Drie mannen op een rotsblok

hemingway

De dood was alom aanwezig in het dorp. Het begon al bij de ingang. Cartajima is het enige Moorse gehuchtje op de befaamde witte dorpen-route, dat niet alleen aan het einde van een doodlopende weg ligt, maar ook is het allereerste bouwwerk dat je ziet bij het betreden van het dorp een volgebouwd kerkhofje op een kleine heuvel. De doden en bijna doden verwelkomen u, grapte ik toen ik voor het eerst het dorp inreed en tegenover het kerkhofje drie stokoude boeren met open mond zag zitten op een rotsblok. Dat ik er maanden later zou wonen, zou ik op dat moment nooit bedacht kunnen hebben. En dat een van die stokoude, tandeloze boeren mijn trouwste dorpsvriend en later ook blogmuze zou worden, lag ook niet in de lijn van mijn levensplannen.

De gemiddelde leeftijd in het dorpje was zo hoog, dat er in sommige seizoenen wel vier of vijf begrafenissen achter elkaar waren. Meestal was de hitteperiode de tijd waarin de oudsten omvielen en af en toe een ravijnval van boeren die dronken over de gevaarlijke bergweggetjes slingerden van dorpsfeest naar dorpsfeest. Door de steile straatjes en vele trappen, drempels en andere Moorse obstakels in het dorp dat nu eenmaal gebouwd was in de eeuwen voor de uitvinding van de rolstoel en het looprek, was een aanzienlijk deel van de ouderen in de loop van hun oude dag onzichtbaar geworden, want ze konden niet hun huizen uit. Aan oud worden hier was weinig heroïsch. Wie niet depressief werd van het binnenzitten en toch drager was van de oergezonde genen van voorouders die ook al heel oud konden worden zonder beweging of sociaal leven, of met een werkbochel, had pech en bracht zijn laatste jaren door in een kleine kamer met dikke muren. Misschien wel de ergste dood voor een buitenmens met een taai lichaam: de langzame binnendood.

De dood bracht ook wel drukte en leven, leerde ik later. Hectiek en herrie die de normaliter lethargische stilte doorbrak met lawaaierige en kinderrijke familie van verre, ronkende auto’s en een rinkelende kassa voor iedereen die in Gibraltar taxfree drank en tabak had ingeslagen. Baltazar van de bar en de familie Estanco glommen dan nog wekenlang na, zelfs als het hun eigen familie was die hun schrale winteromzet rechttrokken. Wie nog niet zelf dood was, leefde eigenlijk best op van een begrafenis.

Er waren momenten waarop ik mij als relatief nuchtere buitenstaander en van begrafenisrituelen geen kaas gegeten hebbende Nederlander, vaak afvroeg waarom het allemaal zo luidruchtig en gehaast moest, zo’n begrafenis. Hier in het zuiden gaat immers alles traag, behalve begrafenissen dus. Het lichaam moet in de zomermaanden binnen 24 uur en in de winter binnen 48 uur begraven of gecremeerd zijn. Dat de Spanjaarden in staat zijn om elke uitvaart tot in de puntjes verzorgd en weten te organiseren vanuit een simpel en afgelegen berggehucht, verbaast me steeds weer. Want het is nogal een klus als de helft van je familie in Frankrijk, Duitsland Barcelona en Madrid woont. En toch lukt het altijd weer. Niet iedereen haalt het op tijd, maar wie later aansluit door vertragingen of logistieke perikelen, wordt als een uitgelopen marathonloper met dezelfde liefde en feestelijkheid ontvangen in de na-uren van de begrafenis. Tijdens een begrafenis lijkt de tijd zich te rekken. De wake, een intens laatste moment waarin moeders, dochters, kleinkinderen, buren, nichten urenlang rond de baar zitten, rozenkransen biddend, in zwijgen of zacht jammeren gehuld. En dan de mis, de vele bloemen, de prachtige kist, de enorme hoeveelheden eten, de mooie kleren voor de kleinkinderen. Voor alles is ruimte, ondanks de strakke deadline van het event.

De voettocht naar de dorpsbegraafplaats en het dragen van de kist is een zware mannenaangelegenheid door de krappe, hellende dorpsstraten. Niemand staat langs de kant, want iedereen loopt mee. Behalve dan de oudjes die niet meer hun huizen uitkomen natuurlijk. De luiken van de huizen zijn gesloten. Soms is de sliert mensen langer dan de straatjes van het dorp zijn en slingert de in zwart gehulde, schuifelende optocht als een trage adder door de witte straatjes, om zichzelf bij het centrale plein weer in eigen staart te bijten.

’s Avonds vloeit er bier en wijn. Er worden herinneringen opgehaald alsof we al op de volgende reünie van de overledene zijn beland. Zo snel als men hier iemand ter aarde kan bestellen, zo snel maakt men hier herinneringen tot verhalen.

Binnen 72 uur is het dorp weer stil, het pleintje, de straten en het dorpskroegje schoongeboend, alsof er nooit iets gebeurd is. Behalve bij de ingang van het dorp, waar nog maar twee stokoude, tadeloze boeren op de grote rots zitten, tegenover het kerkhofje. Herinneringen ophalende aan hun rots-maat, die verhuisd is naar de overkant.

 

 

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

De dood en ons dagelijkse brood (Uit het boek van Blas)

Paco, de oudste zoon van Paqui en Juan was patsboem dood omgevallen tijdens een dominopartijtje in Balta’s bar op een bloedhete zondagmiddag. Slechts 35 Spaanse lentes had hij meegemaakt, het arme bakkersjong. Raar vond niemand het, die hartaanval. Al was het wel even schrikken op zo’n gewone, stille zondag in een dorpje waar zelden iemand nog stierf tegenwoordig. Paco had er een nogal ongezonde levensstijl op nagehouden; veel te dik, hij rookte als een ketter, dronk als een Costa-Rus en was een zeer zwijgzame binnenvetter. Het verdriet van Paqui en de stille, gebroken Juan raakte ons allen diep. Nog nooit had hij een meisje gehad, snikte Paqui’s zus terwijl we met stoelen en opklaptafels sleepten in de hete zon. En ik vroeg me af of dat goed of slecht was. Het scheelde alweer een veel te jonge zwarte weduwe die bij een verdrietige schoonmoeder in huis haar jonge dagen mag slijten. Daar waren er al meer dan voldoende van in dit dorp.
De manier waarop de dorpelingen zich voorbereidden op een begrafenis, had hetzelfde koortsachtige karakter als de dag voor de jaarlijkse dorpsferia.  Niemand had echt de regie, maar alles liep toch op rolletjes. Er werden massa’s eten gekookt door de vrouwen uit de Calle Alto en de vrouwen van de ‘Hermandad del Nino Jesus de Cartajima’ bakten taarten en schikten bloemstukken voor in de kerk. De straten werden aangeveegd en de kleine achterkamer van de bakkerij was leeggeruimd om de opbaartafel met de gigantische oude koelmotor te installeren.  Terwijl vijf sterke mannen Paco’s logge dode lichaam van Balta’s kroegkoelcel naar de achterkamer manoeuvreerden, namen de vrouwen Paqui mee voor een ommetje. Dat was maar goed ook bleek later, want de kar waar ze Paco op hadden gelegd om naar zijn ouderlijke huis te vervoeren, was omgekiept bij de laatste bocht, waardoor Paco’s zwarte pak onder het stof zat.
Na enige manoeuvres en een snelle borstelbeurt kon de wake in Paqui’s keuken beginnen.  Paco lag er bij alsof er iets gebeurd was. Al snel zat de kleine achterkamer –die ook als opslag voor de winkel diende – vol. Iedereen zweeg, behalve Paqui die in lange uithalen weeklaagde en zich met haar vuist op de borst sloeg. ‘Mijn zoon, mijn zoon, waarom toch mijn zoon?’ De koelmotor van de baartafel vocht als een beest tegen de tropische hitte en iemand wisselde het volle koelwaterlekbakje onder het nylon gordijntje aan het voeteneinde. Niemand keek echt naar Paco, omdat de opbaartafel veel te hoog was ten opzichte van de typische Andalusische stoeltjes met veel te korte poten. Ik denk dat niemand het heel erg vond, want Paco was niet bepaald Sneeuwwitje in zijn zwarte glimmende Hermanidad-kostuum. Dus stil staarden we met z’n allen naar het nylon gordijntje en de kartonnen dozen met gezouten botten en pakken melk die iemand haastig tegen de muur had geschoven. Buiten was het een kabaal van jewelste; het reüniegevoel onder de mannen zwol aan.
Tot diep in de nacht druppelden er familieleden en buren het dorp binnen. De straatjes vulden zich met begroetingen en kinderstemmen, uit de keukenramen van de Calle Alto klonk pannengekletter en sissende olie. Het mocht geen feest heten, maar toch was het dorp op z’n gezelligst als er iemand dood was gegaan. Iedereen leefde er even van op.
De dag na de begrafenis, als de laatste auto’s van neven, nichten en aanhangende familieleden toeterend verdwenen waren in de bocht, was het dorp weer net als altijd: doods.  Balta deed zijn bierprijs weer een kwartje omlaag en plakte nieuwe lijsten op voor de volgende dominocompetitie. Paqui stond weer gewoon achter haar toonbank met donkere kringen van verdriet rond haar ogen en Juan  maakte de oven schoon, zwijgend zoals altijd. Het was druk in de winkel en een gekakel van jewelste. Iedereen had 2 dagen vers brood gemist en Paqui’s winkelvoorraad Bimbo-brood was gisteren al op.
We waren 72 uur verder.
Paqui zou vanaf vandaag en voor de rest van haar leven zwart dragen. Want alhoewel deze rouwtraditie in de meeste delen van Spanje al sinds de jaren 50 was afgeschaft, hield men hier nog stevig vast aan wat ooit sociaal gewenst was. Juan zei zijn lidmaatschap bij de dominoclub op en hij zette geen voet meer binnen bij Balta. Behalve bij begrafenissen, want dan was het dorp weer 48 uur van iedereen.  
En zo werd de stille Paco weer deel van het dorpsplaatje; in de kolossale zwarte schortjurken van zijn moeder en het eeuwige zwijgen van Juan die ons dagelijkse brood bakte.