen. En er was geen hond in dit dorp dat zijn boek had gelezen of ooit zou gaan lezen.

En dat laatste was misschien wel Paco’s grote geluk. Want zonder publiek was er ook geen noot van kritiek en kon hij zichzelf als de ware Narcissus tot in de lengte der jaren laven aan zijn vermeende genialiteit, zijn schrijverschap, intellect en roem.

Bij het uitgaan, bleef Paco’s blik verrast haken aan zijn boek ”Memoires van een dorpeling deel 1”. ”Ga je mij in het Spaans lezen?” Vroeg hij, terwijl zijn grote gezicht bijna uit elkaar barstte in een poging zijn opwinding en vreugde te verbergen over het feit dat hij eindelijk een lezer had gevonden die twaalf euro over had gehad voor zijn memoires. Ik beloofde dat ik mijn best zou doen. ”Je kunt ook wachten op de vertaling.” opperde hij net iets te gretig. Paco wist en ik wist ook dat die vertaling er nooit zou komen. ”Zal ik het signeren?” vroeg hij terwijl het boek al in zijn handen had en zijn linkerhand een pen uit zijn borstzakje trok. ”Ja graag.” Loog ik.

Sinds die dag spraken Paco en ik nooit meer met elkaar. Wel stak ik – lafaard – altijd vrolijk mijn duim op als ik hem zag lopen in het dorp, in de hoop dat hij dat universele gebaartje zou opvatten als compliment voor zijn boek dat ik nooit had gelezen. Pas jaren later, toen Facebook haar intrede deed, begreep ik dat de wereld vol zit met Paco’s en halfbakken laf publiek zoals ik dat een duim opsteekt om de ander gerust te stellen.

Paco overleed in hetzelfde jaar waarin de wereld zich massaal op Facebook stortte en ook ons dorp dankzij een ijverige burgemeester met connecties in Madrid als een van de eerste dorpen in deze uithoek op het internet werd aangesloten. Rosa had hem gevonden langs de kant van het water, vlakbij mijn boerderij. Hij had zijn aquarellen-collectie en alle manuscripten van nooit afgemaakte boeken postuum geschonken aan het gemeentelijke museum, die de vijf kuub middelmatig levenswerk stilletjes in het depot en de vergetelheid begroeven. Zijn vrouw bloeide op en verhuisde naar een mooie flat aan de Costa del Sol. Maar dat zou hij allemaal nooit meer weten en dat was misschien beter ook.

Sommigen zeiden dat hij struikelde, anderen fluisterden dat het zelfmoord was. Ik hoopte dat Paco verdronk in een omhelzing met zijn eigen spiegelbeeld. Op die mooie plek aan het water, waar nu narcissen bloeien. Wie goed luistert, hoort de vage echo van Paco die op zijn synthesizer een vrolijke Paso Doble speelde. Want dat kon hij wel als de beste.

 

 

De tussendeur naar kerst

cartajima

Ik stookte het haardvuur op zoals alle avonden en nestelde me in de schommelstoel met een boek dat ik al vier keer gelezen had. Een ingewikkelde dag die simpel en voorspelbaar eindigde: een vuur, een schommelstoel en een verhaal waarvan je het plot niet meer kunt keren. De oude Blas pookte in het vuur en gooide er nog een mooie dikke houtblok bij. ”Goed droog hout dit jaar, hiermee hou je het wel warm tot de vroege ochtend.” Ik vond het altijd mooi als hij een vuur voor mij maakte. Het vuur was, net als het roeren van zijn koffie, het zwijgend kastanjes rapen op de helling, of het neerleggen van verse kruiden op mijn keukentafel, een van die vele ultieme handelingen waaruit onze simpele burenvriendschap gebouwd was. En al gingen onze gesprekken zelden over iets anders dan de kwaliteit van het hout, de oogst, de hitte of de kou, ons samenzijn had een stille diepgang die zelfs mij tot zwijgen kon brengen. ‘Bueno, ik vertrek maar eens richting dorp. Kom je morgen naar de avondmis in het dorp?” Blas geloofde nog steeds niet helemaal dat ik ook een ongelovige was. Bij het weggaan bleef hij nog enkele minuten dralen bij de deur. Het was in zijn ogen een non- scenario, om een vrouw alleen in de vallei achter te laten, terwijl hij – een man – in de veilige armen van de dorpsgemeenschap vluchtte, zodra de nacht zich liet zien. Het liefs zou hij zich op zijn siësta-stretcher in de schuur nestelen, om een oogje in het zeil te houden. Maar zijn angst voor de nacht, die zich overigens alleen in de donkere wintermaanden manifesteerde en nooit in de zomer, won het van zijn neiging mij te beschermen tegen het kwaad en de wilde dieren.

”Ik ben niet bang Blas, ga nu maar.” jokte ik en deed net alsof ik in mijn boek verzonken was. ”Ok, sluit de deur achter me.” Met gespitste oren luisterde ik naar de uitstervende voetstappen van Blas en zijn altijd blaffende honden Canila en Hond, die de hele middag buiten in de vrieskou trouw op hun baasje hadden gewacht. Ik sloot de deur. Mijn honden lagen soezend rond de haard, iets dat Blas net zo belachelijk vond dan Lola van Juan, die haar teckels in de winter zelfgebreide, roze pullovertjes aantrok. ”Een hond is een hond is een hond.” zei hij dan hoofdschuddend. Al duizend keer had ik gepoogd hem uit te leggen dat ik het gezellig vond, met mijn honden voor de haard. Het fenomeen gezelligheid was lastig uit te leggen aan Blas, bleek onder andere uit zijn gewoonte om meteen bij binnenkomst het felle TL licht aan te klikken als ik in schemerlicht bij een olielamp poogde mijn avondlijke bestaan knus te maken. In Blas zijn leven was alles functioneel of niet functioneel en had alles en iedereen zijn plek. Honden buiten, mensen binnen. Zijn gewoonte om mijn slaperige dieren met een laars en luid gesis naar buiten te jagen waar ze hoorden, had ik inmiddels – na vele jaren – doorbroken met mijn overstijgende huisregel: ”Mijn huis, is jouw huis, maar ook weer niet helemaal.” Blas moest altijd lachen om dat gezegde, maar begreep uiteindelijk de strekking.

”Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.”

Zelf sliep Blas in de stal naast zijn ouderlijke dorpshuis, op een oud ijzeren ledikant met daarop een bobbelige matras gevuld met varens. Elk voorjaar ververste hij die. ”Het houdt de beestjes weg”. Op amper vijf meter van zijn bed, achter een laag muurtje stond zijn muildier, genaamd Verloofde. In de hoek van zijn stalkamer, bij de zwartgeblakerde vuurplaats, twee oude keukenstoelen met afgezaagde pootjes, een mintgroene keukenkast uit de jaren vijftig met tochtgaten voor het bewaren van zijn bloedworsten, droogworsten en geitenkaas en een kleine formica keukentafel. Hij sliep daar niet omdat de familie geen huis had. Sterker nog, zijn broers en zussen bezaten gezamenlijk zeven grote dorpshuizen en meerdere boerderijtjes in de vallei.  Het brandschone, aangrenzende familiehuis werd alleen gebruikt tijdens de Semana Santa-week, kerst, of een begrafenis als logeeronderdak voor verre familie. De meubels waren de rest van het jaar afgedekt met doorschijnende plastic hoezen, lakens en gehaakte kleedjes. Heel af en toe, verklapte Blas op een avond, als de lichten van zijn zusters huis aan de overkant van de straat uit waren, glipte hij via de tussendeur naar het brandschone en afgedekte familiehuis, waar een grote TV stond. ”Dan ga ik naar de TV kijken.” zei hij met een ondeugende grijns.

Ik stelde me voor hoe hij daar op de plastic hoes zat en nachten lang naar oude zwart-wit films, of misschien wel een stierengevecht of herhalingen van familieshows keek. En speelde dat hij een normaal, modern mens was met een bankstel en een TV. Pas jaren later vertelde hij dat hij de TV nooit had aangezet, omdat hij niet begreep hoe dat moest. Hij had letterlijk al die jaren naar de TV gekeken, maar vond het niet relevant dat het beeldscherm zwart bleef.

Dus bracht ik kerstavond door in een heuse stal, met een balkende ezel*, aan het warme haardvuur, op een stoel met afgezaagde poten. Blas porde het vuur, ik roerde de koffie, waar we een flinke scheut van onze zelf gestookte aquardiente in hadden verstopt. Het huis naast ons vulde zich met familieherrie. De mis was uit. Iemand deed luidruchtig de tussendeur op slot. ”Een deur, is een deur, is een deur.” mompelde ik en we kregen de slappe lach.

Op speciale avonden als deze vertelde Blas altijd het verhaal van de verschijning en verdwijning van Maria, de enige liefde in zijn leven. Een oud verhaal, dat ik al vele malen had gehoord, maar dat deed niet af aan de bezieling waarmee hij vertelde en het geruststellende gevoel van een onomkeerbaar plot.

* eigenlijk een muildier

 

 

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

Prima

hola.jpg

In een hechte, geïsoleerde gemeenschap is alles familie. Behalve ik. Dat vond ik in de beginperiode erg prettig. Je bent een ander diersoort – solitair en vrij van sociale plichten en druk, vrij van verleden en imago, verjaardagen, bruiloften en begrafenissen. Een soort vliegende eenhoorn tussen de taaie muildieren.

Het was nog in de tijd waarin ik de woorden soledad en solamente door elkaar haalde.

‘Heb jij een moeder dan?’ Antonio viel bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het heilige M-woord uit mijn mond hoorde rollen. Ik kreeg er lol in, maar was minstens zo verbaasd dat hij daar zo verbaasd over was. ‘En nog drie zussen, een broer en een vader.’

‘Joder..’

Hij bekeek me alsof ik net een groot geheim had onthuld. ‘Joder, mujer…dát wist ik niet.’ Mompelde hij nog eens en stak een zwarte Ducado op en hief zijn flesje. ‘Chin Chin. A tu madre.’

Antonio wist niks van me, alleen dat ik kon hellingtrekken, uit het land van Kroijf en tulipanes kom, kon roken, praten en een bougie vervangen. Dat was al ruim de helft meer dan anderen in dit dorp van me wisten. Blijkbaar had hij nog niet met zekerheid vastgesteld dat ik van het menselijke ras was en als we een paar eeuwen zouden doorgraven, wellicht nog verre familie ook.

Een week later kwamen mijn ouders op vakantie. Hun allereerste vliegreis samen. Mijn allereerste familievisite. De moeder van de postbode omhelsde mijn vader alsof hij een lang verloren zoon was die terugkeerde uit een oorlog. Tranen. Mijn moeder had sjans van Paco de oude kastanje-zigeuner. ‘Zeg tegen je moeder dat ze vroeger een mooi vrouwtje moet zijn geweest.’ Ik heb de vrije vertaling gekozen. Ze bloosde. Een beetje mopperend.

De burgemeester kwam even persoonlijk een hand geven, de ober van La Farola, la Quinta en de twee venta’s langs de weg naar Ronda klopten me op mijn schouder alsof ik eindelijk de finish had bereikt van mijn familie-loze marathon. De lokale dorpsgek wurmde zich door een kiertje in de deur om mijn vader een snelcursus schreeuwen en schelden in het Spaans te geven. Mijn vader wurmde hem in het plat Venloos scheldend door hetzelfde kiertje weer naar buiten. Rosa speelde patience op het stoepje met mijn moeder, rokken op hun ronde bleke knieën, de kaarten tussen hen in op de koele steen. ‘Ze speelt vals, je moeder. Ik mag haar wel.’

We deden dingen die ik in mijn jeugd nooit gedaan had met ze: zwemmen in de rivier, picknicken, we zagen arenden en gieren, we maakten een kampvuur op de boerderij. Paseo in Ronda, werken in de tuin. Mijn moeder ving een kleine witte schorpioen op de rug van haar hand en zei: ‘Kijk nou wat parmantig dat staartje.’ En we gingen naar de Chinees. ‘Zijn er hier ook Chinezen???’ De Spaans sprekende buurt-Chinees ‘Hola’ in Ronda vonden ze minstens zo spannend als de hele grote klont Unesco-erfgoed eromheen.

Mooie mensen, mijn ouders. ‘Muy natural.’ Zei Juan van de Estanco. Het grootste compliment tegenwoordig.

Het afscheid viel zwaar. De moeder van de postbode huilde en vertelde mijn vader dat hij de knapste man was die sinds mensenheugenis in het dorp was geweest. Ze heeft nog weken over hem gepraat en mij om een foto gevraagd.

Antonio en de anderen konden daarna met een gerust hart weer verder wennen aan me. Nu ik geen vreemde familieboomloze vogelsoort bleek, maar gewoon een dochter, leek dat opeens stukken sneller te gaan. Vanaf de dag waarop mijn ouders weer naar huis keerden, noemde Antonio me Prima – nicht.

Ik vond het prima. (tranen)

Joder. Alles is familie.

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html

 

 

Karlsson vliegt weer! (uit het boek van Blas)

Zijn  huis was net een smoezelig sprookjesboek. Van het bijna griezelige Victoriaanse soort. Hij was niet zo gewend aan bezoek en verontschuldigde zich voor de rommel. Ik voelde me een klein kind, in de val gelokt door een lied en toen verdwaald in de grot van een gekke professor. Het had een reden dat ik hier was. We hadden elkaar enkele weken geleden gevonden in onze gedeelde liefde voor dakwoningen en oude bluesopnames en ik had hem mijn best bewaarde geheim laten zien: Mijn dakhuisje van het Caballero-paleis,  waar ik sinds kort woonde.
Juan had als bijnaam ‘in Casus’;  een combinatie van zijn achternaam en zijn nogal dramatische stijl om het universum recht te discussiëren in onbegrijpelijke denkpatronen en woordenbrei waarin hij alleen het woord ‘en caso’ (in casus) consequent gebruikte. Het lag niet aan mijn gebrekkige discussie-Spaans, want ook Julio de Blinde snapte er niks van en die had de beste oren en de meeste hersens na Juan. Juan was Hoogleraar op de Universiteit van Sevilla in wiskunde en architectuur. ’s Avonds was hij gezellig ‘een van ons’, de rozebrillen-bende, of hij trok zich terug in zijn geheime daknest, zoals hij z’n huis noemde. Aan mij de eer om als eerste zijn nest te betreden.
Via smalle looppaadjes tussen manshoge stapels boeken, schilderijen en oude koperen leeslampjes met her en der een stoel liepen we van kamer naar kamer, tot we een open patio bereikten aan de achterkant van het huis. Een grote, antieke wenteltrap krulde zich langs de muur van de patio omhoog in de blauwe hemel. De patio was vreemd genoeg sneeuwwit gekalkt en leeg. Na de klim – nog half verblind – stonden we op een plat dak waar geen deur was, maar wel een vreemd hokkig gebouwtje met twee ramen. Behendig –voor een oude man – klom Juan naar binnen en strekte zijn hand uit het zwarte raam-gat om mij naar binnen te helpen. ‘Dit is mijn huis, welkom.’ Grijnsde hij  Juan en wees naar de binnentrap die vol was gestapeld met boeken en papier. Ik ben bij een senior collega-Karlsson-op-het-dak beland.
De huiskamer, tevens slaapkamer, studeerkamer en eetkamer, was rommelig en gezellig. Een soort sjiekenboudoir met kussens en rode muren, elegante houten lambriseringen met Moorse patronen, kamerschermen, tapijten en velours gordijnen die het geluid lekker dempten tot wat geluid moest zijn. Juans wereld verbaasde me. Zijn horkerige arrogantie tijdens de discussies in Bar Luna die hij altijd won, zijn woeste vastberadenheid, ongeacht zijn graad van dronkenschap, paste niet bij dit gekke rode nest. ‘Het omarmt je, of het stoot je af – rood.’ Mompelde Juan. Ik besloot me te laten omarmen vandaag.
We luisterden tot vroeg in de ochtend muziek en borduurden sterke verhalen aan liedjes, gedichten en stiltes. We waren dakvrienden voor het leven, al begrepen we heel weinig van elkaar. Het was net als met Blas – we hadden zelden bevredigende gesprekken, maar met niemand kon ik zo kijken naar een boom als met Blas. De oude Juan ‘ de casus’ kon kijken naar een liedje, een verhaal of deze stad, zoals Blas naar een boom.
Onze wegen kruisten elkaar onlangs plots via  het grote gezichtenboek. Hij schreef: ‘De stad slaapt. En ik weet eindelijk wie Astrid Lindgren is.’
Gelukkig, Juan was er nog en kon nog steeds, net als Karlsson, vleugels en maken van herinneringen en liedjes, gedichten en verhalen.