Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

Loslaatrotsdag

 

blerick

In Cartjima was de dood dagelijkse kost. Al was het maar omdat het kleine, verhoogde bergkerkhof pal aan de ingang van het dorp lag. Elke dag zaten de dorpsoudsten op de grote rotsblok tegenover het kerkhofje elkaar en zichzelf op te warmen met herinneringen en roddels.

‘’Heb je gezien dat Maria bloemen bij Paco op het graf heeft gelegd gisteravond? Ze heeft wel lef.  Vertel het maar niet tegen Pepa!” De vetes, de familieruzies, de liefdesaffaires en roddels; als je dood was in Cartajima, leefde je nog jaren voort in de scherpe tongen van de roddelaars op de rots. Dat had wel iets geruststellends.

Het hoort erbij, die vervelende dood. En het went nooit. Mijn familie lijkt er de laatste jaren Airmiles voor te krijgen.

Ingeklemd tussen een jongen met te veel Axe en een meisje met een roze nepbontkraag dat al vanaf Helmond afscheid probeert te nemen van haar vriendje aan de telefoon, teleporteer ik mezelf tussen Eindhoven en Venlo op de rots van Cartajima met Blas en de twee Juans.

Op de rots werd nooit gehuild. We roddelden al onze tranen weg. En als iemand over die onzichtbare grens van venijn sprak, dan riepen de anderen: Over de doden niets dan goeds!

Als ik mijn ogen open, is de trein bijna leeg en rolt mijn eindbestemming, het station van Blerick binnen en ik ben blij dat ik niet met de auto ben gegaan vandaag.

Ik moet aan het werk, een interview filmen op oud, bekend terrein voor mijn nieuwe docu Tegenpolen in Blerick. Als ik de voetgangerstunnel uit loop, zoeken mijn ogen tegen beter weten in naar het grimmige welkom van de afwijzende koppen van de twee Juans en Blas. Geen rots in Blerick.

Herinneringen als regenplassen ontwijkend, laveer ik richting de straten van mijn jeugd. Hoofd op focus, geest op scherp, rugpijn en weemoed in de rugzak naast mijn camera. Aan de overkant steekt een oude man joviaal zijn hand op. Ik herken hem niet, maar hij heet vast Juan, Juan, of Blas.

Vandaag is mijn interviewthema loslaten. Van rotsen. Van mensen. Van oude levens. Komt dat even mooi uit.

 

 

 

Vandaag geen zon in Solwaster

P1010892.JPG

 

In mijn fantasie vind ik België een soort Zuid Spanje naast de deur. Van het gemoedelijke tot de simpele pure kost die de herbergen en bruine kroegen vol lelijke boerenkoppen serveren. Het Carpe Diem gevoel dat op geheel eigen wijze in de praktijk van het dagelijkse leven irritaties oproept bij ons, ‘’opgeruimde’’ Nederlanders. De pleurisbende in het boerenland, de mix van oeroude stenen huizen en oerlelijke nieuw-geld villa’s. Als ik aan België denk, zie ik Jacques Brels gulle mond in zwart wit zoals ik Cameron voor me zie in een wit betegeld buurtkroegje als ik ergens in de Bahia de Cádiz ben.

We waren twee dagen in België. Misschien had ik het huisje in Solwaster gehuurd omdat ik kerstmis zo graag wil overslaan soms. Misschien omdat ik net in enkele dagen mijn verloren gewaande Carpe Diem hervond in zo’n wit betegeld kroegje vol lelijke koppen in Spanje en ik dit gevoel nog even wilde oproepen, op rijafstand.

In Solwaster kreeg mijn voortdurend valse nostalgie producerende ziel een winterse, ontnuchterende regenbui over zich heen. Solwaster was bruin. Nat. Leeg. Grijs. Het huis was mooi. Te mooi. Alsof ik even in het huis van een gegoede Nederlandse familie met een investeringspandje in de Ardennen mocht logeren, omdat ik al tien jaar golfde met de vrouw des huizes. Alles was er. Zelfs een raclette set en een kerstboom met een tijdklok. Om 16 uur ging kerstmis aan en om 22.30 uur weer uit. Hartelijke eigenaren. Zorgzaam. Schoon. Vriendelijk. Good looking. Mensen met smaak. Het gastenboek van de Bijenkorf vol dankbare kreten van prachtig en comfortabel, indrukwekkende natuur. Wandelroutes 55 en 58 een MUST. Ik wil niet musten. En alleen gekken wandelen in de regen in de bergen zei Blas altijd. En hij kon het weten.

Maar waar was Jacques Brel?

Ik werd best verdrietig opeens daar in België. Zoals ik ook wel eens verdrietig word als ik in een stad loop waar de winkels en mensen en honden zo op elkaar lijken, dat ik vergeet in welke stad ik ook alweer was. Dit had in elke mooie plek op een toeristische route in heel Europa kunnen zijn. Nou ja, op de plaatsnaam, het weer en de wegbewijzering na dan.

De zware geest van mijn moeder op mijn schouder die altijd zei: Vertrouw nooit een Belg’, terwijl haar voorvaderen uit Liège kwamen. Fragmentarische herinneringen van een kil slaapkamertje met strakke spreien en hard plastic poppen met dode ogen en verknipte gelige pruikjes waar ik met een paar wildvreemde achternichtjes door hun moeder gescheiden werd van de gezellige volwassenwereld in de huiskamer. De markt in Luik, waar we gingen griezelen bij de man die tweedehands kunstgebitten verkocht.

Mijn moeder die geen woord Frans verstond, moest altijd huilen als ze Jacques Brel hoorde. En ik vond dat hij op ome Mart leek en een beetje op mijn vader. Dat huilen begreep ik niet zo, noch de teksten.

Nu huil ik ook bij Jacques Brel. Misschien word ik ouder, misschien zit er ergens een Belg verstopt, achter mijn Verspaanste Venlose hart. Of lijk ik toch gewoon op mijn moeder die altijd treurig werd in Belgie.

Onze benedenbuurman in Solwaster bleek een Spanjaard en tevens uitbater van de dorpskroeg. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik het licht zag aanspringen. TL-licht. Jacques, Cameron en een beetje zon braken door. Ik vind het normaliter erg aanstellerig om Spaans te gaan babbelen als je je belabberde Frans zou moeten oefenen, maar de woorden rolden gewoon uit mijn mond, ook al was de soep van de dag (sinds decennia waarschijnlijk) Franse uiensoep en de inrichting uit een horecacatalogus van een bedrijf in Verviers dat ergens in de jaren tachtig failliet moet zijn gegaan.

Aan een TL balk alleen kun je je niet warmen.

Hoe vaak had ik zelf die vraag verwenst als mensen uit Nederland in Cartajima hem aan mij stelden: ‘Hoe ben je HIER in Godsnaam terecht gekomen?’ Ik werd door die vraag destijds een soort wandelend pre-ik-vertrek-format. En mijn verhaal werd steeds korter. Kort voordat ik terugkeerde naar Venlo, zat ik al op twee woorden:

Carpe Diem (en een weids gebaar naar de wit betegelde en zonovergoten wereld om me heen)

De vraag drong zich toch op. De Spanjaard leek ook een beetje treurig, uitgeblust in de winter-regens van Solwaster. Misschien kon ik hem en mezelf even opvrolijken. Moerstaal, zon.

¿Cómo se acabó aquí en Solwaster?

Hij zuchtte: ‘’Via een weekje vakantie in Malaga 31 jaar geleden, toen ik mijn vrouw leerde kennen en ben meegegaan.’’

Ik bestelde twee carajillo’s met koffie

‘Mujer. Ik serveer geen carajillo.’

Geen zonlicht vandaag.

Ik drink duistere rum uit Capo Verde met koffie en als ik mijn neus in het glas rum steek, wenste ik dat ik in Cuba was. Capo Verde lijkt me niks. Met mijn mannen, Jacques en Cameron. Of gewoon lekker thuis in Eindhoven. Op de bank met een slechte kerstfilm, mijn mannen en Lonnie de kat.

Bij de grens van Nederland klik ik op de nieuwsberichten. De zon breekt door en we laten het regengordijn van België achter ons. George Michael is dood. Iedereen treurt.

En later zeg ik misschien ooit. Ja, ik herinner me nog goed toen George Michael stierf. Op de grens van België en Nederland reden we toen. Iedereen treurde, waar ik was alleen maar blij dat de zon doorbrak en we door mijn Limburgse land door een spiksplinternieuwe tunnel terug naar huis reden.

Nee, Carpe Diem is toch geen tegelspreukje. Het is ook een beetje verdrietig zijn in Solwaster. Of samen thuiskomen als de zon doorbreekt.

 

Foto: een verdwaalde kabouter in het natte bos bij Solwaster.

Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.

 

We hebben alles al

P1010644.JPG
 

foto Tanja Nabben

 

 

“Alles is hier, waarom zou ik ergens naar toe gaan?” Haar mooie oude gezicht barst in een prachtige craquelé van 90 jaren zeewind, zon en zilte lucht. Ze wijst naar de donkerblauwe zee die onrustig over de zwarte lavastenen schuimt en spat. ‘’Morgen krijgen we regen en dat is goed voor het eiland.” De lucht is nog strak blauw, maar ik weet natuurlijk dat ze gelijk heeft.
Haar woorden klinken als mijn favoriete vergeten muziek. Ik hoorde de oude Blas in Cartajima zeggen. Keer op keer, tot irritatie toe. Het was een van zijn favoriete mantra’s. Steeds als ik een ‘’reis’’ moest maken naar de stad, ingewikkelde dingen ondernam, of naar Nederland vloog om buiten onze kleine vallei iets te moeten ondernemen, kopen of bezoeken, wees hij naar de lucht en de bergen om ons heen en zei: ‘’Waarom, je hebt alles hier toch ?’’
Grote, lang niet aangeraakte herinneringen uit mijn onderbuikgeheugen schieten richting keel en vormen een grote brok. Ik kan wel janken. Van opluchting. Ontroering. Van pijn. En spijt. Dat ik zoveel moois in de drukte vergeten was. En van de schoonheid van dit land dat zich vandaag hier alleen in zwart, wit en diep Atlantisch blauw manifesteert. Godverdomme, wat is onze aarde toch adembenemend mooi en wat was ik dat al Instagrammend en werkend kwijt geraakt.

tevredenheid, waar was je?
we hebben alles al.
Niet dat ik hier ooit eerder was, maar deze oude vissersvrouw in het piepkleine gehuchtje aan een weerbarstige Atlantische oceaan geeft me sinds lang weer het geruststellende gevoel dat echte mensen nog bestaan. En die wonen op echte plekken. Waar de echte natuur nog gewoon je Moeder is. Vergeef mij de vulkaanuitbarsting van woorden-clichés, maar ik meen het als ik zeg: Lanzarote voelt als thuiskomen. Van het land Ontevreden, naar het eiland Tevreden.Van onder de zeespiegel verstopt in gebouwen waar iedereen zichzelf groot waant en de wereld piepklein, naar oog in oog met de oceaan en vulkaan. Naar de omhelzing van Leven en Dood in zwart, Blauw, wit – en vuurrode geraniums.
Toen ik Blas ooit vertelde dat er in ons land geen bergen zijn en dat we onder de zeespiegel wonen, schrok hij zich rot. ‘’Dat kan niet gezond zijn” zei hij na lang nadenken. Blas had altijd gelijk.
Het huisje is gebouwd door haar grootvader. Ze is hier geboren en ze zal hier sterven, zegt ze, terwijl ze bruine blaadjes uit haar vuurrode geraniums plukt. Haar ogen vonken als kleine zonnen omringd door ontelbare straaltjes. Haar man zit in een grote rolstoel in het botenhuis waartegen de kleine, wit gestuukte woning leunt. Een grote kleuren TV staat aan, de schuimende zee klinkt en geurt door het Spaanse praatprogramma heen, overstemt het soms. De oude man in de rolstoel staart bewegingsloos naar de zee, zijn hoofd een beetje schuin. ‘Hij kan niets meer, maar dit vindt hij fijn. Hij wil altijd de zee voelen, de wind.”
Ze tipt me het restaurant van haar kleinzoon, aan het einde van de straat. Ik voel me een gezegende toerist op Lanzarote en ook weer een beetje meer mens.

Lanzarote december 2016

Prima

hola.jpg

In een hechte, geïsoleerde gemeenschap is alles familie. Behalve ik. Dat vond ik in de beginperiode erg prettig. Je bent een ander diersoort – solitair en vrij van sociale plichten en druk, vrij van verleden en imago, verjaardagen, bruiloften en begrafenissen. Een soort vliegende eenhoorn tussen de taaie muildieren.

Het was nog in de tijd waarin ik de woorden soledad en solamente door elkaar haalde.

‘Heb jij een moeder dan?’ Antonio viel bijna van verbazing van zijn stoel toen hij het heilige M-woord uit mijn mond hoorde rollen. Ik kreeg er lol in, maar was minstens zo verbaasd dat hij daar zo verbaasd over was. ‘En nog drie zussen, een broer en een vader.’

‘Joder..’

Hij bekeek me alsof ik net een groot geheim had onthuld. ‘Joder, mujer…dát wist ik niet.’ Mompelde hij nog eens en stak een zwarte Ducado op en hief zijn flesje. ‘Chin Chin. A tu madre.’

Antonio wist niks van me, alleen dat ik kon hellingtrekken, uit het land van Kroijf en tulipanes kom, kon roken, praten en een bougie vervangen. Dat was al ruim de helft meer dan anderen in dit dorp van me wisten. Blijkbaar had hij nog niet met zekerheid vastgesteld dat ik van het menselijke ras was en als we een paar eeuwen zouden doorgraven, wellicht nog verre familie ook.

Een week later kwamen mijn ouders op vakantie. Hun allereerste vliegreis samen. Mijn allereerste familievisite. De moeder van de postbode omhelsde mijn vader alsof hij een lang verloren zoon was die terugkeerde uit een oorlog. Tranen. Mijn moeder had sjans van Paco de oude kastanje-zigeuner. ‘Zeg tegen je moeder dat ze vroeger een mooi vrouwtje moet zijn geweest.’ Ik heb de vrije vertaling gekozen. Ze bloosde. Een beetje mopperend.

De burgemeester kwam even persoonlijk een hand geven, de ober van La Farola, la Quinta en de twee venta’s langs de weg naar Ronda klopten me op mijn schouder alsof ik eindelijk de finish had bereikt van mijn familie-loze marathon. De lokale dorpsgek wurmde zich door een kiertje in de deur om mijn vader een snelcursus schreeuwen en schelden in het Spaans te geven. Mijn vader wurmde hem in het plat Venloos scheldend door hetzelfde kiertje weer naar buiten. Rosa speelde patience op het stoepje met mijn moeder, rokken op hun ronde bleke knieën, de kaarten tussen hen in op de koele steen. ‘Ze speelt vals, je moeder. Ik mag haar wel.’

We deden dingen die ik in mijn jeugd nooit gedaan had met ze: zwemmen in de rivier, picknicken, we zagen arenden en gieren, we maakten een kampvuur op de boerderij. Paseo in Ronda, werken in de tuin. Mijn moeder ving een kleine witte schorpioen op de rug van haar hand en zei: ‘Kijk nou wat parmantig dat staartje.’ En we gingen naar de Chinees. ‘Zijn er hier ook Chinezen???’ De Spaans sprekende buurt-Chinees ‘Hola’ in Ronda vonden ze minstens zo spannend als de hele grote klont Unesco-erfgoed eromheen.

Mooie mensen, mijn ouders. ‘Muy natural.’ Zei Juan van de Estanco. Het grootste compliment tegenwoordig.

Het afscheid viel zwaar. De moeder van de postbode huilde en vertelde mijn vader dat hij de knapste man was die sinds mensenheugenis in het dorp was geweest. Ze heeft nog weken over hem gepraat en mij om een foto gevraagd.

Antonio en de anderen konden daarna met een gerust hart weer verder wennen aan me. Nu ik geen vreemde familieboomloze vogelsoort bleek, maar gewoon een dochter, leek dat opeens stukken sneller te gaan. Vanaf de dag waarop mijn ouders weer naar huis keerden, noemde Antonio me Prima – nicht.

Ik vond het prima. (tranen)

Joder. Alles is familie.

De weg naar de omweg (een wandelroute)

 

routa 1.jpg

‘Begint hier de oude route naar het dorp aan de overkant?’ Vroeg ik aan de oude man in een blauwe overall, die me van top tot teen bekeek alsof ik een goed gelukte kermisattractie was. We stonden aan de rand van het dorp, waar de harde betonnen weg overging in een zandweg die de vallei indook. Een tweede weggetje krulde omhoog naar de noordhelling. ‘Och vrouw, alles loopt hier dood, dus ook de wegen.’ Ik was verrast door zijn ironie en dubbelzinnigheid die ik nog nooit eerder gehoord had in deze contreien waar tandeloos gemompel en gemopper de voertaal leek.

‘Hoe lang is het te voet naar de overkant?’ Ik hield een beduimeld boekje omhoog dat ik geleend had van de moeder van Juan de postbode gisteravond. Hij grijnsde. ‘Oh. Die weg bedoel je…Tja…’ De oude man wees met een nonchalant gebaar in de richting van het enige straatje dat naar het dorpspleintje leidt. ‘Vraag het de geitenhoeder maar, het is ingewikkeld… Hij kent elk pad. Hij zit in Balta’s bar.’

In de bar twee mannen met een flesjes Cruzcampo voor zich en Balta stond zoals altijd leunend op de tap en een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek, af en toe krabbend aan zijn bierbuik. Ze staarden naar de TV waar het nieuws van Canal Sur in schelle brokjes uit de opgeblazen luisprekers viel. Er waren toeristen verdwaald en na een ingewikkelde reddingsactie weer gevonden. ‘Soortgenoten van jou, Duitsers!’ Zegt Balta giftig, alsof ik er iets aan kan doen dat die mensen op teenslippers in Granada een berg op waren gekropen op het heetst van de dag. ‘Ik ben geen Dui..’ Balta was alweer verdwenen in het achterkeukentje om even tegen zijn vrouw en schoonmoeder te schreeuwen.

De man links moest de geitenhoeder zijn: mager, afgetraind en een flaphoed op, net als in de tekenfilms van Heidi of in slechte cowboyfilms. De andere man had een dikke bierbuik – zoals bijna alle mannen in het dorp van boven de dertig. Sommigen hadden een bochel én een buik, dat was helemaal geen gezicht.

‘Ben jij de geitenhoeder?’

‘Nee, ik ben de Koning van Marokko.’

Hij nam niet eens de moeite om me aan te kijken en dronk met een driftig gebaar zijn biertje leeg, om een nieuwe te bestellen. Ook ik kreeg mijn ongevraagde flesje bier met een klap voor mijn neus gezet op de roestvrijstalen bar. Pang! ‘Mujer, drink, het is warm.’ De geitenhoeder gromde iets tegen de andere man met bierbuik.

(fonetisch:)

KéééKonjoooKjéeereLa-Alemaaaanaaaa*(uitspreken met een potlood losjes dwars tussen je lippen)

*Vertaald: Wat-the-fuck moet die Duitse?

Dat klonk niet al te vriendelijk. Al weken droomde ik dat ik een van die onbeholpen onvriendelijke xenofobe hufters in vloeiend plat Cartajimenjaans van repliek diende. Heerlijke dromen waren dat. Ik werd altijd opgelucht wakker.

Misschien was het de hitte, dat flesje Cruzcampo, of gewoon omdat ik wilde wandelen in plaats van me door een autistische geitenhoeder met flaphoed te laten beledigen. Maar – net als in slechte cowboyfilms – er knapte iets. Pats. Mijn taalbarrière in dit geval.

Dus, zonder in beschamende details te treden: er borrelde een allereerste geniale scheldpartij uit mijn donkere delen omhoog die ik in dit blog voor alle leeftijden niet kan herhalen. In mijn beste Cartajimeñaas (een dialect dat nog uit de tijd van de Katharen stamde en waarin de vochtige grotten nog doorklinken) gaf ik de botte geitenhoeder voor het eerst in een petatje petet.

Ja. Lekker was dat. De eerste opluchting in maanden in het kader van mijn sociale integratie. Ik zou me er in Nederland vijf jaar voor schamen. Minimaal. Maar in Cartajima luchtte het waanzinnig op. Schaamte en opgepoetste praat hoorden niet tot de top tien van de sociale codes in dit dorp, waar eerst de Vandalen, toen de Moren, de Fransen en vervolgens Franco diep en lang hadden huisgehouden en vijf generaties van dezelfde familie hun bloedband hardnekkig bleven copy-pasten in een oneindige incestueuze kruisbestuiving van protserige bruiloften en doopfeesten met steeds dezelfde 180 genodigden.

De geitenhoeder keek me voor het eerst in mijn ogen. Een en al alertheid en een grote, beleefde glimlach.

En nu wist meteen iedereen dat ik geen Duitser was. Want Duitsers doen zoiets niet.

Ik kreeg nog een Cruzcampo. Pang! En na een korte stilte (ik moest zelf ook echt even bijkomen) vroeg ik de geitenhoeder het juiste pad naar de overkant. ‘Loop maar mee, ik moet toch de kant op.’ Zwijgend liepen we naar de rand van het dorp waar de betonnen weg ophield en overging in zand. ‘Het is dat pad, links de vallei in. Alsmaar rechtdoor tot aan de rivier, daarna wijst het zich vanzelf, je kunt alleen maar omhoog.’ Hij wees het zelfde pad waar de oude man een klein uur eerder was verdwenen.

Bij de rivier stond een klein wit huis met een vervallen watermolen ernaast. Idyllisch. De oude man in blauwe overall zit op een stoel met te korte poten tegen de buitenmuur van het witte huisje. Hij steekt joviaal zijn hand op. Ik ook. ‘Heb je het pad gevonden? Je hoeft alleen maar rechtdoor omhoog, dan ben je er over een klein uurtje. Als je doorloopt kun je met Juan mee terugrijden!’

En zo liep ik naar het dorp aan de overkant, waar ik op het dorpsplein Juan de postbode van Cartajima tegenkwam, die me een lift terug gaf. ‘Paco zei al dat je eraan kwam, dus ik heb even gewacht.’ Ik gaf hem het boekje van zijn moeder terug. Juan grijnsde en zweeg. Drieënvijftig haarspeldbochten lang.

Voor wie deze prachtige route eens wil lopen of foto’s wil zien: http://www.piaguvisenderismo.com/2010/11/ruta-parauta-cartajima.html

 

 

Gefingeerde verjaring nummer 45

strand

 

Het was lachen in Spanje. Ik sprak B* die niet gesproken wilde worden, filmde H en T en U die niet gefilmd wilden worden, danste de polonaise met Elvis die eigenlijk J heette en in de vleeshandel zat, sjanste met K die liever PP* genoemd wilde worden en snapte tegen middernacht niet meer goed waar ik mijn lensje op moest richten tot T een geweldige afleidingsmanoeuvre bedacht door in een strak gifgroen worstelpakje zijn borsthaar in brand te steken. ‘Doettie altijd – het groeit heel snel weer aan.’ Stelde zijn vriend mij gerust.

De rest van de avond heeft mijn geheugen – heel verstandig – zorgvuldig uitgewist.

Maar het was zo gezellig. De kramp gelachen. Echt waar.

Een perfecte plek ook om mijn 45ste verjaardag te vieren. Dacht ik. Ik zwaaide moedig en nog 44 lentes jong mijn lieve collega’s uit, huilde een kwartiertje mijn aanzwellende ID-crisis weg op mijn hotelkamer en toog fris en bijna 45 naar de boulevard.

Bij strandbar Antonio bestelde ik een tinto verrano en een paar tapa’s. Een dronken Schot met Quilt en een bezweet gezicht vroeg of ik met hem wilde poseren tegen betaling. Ik begreep niet goed wie nu wie zou moeten betalen en ik vertrok. Wrong scenery. Nog 23 minuten en dan moest ik op een perfecte plek zijn om te verjaren. Ik gaf Antonio een dikke fooi. Omdat ik bijna jarig was en de helft van mijn racion sardientjes had laten staan.

Plan B

Wat is er nou mooier en dramatischer dan met je tenen door de branding waden op de valreep van je verjaring. Lekker zwelgen in een zonnig oord. Ik zie de selfie al voor me.

Dus ik met mijn tenen helemaal naar de branding. Tasje vast – je weet maar nooit, vrouw alleen, donker strand. Ik waadde een honderd meter en loerde stiekem op mijn telefoon hoe laat het was. Nog een dik kwartier. Het waden vertraagde de tijd. Er dreef glimmende troep in de branding en er haakte iets vettigs aan mijn tenen. De brandingen waren vroeger schoner. Ik weet zeker, als je zulke dingen denkt dan word je oud.

Toen hoorde ik flarden Corrie Konings en voelde, een kort moment, plotsklaps weer alles gladtrekken.

Terug op de boulevard sloop ik op handen en voeten langs cafe X en B om niet weer in de vrolijke feestklauwen te vallen van B, K, T en de jongens.

Vijf voor twaalf. Typisch. Ik sloop door een onooglijk straatje ergens in een onooglijk stadje aan de Costa del Sol, met iets glibberigs tussen mijn tenen, tikje aangeschoten van de zon en de tinto, een liedje van Corry in mijn hoofd en bang dat Elvis op elke straathoek op zal duiken.

Klokslag twaalf keek ik in de spiegel van mijn hotelkamer en kreeg de slappe lach. Omdat alles zo gek en vreemd en grappig is als je 45 bent. Zelfs ikzelf. Een verjaardag om nooit te vergeten.

De kramp gelachen.

 

* de gebruikte initialen zijn gefingeerd

De dood en ons dagelijkse brood (Uit het boek van Blas)

Paco, de oudste zoon van Paqui en Juan was patsboem dood omgevallen tijdens een dominopartijtje in Balta’s bar op een bloedhete zondagmiddag. Slechts 35 Spaanse lentes had hij meegemaakt, het arme bakkersjong. Raar vond niemand het, die hartaanval. Al was het wel even schrikken op zo’n gewone, stille zondag in een dorpje waar zelden iemand nog stierf tegenwoordig. Paco had er een nogal ongezonde levensstijl op nagehouden; veel te dik, hij rookte als een ketter, dronk als een Costa-Rus en was een zeer zwijgzame binnenvetter. Het verdriet van Paqui en de stille, gebroken Juan raakte ons allen diep. Nog nooit had hij een meisje gehad, snikte Paqui’s zus terwijl we met stoelen en opklaptafels sleepten in de hete zon. En ik vroeg me af of dat goed of slecht was. Het scheelde alweer een veel te jonge zwarte weduwe die bij een verdrietige schoonmoeder in huis haar jonge dagen mag slijten. Daar waren er al meer dan voldoende van in dit dorp.
De manier waarop de dorpelingen zich voorbereidden op een begrafenis, had hetzelfde koortsachtige karakter als de dag voor de jaarlijkse dorpsferia.  Niemand had echt de regie, maar alles liep toch op rolletjes. Er werden massa’s eten gekookt door de vrouwen uit de Calle Alto en de vrouwen van de ‘Hermandad del Nino Jesus de Cartajima’ bakten taarten en schikten bloemstukken voor in de kerk. De straten werden aangeveegd en de kleine achterkamer van de bakkerij was leeggeruimd om de opbaartafel met de gigantische oude koelmotor te installeren.  Terwijl vijf sterke mannen Paco’s logge dode lichaam van Balta’s kroegkoelcel naar de achterkamer manoeuvreerden, namen de vrouwen Paqui mee voor een ommetje. Dat was maar goed ook bleek later, want de kar waar ze Paco op hadden gelegd om naar zijn ouderlijke huis te vervoeren, was omgekiept bij de laatste bocht, waardoor Paco’s zwarte pak onder het stof zat.
Na enige manoeuvres en een snelle borstelbeurt kon de wake in Paqui’s keuken beginnen.  Paco lag er bij alsof er iets gebeurd was. Al snel zat de kleine achterkamer –die ook als opslag voor de winkel diende – vol. Iedereen zweeg, behalve Paqui die in lange uithalen weeklaagde en zich met haar vuist op de borst sloeg. ‘Mijn zoon, mijn zoon, waarom toch mijn zoon?’ De koelmotor van de baartafel vocht als een beest tegen de tropische hitte en iemand wisselde het volle koelwaterlekbakje onder het nylon gordijntje aan het voeteneinde. Niemand keek echt naar Paco, omdat de opbaartafel veel te hoog was ten opzichte van de typische Andalusische stoeltjes met veel te korte poten. Ik denk dat niemand het heel erg vond, want Paco was niet bepaald Sneeuwwitje in zijn zwarte glimmende Hermanidad-kostuum. Dus stil staarden we met z’n allen naar het nylon gordijntje en de kartonnen dozen met gezouten botten en pakken melk die iemand haastig tegen de muur had geschoven. Buiten was het een kabaal van jewelste; het reüniegevoel onder de mannen zwol aan.
Tot diep in de nacht druppelden er familieleden en buren het dorp binnen. De straatjes vulden zich met begroetingen en kinderstemmen, uit de keukenramen van de Calle Alto klonk pannengekletter en sissende olie. Het mocht geen feest heten, maar toch was het dorp op z’n gezelligst als er iemand dood was gegaan. Iedereen leefde er even van op.
De dag na de begrafenis, als de laatste auto’s van neven, nichten en aanhangende familieleden toeterend verdwenen waren in de bocht, was het dorp weer net als altijd: doods.  Balta deed zijn bierprijs weer een kwartje omlaag en plakte nieuwe lijsten op voor de volgende dominocompetitie. Paqui stond weer gewoon achter haar toonbank met donkere kringen van verdriet rond haar ogen en Juan  maakte de oven schoon, zwijgend zoals altijd. Het was druk in de winkel en een gekakel van jewelste. Iedereen had 2 dagen vers brood gemist en Paqui’s winkelvoorraad Bimbo-brood was gisteren al op.
We waren 72 uur verder.
Paqui zou vanaf vandaag en voor de rest van haar leven zwart dragen. Want alhoewel deze rouwtraditie in de meeste delen van Spanje al sinds de jaren 50 was afgeschaft, hield men hier nog stevig vast aan wat ooit sociaal gewenst was. Juan zei zijn lidmaatschap bij de dominoclub op en hij zette geen voet meer binnen bij Balta. Behalve bij begrafenissen, want dan was het dorp weer 48 uur van iedereen.  
En zo werd de stille Paco weer deel van het dorpsplaatje; in de kolossale zwarte schortjurken van zijn moeder en het eeuwige zwijgen van Juan die ons dagelijkse brood bakte.