De datemonologen #3 – Wat doen de mannen raar

br

De interessante gesprekken zijn niet alle dagen voorhanden. Gesprekken met mensen op De blauwe planeet zijn soms net zo inspirerend als een boek van Rien Poortvliet en soms zo bizar fout als een strip van Fokke & Sukke.

De dommige vrouwenhater:

 

‘Hi, ben je bloot?’

‘Nee, het vriest hier idioot’

‘Ok, jammer’

‘Introduceer je je altijd zo elegant bij vrouwen?’

‘Ojee ben jij er zo eentje’

‘?’

‘Zo’n bijdehantje, zo’n antimannenvrouw’

‘Dat schrijf je met een d’

‘Zo eendje’

De creatieve niet-match:

‘Hi, ik weet dat we totaal geen match zijn, maar je leek me toch de moeite om even aan te spreken.’

‘Dat vind ik aardig van je, maar sorry, jij bent totaal niet mijn type, dus die computer zou wel eens gelijk kunnen hebben.’

‘Ok, jij bent ook totaal niet mijn type, dan hebben we dus toch een match’

‘Haha, ik denk het niet, fijne avond verder.’

Mag ik je telefoonnummer, misschien val je als een blok op mijn stemgeluid.’

De humorloze:

‘Hi, ben je in het echt ook zo ontzettend leuk?’

‘Nee, in het echt heb ik een rotkarakter, een baard en een hele grote neus, maar dat zet je natuurlijk niet in zo’n profiel.’

‘Klik’ (geblokkeerd)

 

De wanhopige eenzame

Dan is er opeens een eenzame soldaat Bobby uit Batton Rouge. Hij poseert op een tank met een camouflagepak aan, ergens in een woestijn. Hij kijkt ietwat wezenloos in de lens. Ik vermoed dat hij wil duidelijk maken dat hij PTS heeft, of in elk geval zich niet lekker voelt in dat hete camouflagepak. Voordat ik zijn profiel en lange mail ga lezen, scharrel ik snel even Janis Joplin op en trek een fles wijn open. Me and Bobby McGee schalt door mijn kamer en ik steek er een sigaret bij op.

Terug naar Bobby. Hij is non smoking geheelonthouder, streng Christen, tijdelijk gestationeerd in Duitsland en lonely, so Goddamn lonely. Hij zoekt een vrouw om mee naar huis te nemen. Nee niet hier opeten, meenemen naar Baton Rouge. Ja echt.

Ik zie mezelf zitten in een houten kerkje tussen de blanke Christenen en verliefd worden op een zwarte katoenplukker die vervolgens het dorp uitgejaagd wordt, zodat ik alsnog moet trouwen met Bobby, die het tankstation van zijn vader heeft overgenomen en ’s avonds konijnen gaat schieten met zijn neef Billy – out in de fields – jaja.

Nu weet ik zo niet veel van Baton Rouge, behalve dat Janis Joplin er samen met Bobby McGee een platte band kreeg en dat ze uiteindelijk toch in California terecht kwamen.

Ik zet in mijn zoekfilter: California.

Daar zit het betere werk ja; lichtgevende tanden, oude, leren surflijven, zonnige blonde puntjes en iedereen succesvol, sporty, healthy, foody, culti, arti en happy met het leven. Arme Bobby, hij had niet terug naar zijn moeder moeten gaan, maar met Janis in de auto naar California moeten afzakken. Liever aan de drugs en zand tussen de wielen van je rollerskates in de zon met je PTS, dan aan die stoffige weg op dat tankstation van je pa, tussen die blanke Christenen, tien kilometer buiten Baton Rouge.

Ik verwijder Bobby uit mijn mapje en klop het stof van de onverharde weg naar Baton Rouge van mijn ziel.

Weer terug in de koele meren des dates zwem ik naar Nederland. Daar kun je tenminste nog lachen met de mannen die raar doen.

‘Ping’ – een collega duikt voor me op. Ook altijd lachen..

Ik wil wegduiken, maar ben te laat. Hij heeft me al gespot.

‘Ow hi, jij hier?? WTF??’

‘Uh..ja…..en jij dan?’

‘Uh…research, ik schrijf een blog’

Hahahaha dat zal wel…..

‘Ja echt! Geloof me. Wacht ik stuur je een link.’

‘Hoeft niet, heb geen tijd om te lezen, te druk met daten.’

‘Ok, fijne avond verder.’

‘Ja jij ook, succes met het vinden van je date. 😉 ’

‘Ik doe RESEARCH voor mijn BLOHOG’

‘Haha….’

Klik.

(slik)

PickleBob en de metrosexuele verstopping – een dialoog met mezelf

images (16)

Datingsites en 45+ers. Ik deed mijn schaamtekleed af en schreef me in. 

Ik bevind me sinds 48 uur in de krochten van andermans zielen, vreemde plannen, frustraties, lusten, rugzakken. Maar ook hele grappige, waarvan ik serieus van het lachen van mijn stoel val.

Ik ben ingelogd op OKcupid. Die is gratis en je kunt er partners zoeken uit alle exotische oorden ter wereld. Je vult ongeveer 5 miljoen vragen in en je matching-feest kan beginnen. Bij ‘matches’ zie je 2 cijfers boven de profielfoto: Matchpercentage in procenten en daarnaast in rood: het ‘niet-matchpercentage’. Ook belangrijk. Ik kan er om lachen, maar sophisticated en razendsnel is het systeem wel. Nog even uitzoeken hoe de filters werken, want ik heb zoveel matches dat ik ongeveer tot mijn 90ste kan daten.

Dat geeft geen hoop, maar wanhoop. Ik werd bij het zien van de aantallen ook meteen overvallen door een zware vermoeidheid bij de gedachte aan zo’n zoekklus.

Ik weet nog steeds niet precies wat ik verkeerd heb gedaan bij het invullen, maar binnen no-time kreeg ik een container mannen uit Texas, Parijs, Brussel, Londen, Rotterdam Noord en Kuwait die de meest stompzinnige openingszinnen hadden die ik ooit in mijn leven gelezen had.

”Hi, I’m PickleBob – Love your smile. Sent me a message if you like me too. Love to hear from you, Picklebob.”

Soortgelijke knallers kwamen ook van o.a. BigBlack78 (te jong) en LoveUBisexual en Amore4u50 (te oud?) en…PickleBob dus.

Ik bedoel, stel zelfs al is dit een ontzettende metroseksuele Antonio Bandoleras-achtige man. Met de naam PickleBob. Daar schiet je toch van in de kramp. Of stel je voor, je moet hem aan je getrouwde vrienden voorstellen op een verjaardagsfuif. Jongens, dit is PickleBob uit Texas. We hebben elkaar leren kennen op de datingsite waarover ik jullie vertelde. Ik zie een zwart gat voor me zonder sociaal leven en alleen met PickleBob in het noord Texas.

Tegen de tijd dat mijn fantasie uitgeblust is op PickleBobs obesitasprobleem, en BigBlack78 uit Luik eindelijk van mijn virtuele been heb geschud ben ik leeg en lusteloos en helemaal niet meer op zoek naar een man, een compliment of iets in die richting.

Kijk, het is wel heel komisch, maar ook van een grote treurigheid. Treurig komisch. En dat treurige overvalt me als ik uitgelachen ben en besef hoe veel mensen er jagen op eenzame mensen en hoeveel mensen zoals ik er lachen omdat iemand onzeker of lelijk, te dik of te dun is.

Nu ben ik een van hen. De anderen. De mensen die naar elkaar gluren en elkaar vanachter de anonieme beeldschermen aftasten, de kwade en de goede bedoelingen van elkaar proberen te scheiden, sommigen met een filter, een ander net te gulzig of met een leugen.

Het is heel mooi dat online dating bestaat en ik weet zeker dat er heel veel mooie relaties uit voortkomen. Maar het heeft voor mij vandaag een schaduwkant die verder gaat dan alleen fakeprofielen en sexjagers. Want hoe sophisticated ook, er rollen minstens zoveel leugens en teleurstellingen uit dit geniale systeem als echte liefde. En dat maakt het internet-daten een schemergebied, een casino voor de ziel – verslavend en een tikje gevaarlijk. Voor mij, maar ook voor die arme PickleBob uit Texas, die thuis geen meisje krijgen kan.

En fascinerend is het ook: miljoenen mensen die elkaar niet kennen en hunkerend naar iets rondzweven op het web. En sommigen zijn desnoods, als het dan toch niet wil lukken in het echt, al blij als er een vrouwmens aan de andere kant van de wereld iets leuks tegen ze zegt waar ze misschien wel de dag leuk mee doorkomen.

Een vriendin had me getipt om niet te ‘slim’ op mijn profiel over te komen. Ik hoefde niet dommig, maar ook niet zoals ik BEN, vond ze. Ik had nooit nagedacht over het verband tussen mijn handige hersens en het vinden van een partner en juist altijd gedacht dat het alleen maar goed is dat ik zo slim ben, omdat ik niet zo knap ben. Maar nee, ik moest knapper op de foto en dommer in mijn omschrijvingen en antwoorden. Te slim schrikt af en voila! Haar strategie werkte zo goed (of misschien nam ik het te letterlijk) dat ik amper twee uur nadat ik mijn virtuele contactpoort open gooide, alle mate nen soorten PickleBobs en BigBlack78’s van deze aarde in mijn postbus gekwakt kreeg. Tientallen!

Ik dobber vertwijfelt een uur rond in deze oceaan van sneuheid.

Wat is mijn rol, mijn doel ook alweer? Verhef ik mezelf boven ‘de anderen’ door er een beetje als een nep-antropoloog in te gaan zitten roeren en van bovenuit er naar te kijken? Dat is arrogant.

Wil ik me in die oceaan bevinden? Nee, ook niet. Dus ik lach wel om PickleBob, maar wie lacht er om mij?

Opeens, terwijl ik dit schrijf, een bericht in mijn liefdesmailbox. Het is de eerste man die er leuk en interessant uitziet en ook nog leuke dingen schrijft die het voorgenoemde level met mijlen overstegen. De match-statistieken ontploffen in mijn hoofd er bijna van, zelfs onze 17% niet-match lonkt als kerstverlichting. Ik laat PickleBob en mijn schaamte en doemdenkerij vallen als een baksteen en spoed me naar zijn profiel.

Kijk daar hebben we het al. Zo werkt het dus. De ‘trap’ is dat je net op het moment dat je wil kiezen voor afhaken in plaats van in die sneue oceaan verdrinken, valt er een type metroseksueel zo in je inbox en gelooft een mens weer spontaan in wonderen.  Hij is ook de eerste die zijn best heeft gedaan om een indrukwekkende eerste boodschap te formuleren. Van sneu gaan mijn filters op alert-stand: ik lees hersens, elegantie, interesse, humor, twijfel en gepaste afstand met voldoende prikkel.

Dus opeens ben ik de enige drenkeling in de sneue oceaan die een mooi stuk drijfhout vindt?

Zo snel kan dat gaan soms.

Maar toch. Tegen beter catfish-weten in heb ik mijn weak spots laten op-vlijen en probeer ik te verzinnen wat ik terug moet schrijven aan zoveel woordelijk evenwicht.

Bevind ik mij op de rand van het leugenravijn van een vreemdeling, of ben ik ook maar een mens dat goed wil ontmoeten en door zwemt?

Na een kop koffie weet ik het en ik schrijf terug:

 ‘Je hebt een leuke lach’ 

(ps: Ik meen het)

De Vijf van Cuba – te gast bij Nomad & Villager

 

Foto: Nicole Franken
Foto: Nicole Franken

De Vijf van Cuba – Gastblog bij Nomad & Villager

Ik vind het een hele eer om als gast-reporter bij de dames Nomad & Villager (van het leukste reismagazine van Nederland ) te zijn!

Viva la Rumba de la Vida!

Een blikje misère met Rosa #2

Of: De Schreeuw (het helpt)
[Uit het Boek van Blas]
Rosa liet me foto’s zien van vroeger. ‘Toen was ik nog mooi.’ Ik staar naar een klein zwart-wit kiekje met een stralend meisje van een jaar of 14, voor het huis waar we nu zaten. Sprankelende ogen, een ondeugende grijns, gitzwart haar in twee vlechten over een geblokte schortjurk. Op de achtergrond een schelle kreet uit het TL verlichte keukenraampje van Rosa’s huis. ‘Toen kon ik nog lachen.’ Grijnsde ze. ‘Toen had ik nog tanden.’ Ik realiseerde me nu pas dat Rosa niet zo vreemd sprak en grijnsde omdat de vorm van haar bovenlip niet anders toeliet, maar omdat ze geen tanden meer had. Ze wachtte al weken op een lift van Manolo naar Ronda, waar in het tandenlab van haar achterneef een fonkelnieuw gebit op haar lag te wachten. Ik bood haar een lift aan naar Ronda. Het zou haar goed doen, tanden. Ze weigerde en wuifde haar tanden weg.
Iemand met overslaande stem kondigde aan te moeten plassen en een mannenstem eiste bulderend een fles bier en de afstandsbediening. Zuchtend stond Rosa op, mij met haar zwart-wit jeugd achterlatend.
Rosa was de laatste weken nog meer aan huis gebonden dan ze al was. Haar vrijgezelle broer Manolo de Geitenhoeder was van de trap gevallen. Op zich nog niet zo heel ernstig, was het niet zo geweest dat hij met een touw om zijn middel vast zat aan zijn 80-jarige moeder, die daardoor haar heup en daarna Manolos schedel gebroken had. Rosa’s moeder die zwaar dementerende was, maar nog de lichamelijke kracht van een paard had, zat 24/7 met een touw vastgebonden aan een van de familieleden, omdat ze anders het ravijn in sprong om te gaan plassen of zomaar bloot het bos inliep. Nee, mantelzorgen voor je dementerende moeder in de bergen is geen kattenpis, met al die gevaarlijke afgronden en dwaalpaadjes. 
Het was altijd misère bij Rosa thuis, maar nu was het wel heel erg. Haar man Juan had zich –heel slim- tijdelijk teruggetrokken in de geitenstal van zijn schoonbroer om de geiten waar te nemen en weg te zijn van het familiehuis. Haar oudste zoon werkte doordeweeks aan de Costa en haar jongste vulde Rosa’s spaarzame gaatjes in de tijd met puberterreur van het ergste soort.
Zuchtend kwam ze weer naast me zitten op het stoepje en trok een blik bier open. Het was doodstil in de keuken. De nacht was prachtig en we zwegen wel vaker, maar Rosa’s zwijgen had opeens iets onheilspellends. De luchtdruk om haar heen kon veranderen als bij een plots opduikende bergstorm. Als ze op dat moment verteld zou hebben dat ze haar moeder en broer eeuwig tot zwijgen zou hebben gebracht, was ik niet verbaasd geweest. Ze pakte het fotootje uit mijn hand, zoog alle stilte in een ademteug naar binnen, gooide haar hoofd in haar nek en schreeuwde oorverdovend hard in de stilte.
Uit het keukenraam klonk een benauwde stem: ‘Zeg, wat was dat nou?’ Het was Rosa’s broer. Gelukkig. Ze leefden nog. En Rosa grijnsde: ‘Moet je ook eens doen, het helpt.’ 

De verschijning en verdwijning van Maria

(Uit het Boek van Blas)

Hij geloofde niet in God of Jezus, maar wel in Maria die hier aan de oever van de Arroyo de Los Franceses in de lente van 1983 voor hem verschenen was. Zijn verschijning bleek een Zweedse toeriste, maar voor Blas was het Maria die uit de hemel kwam. Hij had zelfs een kiekje van haar, zittend op zijn toen nog jonge muildier. Maria breed lachend en Blas met een grijns vol tanden naast haar. Hij bewaarde het kiekje als een relikwie op zijn borst, in een klein plastic mapje dat hij had gekregen van de postbode.

Ze had hem beloofd dat ze terug zou komen ooit, maar inmiddels zag Blas wel in dat dat niet gebeuren zou na al die jaren. Van Catalina van de postbode hoorde ik jaren later dat alle mannen uit het dorp verliefd waren geworden op de Zweedse engel die niet Maria heette, maar Ulka. Blas had alle jonge masculiene dorpsgenoten echter mooi te kijk gezet, toen zijn Maria besloot haar 3 weken natuurvakantie exclusief met hem en zijn muildier door te brengen. Ik stel me voor dat hij haar, grijnzend naast zijn muildier lopende, alle valleien, bossen en beekjes heeft laten zien, kruiden voor haar plukte en een witte roos voor haar jatte bij de boerderij van Manolo Montes die rozen kweekte, speciaal voor de kerkelijke feestdagen.

Arme Blas. Maria had zijn hart betoverd en gebroken.

Ulka Maria had dus ook met haar blote Zweedse voetjes in deze beek zitten wegdromen, met het uitzicht op de oude walnoten en de olijven, druiven en amandelen verderop. Misschien had haar mooie neusje ook de zoete geur van de kastanjebloesem en het gekneusde munt opgesnoven, samen met de houterige nestgeur van Blas, die waarschijnlijk ook toen al naar verbrand hout, rozemarijn en broeiend hooi rook.

Mooi om in de zeer spaarzame verhalen en herinneringen van de oude man mee te mogen dobberen. Maria was verdwenen, maar haar ziel kreeg ruim baan in het stille zwijgen van Blas, daar aan de oever van de Arroyo de los Franceses. De rest van haar schoonheid was verzegeld in de geuren en kleuren van gekneusd jong groen, de lentebries en het kwebbelende beekje.

Op een dag vond ik in een reistijdschrift een serie prachtige foto’s van Zweedse natuurlandschappen. Toen ik de foto’s aan Blas liet zien was hij lang stil. Ik vertelde hem dat dit het land was waar zijn Maria was geboren. Lachend zei hij: ‘Ik zei je toch dat ze uit de hemel kwam..’

De Lama en de kleine Samurai

(uit het boek van Blas)

Een prima stevig karretje, bulderde Juan el Gordo, terwijl hij bij wijze van demonstratie nog eens wild aan de imperiaal van de Suzuki Samurai rukte. Ik was bijna bang dat het karretje uit elkaar zou vallen, voordat ik de berg af was.

Toch had Juan gelijk; het 1.000-euro-karretje had het karakter van een echte Samurai. Het vuil-witte blikje bleek over onverwoestbare krachten te beschikken op de steile bergweggetjes en overtrof zelfs zijn grote, zware gebull-barde broers, die hun logge, blinkende carrosserie met moeite door de modder bergopwaarts kregen getrokken bij regenweer. We kregen al snel een hechte band, de Samurai en ik.

Buiten de vallei was het andere koek. Bij hoge windsnelheden en scherpe bochten op de grote weg, kon het arme diertje niet sneller dan 60, want anders kiepte het om, of waaide het uit de bocht als een leeg bierblikje op een winderige straathoek. Ik zag soortgenoten regelmatig als opgefrommeld in ravijnen liggen. Daar kon geen waarschuwingsbord tegenop.

Als ik met de Samurai naar de grote stad of het vliegveld moest rijden, was ik doodmoe. De snerpende geluiden van het kleine motortje, het gerammel van de veerplaten, de stoffige warme, of snijdende koude wind die door de gaten en kieren van het sleetse canvas dakje blies. Blas moest altijd lachen als ik terug kwam na zo’n expeditie. Geel van het stof, of blauw van de kou, mijn nieren ergens waar ze niet hoorden te zitten en een pesthumeur van hier tot Granada. Voor hem was het weer een zoveelste bevestiging van zijn overtuiging dat weggaan uit de vallei nergens goed voor was.

Rondom de Kleine Dappere Samurai ontsproot een waar nieuw sociaal netwerk: de vier broers, zus en drie schoonzussen van ‘Taller Hernandes’ in Ronda, zagen me zo vaak in hun garage, dat ik mee mocht eten tussen de middag. De twee broers van de lokale sleepdienst hadden al drie keer hun levensverhalen met me gedeeld, zo vaak was ik door ze opgesleept en naar de de familie Hernandes gebracht. Een grote familie. Na zes jaar noemden ze me allemaal Prima.

Blas vertrouwde de Samurai helemaal niet, zoals hij niks vertrouwde dat na 1930 gefabriceerd was. Heel soms reed hij mee naar het dorp of stad en dan hield hij zich met twee handen aan de dakbeugel vast, ogen dichtgeknepen, alsof hij in een achtbaan zat. Ik reed dan stapvoets en werd soms ingehaald door fanatieke Hollandse wandelaars die dan weer boos keken omdat ik hun milieu, rust en uitzicht verstoorde met mijn ronkende vehikel en scheldende Blas. Meestal na zo’n rit probeerde hij me te overtuigen van alle voordelen van een muildier. Dat het met zo’n muildier 4,5 uur sjokken was naar de supermarkt, vond hij bijzaak.

Een spiritueel getint einde was achteraf gezien onvermijdelijk voor deze kleine dappere auto. Kort voordat hij het echt begaf, diende zich een heel speciale gast aan op de boerderij: Lama Rinpoche Mogchok. Tijdens onze avondwandeling over de finca zag de Lama de kleine Samurai staan. Zijn ogen begonnen te twinkelen en lachend stelde hij een vraag aan zijn tolk. De Lama wilde graag een ritje over de zandweg. Omdat ik niet bepaald ervaring had in het ontvangen van Tibetaanse Lama’s, had ik een halve hectare volgeplempt met meditatieplekken, kussens, matjes en her en der wat gebedsvlaggetjes opgehangen in de bomen, de paden vrijgemaakt van mierennesten en onkruid, de logeerkamer tot een Tibetaanse slaapcel ge-restyled, inclusief offeraltaar conform de protocollen die ons vooraf waren toegestuurd door de staf van de Rinpoche. Ik dweepte stiekem met het beeld van mijn boomgaarden vol mediterende gasten en gelukkige Lama’s. Lekker rustig en blij. Maar het leven is geen Flow-magazine. In plaats van mijn onrustige ziel en grond met wat Ohmmm te zalven, wilde de Lama een rondje crossen in mijn Samurai die naar natte hond, hooi, valfruit en schimmelige bekleding stonk.

Ik zal de lach van Lama Mogchok Rinpoche nooit meer vergeten; het was de heldere schaterlach van een kind. Een heel blij kind. Blas, die de Lama al uren lang met opengevallen (en niet meer dichtgeklapte) mond had aangestaard,  moest ook onbedaarlijk lachen en haalde de Maagd Maria er nog bij, want hij had nog nooit een lachende kerel in een jurk gezien. En de kleine Samurai deed nog een keer zijn uiterste best om mooie stofwolken te slippen. Mooi was dat. Heel interreligieus.

Zo zie je maar weer, klein geluk zit overal waar je het niet neigt te zoeken.

Bruno’s ark op wielen

Elke en Bruno dweepten niet met hun verleden, want ze hadden besloten alleen nog maar te leven in het NU. Hij was ooit een gevierd antropoloog en altsax-speler en zij psychiater, gespecialiseerd in erfelijke psychiatrische aandoeningen. Beiden kinderen van invloedrijke Duitse families. Hun prachtige kasteeltje in de bossen bij Koblenz prijkte in menig Duits inrichtingsblad, want beide hoogleraren hielden van mooie antiek en hadden een verzameling prachtige schilderkunst uit de jaren 50-70.

Bruno, die sinds zijn jonge jeugd worstelde met de foute politieke geaardheid van zijn vader, verzette zich op zijn 57e nog steeds tegen alles dat ook maar iets aan zijn vader deed denken. Zijn riante jazzmuziekverzameling bestond uit bijna louter zwarte jazzmusici en hijzelf veranderde in een figuurlijke neger als hij zijn sax speelde.
Elke was een mooie vrouw geweest; ze had de klassieke, pezige contouren van een Slavische balletdanseres en Bruno was haar grote fysieke tegenwicht: Een kolossaal, massief lichaam, lichte blauwe ogen en vierkante kaken wiens spieren altijd op en neer rolden alsof hij zich chronisch ergerde.

In 1987 werd Elke overspannen en drongen de dranklustige genen van haar Russische grootvader zich op, om nooit meer weg te gaan. Ze stopte met werken en sloeg serieus aan de drank. Geld was er nog voor drie generaties, oud geld, nieuw geld, landerijen en huizen. Dat brak Bruno’s hart. Beiden beseften dat ze een arm rijk leven hadden geleid dat niet het hunne was. Het enige waar ze nog echt van konden genieten was het samenzijn in de stille bossen, samen met hun honden en elkaar, de muziek en de drankroes die het verleden oploste in de mist van katers of aangeschoten roes.

In 1988 namen ze een rigoureus besluit: Ze verkochten hun kunst- en antiekcollectie, zetten hun kasteel en landerijen te koop en organiseerden 3 weekeinden lang een grote carbootsale in de tuin van het kasteeltje. Van de opbrengst kochten ze vier Unimog vrachtwagens en een paar legerjeeps en tenten. Met een oproepje in de krant trommelden ze binnen enkele weken een klein leger aan jonge, avontuurlijke convooi-rijders op en vertrokken met de noorderzon.

Hun echte leven, hun lang gekoesterde droom ging beginnen: Een reis door de wereld met hun eigen konvooi. Bruno’s Ark op wielen.

Elke: ‘’Ik herinner me de eerste paar weken als een mooie droom; jonge mensen met veel energie, kampvuren en gitaren, de vastberadenheid die we voelden bij elke kilometer die ons verder weg bracht van Duitsland. We waren licht, bevrijd, alsof we de verloren tijd eindelijk mochten inhalen en alles dat zwaar woog achter ons hadden gelaten.’’

In de woestijn van Marokko ontstond er onenigheid in de groep, over de route. Het was te onrustig in Algerije om door te reizen, maar een boottocht of alternatieve route zou het grote reisplan van Bruno in de war schoppen. Bruno en Elke wilden rechtdoor. Ze waren onbevreesd als kinderen en in de waan dat geen oorlog hen kon raken in hun gepantserde Unimog vol dromen en jazz. Na een felle discussie brak de groep uiteen. De deelnemers en een zestal auto’s verdwenen in de nacht, met medeneming van de water- en voedselvoorraad en een van Elkes geliefde herdershonden.

De lichtvoetige vrijheid waarmee de missie was doordrenkt, was in één klap verdwenen.

De drankvoorraad van Elke was op de heenweg al ter hoogte van Zuid Frankrijk er doorheen gejaagd en haar verlangen naar een borrel dreef het echtpaar terug naar Zuid Spanje. Daar, vlak bij de plek waar ze hun laatste moment van energie, gitaren en kampvuren hadden meegemaakt, nestelden ze zich in een oude vervallen boerderij aan de rand van een klein dorp in de Serrania de Ronda. Twee Duitse vogels met gebroken vleugels, een Unimog vol zwarte jazz en drie honden. Ze verruilden hun droom van reizen in voor de gelofte van armoede en de wind in hun haren voor de bedompte duisternis van een koud, donker huisje onder de Andalusische zon.

Alsof ze niet alleen de rijkdom, maar ook het daglicht hadden afgezworen.

De Unimog staat sindsdien op de finca van Paco en Lola, aan de ingang van het dorp. Overwoekerd door bramen en jasmijn en vol kippenstront. Bijna verdwenen in het landschap als een oud, vergeten oorlogsmonument. Elke en Bruno verdwenen ook; ze werden kluizenaar en de dorpelingen vonden dat prima. Ze waren niet de enige vreemde vogels in het dorp en bovendien waren kluizenaren een welkome bron van speculatie- en intrigevermaak in de sfeer van ‘wel de lusten, maar niet de lasten.’

Eens per drie weken bezocht ik Elke en Bruno om wat boodschappen uit de grote stad en fruit van onze boerderij te droppen. We dronken oploskoffie met goedkope cognac en ik mocht op Bruno’s schapenvachtje zitten, in de enige comfortabele stoel die het keukentje rijk was. Elke lag meestal, als een stoffige oude prinses uit een middeleeuws schilderij, op het grote bed vol kussens. Ze dronk haar cognac zonder koffie, maar wel in een koffiekopje. We rookten zwarte tabak zonder filter.

Alles was bitter in het donkere keukentje; de koffie, de sigaretten, Bruno’s toon.

In stilte luisterden we muziek uit de gigantische muur van cassettebandjes. Albert Ammons, Django Reinhardt, naar John Cage en Sun Ra. Bruno rolde zijn kaakspieren op het ritme van de muziek en Elke aaide afwezig de honden aan haar voeten.

Ik hield het nooit langer dan twee uur vol bij Elke en Bruno. De teleurstelling over hun eigen bestaan trok in mijn ziel, als sigarenrook in een wollen trui. En ik kreeg koppijn van vrije jazz en het gebrek aan daglicht.

Elke en Bruno zijn inmiddels dood. Hun laatste jaren hebben ze geleefd in een grotwoning bij Granada, vlak bij het ziekenhuis waar Elke werd opgenomen met ernstig lever-falen. Ik vermoed dat ze beiden uiteindelijk zijn gestorven aan teleurstelling. Bezweken onder de zwaarte van hun nooit verworven vrijheid.

Alleen in de werkelijkheid te leven – wie van ons hield dat op den duur uit? Otto Weiss

Naakte gasten

In de bevestigingsmail hadden mijn nieuwe gasten-vrijwilligers niets gemeld over hun nudistische levensstijl. Bloot was niet zo het gebruik in ons dorp waar de helft van de vrouwen, soms al vanaf hun jonge jaren in drie lagen zwart en steunkousen rondliep hartje zomer. J en M arriveerden en beleefden een onvergetelijk nudistisch avontuur op onze boerderij.

Nietsvermoedend stond ik in mijn moestuin te rommelen, toen er een kreet door de vallei klonk. Het eerst dacht ik aan een eng insekt; giller nummer 1 onder de gasten die nog niet helemaal voorbereid bleken op het fenomeen natuur. Nog een gil. Het klonk verontrustender dan een insekt. Het klonk als Blas, die normaal nooit gilde.

Op het erf trof ik Blas aan met zijn muildier, druk zwaaiend met zijn armen en roepend om de Heilige Moeder Maria. Tegenover hem een poedelnaakt echtpaar dat verwoedde pogingen deed om Blas weg te jagen, alsof hij een ongewenste zwerfhond was. ‘Ksssst.’ Zei de vrouw, wier borsten bij elke armbeweging forse zwaaien maakten. ‘Ssssst, por Dios y el Santo Christo’. Ik voelde een onbeheerselijke lachstuipaanval opkomen en had geen flauw idee hoe ik hier moest bemiddelen.

‘Je had gezegd dat we hier privacy hebben, krijgen we binnen een uur een ouwe gluurder op ons dak.’ De vrouw was laaiend en leek zich totaal niet bewust te zijn dat haar laaiendheid zich vooral manifesteerde in haar trillende kalkoen-filets aan haar bovenarmen, golvende buik en zwaaiende borsten. Ik werd er enigszins ongemakkelijk van en begon me langzaam af te vragen waarom ik zo vreselijk beleefd bleef. De man, duidelijk niet de broek aan, stond als een te plomp uitgevallen Romeins Olympia-beeld met zijn kleine klokkenspel in de zon te kijken naar zijn vrouw, die maar doorraasde over privacy, vieze oude mannen, rare boeren. Wat een looser, dacht ik. Om hier een beetje in een bos te gaan staan met je blote piemel en dan je vrouw laten verkondigen dat boeren met kleren aan perverts zijn. In gedachten wenste ik haar een horzel toe en hem een verschroeid klokkenspel.

Haar naakt zijn was geen ‘natuurlijke state of mind’ zoals ze zelf graag wenste te geloven, maar een oeverloze brei van woorden uit damesbladen en ontdek-je-eigen-plekje-workshops. ‘Vrijheid, eenzijn met de natuur, oerverbindingen, geen sexuele betekenis hoeven toekennen aan naakt zijn, jezelf durven laten zien aan moeder natuur, etc, etc.

(Ik werd misselijk en wist niet of het door de zon of de woorden kwam.)

Ze zouden twee weken blijven en de natuur van el Alto del Genal zou zich hoogstwaarschijnlijk niet aanpassen aan de naturalistische eisen van deze gasten. Ik vroeg me benauwd af of ze morgen ook naakt gingen helpen op het land, ze waren immers als vrijwilliger hier te gast en er moest noeste arbeid op de helling verricht worden. De moed zakte me in de schoenen als ik dacht aan de komende lange weken die voor me lagen.

Gelukkig deed moeder natuur haar werk, zoals altijd grondig. Slechts twee dagen na aankomst werd de vrouw onwel na een braadsessie op het heetst van de dag en dezelfde avond trapte haar kleine Adonis met zijn naakte kloten in een nest vol gemeen stekende beestjes, die ik niet in mijn insectenencyclopedie kon terugvinden. Voor zonsondergang had ik een hotel voor ze geboekt met airco, in de stad.

De volgende ochtend kwam Blas voorzichtig kijken. ‘Zijn ze weg?’ Ik vertelde wat er voorgevallen was en toen we uitgelachen waren vroeg hij waarom er mensen waren die hier naakt zouden willen rondlopen. Ik probeerde de kern van naturisme uit te leggen en beschreef de campings die we er in Nederland en Duitsland voor hadden gemaakt. Blas sloeg zich op de knieën van het lachen en wees op zijn vier lagen warme kleding die hij ook bij 40 C droeg. Met zijn afgetrapte laarzen duwde hij tegen een bergje stenen aan zijn voeten en meteen kropen er een paar fikse duizendpoten alle kanten op. ‘Als je naakt gaat hier, dan ga je dood. En dat moeten we niet hebben, dooie buitenlanders. Krijg je gezeik mee.’

En zo was dat. We gingen koffie drinken en aan het werk. Alles was weer normaal.