Loslaatrotsdag

 

blerick

In Cartjima was de dood dagelijkse kost. Al was het maar omdat het kleine, verhoogde bergkerkhof pal aan de ingang van het dorp lag. Elke dag zaten de dorpsoudsten op de grote rotsblok tegenover het kerkhofje elkaar en zichzelf op te warmen met herinneringen en roddels.

‘’Heb je gezien dat Maria bloemen bij Paco op het graf heeft gelegd gisteravond? Ze heeft wel lef.  Vertel het maar niet tegen Pepa!” De vetes, de familieruzies, de liefdesaffaires en roddels; als je dood was in Cartajima, leefde je nog jaren voort in de scherpe tongen van de roddelaars op de rots. Dat had wel iets geruststellends.

Het hoort erbij, die vervelende dood. En het went nooit. Mijn familie lijkt er de laatste jaren Airmiles voor te krijgen.

Ingeklemd tussen een jongen met te veel Axe en een meisje met een roze nepbontkraag dat al vanaf Helmond afscheid probeert te nemen van haar vriendje aan de telefoon, teleporteer ik mezelf tussen Eindhoven en Venlo op de rots van Cartajima met Blas en de twee Juans.

Op de rots werd nooit gehuild. We roddelden al onze tranen weg. En als iemand over die onzichtbare grens van venijn sprak, dan riepen de anderen: Over de doden niets dan goeds!

Als ik mijn ogen open, is de trein bijna leeg en rolt mijn eindbestemming, het station van Blerick binnen en ik ben blij dat ik niet met de auto ben gegaan vandaag.

Ik moet aan het werk, een interview filmen op oud, bekend terrein voor mijn nieuwe docu Tegenpolen in Blerick. Als ik de voetgangerstunnel uit loop, zoeken mijn ogen tegen beter weten in naar het grimmige welkom van de afwijzende koppen van de twee Juans en Blas. Geen rots in Blerick.

Herinneringen als regenplassen ontwijkend, laveer ik richting de straten van mijn jeugd. Hoofd op focus, geest op scherp, rugpijn en weemoed in de rugzak naast mijn camera. Aan de overkant steekt een oude man joviaal zijn hand op. Ik herken hem niet, maar hij heet vast Juan, Juan, of Blas.

Vandaag is mijn interviewthema loslaten. Van rotsen. Van mensen. Van oude levens. Komt dat even mooi uit.

 

 

 

Prima

hola.jpg

In een hechte, geïsoleerde gemeenschap is alles familie. Behalve ik. Dat vond ik in de beginperiode erg prettig. Je bent een ander diersoort – solitair en vrij van sociale plichten en druk, vrij van verleden en imago, verjaardagen, bruiloften en begrafenissen. Een soort vliegende eenhoorn tussen de taaie muildieren.

Het was nog in de tijd waarin ik de woorden soledad en solamente door elkaar haalde.

‘Heb jij een moeder dan?’ Antonio viel bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het heilige M-woord uit mijn mond hoorde rollen. Ik kreeg er lol in, maar was minstens zo verbaasd dat hij daar zo verbaasd over was. ‘En nog drie zussen, een broer en een vader.’

‘Joder..’

Hij bekeek me alsof ik net een groot geheim had onthuld. ‘Joder, mujer…dát wist ik niet.’ Mompelde hij nog eens en stak een zwarte Ducado op en hief zijn flesje. ‘Chin Chin. A tu madre.’

Antonio wist niks van me, alleen dat ik kon hellingtrekken, uit het land van Kroijf en tulipanes kom, kon roken, praten en een bougie vervangen. Dat was al ruim de helft meer dan anderen in dit dorp van me wisten. Blijkbaar had hij nog niet met zekerheid vastgesteld dat ik van het menselijke ras was en als we een paar eeuwen zouden doorgraven, wellicht nog verre familie ook.

Een week later kwamen mijn ouders op vakantie. Hun allereerste vliegreis samen. Mijn allereerste familievisite. De moeder van de postbode omhelsde mijn vader alsof hij een lang verloren zoon was die terugkeerde uit een oorlog. Tranen. Mijn moeder had sjans van Paco de oude kastanje-zigeuner. ‘Zeg tegen je moeder dat ze vroeger een mooi vrouwtje moet zijn geweest.’ Ik heb de vrije vertaling gekozen. Ze bloosde. Een beetje mopperend.

De burgemeester kwam even persoonlijk een hand geven, de ober van La Farola, la Quinta en de twee venta’s langs de weg naar Ronda klopten me op mijn schouder alsof ik eindelijk de finish had bereikt van mijn familie-loze marathon. De lokale dorpsgek wurmde zich door een kiertje in de deur om mijn vader een snelcursus schreeuwen en schelden in het Spaans te geven. Mijn vader wurmde hem in het plat Venloos scheldend door hetzelfde kiertje weer naar buiten. Rosa speelde patience op het stoepje met mijn moeder, rokken op hun ronde bleke knieën, de kaarten tussen hen in op de koele steen. ‘Ze speelt vals, je moeder. Ik mag haar wel.’

We deden dingen die ik in mijn jeugd nooit gedaan had met ze: zwemmen in de rivier, picknicken, we zagen arenden en gieren, we maakten een kampvuur op de boerderij. Paseo in Ronda, werken in de tuin. Mijn moeder ving een kleine witte schorpioen op de rug van haar hand en zei: ‘Kijk nou wat parmantig dat staartje.’ En we gingen naar de Chinees. ‘Zijn er hier ook Chinezen???’ De Spaans sprekende buurt-Chinees ‘Hola’ in Ronda vonden ze minstens zo spannend als de hele grote klont Unesco-erfgoed eromheen.

Mooie mensen, mijn ouders. ‘Muy natural.’ Zei Juan van de Estanco. Het grootste compliment tegenwoordig.

Het afscheid viel zwaar. De moeder van de postbode huilde en vertelde mijn vader dat hij de knapste man was die sinds mensenheugenis in het dorp was geweest. Ze heeft nog weken over hem gepraat en mij om een foto gevraagd.

Antonio en de anderen konden daarna met een gerust hart weer verder wennen aan me. Nu ik geen vreemde familieboomloze vogelsoort bleek, maar gewoon een dochter, leek dat opeens stukken sneller te gaan. Vanaf de dag waarop mijn ouders weer naar huis keerden, noemde Antonio me Prima – nicht.

Ik vond het prima. (tranen)

Joder. Alles is familie.

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html

 

 

Consuminderen in stijl (Uit het boek van Blas)

Heel soms wilde Blas mee naar de supermarkt in de stad. Ik baalde dan een beetje, want de ritjes naar de supermarkt waren mijn meest frivole shoppinguitstapjes in die tijd. Ik maakte er altijd een uitstapje van; mooie kleren aan, make-upje, een tapaatje eten bij de venta onderweg. Het liefs ging ik tegen de avond, als het afkoelde en de zon alles in oranje en paars kleurde. Al was het slechts een dik half uur rijden, de schoonheid van het avondlandschap vertraagde de tijd. Ik draaide mijn favoriete muziekje en bralde luidkeels mee met Joni Mitchell of de euforische koren van de Misa Flamenca van Peña. ‘Santos, Santos!’ Met een een brok in mijn keel van het mooie landschap en de muziek die aan de touwtjes van mijn ziel trokken tot het tranenluik open ging. Heerlijk. Al was ik altijd bang dat ik op zulke momenten per ongeluk spontaan gelovig zou worden. Mijn praatkameraad Paco de treurige uit Madrid noemde dit ‘het heerlijke huilen’. Hij kon het weten want hij reed eens per maand op en neer naar Madrid, hij was de enige atheïst in het dorp en hij hield van Bach. Op de parking van de Hypersol werkte ik mijn mascara bij.
Met Blas naast me ging die emo-vogel niet op helaas. Met vragen als: ‘Waarom zing je zo vals vrouw?’ en: ‘Waarom huil je, vrouw?’, verprutste hij mijn trip totaal. 
(Pas nu ik het opschrijf vind ik dat komisch; destijds vond ik hem ronduit irritant op zulke momenten; alsof iemand me last minute mijn vakantie afnam.)
Na een rit waarin Blas aan een stuk door in mijn oor toeterde over welke dorpelingen er allemaal in de ravijnen waren gestort, kon het winkelfestijn beginnen. Blas duwde de kar (zo raakte ik hem niet kwijt, zoals de vorige keer) en ik shopte.
Dat ging ongeveer als volgt:
Bij de koekjes: Blas (schreeuwend): “Koekjes? Mmmm. Waarom koop je koekjes, vrouw? Die kun je toch goed zelf bakken?”
Bij de vleeswaren: “Chorizo? Die kun je toch veel beter bij Pepa kopen? Die heeft er nog een stuk of twintig hangen.”
Bij de eieren: “Eieren? Leggen die kippen van Juan dus nog steeds niks? Je moet die kippen slachten.”
Bij de kippengrill: “Kip? Je hebt toch kippen? En anders vraag je Juan van Paqui toch er eentje te slachten?
Bij de slijterij-afdeling: “Heb je die zelfgestookte voorraad aguardiente nou al op dan?”
Met 24 rollen wc-papier, een zak meel, suiker en een fles afwasmiddel droop ik af naar de kassa. Met Blas winkelen was niet leuk, maar wel kosten- en tijdbesparend. Na deze tocht wachtte me nog een hele kruistocht door het dorp: Langs Pepa’s worstenschuurtje, langs Paqui en Juan, een geschikte kip uitzoeken, naar Ana van de Farmacia voor aspirine voor de hoofdpijn van de aguardiente die ik zeker zou gaan drinken hierna. Ik was tenslotte geen Mormoon, al begon het er wel op te lijken langzaam.
Onder de sterrenhemel dronk ik die nacht een glaasje zelfgestookte aguardiente met een stuk kaas. Te moe om te koken na deze uit de hand gelopen consuminder-expeditie. Camerón op de radio. Smerig sterk spul op een bijna lege maag, maar met Camerón en zo’n  sterrenhemel net voldoende om even aan de touwtjes van mijn ziel te trekken. 
Chin Chin! Op het consuminderen. Dat eigenlijk uitgevonden is door Blas. 

Ome Juan doet Ernest Hemingway

(Uit het Boek van Blas)
Het was een normale stille zondag in het dorp. Tot dat Ome Juan met zijn grote Amerikaanse bak verscheen. De dorpelingen keken vol ontzag toe hoe hij sporen van de dure bordeauxrode lak van de lange slee achterliet op de zojuist witgekalkte muren. ‘De straten zijn te smal!’ Riep Ome Juan zwetend, terwijl hij de volgende bocht doorschraapte en zijn grote voorhoofd depte met een hagelwitte zakdoek. Catalina van de postbode sloeg weer een kruis toen Ome Juan met zijn zakdoek naar haar wuifde op het plein. Ze dacht nog steeds de herrijzenis van Hemingway te zien, zodra Juan met zijn dikke witte baard in het dorpje verscheen. Niet dat men hier in het dorp boeken van Hemingway las, maar omdat de schrijver veel zomertijd had doorgebracht in het nabijgelegen Ronda in de jaren veertig, had zij hem persoonlijk meerdere malen mogen ontmoeten. Ome Juan vond het mooi dat sommige ouderen in Ronda en omstreken zich omdraaiden als hij ergens verscheen. ‘Jammer dat ik niet zo kan schrijven als Ernest.’ Grapte hij en besloot twee minuten later dat hij een boek ging schrijven over zijn avonturen in de internationale vleeslobby en kunst-nevenhandel.
Niet alleen de straatjes en zandpaden, maar de wereld in z’n geheel was eigenlijk te klein voor Ome Juan.  Dat had hij zelf nog niet in de gaten. Hij was nog in hoge staat van verwondering over het feit dat de wereld zich nog steeds niet had weten aan te passen aan het volume van zijn geest, zijn stem en zijn geliefde Amerikaanse auto’s.
Binnen een uur was het feest. Want zo ging dat als Ome Juan eens per jaar op bezoek kwam. Het feest werd uit de tijd geslagen, alsof we iets in te halen hadden. Dikke lappen vlees lagen te sudderen in mijn pannen die hier normaliter alleen maar groenvoer zagen.  De wijn leek te verdampen met de snelheid van aceton in warme lucht, zodra Ome Jan ging zitten. Dronken werd hij niet van de wijn, maar van het samenzijn met mensen. Na twee flessen hield hij oprecht meer van iedereen die aan zijn lippen hing. Het erf vulde zich met zijn sterke verhalen en af en toe een bescheiden lachsalvo. Want om uitgebreid te bulderen, of te vragen of het waar was wat hij vertelde, daar gaf Ome Juan niemand de tijd voor, want er waren nog zoveel verhalen te vertellen.
Veel van zijn verhalen grensden aan het ongeloofwaardige. Maar zijn overtuigingskracht en verteltalent, de humor en ironie waarmee hij zijn soms vreselijke avonturen kon omschrijven, maakt het waarheidsgehalte van ondergeschikt belang. Zijn wereldreizen als handelaar in vooral vlees en soms wat kunst, deden elke Ludlum-thriller uit mijn vaders kast verbleken tot een flodderroman.
Met uitgeputte oren bleven we achter. De stilte was altijd immens na zo’n feestelijk bezoekje van Ome Juan. En we wogen daarna nog dagenlang de vermoedelijke onwaarheden of kromme wendingen van zijn avonturen. Altijd weer kwamen we tot de conclusie dat Ome Juan een gevaarlijk type was, vol harde en halve waarheden en een leven dat risicovoller was dan we ons konden voorstellen. Toch had hij een gouden hart. En de in Andalusië zeer gewaardeerde gave om met een paar flessen wijn en een sterk verhaal een feest te doen opvlammen uit het niets.
Enkele uren later hobbelde hij met zijn gekraste Amerikaan weer het zandpad op. Ons aandringen een kamer in het dorp te nemen vanwege de liters wijn die hij had laten verdampen, lachte Ome Juan bulderend weg: ‘’Ik heb vier rijbewijzen uit drie landen, dus dat komt wel goed.‘’ Tot kilometers ver hoorden we de bramentakken piepen en krassen tegen zijn autoflanken. Op weg naar zijn nieuwe vlees- of kunstavontuur en feesten met halve beroemdheden in zijn loft bij Marbella. We dachten, vanuit het perspectief van de arme boeren en hippies die we met z’n allen waren ten opzichte van de exorbitante Ome Juan, dat hij regelrecht het soepele leven van een corrupte rijkaard inreed, om over een paar maanden weer terug te komen met verse sterke verhalen. Alleen Alfredo de burgemeester dacht daar anders over: ‘’Die opknapbeurt aan die auto kost meer dan de gemiddelde finca hier in dit dorp.’’ Zei hij misprijzend. Als liefhebber en verzamelaar van oldtimers kon hij het weten.
Hoe je het ook wende of keerde, iedereen was op z’n eigen manier onder de indruk van Ome Juan. De een vanwege zijn verhalen, de ander vanwege zijn gelijkenis met Hemingway of zijn rijkdom en een enkeling voor zijn gulle hart.
Pas jaren later ontdekte ik de werkelijke aantrekkingskracht van onze stille vallei op Ome Juan. Uit zijn verhalen bleek steeds vaker dat hij niemand vertrouwde en dus nooit zijn verhalen kwijt kon tot in de echte smeuïge details. Hij zoog zich vol met onze simpele aandacht onder het mom dat hij het ‘geweldig knap’ vond hoe wij hier vrijwillig ‘op een houtje beten’. Zijn wantrouwen en drankdriften groeiden mettertijd als een dikke olievlek gedurende zijn verblijf in het mondaine, oppervlakkige en zuigende Marbella en het  besmette uiteindelijk ook onze relatie zodra wij op uitnodiging enkele malen in zijn territorium verbleven. Hoe meer aandacht hij kreeg, hoe meer hij overtuigd raakte dat iedereen tegen hem was, of iets van hem wilde. Hij leek niet in de gaten te hebben dat hij alle aandacht zelf genereerde, door meer feesten te geven dan Xaviera Hollander in die dagen. Ome Juan bleek nog een andere overeenkomst te hebben met Hemingway: Hij raakte verstrikt in zijn eigen verhalen en verslaafd aan een suïcidale levensstijl vol vrouwen, drank, medicijnen en culinaire cholesterol. Van een Bourgondische levensgenieter, werd hij een onvoorspelbaar feestbeest dat alles deed wat zijn artsen hem verboden hadden.
In 2010, na jaren van radiostilte, viel mijn oog op een klein berichtje in de krant. ‘Nederlander vermoord in Paraguay’ Het was Ome Juan. Dood aangetroffen in zijn appartement in Paraguay, waar hij de laatste jaren van zijn leven rentenierde. Op zijn bank met op tafel een lege wijnfles. Waarschijnlijk heeft hij eerst wijn gedronken en verhalen verteld aan zijn moordenaars.
Met terugwerkende kracht geloofde ik alle sterke verhalen toch. Hij had in al die verhalen zijn eigen moord voorspeld. Catalina van de postbode had inmiddels uitgerekend dat Ome Juan niet de reïncarnatie kon zijn van Ernest Hemingway. Maar toch. De parallellen waren achteraf ongelooflijk. Als hij had kunnen schrijven zoals hij geleefd had, was hij zeker net zo’n bestseller geworden dan ‘For whom the bell tolls’  Het verhaal waarin Ernest Hemingway zijn aankomende zelfmoord verpakte, iedereen het las, maar niemand hem geloofde.

Sorrie Ome Juan. Rust zacht in de verhalenhemel. 

Ploegen

Blas vond het een beetje vreemd dat ik me druk maakte over letters en vellen (leeg) papier. De regentijd was in aantocht, de weg naar het dorp kreeg nieuwe lantaarnpalen en Pepa’s en Paco’s jongste zoon was afgelopen zondag dood neergevallen tijdens de jaarlijkse dominocompetitie in Balta’s bar. Ik vond dat laatste heel erg, maar zat desalniettemin met mijn schrijversego te zuchten aan de keukentafel. Horendol van te veel oploskoffie en jammerend met een te grote berg woorden in mijn kop en een stapel veel te leeg papier.
Een typisch geval van schrijversaanstellerijblock. Hele rambam voor niks geweest, ik had net zo goed in Venlo kunnen blijven, concludeerde ik. Daar schreef ik als vanzelf, ondanks gebrek aan uitzicht en vooruitzicht. (Zwelg. Zwelg.) Ik zette er een CD van Cohen bij op. Dat hielp (zwelg).
Hij liet me achter aan mijn keukenschrijfzwelgdis om maar weer op het land te gaan werken. ‘Niks mee aan te vangen, die vrouw.’ Mompelde hij bij het weggaan. Hij baalde dat ik zijn koffie al sinds een week weigerde te roeren, sinds mijn plotsklaps ingedaalde besef dat ik me in mijn ijver me aan te passen aan lokale gebruiken gedroeg als een vrouw van vooroorlogse makelij. Ik kon me zelfs niet meer voorstellen dat ik ooit naar hennarood neigend haar had gehad, op Loesje stemde en de opzij-agenda kocht.
Ik was het zat, de rugpijn van het plukken en irrigeren, het gesjouw met waterslangen, zwangere honden en al die levensvragen die niet meer de mijne leken. Ik wilde niet meer weten hoeveel energie er in accu’s van de zonnepanelen paste, hoeveel kuub water in de irrigatieput, hoeveel kiwi’s, kastanjes, olijven of geitenmest in mijn kofferbak, hoeveel tomaten in een liter tomato frito. –Zwelg- Waarom was ik ook alweer hier? Juist. Ik was hier gekomen om een boek schrijven. Een literair hoogstaand werk dat zin en reden zou geven aan dit gedoe hier in de modder. En mijn chronische verbazing over het feit hoe ik ook al weer hier terecht gekomen was, zou mijn grote inspiratiebron moeten zijn.
Ammehoela. Mijn inspiratie was gekrompen tot het formaat van een vochtige rugzakje dat nog ergens in de kelder rondslingerde. Hoe meer eelt ik op mijn handen kreeg van het schoffelen en hakken, hoe slapper mijn geestelijke prestaties leken. Ik voelde me een vochtig schoolschrift met ezelsoren, wiens lijntjes weigerden mijn overdreven zware woorden te dragen. Ik viel door de mand; uiteindelijk was ik blijkbaar meer boer en koffieroerend vrouwmens dan mijn intellect mij wilde doen geloven in Nederland.
O ja. De Natuur. Nog zo’n onuitputtelijke inspiratiebron. Jammer genoeg bleek ik niet de schrijvende Marjolein Bastin die ik hoopte te worden hier in het bos. Mijn interpretatie van natuur was sowieso een grote misfit met de natuur zoals die zich hier manifesteerde dezer dagen. Niks Timothei-momenten. Of: ‘Ik-zat-aan-de-beek-te-mediteren-en-toen-snapte-ik–het-allemaal-momentje. Verre van dat.  De natuur was in deze dagen een klam beest dat continu over me heen walste. Een moodswing van wolken, regen en soms wat zon. Ik moest nog wennen aan dat idee dat het hier meer Grizzly Adams bleek te zijn dan Timothei of Zwitserleven-gevoel.
Twee dagen later was alles weer goed; ik had een potje stevig gezwolgen en was net niet verdronken. De zon scheen weer aarzelend en de stormen leken overgewaaid. Paco junior was begraven en de lantaarnpalen stonden overeind. De dorpsoudjes waren zo blij met het extra straatlicht in de donkere avonduren, dat ze een extra avond-paseo inlasten tot aan lantaarnpaal nummer 10 op de hoofdweg. Iets dat in de koude winterperiode heel ongebruikelijk was. Ik vond dat zo’n mooi beeld dat ik er spontaan van begon te schrijven. Over het dorp dat licht kreeg. Ik roerde weer braaf Blas’ koffie.
Schrijven is net als boeren; je zaait je akker van wit papier vol opportunisme en dromen en soms mislukt er een oogst. Blas had daar een heel simpele oplossing voor: ‘Je moet veel minder diep ploegen, want anders haal je het leven uit de bodem!’ 

De Lama en de kleine Samurai

(uit het boek van Blas)

Een prima stevig karretje, bulderde Juan el Gordo, terwijl hij bij wijze van demonstratie nog eens wild aan de imperiaal van de Suzuki Samurai rukte. Ik was bijna bang dat het karretje uit elkaar zou vallen, voordat ik de berg af was.

Toch had Juan gelijk; het 1.000-euro-karretje had het karakter van een echte Samurai. Het vuil-witte blikje bleek over onverwoestbare krachten te beschikken op de steile bergweggetjes en overtrof zelfs zijn grote, zware gebull-barde broers, die hun logge, blinkende carrosserie met moeite door de modder bergopwaarts kregen getrokken bij regenweer. We kregen al snel een hechte band, de Samurai en ik.

Buiten de vallei was het andere koek. Bij hoge windsnelheden en scherpe bochten op de grote weg, kon het arme diertje niet sneller dan 60, want anders kiepte het om, of waaide het uit de bocht als een leeg bierblikje op een winderige straathoek. Ik zag soortgenoten regelmatig als opgefrommeld in ravijnen liggen. Daar kon geen waarschuwingsbord tegenop.

Als ik met de Samurai naar de grote stad of het vliegveld moest rijden, was ik doodmoe. De snerpende geluiden van het kleine motortje, het gerammel van de veerplaten, de stoffige warme, of snijdende koude wind die door de gaten en kieren van het sleetse canvas dakje blies. Blas moest altijd lachen als ik terug kwam na zo’n expeditie. Geel van het stof, of blauw van de kou, mijn nieren ergens waar ze niet hoorden te zitten en een pesthumeur van hier tot Granada. Voor hem was het weer een zoveelste bevestiging van zijn overtuiging dat weggaan uit de vallei nergens goed voor was.

Rondom de Kleine Dappere Samurai ontsproot een waar nieuw sociaal netwerk: de vier broers, zus en drie schoonzussen van ‘Taller Hernandes’ in Ronda, zagen me zo vaak in hun garage, dat ik mee mocht eten tussen de middag. De twee broers van de lokale sleepdienst hadden al drie keer hun levensverhalen met me gedeeld, zo vaak was ik door ze opgesleept en naar de de familie Hernandes gebracht. Een grote familie. Na zes jaar noemden ze me allemaal Prima.

Blas vertrouwde de Samurai helemaal niet, zoals hij niks vertrouwde dat na 1930 gefabriceerd was. Heel soms reed hij mee naar het dorp of stad en dan hield hij zich met twee handen aan de dakbeugel vast, ogen dichtgeknepen, alsof hij in een achtbaan zat. Ik reed dan stapvoets en werd soms ingehaald door fanatieke Hollandse wandelaars die dan weer boos keken omdat ik hun milieu, rust en uitzicht verstoorde met mijn ronkende vehikel en scheldende Blas. Meestal na zo’n rit probeerde hij me te overtuigen van alle voordelen van een muildier. Dat het met zo’n muildier 4,5 uur sjokken was naar de supermarkt, vond hij bijzaak.

Een spiritueel getint einde was achteraf gezien onvermijdelijk voor deze kleine dappere auto. Kort voordat hij het echt begaf, diende zich een heel speciale gast aan op de boerderij: Lama Rinpoche Mogchok. Tijdens onze avondwandeling over de finca zag de Lama de kleine Samurai staan. Zijn ogen begonnen te twinkelen en lachend stelde hij een vraag aan zijn tolk. De Lama wilde graag een ritje over de zandweg. Omdat ik niet bepaald ervaring had in het ontvangen van Tibetaanse Lama’s, had ik een halve hectare volgeplempt met meditatieplekken, kussens, matjes en her en der wat gebedsvlaggetjes opgehangen in de bomen, de paden vrijgemaakt van mierennesten en onkruid, de logeerkamer tot een Tibetaanse slaapcel ge-restyled, inclusief offeraltaar conform de protocollen die ons vooraf waren toegestuurd door de staf van de Rinpoche. Ik dweepte stiekem met het beeld van mijn boomgaarden vol mediterende gasten en gelukkige Lama’s. Lekker rustig en blij. Maar het leven is geen Flow-magazine. In plaats van mijn onrustige ziel en grond met wat Ohmmm te zalven, wilde de Lama een rondje crossen in mijn Samurai die naar natte hond, hooi, valfruit en schimmelige bekleding stonk.

Ik zal de lach van Lama Mogchok Rinpoche nooit meer vergeten; het was de heldere schaterlach van een kind. Een heel blij kind. Blas, die de Lama al uren lang met opengevallen (en niet meer dichtgeklapte) mond had aangestaard,  moest ook onbedaarlijk lachen en haalde de Maagd Maria er nog bij, want hij had nog nooit een lachende kerel in een jurk gezien. En de kleine Samurai deed nog een keer zijn uiterste best om mooie stofwolken te slippen. Mooi was dat. Heel interreligieus.

Zo zie je maar weer, klein geluk zit overal waar je het niet neigt te zoeken.

Bruno’s ark op wielen

Elke en Bruno dweepten niet met hun verleden, want ze hadden besloten alleen nog maar te leven in het NU. Hij was ooit een gevierd antropoloog en altsax-speler en zij psychiater, gespecialiseerd in erfelijke psychiatrische aandoeningen. Beiden kinderen van invloedrijke Duitse families. Hun prachtige kasteeltje in de bossen bij Koblenz prijkte in menig Duits inrichtingsblad, want beide hoogleraren hielden van mooie antiek en hadden een verzameling prachtige schilderkunst uit de jaren 50-70.

Bruno, die sinds zijn jonge jeugd worstelde met de foute politieke geaardheid van zijn vader, verzette zich op zijn 57e nog steeds tegen alles dat ook maar iets aan zijn vader deed denken. Zijn riante jazzmuziekverzameling bestond uit bijna louter zwarte jazzmusici en hijzelf veranderde in een figuurlijke neger als hij zijn sax speelde.
Elke was een mooie vrouw geweest; ze had de klassieke, pezige contouren van een Slavische balletdanseres en Bruno was haar grote fysieke tegenwicht: Een kolossaal, massief lichaam, lichte blauwe ogen en vierkante kaken wiens spieren altijd op en neer rolden alsof hij zich chronisch ergerde.

In 1987 werd Elke overspannen en drongen de dranklustige genen van haar Russische grootvader zich op, om nooit meer weg te gaan. Ze stopte met werken en sloeg serieus aan de drank. Geld was er nog voor drie generaties, oud geld, nieuw geld, landerijen en huizen. Dat brak Bruno’s hart. Beiden beseften dat ze een arm rijk leven hadden geleid dat niet het hunne was. Het enige waar ze nog echt van konden genieten was het samenzijn in de stille bossen, samen met hun honden en elkaar, de muziek en de drankroes die het verleden oploste in de mist van katers of aangeschoten roes.

In 1988 namen ze een rigoureus besluit: Ze verkochten hun kunst- en antiekcollectie, zetten hun kasteel en landerijen te koop en organiseerden 3 weekeinden lang een grote carbootsale in de tuin van het kasteeltje. Van de opbrengst kochten ze vier Unimog vrachtwagens en een paar legerjeeps en tenten. Met een oproepje in de krant trommelden ze binnen enkele weken een klein leger aan jonge, avontuurlijke convooi-rijders op en vertrokken met de noorderzon.

Hun echte leven, hun lang gekoesterde droom ging beginnen: Een reis door de wereld met hun eigen konvooi. Bruno’s Ark op wielen.

Elke: ‘’Ik herinner me de eerste paar weken als een mooie droom; jonge mensen met veel energie, kampvuren en gitaren, de vastberadenheid die we voelden bij elke kilometer die ons verder weg bracht van Duitsland. We waren licht, bevrijd, alsof we de verloren tijd eindelijk mochten inhalen en alles dat zwaar woog achter ons hadden gelaten.’’

In de woestijn van Marokko ontstond er onenigheid in de groep, over de route. Het was te onrustig in Algerije om door te reizen, maar een boottocht of alternatieve route zou het grote reisplan van Bruno in de war schoppen. Bruno en Elke wilden rechtdoor. Ze waren onbevreesd als kinderen en in de waan dat geen oorlog hen kon raken in hun gepantserde Unimog vol dromen en jazz. Na een felle discussie brak de groep uiteen. De deelnemers en een zestal auto’s verdwenen in de nacht, met medeneming van de water- en voedselvoorraad en een van Elkes geliefde herdershonden.

De lichtvoetige vrijheid waarmee de missie was doordrenkt, was in één klap verdwenen.

De drankvoorraad van Elke was op de heenweg al ter hoogte van Zuid Frankrijk er doorheen gejaagd en haar verlangen naar een borrel dreef het echtpaar terug naar Zuid Spanje. Daar, vlak bij de plek waar ze hun laatste moment van energie, gitaren en kampvuren hadden meegemaakt, nestelden ze zich in een oude vervallen boerderij aan de rand van een klein dorp in de Serrania de Ronda. Twee Duitse vogels met gebroken vleugels, een Unimog vol zwarte jazz en drie honden. Ze verruilden hun droom van reizen in voor de gelofte van armoede en de wind in hun haren voor de bedompte duisternis van een koud, donker huisje onder de Andalusische zon.

Alsof ze niet alleen de rijkdom, maar ook het daglicht hadden afgezworen.

De Unimog staat sindsdien op de finca van Paco en Lola, aan de ingang van het dorp. Overwoekerd door bramen en jasmijn en vol kippenstront. Bijna verdwenen in het landschap als een oud, vergeten oorlogsmonument. Elke en Bruno verdwenen ook; ze werden kluizenaar en de dorpelingen vonden dat prima. Ze waren niet de enige vreemde vogels in het dorp en bovendien waren kluizenaren een welkome bron van speculatie- en intrigevermaak in de sfeer van ‘wel de lusten, maar niet de lasten.’

Eens per drie weken bezocht ik Elke en Bruno om wat boodschappen uit de grote stad en fruit van onze boerderij te droppen. We dronken oploskoffie met goedkope cognac en ik mocht op Bruno’s schapenvachtje zitten, in de enige comfortabele stoel die het keukentje rijk was. Elke lag meestal, als een stoffige oude prinses uit een middeleeuws schilderij, op het grote bed vol kussens. Ze dronk haar cognac zonder koffie, maar wel in een koffiekopje. We rookten zwarte tabak zonder filter.

Alles was bitter in het donkere keukentje; de koffie, de sigaretten, Bruno’s toon.

In stilte luisterden we muziek uit de gigantische muur van cassettebandjes. Albert Ammons, Django Reinhardt, naar John Cage en Sun Ra. Bruno rolde zijn kaakspieren op het ritme van de muziek en Elke aaide afwezig de honden aan haar voeten.

Ik hield het nooit langer dan twee uur vol bij Elke en Bruno. De teleurstelling over hun eigen bestaan trok in mijn ziel, als sigarenrook in een wollen trui. En ik kreeg koppijn van vrije jazz en het gebrek aan daglicht.

Elke en Bruno zijn inmiddels dood. Hun laatste jaren hebben ze geleefd in een grotwoning bij Granada, vlak bij het ziekenhuis waar Elke werd opgenomen met ernstig lever-falen. Ik vermoed dat ze beiden uiteindelijk zijn gestorven aan teleurstelling. Bezweken onder de zwaarte van hun nooit verworven vrijheid.

Alleen in de werkelijkheid te leven – wie van ons hield dat op den duur uit? Otto Weiss

De parkeerbeleving

Laatst werd ik allervriendelijkst door een blonde, jonge, afstuderende parkeermeterassistent begeleid om een parkeerticket uit een Nijmeegse parkeerinnovatie te toveren. Ik dacht: stel dat ik Blas in Zuid Spanje moet uitleggen dat we hier hoogopgeleide parkeer-meter-assistenten hebben. Onmogelijk. Hij zou van zijn boomstronk vallen van het lachen waarschijnlijk.
Ik stond stond dus volledig in de stresspaniek al 5 minuten te praten tegen een apparaat dat mij vroeg om mijn kenteken in te toetsen en mij vervolgens zei dat het helemaal niet hoefde om dan mijn pinkaart uit te spugen. Een blonde langbenige engel in een mooie sportieve parkeermeter-assistenten-outfit, stond opeens naast me. Ik keek naar de hemel, of er een opname was voor de vrouwelijke Axe-reclame, maar hij was echt; geen gebarsten beton.

Voor 3,20 euro kreeg ik niet alleen een heleboel minuten parkeertijd, maar ook een serieus moment van aandacht en psychologische begeleiding. En de verwondering natuurlijk, zeven minuten verwondering. Terwijl hij mij moeiteloos en geduldig vier keer door de procedure leidde (ik vergat mijn pincode steeds, vanwege al zijn vriendelijkheid) besefte ik me: Parkeerbeleving, het bestaat.

Een uur later, aan de andere kant van de stad, moest ik weet parkeren bij zo’n parkeermeter voor gevorderden. Geen parkeer-assistent-engel te bespeuren hier. Ik druk op wat knoppen en krijg een melding dat het apparaat buiten werking is. Een error. Een man komt langs en wijst op het telefoonnummer op de automaat. ‘Als u bel, krijgt u gratis parkeren.’ Ik bedank , geloof hem niet, maar bel toch. Ik krijg een allervriendelijkste telefonische parkeerassistente aan de lijn. ‘Ik zie dat u belt vanuit een niet werkende automaat, mag ik uw kenteken, dan ontvangt u een automatische parkeerontheffing tot 17.00 uur.’ Ik geloofde mijn oren niet. Het leek wel een sprookje, parkeren in Nijmegen, een waar event om warm van te worden.

Maar ondanks deze mooie en kostbare reddingsacties wegens doorgedraafde technologische ontwerpen waar wij burgers nog niet aan toe zijn, besef ik me dat elke handeling in onze stedelijke omgeving, een steeds moeilijkere procedure wordt; die voor lang niet iedereen te begrijpen en dus ontoegankelijk is. We werpen in onze innovatiedrang steeds meer drempels op en verwijderen ons van de simpele logica der dingen. Van onbegrijpelijk OV-jaarkaarten, onbegrijpelijke politiek, belastingsystemen, tot parkeerautomaten; er zijn wel tientallen onbegrijpelijkheden die wij per dag als ‘normaal’ pogen te ervaren en proberen eigenhandig te maken, omdat ze er nu eenmaal zijn.

Omdat het vermoeiend is om de hele dag geïrriteerd rond te lopen, probeer ik af en toe ‘de verwondering’. Kijken door de ogen van Blas. Het helpt. Al is het maar bij het besef dat de wereld toch wel doordraait. Ook als jij het een dagje allemaal niet begrijpt.

Winterslaap der straatengelen

Alhoewel we aan de Kust van het Licht woonden, waren nergens de wintermaanden zo donker als in El Puerto de Santa Maria. Vanaf oktober, als de zomergasten, toeristen en pensionista’s de ijskoude Atlantische wind zoveel mogelijk meden, was de stad weer even dorp. Verwarming, thermopeen of andersoortige isolatie, waren in de oude binnenstad tussen de haven en de stierenarena van El Puerto nog niet doorgedrongen. Wie mooi wilde wonen moest maar pijn lijden, vonden we. Wie een keuken had met een kachel, leefde drie maanden in de keuken. Met een beetje pech of mazzel (maar net hoe je het bekijkt) heb je drie maanden de halve straat in de keuken zitten. Wie een kroegje had dat klein en warm was, deed goeie zaken.

Deze stad, door de Spanjaarden en toeristengidsen ook wel ‘La ciudad de los cien palacio’s’ genoemd, was gebouwd voor de zomermaanden. Al eeuwen geleden zetten de rijke cherry-families hun tientallen‘zomerpaleizen’ hier neer om de zengende hitte van het achterland te ontvluchten en avond na avond te flaneren langs de standsstranden en te feesten in de familiewijnkelders. Zet een groep pionierende Ieren, Zuid Spanjaarden en Zuid Amerikanen bij elkaar in een winderig hanvenstadje en je hebt behalve eeuwen van handel ook eeuwen van feest.

Ik woonde toevallig in zo’n rose zomerpaleis, ooit het vrouwen- en renpaardenverblijf van de invloedrijke cherryfamilie ‘Caballero’. Het tochtige, maar prachtige bediendenhuis op het dak van het paleis, dat ik voor twee jaar huurde om te werken en te wonen was net zoals de rest van deze immense rose, 17e eeuwse marmertaart, ook niet bepaald winterproof. Schrijfdagen van stilzitten achter de laptop zoals in de zomer, was er niet bij.

De binnenstadbewoners kropen letterlijk en figuurlijk dichter bij elkaar. De kleinste kroegjes en flamenco-keldertjes zaten bomvol elke avond, terwijl de grote horecajongens luiken op hun gevels lieten timmeren voor de winter. Het had iets spookachtigs, maar ook iets geruststellends; iedereen kende elkaar weer en wij deelden de lege pleinen en straten met de wind en met elkaar. Als je alle warme plekken wist in de stad, dan was de kans op een winterdepressie het kleinst.

De kleurrijke figuren die in de zomermaanden de straathoeken en doorgezakte terrasstoelen op alle strategische plekken in de haven en de binnenstad bezetten, verdwenen met het naderen van de winterstormen. Zoals onze aller pleinpatriarch Cabeza, wiens rheuma en toch al bozige humeur bij gebrek aan zonlicht dusdanig opspeelde, dat hij van zichzelf vond dat hij beter niet te veel onder de mensen kon komen.
Soms, omdat we zijn gebrom en geblaf mistten, bezochten we hem met een paar stamgasten van Paco’s koffiehuis, waar Cabeza op het terras 8 maanden per jaar kantoor hield. Zijn uitgebouwde dubbele autogarage aan de rand van de wijk, waar de verharde bestrating en legale stroomaansluitingen ophielden, had hij afgelopen jaren omgetoverd tot een ‘boengaló Americano’ van pracht en praal, vol marmer, messing en stijgerende paardenbeelden.

‘El boengaló’ was het winterdomein van Cabeza’s vrouw, inwonende dochter met twee kleine kinderen, zijn 93-jarige schoonmoeder. Cabeza zelf sleet de korte winterdagen in zijn ‘bodeguita’; een zelf gegraven keldertje op de patio, compleet met antieke eiken Pedro de Jimenez-vaten, prachtige selectie Oloroso en een klein Maria-grotje met eeuwige vlam op 12 Volt. Het keldertje van Cabeza zat als gegoten om zijn grote lichaam heen. Wij pastten er eigenlijk niet echt meer bij en zaten met z’n 3-en op het tochtige trapje, knieën in elkaars rug, elk een limonadeglas peperdure Oloroso. ‘Laten we eten en drinken tegen de kou en de duisternis’, zei Cabeza terwijl hij weer een half vol glas in de lucht stak. Cabeza in zijn keldertje had iets plechtigs en komisch tegelijk, hij leek op een oude tovenaar in een veel te kleine tovergrot.

We bleven altijd maar twee glaasjes Oloroso lang bij Cabeza in de winter. Want na twee glaasjes was de kans erg groot dat hij Boney M ging draaien, na drie glazen meende hij dat hij terminaal was en de winter niet zou overleven, om vervolgens een kudde luidruchtige, zuipende hard-core flamenco-neven te mobiliseren voor een feest waar je alleen met een pistool of een ziekenauto nog weg kunt komen. We waren er allemaal al een keer ingetrapt, in dat derde glaasje oloroso.

Zodra het weer lente werd en de zon de stenen van het plein en de kades weer verwarmde, de koude zeewind zich terugtrok uit de straten, was hij er weer. Als een dikke oude engel zat hij weer voor Paco’s bar. Cabeza in de zon, gewassen en geschoren, getalkt, gekamd en gebrylcreemd; een aandoenlijk gezicht. ‘Ik ben er weer!’ Riep hij dan dagenlang tegen zo ongeveer elke voorbijganger. Niemand toonde uitbundige blijdschap, maar van binnen waren we best allemaal opgelucht dat de beer weer uit zijn winterhol geklommen was. Want Cabeza was de voorloper van de optocht die alle kleurrijke mensen weer op de straten leek te trekken.

Binnen een week waren ze er allemaal weer:
Cabeza, Julio el Ciego de blinde lootjesverkoper, Marta met de zeven pruiken, Josita met haar schrale stem, Pepe met zijn dieselsloepjeshandel, Juamo die niet echt de neef van Camaron was, Paquito el pintor die eigenijk niet kon schilderen, de dikke jongens van Las Sopas die altijd en overal zongen, Borja del Norte die Cantabria nog steeds mistte, Lupa de schone Argentijnse waar iedereen verliefd op werd, Loli die de beste chicharones kon bakken van de hele provincie, El Calvo, het zwarte schaap van de Osbornes en Mussaf die Chinese tapijten en snelkookpannen verkocht op de parkeerplaats bij de boten.

De straatengelen waren weer terug, om de stad van de honderd paleizen te behoeden voor gewoonheid van massatoerisme en costa-sleur. Zolang zij er nog waren, had deze stad als een van de weinige aan de kapotgeexploiteerde costa’s, zijn eigen(zinnig)heid en authenticiteit kunnen behouden.