Een nieuw begin

In memoriam: Blas

Voor Jacques L, Lies W, Francisco C en Jacques G.

Dat haarspeldbochten en contouren van bergen zich nestelen in een geheugen, wist ik niet. Misschien omdat ik in mijn leven net een paar haarspeldbochten te veel nam, of misschien heb ik gewoon een heel selectief geheugen. Precies zoals in mijn herinneringen, na de bocht met de overhangende rotsblok, manifesteerde het dorp zich als in een beginscene van een dramatische film; een stille klont witte huisjes, tegen de grillige contouren van El Riesgo en met de glooiende groene heuvels van de Genal-vallei aan haar voeten. Niets kan zo dramatisch en mooi zijn als een landschap zonder mensen.

Juamo was de eerste die mij had zien rijden. Zijn beperkte verstandelijke vermogens, dito woordenschat en bijziendheid maakte dat zijn woorden dubbel zo hard binnenkwamen. ‘’Ik zag twee kleine glimmende oogjes en zei: daar is Tanja.’’ Een groter compliment en opluchting, een meer complete bevestiging van dat is nog leef, zaten in die woorden. Ik glim nog en dat was alles wat ik vandaag weten wilde. En Juamo had dat gezien en bewaard in zijn mooie geheugen.

Gezien worden in een gehucht dat zo stil is dat zelfs de kakkerlakken op hakjes leken te lopen, was niet zo moeilijk. Maar dat iemand mij in zijn geheugen, tussen de haarspeldbochten van de weg naar het dorp, had bewaard als twee glimmende oogjes, stelde me gerust. Ik had niet ongezien hier een halve droom gebouwd en weer afgebroken, in stilte geleefd, in afzondering op een paar vierkante kilometer met mensen die mij niet kenden en nooit zouden leren kennen. De jaren na mijn vertrek waren voorbijgevlogen, mijn jaren hier waren destijds voorbij getikt in langere seconden, tragere dagen, in uitgerekte seizoenen, brandende zonnen en af en toe een storm. Mijn tijd hier voelde niet als jaren, maar als een groots fragment, een overhangende rots op mijn tijdspad.

In de Estanco was het stil. ‘’Goed volk’’ riep ik richting achterkamer. Juan en Carmen waren blij me te zien en trokken blikjes cola uit de ijskast. We maakten grappen over ons ouder worden. Zij kregen met de jaren de kilo’s cadeau, ik de rimpels. Binnen tien minuten wist ik wie er allemaal dood was en waaraan overleden. Iedereen die ik kende ongeveer. De postbode, de bakker en zijn vrouw, hun zonen, de loodgieter, mijn buurman, zijn broers en neven.

Eén naam werd niet genoemd en ik stelde mijn brandende vraag uit. Ik wilde nog even het idee-fixe vasthouden dat hij nog leefde, al was het tegen beter weten en logica in.

‘’En Blas?’’.

Er viel een korte stilte. Carmen wendde haar blik even af. Ze had de vriendschap tussen Blas en mij altijd onbegrijpelijk en ongemakkelijk gevonden. Vriendschappen tussen oude mannen en jonge vrouwen, waren nog steeds ongebruikelijk hier. ‘’Ook dood’’. Ze voelde dat het gevoelig lag en trok met veel lawaai een paar lades van haar toonbank open en ging over op en droogte van de afgelopen jaren en de lente die al veel te vroeg kwam dit jaar.

Blas, mijn muze. Drie jaar geleden overleden. Van hem leerde ik hoe je een stok kunt snijden, hoe je een vuur maakt dat langer brandt, hoe je vijgen plukt zonder ze te krassen, hoe je een amandelboom moet enten, een dier doden, een slang kan zien naderen, of een klootzak uit het dorp, hoe je in het vuur kan staren, het water in de beek kan laten zingen, hoe je een boom na kunt doen, paddenstoelen vinden, mest kan maken van vleermuizenpoep en vals zingen in de ochtenddauw. Van Blas leerde ik hoe je alleen kunt zijn en hoe je langzaam bergop kunt lopen en toch niet moe wordt.

In de brandende lentezon liepen we het twee kilometer lange pad af naar mijn oude boerderij. Waar het geluid van water hoorbaar werd, zag ik de kleine groene oase met het witte huisje en bijgebouwtjes opdoemen tussen het groen langs de beek. Twee mannen, vader en zoon, staken tegelijk hun arm omhoog, zodra ze ons zagen. Enigszins aarzelend liep ik het terrein op. Struikelend over herinneringen liep ik richting het huis. Het graf van mijn honden Kika en Mosje. De agaven die ik tegen de rotswanden plantte, de stenen stapelmuurtjes langs de kruidentuin. De kuil in de weg die na elke regenbui moest worden opgevuld met stenen. Elke steen had ik in mijn handen gehad en losgelaten. De planten waren imposant gegroeid; de tijd had alles nog mooier gemaakt dan in mijn herinneringen.

De vader begroette me met twee amicale zoenen alsof we oude vrienden waren. ‘’Pedro. Jij moet Tanja zijn’’, zei hij glunderend, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik hier na 13 jaar tijdens de siësta op een doordeweekse dinsdag zou aanwippen. ‘’Neem je tijd, kijk rond. Mijn huis is jouw huis. Je kent de weg.’’ Hij beende naar binnen en twintig seconden later stond ik met een glas rode wijn in mijn hand op het erf; ‘’Van jouw druiven – de lekkerste wijn ooit.’’ We proostten op het leven en op Blas en het voorrecht om in een verborgen paradijsje te kunnen zijn. We lachten onze tranen weg, wisselden hugs en telefoonnummers uit en gingen samen op de foto. Het was een gelukkig afscheid. Een einde en nieuw begin.

Er viel een rotsblok van tijd van mijn schouders af.

Drie mannen op een rotsblok

hemingway

De dood was alom aanwezig in het dorp. Het begon al bij de ingang. Cartajima is het enige Moorse gehuchtje op de befaamde witte dorpen-route, dat niet alleen aan het einde van een doodlopende weg ligt, maar ook is het allereerste bouwwerk dat je ziet bij het betreden van het dorp een volgebouwd kerkhofje op een kleine heuvel. De doden en bijna doden verwelkomen u, grapte ik toen ik voor het eerst het dorp inreed en tegenover het kerkhofje drie stokoude boeren met open mond zag zitten op een rotsblok. Dat ik er maanden later zou wonen, zou ik op dat moment nooit bedacht kunnen hebben. En dat een van die stokoude, tandeloze boeren mijn trouwste dorpsvriend en later ook blogmuze zou worden, lag ook niet in de lijn van mijn levensplannen.

De gemiddelde leeftijd in het dorpje was zo hoog, dat er in sommige seizoenen wel vier of vijf begrafenissen achter elkaar waren. Meestal was de hitteperiode de tijd waarin de oudsten omvielen en af en toe een ravijnval van boeren die dronken over de gevaarlijke bergweggetjes slingerden van dorpsfeest naar dorpsfeest. Door de steile straatjes en vele trappen, drempels en andere Moorse obstakels in het dorp dat nu eenmaal gebouwd was in de eeuwen voor de uitvinding van de rolstoel en het looprek, was een aanzienlijk deel van de ouderen in de loop van hun oude dag onzichtbaar geworden, want ze konden niet hun huizen uit. Aan oud worden hier was weinig heroïsch. Wie niet depressief werd van het binnenzitten en toch drager was van de oergezonde genen van voorouders die ook al heel oud konden worden zonder beweging of sociaal leven, of met een werkbochel, had pech en bracht zijn laatste jaren door in een kleine kamer met dikke muren. Misschien wel de ergste dood voor een buitenmens met een taai lichaam: de langzame binnendood.

De dood bracht ook wel drukte en leven, leerde ik later. Hectiek en herrie die de normaliter lethargische stilte doorbrak met lawaaierige en kinderrijke familie van verre, ronkende auto’s en een rinkelende kassa voor iedereen die in Gibraltar taxfree drank en tabak had ingeslagen. Baltazar van de bar en de familie Estanco glommen dan nog wekenlang na, zelfs als het hun eigen familie was die hun schrale winteromzet rechttrokken. Wie nog niet zelf dood was, leefde eigenlijk best op van een begrafenis.

Er waren momenten waarop ik mij als relatief nuchtere buitenstaander en van begrafenisrituelen geen kaas gegeten hebbende Nederlander, vaak afvroeg waarom het allemaal zo luidruchtig en gehaast moest, zo’n begrafenis. Hier in het zuiden gaat immers alles traag, behalve begrafenissen dus. Het lichaam moet in de zomermaanden binnen 24 uur en in de winter binnen 48 uur begraven of gecremeerd zijn. Dat de Spanjaarden in staat zijn om elke uitvaart tot in de puntjes verzorgd en weten te organiseren vanuit een simpel en afgelegen berggehucht, verbaast me steeds weer. Want het is nogal een klus als de helft van je familie in Frankrijk, Duitsland Barcelona en Madrid woont. En toch lukt het altijd weer. Niet iedereen haalt het op tijd, maar wie later aansluit door vertragingen of logistieke perikelen, wordt als een uitgelopen marathonloper met dezelfde liefde en feestelijkheid ontvangen in de na-uren van de begrafenis. Tijdens een begrafenis lijkt de tijd zich te rekken. De wake, een intens laatste moment waarin moeders, dochters, kleinkinderen, buren, nichten urenlang rond de baar zitten, rozenkransen biddend, in zwijgen of zacht jammeren gehuld. En dan de mis, de vele bloemen, de prachtige kist, de enorme hoeveelheden eten, de mooie kleren voor de kleinkinderen. Voor alles is ruimte, ondanks de strakke deadline van het event.

De voettocht naar de dorpsbegraafplaats en het dragen van de kist is een zware mannenaangelegenheid door de krappe, hellende dorpsstraten. Niemand staat langs de kant, want iedereen loopt mee. Behalve dan de oudjes die niet meer hun huizen uitkomen natuurlijk. De luiken van de huizen zijn gesloten. Soms is de sliert mensen langer dan de straatjes van het dorp zijn en slingert de in zwart gehulde, schuifelende optocht als een trage adder door de witte straatjes, om zichzelf bij het centrale plein weer in eigen staart te bijten.

’s Avonds vloeit er bier en wijn. Er worden herinneringen opgehaald alsof we al op de volgende reünie van de overledene zijn beland. Zo snel als men hier iemand ter aarde kan bestellen, zo snel maakt men hier herinneringen tot verhalen.

Binnen 72 uur is het dorp weer stil, het pleintje, de straten en het dorpskroegje schoongeboend, alsof er nooit iets gebeurd is. Behalve bij de ingang van het dorp, waar nog maar twee stokoude, tadeloze boeren op de grote rots zitten, tegenover het kerkhofje. Herinneringen ophalende aan hun rots-maat, die verhuisd is naar de overkant.

 

 

Een duimpje voor Narcissus

narcissus

Paco was meester in het opscheppen over zichzelf. In het dorp was iedereen er al lang aan gewend. Behalve dat hij in het verre Madrid gestudeerd had, decennialang voor de klas had gestaan van de dorpsschool en zichzelf daardoor als enige intellectueel van het dorp beschouwde, was hij ook fervent aquarellist, schrijver en speelde hij een redelijk partijtje flamencogitaar, kerkorgel en als het moest ook synthesizer – gevraagd en ongevraagd. Een van Paco’s stokpaardjes was dat hij Rainer Maria Rilke had ontmoet in Ronda, tijdens een wandeling in het Alameda; een moment waarop hij als jonge jongen besloot om ook een groot schrijver te worden.

Druk baasje, die kortbenige Paco en het was dan ook onvoorstelbaar dat je hem elke dag in de dorpskroeg aan de tap zag hangen, orerend tegen een stel ongeïnteresseerde dorpelingen die met een oog naar de stierengevechten op TV keken. Paco’s vrouw Maria was een bedeesde en altijd bezorgd kijkende vrouw die meestal in een huishoudschort rondliep en zich zelden in het openbaar vertoonde naast haar altijd lawaaierige echtgenoot sinds 1962. Toonbeeld van vlijt en verzorging, een vrouw met een groot talent voor het onzichtbaar bewegen in de grote schaduw van de kleine Paco. De dorpelingen waren er aan gewend; Maria was nu eenmaal schuchter en Paco maakte lawaai. Volgens Encarni waren Paco’s veel te korte beentjes reden voor zijn lawaaierige hoofd. Compensatiegedrag bij het ontbreken van lengte, was een bekend fenomeen in deze contreien, waar de mens nog geboren neigde te worden in middeleeuwse Moorse formaten, gedrongen borstkassen, korte nekken en dito benen. Encarni zou een geniale socioloog en antropoloog zijn, misschien wel een schrijver – als ze geen analfabeet zou zijn geweest – want ze toverde altijd geweldig geloofwaardige analyses tevoorschijn in gesprekken bij de bakker. Maar Paco was de kwaadste niet, volgens de meeste vrouwen. Voor hetzelfde geld, zei zijn buurvrouw Rosa, sloeg je man je elke avond bont en blauw – dan kon je maar beter met iemand als Paco getrouwd zijn, altijd druk (en vaak weg); een voornaam burger met voorname vrienden onder de intellectuelen en artistiekelingen in de hele streek.

Paco had zelfs twee boeken geschreven, gedrukt door zijn schoonbroer, die in de stad de familiedrukkerij runde. Het plaatselijke VVV-kantoortje had zich onder druk van de drammerige Paco een stapeltje boeken op de toonbank laten duwen en ik had in een moment van nieuwsgierigheid een exemplaar gekocht. Volgens het meisje van de VVV het eerste verkochte exemplaar sinds twee maanden. Het boek, waarop de cover een foto van de bolbuikige Paco in een strak wielrenpakje tegen de achtergrond van ons witte Moorse dorp en de grijze kliffen van El Riesgo, bleek een slaapverwekkende uiteenzetting van oninteressante observaties, gelardeerd door nog minder boeiende foto’s van steeds dezelfde Paco in steeds een ander landschap, steeds vanuit hetzelfde kikvorsperspectief gefotografeerd, waarschijnlijk door zijn vrouw.

Op een dag kwam ik Paco tegen bij de rivier, aan de rand van mijn land. Hij liep er een beetje quasinonchalant bij, alsof hij een verdwaalde wandeltoerist was. Maar aangezien hij een uiterst nauwkeurige passage had geschreven in zijn tweede boek, over het kleine riviertje, wist ik dat hij niet verdwaald was. Al snel had Paco zich babbelend aan mijn keukentafel gewurmd en zat hij met een kop koffie een eind weg te kletsen over zichzelf, zijn nieuwe boek en de teleurstellende opkomst van zijn laatste aquarellenexpositie en boeksigneersessie in het stadhuis, vanwege de hevige sneeuwval. Ik had in dit dorp nog nooit iemand zo opgelucht alle natuurverschijnselen zoals sneeuwval, hitte, Mistralwinden en bergverzakkingen zien aangrijpen zoals Paco, die weigerde in te zien dat lege zaaltjes nu eenmaal de hoge prijs waren voor het overschreeuwen van middelmatigheid. Er kwam nooit iemand naar zijn exposities, lezingen, signeersessies of optredens. Er luisterde nooit iemand naar zijn ellenlange en slaapverwekkende dorps- en feestspeeches, zijn saaie uiteenzettingen over zandweggetjes en strakblauwe luchten, zijn liedjes, zijn grappen. En er was geen hond in dit dorp dat zijn boek had gelezen of ooit zou gaan lezen.

En dat laatste was misschien wel Paco’s grote geluk. Want zonder publiek was er ook geen noot van kritiek en kon hij zichzelf als de ware Narcissus tot in de lengte der jaren laven aan zijn vermeende genialiteit, zijn schrijverschap, intellect en roem.

Bij het uitgaan, bleef Paco’s blik verrast haken aan zijn boek ”Memoires van een dorpeling deel 1”. ”Ga je mij in het Spaans lezen?” Vroeg hij, terwijl zijn grote gezicht bijna uit elkaar barstte in een poging zijn opwinding en vreugde te verbergen over het feit dat hij eindelijk een lezer had gevonden die twaalf euro over had gehad voor zijn memoires. Ik beloofde dat ik mijn best zou doen. ”Je kunt ook wachten op de vertaling.” opperde hij net iets te gretig. Paco wist en ik wist ook dat die vertaling er nooit zou komen. ”Zal ik het signeren?” vroeg hij terwijl het boek al in zijn handen had en zijn linkerhand een pen uit zijn borstzakje trok. ”Ja graag.” Loog ik.

Sinds die dag spraken Paco en ik nooit meer met elkaar. Wel stak ik – lafaard – altijd vrolijk mijn duim op als ik hem zag lopen in het dorp, in de hoop dat hij dat universele gebaartje zou opvatten als compliment voor zijn boek dat ik nooit had gelezen. Pas jaren later, toen Facebook haar intrede deed, begreep ik dat de wereld vol zit met Paco’s en halfbakken laf publiek zoals ik dat een duim opsteekt om de ander gerust te stellen.

Paco overleed in hetzelfde jaar waarin de wereld zich massaal op Facebook stortte en ook ons dorp dankzij een ijverige burgemeester met connecties in Madrid als een van de eerste dorpen in deze uithoek op het internet werd aangesloten. Rosa had hem gevonden langs de kant van het water, vlakbij mijn boerderij. Hij had zijn aquarellen-collectie en alle manuscripten van nooit afgemaakte boeken postuum geschonken aan het gemeentelijke museum, die de vijf kuub middelmatig levenswerk stilletjes in het depot en de vergetelheid begroeven. Zijn vrouw bloeide op en verhuisde naar een mooie flat aan de Costa del Sol. Maar dat zou hij allemaal nooit meer weten en dat was misschien beter ook.

Sommigen zeiden dat hij struikelde, anderen fluisterden dat het zelfmoord was. Ik hoopte dat Paco verdronk in een omhelzing met zijn eigen spiegelbeeld. Op die mooie plek aan het water, waar nu narcissen bloeien. Wie goed luistert, hoort de vage echo van Paco die op zijn synthesizer een vrolijke Paso Doble speelde. Want dat kon hij wel als de beste.

 

 

Loslaatrotsdag

 

blerick

In Cartjima was de dood dagelijkse kost. Al was het maar omdat het kleine, verhoogde bergkerkhof pal aan de ingang van het dorp lag. Elke dag zaten de dorpsoudsten op de grote rotsblok tegenover het kerkhofje elkaar en zichzelf op te warmen met herinneringen en roddels.

‘’Heb je gezien dat Maria bloemen bij Paco op het graf heeft gelegd gisteravond? Ze heeft wel lef.  Vertel het maar niet tegen Pepa!” De vetes, de familieruzies, de liefdesaffaires en roddels; als je dood was in Cartajima, leefde je nog jaren voort in de scherpe tongen van de roddelaars op de rots. Dat had wel iets geruststellends.

Het hoort erbij, die vervelende dood. En het went nooit. Mijn familie lijkt er de laatste jaren Airmiles voor te krijgen.

Ingeklemd tussen een jongen met te veel Axe en een meisje met een roze nepbontkraag dat al vanaf Helmond afscheid probeert te nemen van haar vriendje aan de telefoon, teleporteer ik mezelf tussen Eindhoven en Venlo op de rots van Cartajima met Blas en de twee Juans.

Op de rots werd nooit gehuild. We roddelden al onze tranen weg. En als iemand over die onzichtbare grens van venijn sprak, dan riepen de anderen: Over de doden niets dan goeds!

Als ik mijn ogen open, is de trein bijna leeg en rolt mijn eindbestemming, het station van Blerick binnen en ik ben blij dat ik niet met de auto ben gegaan vandaag.

Ik moet aan het werk, een interview filmen op oud, bekend terrein voor mijn nieuwe docu Tegenpolen in Blerick. Als ik de voetgangerstunnel uit loop, zoeken mijn ogen tegen beter weten in naar het grimmige welkom van de afwijzende koppen van de twee Juans en Blas. Geen rots in Blerick.

Herinneringen als regenplassen ontwijkend, laveer ik richting de straten van mijn jeugd. Hoofd op focus, geest op scherp, rugpijn en weemoed in de rugzak naast mijn camera. Aan de overkant steekt een oude man joviaal zijn hand op. Ik herken hem niet, maar hij heet vast Juan, Juan, of Blas.

Vandaag is mijn interviewthema loslaten. Van rotsen. Van mensen. Van oude levens. Komt dat even mooi uit.

 

 

 

Prima

hola.jpg

In een hechte, geïsoleerde gemeenschap is alles familie. Behalve ik. Dat vond ik in de beginperiode erg prettig. Je bent een ander diersoort – solitair en vrij van sociale plichten en druk, vrij van verleden en imago, verjaardagen, bruiloften en begrafenissen. Een soort vliegende eenhoorn tussen de taaie muildieren.

Het was nog in de tijd waarin ik de woorden soledad en solamente door elkaar haalde.

‘Heb jij een moeder dan?’ Antonio viel bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het heilige M-woord uit mijn mond hoorde rollen. Ik kreeg er lol in, maar was minstens zo verbaasd dat hij daar zo verbaasd over was. ‘En nog drie zussen, een broer en een vader.’

‘Joder..’

Hij bekeek me alsof ik net een groot geheim had onthuld. ‘Joder, mujer…dát wist ik niet.’ Mompelde hij nog eens en stak een zwarte Ducado op en hief zijn flesje. ‘Chin Chin. A tu madre.’

Antonio wist niks van me, alleen dat ik kon hellingtrekken, uit het land van Kroijf en tulipanes kom, kon roken, praten en een bougie vervangen. Dat was al ruim de helft meer dan anderen in dit dorp van me wisten. Blijkbaar had hij nog niet met zekerheid vastgesteld dat ik van het menselijke ras was en als we een paar eeuwen zouden doorgraven, wellicht nog verre familie ook.

Een week later kwamen mijn ouders op vakantie. Hun allereerste vliegreis samen. Mijn allereerste familievisite. De moeder van de postbode omhelsde mijn vader alsof hij een lang verloren zoon was die terugkeerde uit een oorlog. Tranen. Mijn moeder had sjans van Paco de oude kastanje-zigeuner. ‘Zeg tegen je moeder dat ze vroeger een mooi vrouwtje moet zijn geweest.’ Ik heb de vrije vertaling gekozen. Ze bloosde. Een beetje mopperend.

De burgemeester kwam even persoonlijk een hand geven, de ober van La Farola, la Quinta en de twee venta’s langs de weg naar Ronda klopten me op mijn schouder alsof ik eindelijk de finish had bereikt van mijn familie-loze marathon. De lokale dorpsgek wurmde zich door een kiertje in de deur om mijn vader een snelcursus schreeuwen en schelden in het Spaans te geven. Mijn vader wurmde hem in het plat Venloos scheldend door hetzelfde kiertje weer naar buiten. Rosa speelde patience op het stoepje met mijn moeder, rokken op hun ronde bleke knieën, de kaarten tussen hen in op de koele steen. ‘Ze speelt vals, je moeder. Ik mag haar wel.’

We deden dingen die ik in mijn jeugd nooit gedaan had met ze: zwemmen in de rivier, picknicken, we zagen arenden en gieren, we maakten een kampvuur op de boerderij. Paseo in Ronda, werken in de tuin. Mijn moeder ving een kleine witte schorpioen op de rug van haar hand en zei: ‘Kijk nou wat parmantig dat staartje.’ En we gingen naar de Chinees. ‘Zijn er hier ook Chinezen???’ De Spaans sprekende buurt-Chinees ‘Hola’ in Ronda vonden ze minstens zo spannend als de hele grote klont Unesco-erfgoed eromheen.

Mooie mensen, mijn ouders. ‘Muy natural.’ Zei Juan van de Estanco. Het grootste compliment tegenwoordig.

Het afscheid viel zwaar. De moeder van de postbode huilde en vertelde mijn vader dat hij de knapste man was die sinds mensenheugenis in het dorp was geweest. Ze heeft nog weken over hem gepraat en mij om een foto gevraagd.

Antonio en de anderen konden daarna met een gerust hart weer verder wennen aan me. Nu ik geen vreemde familieboomloze vogelsoort bleek, maar gewoon een dochter, leek dat opeens stukken sneller te gaan. Vanaf de dag waarop mijn ouders weer naar huis keerden, noemde Antonio me Prima – nicht.

Ik vond het prima. (tranen)

Joder. Alles is familie.

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html

 

 

Consuminderen in stijl (Uit het boek van Blas)

Heel soms wilde Blas mee naar de supermarkt in de stad. Ik baalde dan een beetje, want de ritjes naar de supermarkt waren mijn meest frivole shoppinguitstapjes in die tijd. Ik maakte er altijd een uitstapje van; mooie kleren aan, make-upje, een tapaatje eten bij de venta onderweg. Het liefs ging ik tegen de avond, als het afkoelde en de zon alles in oranje en paars kleurde. Al was het slechts een dik half uur rijden, de schoonheid van het avondlandschap vertraagde de tijd. Ik draaide mijn favoriete muziekje en bralde luidkeels mee met Joni Mitchell of de euforische koren van de Misa Flamenca van Peña. ‘Santos, Santos!’ Met een een brok in mijn keel van het mooie landschap en de muziek die aan de touwtjes van mijn ziel trokken tot het tranenluik open ging. Heerlijk. Al was ik altijd bang dat ik op zulke momenten per ongeluk spontaan gelovig zou worden. Mijn praatkameraad Paco de treurige uit Madrid noemde dit ‘het heerlijke huilen’. Hij kon het weten want hij reed eens per maand op en neer naar Madrid, hij was de enige atheïst in het dorp en hij hield van Bach. Op de parking van de Hypersol werkte ik mijn mascara bij.
Met Blas naast me ging die emo-vogel niet op helaas. Met vragen als: ‘Waarom zing je zo vals vrouw?’ en: ‘Waarom huil je, vrouw?’, verprutste hij mijn trip totaal. 
(Pas nu ik het opschrijf vind ik dat komisch; destijds vond ik hem ronduit irritant op zulke momenten; alsof iemand me last minute mijn vakantie afnam.)
Na een rit waarin Blas aan een stuk door in mijn oor toeterde over welke dorpelingen er allemaal in de ravijnen waren gestort, kon het winkelfestijn beginnen. Blas duwde de kar (zo raakte ik hem niet kwijt, zoals de vorige keer) en ik shopte.
Dat ging ongeveer als volgt:
Bij de koekjes: Blas (schreeuwend): “Koekjes? Mmmm. Waarom koop je koekjes, vrouw? Die kun je toch goed zelf bakken?”
Bij de vleeswaren: “Chorizo? Die kun je toch veel beter bij Pepa kopen? Die heeft er nog een stuk of twintig hangen.”
Bij de eieren: “Eieren? Leggen die kippen van Juan dus nog steeds niks? Je moet die kippen slachten.”
Bij de kippengrill: “Kip? Je hebt toch kippen? En anders vraag je Juan van Paqui toch er eentje te slachten?
Bij de slijterij-afdeling: “Heb je die zelfgestookte voorraad aguardiente nou al op dan?”
Met 24 rollen wc-papier, een zak meel, suiker en een fles afwasmiddel droop ik af naar de kassa. Met Blas winkelen was niet leuk, maar wel kosten- en tijdbesparend. Na deze tocht wachtte me nog een hele kruistocht door het dorp: Langs Pepa’s worstenschuurtje, langs Paqui en Juan, een geschikte kip uitzoeken, naar Ana van de Farmacia voor aspirine voor de hoofdpijn van de aguardiente die ik zeker zou gaan drinken hierna. Ik was tenslotte geen Mormoon, al begon het er wel op te lijken langzaam.
Onder de sterrenhemel dronk ik die nacht een glaasje zelfgestookte aguardiente met een stuk kaas. Te moe om te koken na deze uit de hand gelopen consuminder-expeditie. Camerón op de radio. Smerig sterk spul op een bijna lege maag, maar met Camerón en zo’n  sterrenhemel net voldoende om even aan de touwtjes van mijn ziel te trekken. 
Chin Chin! Op het consuminderen. Dat eigenlijk uitgevonden is door Blas. 

Ome Juan doet Ernest Hemingway

(Uit het Boek van Blas)
Het was een normale stille zondag in het dorp. Tot dat Ome Juan met zijn grote Amerikaanse bak verscheen. De dorpelingen keken vol ontzag toe hoe hij sporen van de dure bordeauxrode lak van de lange slee achterliet op de zojuist witgekalkte muren. ‘De straten zijn te smal!’ Riep Ome Juan zwetend, terwijl hij de volgende bocht doorschraapte en zijn grote voorhoofd depte met een hagelwitte zakdoek. Catalina van de postbode sloeg weer een kruis toen Ome Juan met zijn zakdoek naar haar wuifde op het plein. Ze dacht nog steeds de herrijzenis van Hemingway te zien, zodra Juan met zijn dikke witte baard in het dorpje verscheen. Niet dat men hier in het dorp boeken van Hemingway las, maar omdat de schrijver veel zomertijd had doorgebracht in het nabijgelegen Ronda in de jaren veertig, had zij hem persoonlijk meerdere malen mogen ontmoeten. Ome Juan vond het mooi dat sommige ouderen in Ronda en omstreken zich omdraaiden als hij ergens verscheen. ‘Jammer dat ik niet zo kan schrijven als Ernest.’ Grapte hij en besloot twee minuten later dat hij een boek ging schrijven over zijn avonturen in de internationale vleeslobby en kunst-nevenhandel.
Niet alleen de straatjes en zandpaden, maar de wereld in z’n geheel was eigenlijk te klein voor Ome Juan.  Dat had hij zelf nog niet in de gaten. Hij was nog in hoge staat van verwondering over het feit dat de wereld zich nog steeds niet had weten aan te passen aan het volume van zijn geest, zijn stem en zijn geliefde Amerikaanse auto’s.
Binnen een uur was het feest. Want zo ging dat als Ome Juan eens per jaar op bezoek kwam. Het feest werd uit de tijd geslagen, alsof we iets in te halen hadden. Dikke lappen vlees lagen te sudderen in mijn pannen die hier normaliter alleen maar groenvoer zagen.  De wijn leek te verdampen met de snelheid van aceton in warme lucht, zodra Ome Jan ging zitten. Dronken werd hij niet van de wijn, maar van het samenzijn met mensen. Na twee flessen hield hij oprecht meer van iedereen die aan zijn lippen hing. Het erf vulde zich met zijn sterke verhalen en af en toe een bescheiden lachsalvo. Want om uitgebreid te bulderen, of te vragen of het waar was wat hij vertelde, daar gaf Ome Juan niemand de tijd voor, want er waren nog zoveel verhalen te vertellen.
Veel van zijn verhalen grensden aan het ongeloofwaardige. Maar zijn overtuigingskracht en verteltalent, de humor en ironie waarmee hij zijn soms vreselijke avonturen kon omschrijven, maakt het waarheidsgehalte van ondergeschikt belang. Zijn wereldreizen als handelaar in vooral vlees en soms wat kunst, deden elke Ludlum-thriller uit mijn vaders kast verbleken tot een flodderroman.
Met uitgeputte oren bleven we achter. De stilte was altijd immens na zo’n feestelijk bezoekje van Ome Juan. En we wogen daarna nog dagenlang de vermoedelijke onwaarheden of kromme wendingen van zijn avonturen. Altijd weer kwamen we tot de conclusie dat Ome Juan een gevaarlijk type was, vol harde en halve waarheden en een leven dat risicovoller was dan we ons konden voorstellen. Toch had hij een gouden hart. En de in Andalusië zeer gewaardeerde gave om met een paar flessen wijn en een sterk verhaal een feest te doen opvlammen uit het niets.
Enkele uren later hobbelde hij met zijn gekraste Amerikaan weer het zandpad op. Ons aandringen een kamer in het dorp te nemen vanwege de liters wijn die hij had laten verdampen, lachte Ome Juan bulderend weg: ‘’Ik heb vier rijbewijzen uit drie landen, dus dat komt wel goed.‘’ Tot kilometers ver hoorden we de bramentakken piepen en krassen tegen zijn autoflanken. Op weg naar zijn nieuwe vlees- of kunstavontuur en feesten met halve beroemdheden in zijn loft bij Marbella. We dachten, vanuit het perspectief van de arme boeren en hippies die we met z’n allen waren ten opzichte van de exorbitante Ome Juan, dat hij regelrecht het soepele leven van een corrupte rijkaard inreed, om over een paar maanden weer terug te komen met verse sterke verhalen. Alleen Alfredo de burgemeester dacht daar anders over: ‘’Die opknapbeurt aan die auto kost meer dan de gemiddelde finca hier in dit dorp.’’ Zei hij misprijzend. Als liefhebber en verzamelaar van oldtimers kon hij het weten.
Hoe je het ook wende of keerde, iedereen was op z’n eigen manier onder de indruk van Ome Juan. De een vanwege zijn verhalen, de ander vanwege zijn gelijkenis met Hemingway of zijn rijkdom en een enkeling voor zijn gulle hart.
Pas jaren later ontdekte ik de werkelijke aantrekkingskracht van onze stille vallei op Ome Juan. Uit zijn verhalen bleek steeds vaker dat hij niemand vertrouwde en dus nooit zijn verhalen kwijt kon tot in de echte smeuïge details. Hij zoog zich vol met onze simpele aandacht onder het mom dat hij het ‘geweldig knap’ vond hoe wij hier vrijwillig ‘op een houtje beten’. Zijn wantrouwen en drankdriften groeiden mettertijd als een dikke olievlek gedurende zijn verblijf in het mondaine, oppervlakkige en zuigende Marbella en het  besmette uiteindelijk ook onze relatie zodra wij op uitnodiging enkele malen in zijn territorium verbleven. Hoe meer aandacht hij kreeg, hoe meer hij overtuigd raakte dat iedereen tegen hem was, of iets van hem wilde. Hij leek niet in de gaten te hebben dat hij alle aandacht zelf genereerde, door meer feesten te geven dan Xaviera Hollander in die dagen. Ome Juan bleek nog een andere overeenkomst te hebben met Hemingway: Hij raakte verstrikt in zijn eigen verhalen en verslaafd aan een suïcidale levensstijl vol vrouwen, drank, medicijnen en culinaire cholesterol. Van een Bourgondische levensgenieter, werd hij een onvoorspelbaar feestbeest dat alles deed wat zijn artsen hem verboden hadden.
In 2010, na jaren van radiostilte, viel mijn oog op een klein berichtje in de krant. ‘Nederlander vermoord in Paraguay’ Het was Ome Juan. Dood aangetroffen in zijn appartement in Paraguay, waar hij de laatste jaren van zijn leven rentenierde. Op zijn bank met op tafel een lege wijnfles. Waarschijnlijk heeft hij eerst wijn gedronken en verhalen verteld aan zijn moordenaars.
Met terugwerkende kracht geloofde ik alle sterke verhalen toch. Hij had in al die verhalen zijn eigen moord voorspeld. Catalina van de postbode had inmiddels uitgerekend dat Ome Juan niet de reïncarnatie kon zijn van Ernest Hemingway. Maar toch. De parallellen waren achteraf ongelooflijk. Als hij had kunnen schrijven zoals hij geleefd had, was hij zeker net zo’n bestseller geworden dan ‘For whom the bell tolls’  Het verhaal waarin Ernest Hemingway zijn aankomende zelfmoord verpakte, iedereen het las, maar niemand hem geloofde.

Sorrie Ome Juan. Rust zacht in de verhalenhemel. 

Ploegen

Blas vond het een beetje vreemd dat ik me druk maakte over letters en vellen (leeg) papier. De regentijd was in aantocht, de weg naar het dorp kreeg nieuwe lantaarnpalen en Pepa’s en Paco’s jongste zoon was afgelopen zondag dood neergevallen tijdens de jaarlijkse dominocompetitie in Balta’s bar. Ik vond dat laatste heel erg, maar zat desalniettemin met mijn schrijversego te zuchten aan de keukentafel. Horendol van te veel oploskoffie en jammerend met een te grote berg woorden in mijn kop en een stapel veel te leeg papier.
Een typisch geval van schrijversaanstellerijblock. Hele rambam voor niks geweest, ik had net zo goed in Venlo kunnen blijven, concludeerde ik. Daar schreef ik als vanzelf, ondanks gebrek aan uitzicht en vooruitzicht. (Zwelg. Zwelg.) Ik zette er een CD van Cohen bij op. Dat hielp (zwelg).
Hij liet me achter aan mijn keukenschrijfzwelgdis om maar weer op het land te gaan werken. ‘Niks mee aan te vangen, die vrouw.’ Mompelde hij bij het weggaan. Hij baalde dat ik zijn koffie al sinds een week weigerde te roeren, sinds mijn plotsklaps ingedaalde besef dat ik me in mijn ijver me aan te passen aan lokale gebruiken gedroeg als een vrouw van vooroorlogse makelij. Ik kon me zelfs niet meer voorstellen dat ik ooit naar hennarood neigend haar had gehad, op Loesje stemde en de opzij-agenda kocht.
Ik was het zat, de rugpijn van het plukken en irrigeren, het gesjouw met waterslangen, zwangere honden en al die levensvragen die niet meer de mijne leken. Ik wilde niet meer weten hoeveel energie er in accu’s van de zonnepanelen paste, hoeveel kuub water in de irrigatieput, hoeveel kiwi’s, kastanjes, olijven of geitenmest in mijn kofferbak, hoeveel tomaten in een liter tomato frito. –Zwelg- Waarom was ik ook alweer hier? Juist. Ik was hier gekomen om een boek schrijven. Een literair hoogstaand werk dat zin en reden zou geven aan dit gedoe hier in de modder. En mijn chronische verbazing over het feit hoe ik ook al weer hier terecht gekomen was, zou mijn grote inspiratiebron moeten zijn.
Ammehoela. Mijn inspiratie was gekrompen tot het formaat van een vochtige rugzakje dat nog ergens in de kelder rondslingerde. Hoe meer eelt ik op mijn handen kreeg van het schoffelen en hakken, hoe slapper mijn geestelijke prestaties leken. Ik voelde me een vochtig schoolschrift met ezelsoren, wiens lijntjes weigerden mijn overdreven zware woorden te dragen. Ik viel door de mand; uiteindelijk was ik blijkbaar meer boer en koffieroerend vrouwmens dan mijn intellect mij wilde doen geloven in Nederland.
O ja. De Natuur. Nog zo’n onuitputtelijke inspiratiebron. Jammer genoeg bleek ik niet de schrijvende Marjolein Bastin die ik hoopte te worden hier in het bos. Mijn interpretatie van natuur was sowieso een grote misfit met de natuur zoals die zich hier manifesteerde dezer dagen. Niks Timothei-momenten. Of: ‘Ik-zat-aan-de-beek-te-mediteren-en-toen-snapte-ik–het-allemaal-momentje. Verre van dat.  De natuur was in deze dagen een klam beest dat continu over me heen walste. Een moodswing van wolken, regen en soms wat zon. Ik moest nog wennen aan dat idee dat het hier meer Grizzly Adams bleek te zijn dan Timothei of Zwitserleven-gevoel.
Twee dagen later was alles weer goed; ik had een potje stevig gezwolgen en was net niet verdronken. De zon scheen weer aarzelend en de stormen leken overgewaaid. Paco junior was begraven en de lantaarnpalen stonden overeind. De dorpsoudjes waren zo blij met het extra straatlicht in de donkere avonduren, dat ze een extra avond-paseo inlasten tot aan lantaarnpaal nummer 10 op de hoofdweg. Iets dat in de koude winterperiode heel ongebruikelijk was. Ik vond dat zo’n mooi beeld dat ik er spontaan van begon te schrijven. Over het dorp dat licht kreeg. Ik roerde weer braaf Blas’ koffie.
Schrijven is net als boeren; je zaait je akker van wit papier vol opportunisme en dromen en soms mislukt er een oogst. Blas had daar een heel simpele oplossing voor: ‘Je moet veel minder diep ploegen, want anders haal je het leven uit de bodem!’ 

De Lama en de kleine Samurai

(uit het boek van Blas)

Een prima stevig karretje, bulderde Juan el Gordo, terwijl hij bij wijze van demonstratie nog eens wild aan de imperiaal van de Suzuki Samurai rukte. Ik was bijna bang dat het karretje uit elkaar zou vallen, voordat ik de berg af was.

Toch had Juan gelijk; het 1.000-euro-karretje had het karakter van een echte Samurai. Het vuil-witte blikje bleek over onverwoestbare krachten te beschikken op de steile bergweggetjes en overtrof zelfs zijn grote, zware gebull-barde broers, die hun logge, blinkende carrosserie met moeite door de modder bergopwaarts kregen getrokken bij regenweer. We kregen al snel een hechte band, de Samurai en ik.

Buiten de vallei was het andere koek. Bij hoge windsnelheden en scherpe bochten op de grote weg, kon het arme diertje niet sneller dan 60, want anders kiepte het om, of waaide het uit de bocht als een leeg bierblikje op een winderige straathoek. Ik zag soortgenoten regelmatig als opgefrommeld in ravijnen liggen. Daar kon geen waarschuwingsbord tegenop.

Als ik met de Samurai naar de grote stad of het vliegveld moest rijden, was ik doodmoe. De snerpende geluiden van het kleine motortje, het gerammel van de veerplaten, de stoffige warme, of snijdende koude wind die door de gaten en kieren van het sleetse canvas dakje blies. Blas moest altijd lachen als ik terug kwam na zo’n expeditie. Geel van het stof, of blauw van de kou, mijn nieren ergens waar ze niet hoorden te zitten en een pesthumeur van hier tot Granada. Voor hem was het weer een zoveelste bevestiging van zijn overtuiging dat weggaan uit de vallei nergens goed voor was.

Rondom de Kleine Dappere Samurai ontsproot een waar nieuw sociaal netwerk: de vier broers, zus en drie schoonzussen van ‘Taller Hernandes’ in Ronda, zagen me zo vaak in hun garage, dat ik mee mocht eten tussen de middag. De twee broers van de lokale sleepdienst hadden al drie keer hun levensverhalen met me gedeeld, zo vaak was ik door ze opgesleept en naar de de familie Hernandes gebracht. Een grote familie. Na zes jaar noemden ze me allemaal Prima.

Blas vertrouwde de Samurai helemaal niet, zoals hij niks vertrouwde dat na 1930 gefabriceerd was. Heel soms reed hij mee naar het dorp of stad en dan hield hij zich met twee handen aan de dakbeugel vast, ogen dichtgeknepen, alsof hij in een achtbaan zat. Ik reed dan stapvoets en werd soms ingehaald door fanatieke Hollandse wandelaars die dan weer boos keken omdat ik hun milieu, rust en uitzicht verstoorde met mijn ronkende vehikel en scheldende Blas. Meestal na zo’n rit probeerde hij me te overtuigen van alle voordelen van een muildier. Dat het met zo’n muildier 4,5 uur sjokken was naar de supermarkt, vond hij bijzaak.

Een spiritueel getint einde was achteraf gezien onvermijdelijk voor deze kleine dappere auto. Kort voordat hij het echt begaf, diende zich een heel speciale gast aan op de boerderij: Lama Rinpoche Mogchok. Tijdens onze avondwandeling over de finca zag de Lama de kleine Samurai staan. Zijn ogen begonnen te twinkelen en lachend stelde hij een vraag aan zijn tolk. De Lama wilde graag een ritje over de zandweg. Omdat ik niet bepaald ervaring had in het ontvangen van Tibetaanse Lama’s, had ik een halve hectare volgeplempt met meditatieplekken, kussens, matjes en her en der wat gebedsvlaggetjes opgehangen in de bomen, de paden vrijgemaakt van mierennesten en onkruid, de logeerkamer tot een Tibetaanse slaapcel ge-restyled, inclusief offeraltaar conform de protocollen die ons vooraf waren toegestuurd door de staf van de Rinpoche. Ik dweepte stiekem met het beeld van mijn boomgaarden vol mediterende gasten en gelukkige Lama’s. Lekker rustig en blij. Maar het leven is geen Flow-magazine. In plaats van mijn onrustige ziel en grond met wat Ohmmm te zalven, wilde de Lama een rondje crossen in mijn Samurai die naar natte hond, hooi, valfruit en schimmelige bekleding stonk.

Ik zal de lach van Lama Mogchok Rinpoche nooit meer vergeten; het was de heldere schaterlach van een kind. Een heel blij kind. Blas, die de Lama al uren lang met opengevallen (en niet meer dichtgeklapte) mond had aangestaard,  moest ook onbedaarlijk lachen en haalde de Maagd Maria er nog bij, want hij had nog nooit een lachende kerel in een jurk gezien. En de kleine Samurai deed nog een keer zijn uiterste best om mooie stofwolken te slippen. Mooi was dat. Heel interreligieus.

Zo zie je maar weer, klein geluk zit overal waar je het niet neigt te zoeken.