Een nieuw begin

In memoriam: Blas

Voor Jacques L, Lies W, Francisco C en Jacques G.

Dat haarspeldbochten en contouren van bergen zich nestelen in een geheugen, wist ik niet. Misschien omdat ik in mijn leven net een paar haarspeldbochten te veel nam, of misschien heb ik gewoon een heel selectief geheugen. Precies zoals in mijn herinneringen, na de bocht met de overhangende rotsblok, manifesteerde het dorp zich als in een beginscene van een dramatische film; een stille klont witte huisjes, tegen de grillige contouren van El Riesgo en met de glooiende groene heuvels van de Genal-vallei aan haar voeten. Niets kan zo dramatisch en mooi zijn als een landschap zonder mensen.

Juamo was de eerste die mij had zien rijden. Zijn beperkte verstandelijke vermogens, dito woordenschat en bijziendheid maakte dat zijn woorden dubbel zo hard binnenkwamen. ‘’Ik zag twee kleine glimmende oogjes en zei: daar is Tanja.’’ Een groter compliment en opluchting, een meer complete bevestiging van dat ik nog leef, zaten in die woorden. Ik glim nog en dat was alles wat ik vandaag weten wilde. En Juamo had dat gezien en bewaard in zijn mooie geheugen.

Gezien worden in een gehucht dat zo stil is dat zelfs de kakkerlakken op hakjes leken te lopen, was niet zo moeilijk. Maar dat iemand mij in zijn geheugen, tussen de haarspeldbochten van de weg naar het dorp, had bewaard als twee glimmende oogjes, stelde me gerust. Ik had niet ongezien hier een halve droom gebouwd en weer afgebroken, in stilte geleefd, in afzondering op een paar vierkante kilometer met mensen die mij niet kenden en nooit zouden leren kennen. De jaren na mijn vertrek waren voorbijgevlogen, mijn jaren hier waren destijds voorbij getikt in langere seconden, tragere dagen, in uitgerekte seizoenen, brandende zonnen en af en toe een storm. Mijn tijd hier voelde niet als jaren, maar als een groots fragment, een overhangende rots op mijn tijdspad.

In de Estanco was het stil. ‘’Goed volk’’ riep ik richting achterkamer. Juan en Carmen waren blij me te zien en trokken blikjes cola uit de ijskast. We maakten grappen over ons ouder worden. Zij kregen met de jaren de kilo’s cadeau, ik de rimpels. Binnen tien minuten wist ik wie er allemaal dood was en waaraan overleden. Iedereen die ik kende ongeveer. De postbode, de bakker en zijn vrouw, hun zonen, de loodgieter, mijn buurman, zijn broers en neven.

Eén naam werd niet genoemd en ik stelde mijn brandende vraag uit. Ik wilde nog even het idee-fixe vasthouden dat hij nog leefde, al was het tegen beter weten en logica in.

‘’En Blas?’’.

Er viel een korte stilte. Carmen wendde haar blik even af. Ze had de vriendschap tussen Blas en mij altijd onbegrijpelijk en ongemakkelijk gevonden. Vriendschappen tussen oude mannen en jonge vrouwen, waren nog steeds ongebruikelijk hier. ‘’Ook dood’’. Ze voelde dat het gevoelig lag en trok met veel lawaai een paar lades van haar toonbank open en ging over op en droogte van de afgelopen jaren en de lente die al veel te vroeg kwam dit jaar.

Blas, mijn muze. Drie jaar geleden overleden. Van hem leerde ik hoe je een stok kunt snijden, hoe je een vuur maakt dat langer brandt, hoe je vijgen plukt zonder ze te krassen, hoe je een amandelboom moet enten, een dier doden, een slang kan zien naderen, of een klootzak uit het dorp, hoe je in het vuur kan staren, het water in de beek kan laten zingen, hoe je een boom na kunt doen, paddenstoelen vinden, mest kan maken van vleermuizenpoep en vals zingen in de ochtenddauw. Van Blas leerde ik hoe je alleen kunt zijn en hoe je langzaam bergop kunt lopen en toch niet moe wordt.

In de brandende lentezon liepen we het twee kilometer lange pad af naar mijn oude boerderij. Waar het geluid van water hoorbaar werd, zag ik de kleine groene oase met het witte huisje en bijgebouwtjes opdoemen tussen het groen langs de beek. Twee mannen, vader en zoon, staken tegelijk hun arm omhoog, zodra ze ons zagen. Enigszins aarzelend liep ik het terrein op. Struikelend over herinneringen liep ik richting het huis. Het graf van mijn honden Kika en Mosje. De agaven die ik tegen de rotswanden plantte, de stenen stapelmuurtjes langs de kruidentuin. De kuil in de weg die na elke regenbui moest worden opgevuld met stenen. Elke steen had ik in mijn handen gehad en losgelaten. De planten waren imposant gegroeid; de tijd had alles nog mooier gemaakt dan in mijn herinneringen.

De vader begroette me met twee amicale zoenen alsof we oude vrienden waren. ‘’Pedro. Jij moet Tanja zijn’’, zei hij glunderend, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat ik hier na 13 jaar tijdens de siësta op een doordeweekse dinsdag zou aanwippen. ‘’Neem je tijd, kijk rond. Mijn huis is jouw huis. Je kent de weg.’’ Hij beende naar binnen en twintig seconden later stond ik met een glas rode wijn in mijn hand op het erf; ‘’Van jouw druiven – de lekkerste wijn ooit.’’ We proostten op het leven en op Blas en het voorrecht om in een verborgen paradijsje te kunnen zijn. We lachten onze tranen weg, wisselden hugs en telefoonnummers uit en gingen samen op de foto. Het was een gelukkig afscheid. Een einde en nieuw begin.

Er viel een rotsblok van tijd van mijn schouders af.

Drie mannen op een rotsblok

hemingway

De dood was alom aanwezig in het dorp. Het begon al bij de ingang. Cartajima is het enige Moorse gehuchtje op de befaamde witte dorpen-route, dat niet alleen aan het einde van een doodlopende weg ligt, maar ook is het allereerste bouwwerk dat je ziet bij het betreden van het dorp een volgebouwd kerkhofje op een kleine heuvel. De doden en bijna doden verwelkomen u, grapte ik toen ik voor het eerst het dorp inreed en tegenover het kerkhofje drie stokoude boeren met open mond zag zitten op een rotsblok. Dat ik er maanden later zou wonen, zou ik op dat moment nooit bedacht kunnen hebben. En dat een van die stokoude, tandeloze boeren mijn trouwste dorpsvriend en later ook blogmuze zou worden, lag ook niet in de lijn van mijn levensplannen.

De gemiddelde leeftijd in het dorpje was zo hoog, dat er in sommige seizoenen wel vier of vijf begrafenissen achter elkaar waren. Meestal was de hitteperiode de tijd waarin de oudsten omvielen en af en toe een ravijnval van boeren die dronken over de gevaarlijke bergweggetjes slingerden van dorpsfeest naar dorpsfeest. Door de steile straatjes en vele trappen, drempels en andere Moorse obstakels in het dorp dat nu eenmaal gebouwd was in de eeuwen voor de uitvinding van de rolstoel en het looprek, was een aanzienlijk deel van de ouderen in de loop van hun oude dag onzichtbaar geworden, want ze konden niet hun huizen uit. Aan oud worden hier was weinig heroïsch. Wie niet depressief werd van het binnenzitten en toch drager was van de oergezonde genen van voorouders die ook al heel oud konden worden zonder beweging of sociaal leven, of met een werkbochel, had pech en bracht zijn laatste jaren door in een kleine kamer met dikke muren. Misschien wel de ergste dood voor een buitenmens met een taai lichaam: de langzame binnendood.

De dood bracht ook wel drukte en leven, leerde ik later. Hectiek en herrie die de normaliter lethargische stilte doorbrak met lawaaierige en kinderrijke familie van verre, ronkende auto’s en een rinkelende kassa voor iedereen die in Gibraltar taxfree drank en tabak had ingeslagen. Baltazar van de bar en de familie Estanco glommen dan nog wekenlang na, zelfs als het hun eigen familie was die hun schrale winteromzet rechttrokken. Wie nog niet zelf dood was, leefde eigenlijk best op van een begrafenis.

Er waren momenten waarop ik mij als relatief nuchtere buitenstaander en van begrafenisrituelen geen kaas gegeten hebbende Nederlander, vaak afvroeg waarom het allemaal zo luidruchtig en gehaast moest, zo’n begrafenis. Hier in het zuiden gaat immers alles traag, behalve begrafenissen dus. Het lichaam moet in de zomermaanden binnen 24 uur en in de winter binnen 48 uur begraven of gecremeerd zijn. Dat de Spanjaarden in staat zijn om elke uitvaart tot in de puntjes verzorgd en weten te organiseren vanuit een simpel en afgelegen berggehucht, verbaast me steeds weer. Want het is nogal een klus als de helft van je familie in Frankrijk, Duitsland Barcelona en Madrid woont. En toch lukt het altijd weer. Niet iedereen haalt het op tijd, maar wie later aansluit door vertragingen of logistieke perikelen, wordt als een uitgelopen marathonloper met dezelfde liefde en feestelijkheid ontvangen in de na-uren van de begrafenis. Tijdens een begrafenis lijkt de tijd zich te rekken. De wake, een intens laatste moment waarin moeders, dochters, kleinkinderen, buren, nichten urenlang rond de baar zitten, rozenkransen biddend, in zwijgen of zacht jammeren gehuld. En dan de mis, de vele bloemen, de prachtige kist, de enorme hoeveelheden eten, de mooie kleren voor de kleinkinderen. Voor alles is ruimte, ondanks de strakke deadline van het event.

De voettocht naar de dorpsbegraafplaats en het dragen van de kist is een zware mannenaangelegenheid door de krappe, hellende dorpsstraten. Niemand staat langs de kant, want iedereen loopt mee. Behalve dan de oudjes die niet meer hun huizen uitkomen natuurlijk. De luiken van de huizen zijn gesloten. Soms is de sliert mensen langer dan de straatjes van het dorp zijn en slingert de in zwart gehulde, schuifelende optocht als een trage adder door de witte straatjes, om zichzelf bij het centrale plein weer in eigen staart te bijten.

’s Avonds vloeit er bier en wijn. Er worden herinneringen opgehaald alsof we al op de volgende reünie van de overledene zijn beland. Zo snel als men hier iemand ter aarde kan bestellen, zo snel maakt men hier herinneringen tot verhalen.

Binnen 72 uur is het dorp weer stil, het pleintje, de straten en het dorpskroegje schoongeboend, alsof er nooit iets gebeurd is. Behalve bij de ingang van het dorp, waar nog maar twee stokoude, tadeloze boeren op de grote rots zitten, tegenover het kerkhofje. Herinneringen ophalende aan hun rots-maat, die verhuisd is naar de overkant.

 

 

Maria van Paco de Trieste. een Spaans mantelzorgverhaal

moorish village spain

Op het Zuid Spaanse platteland is mantelzorg door buren en familie van een steeds mindere vanzelfsprekendheid. Enerzijds door de vergrijzing, waardoor er steeds minder jongere generaties in de sociale structuur aanwezig zijn om de zorg en steun voor ouderen op te vangen. Anderzijds vormen de lokale infrastructuur, de beperkte ouderenvoorzieningen en het type woningen, praktische belemmeringen waardoor ouderen die slecht ter been zijn, vaak helemaal verdwijnen uit het straatbeeld en uit het openbare sociale leven. Binnen-blijvers zoals Maria uit dit verhaal, zijn geen uitzondering.

Maria van Paco de Trieste kon al jaren niet meer lopen. Dat was niet zo uitzonderlijk in dit dorp waar de mensen heel erg oud worden, maar ook vaak diabetespatiënt, jicht- reuma- en hartpatiënt waren. Maria’s benen waren grote opgezwollen ballonnen met een neiging naar blauw. Haar linkervoet was al jaren geleden geamputeerd en om haar rechtervoet zaten dikke zwachtels.

Ze kon niet meer de steile dorpstraatjes bewandelen, of zelfs maar haar huis uit, dat op een steil talud aan de rand van het dorp lag. Maria zat, toen ik haar leerde kennen, al 14 jaar opgesloten in haar eigen huis. Nu leek dat prachtige, koele Moorse huis met haar wirwar van gangetjes, bijgebouwen, binnen-patio’s en donkere koele kamers geen straf om in opgesloten te zijn, Maria’s leven was ruwweg en net als haar voet, geamputeerd van de buitenwereld waar ze haar leven lang actief deel van had uitgemaakt.

Acht kinderen had ze gebaard en grootgebracht waarvan er inmiddels drie overleden waren en de rest uitgezwermd over Noord Spanje en Frankrijk. Vanaf haar zeventiende was ze getrouwd met Paco de Trieste, een gefikst huwelijk met een verre achterneef uit een buurdorpje, zoals dat ging in die tijd en in deze omgeving. Paco hield zijn bijnaam in ere; hij was door de dorpelingen nog nooit betrapt op een glimlach.

De babbelgrage en altijd luchtige Maria schikte zich naar haar lot. Ze klaagde nooit. Paco de Trieste zat, als het weer het toeliet, altijd op zijn stoeltje met afgezaagde poten voor de voordeur. Hij rookte, staarde naar de verte en wachtte tot hij geroepen werd om te komen eten binnen.

Paco was de poortwachter en hield eigenlijk niet van vreemdelingen in zijn huis. Behalve als er vrouwelijke klusjes gedaan moesten worden; zoals het wassen van Maria, haar benen zwachtelen, een poetsbeurt, schone lakens, een kopje koffie zetten, de dorpsroddels doornemen, of de ramen lappen. Paco was de man en hij vond het prima dat mannen mannendingen doen, al had hij sinds zijn pensioen weinig meer omhanden behalve zijn kleine moestuintje op de zuidhelling van het dorp. Zelfs het jaarlijkse wit kalken van het huis liet hij aan de vrouwen over.

Paco verliet zijn uitkijkpost naast de voordeur en verdween naar zijn moestuintje zodra er meer dan twee vrouwen in de buurt waren. Hij kon al die vrolijkheid en het drukke gekwebbel simpelweg niet verdragen. Zijn taak zat erop, al lang geleden: hij had voor nazaten gezorgd en voor brood op de plank.

Maria werd uiteindelijk 89. Ze knikkebolde in haar eeuwige slaap tijdens een siësta afgelopen zomer. De vrouwen verzorgden haar stilletjes voor de allerlaatste keer. Inzepen, zwachtelen, een kam door haar stugge grijze haren, een laatste roddel en traan. Maria’s dochters en kleindochters bakten tortilla’s en kookten grote pannen soep. Buiten werd er door de mannen met stoelen en drankvoorraden gesleept en een koel-baar geregeld voor de nachtwake.

Paco zat stilletje als altijd op zijn stoel naast de deur en rookte. Zijn kleinkinderen speelden op de steile helling van zijn straat. Uit het geopende raam van het dorpszaaltje kakelden de vrouwen vanachter hun dampende fornuizen. En zo kon het gebeuren dat niemand zag hoe Paco de Trieste voor het eerst sinds zijn zeventiende een kleine glimlach van tevredenheid op zijn gezicht toverde.

De stand van de stad in vier straten en een leeg plein

 

 

‘’Deze stad is het kind van een gestorven moeder en een weggelopen vader.”

Het duurt even, voordat ik zijn woorden – in de juiste volgorde en in hun schurende, pijnlijke betekenis – tot me door laat dringen. Maar zodra geland in het woordenboek van mijn ziel, voel ik een brok zo groot als de stompe toren van de stadskathedraal in mijn keel.

Je verwacht dit niet uit de mond van de receptionist van je hotel. Rafael Alberti leeft. 

We lopen door el Puerto de Santa Maria. De stad die mij tien jaar geleden luidruchtig door het leven kneedde en over onzichtbare drempels schopte. De stad vol verwaaide zielen zoals ik, die me weer deed schrijven, filmen, dromen, denken en struikelen buiten de veilige zandpaden van mijn kluizenaarsleven.

We maken foto’s van mijn oude huis, ooit het vrouwenpaleis van de Caballero’s, maar nu levenloos met gesloten luiken, haar roze en zachtgeel verborgen achter een grauwe sluier van verwaarlozing en desinteresse. Ik herken het bibberige jaren 50 handschrift van Paco de Ubrique, de kleine bozige eigenaar van het pand ook wel bekend als Paco Piel, eigenaar van de ooit beroemde portemonneefabriek van Ubrique.

We slenteren door de tijd en ik knijp in de warme hand van mijn geliefde, steeds als ik een vaag bekend gezicht op straat herken, of als ik tegen een mooie, of minder mooie herinnering aan bots.  Ik zie spoken en vage contouren van mensen die in tien jaar tijd twintig jaar ouder lijken geworden.

Niemand herkent me nog, op de dikke handhavingsambtenaar na, die zoals altijd churro’s zit te eten om exact 10 uur ’s ochtends onder de luifel van de churro-bar naast de overdekte vismarkt. Ik mocht de man destijds absoluut niet, maar vandaag was ik blij dat hij met zijn churro knoeiend naar me zwaaide.

‘Killaaaaa – Meisje, lang niet gezien, we zijn er nog!’

Gelukkig. We zijn er nog.

De stad is in rap tempo verbrokkeld in zijn prachtige eeuwenoude kern en de lokale winkeliers proberen onder de schaduw van de grote ketens uit te kruipen. Zonder succes. Om de vijf panden staat er een leeg, te huur, of gewoon te verpauperen in zwerfafval. De ooit door invloedrijke kerkgenootschappen gebouwde monumenten, de paleizen van de rijke sherry-handelaren staan leeg en verwaarloosd om binnenkort opgekocht te worden door buitenlandse speculanten die de zoute lucht en verdere verwaarlozing gewetenloos hun gang laten gaan, zodat ze er over tien jaar lelijke nieuwbouw kunnen neerknallen.

Aan de oude kade Bajamar drinken we koffie op stoelen met afgezaagde poten. We krijgen gezelschap van een aangeschoten zigeuner, die trots vertelt dat hij even verderop helemaal alleen in een groot palacio woont en een Russische vriendin heeft met rode haren. Ik geloof hem meteen. Als we een uur later langs het afgebladderde paleis lopen, zien we hoe uit een van de niet dichtgetimmerde ramen, een waslijntje met twee smoezelige handdoeken met haarverf-vlekken en een rode BH hangt. Een aangeschoten zigeuner die niet liegt. Die vind je alleen hier nog.

Ook de Plaza de España, waar ik met mijn ontbijtvriend La Cabeza de stand van de stad dagelijks doornam bij een glaasje koffie en een serranito, ligt er verlaten bij. Zijn stambar Titi is er wel nog, maar Cabezas stoeltje is weg. Als ik voorzichtig informeer naar de oude Cabeza, hoor ik tot mijn opluchting dat hij nog springlevend is, maar na een decennialang gevecht met de churro-etende ambtenaar en de lokale politie, zijn gedoogde invalideparkeerplaats en zijn illegale invalidenautootje met 3 wielen, moest inleveren.

Het geklepper van de inmiddels flink gegroeide kolonie ooievaars op de Iglesia Mayor weerkaatst als dansende Sevillana-hakken in een peña zonder publiek. Het is op een spookachtige manier mooi, die opdringerige boodschappers van nieuw leven in dit treurlied van verval.

Het leven in vier straten en een leeg plein.

 

 

 

Loslaatrotsdag

 

blerick

In Cartjima was de dood dagelijkse kost. Al was het maar omdat het kleine, verhoogde bergkerkhof pal aan de ingang van het dorp lag. Elke dag zaten de dorpsoudsten op de grote rotsblok tegenover het kerkhofje elkaar en zichzelf op te warmen met herinneringen en roddels.

‘’Heb je gezien dat Maria bloemen bij Paco op het graf heeft gelegd gisteravond? Ze heeft wel lef.  Vertel het maar niet tegen Pepa!” De vetes, de familieruzies, de liefdesaffaires en roddels; als je dood was in Cartajima, leefde je nog jaren voort in de scherpe tongen van de roddelaars op de rots. Dat had wel iets geruststellends.

Het hoort erbij, die vervelende dood. En het went nooit. Mijn familie lijkt er de laatste jaren Airmiles voor te krijgen.

Ingeklemd tussen een jongen met te veel Axe en een meisje met een roze nepbontkraag dat al vanaf Helmond afscheid probeert te nemen van haar vriendje aan de telefoon, teleporteer ik mezelf tussen Eindhoven en Venlo op de rots van Cartajima met Blas en de twee Juans.

Op de rots werd nooit gehuild. We roddelden al onze tranen weg. En als iemand over die onzichtbare grens van venijn sprak, dan riepen de anderen: Over de doden niets dan goeds!

Als ik mijn ogen open, is de trein bijna leeg en rolt mijn eindbestemming, het station van Blerick binnen en ik ben blij dat ik niet met de auto ben gegaan vandaag.

Ik moet aan het werk, een interview filmen op oud, bekend terrein voor mijn nieuwe docu Tegenpolen in Blerick. Als ik de voetgangerstunnel uit loop, zoeken mijn ogen tegen beter weten in naar het grimmige welkom van de afwijzende koppen van de twee Juans en Blas. Geen rots in Blerick.

Herinneringen als regenplassen ontwijkend, laveer ik richting de straten van mijn jeugd. Hoofd op focus, geest op scherp, rugpijn en weemoed in de rugzak naast mijn camera. Aan de overkant steekt een oude man joviaal zijn hand op. Ik herken hem niet, maar hij heet vast Juan, Juan, of Blas.

Vandaag is mijn interviewthema loslaten. Van rotsen. Van mensen. Van oude levens. Komt dat even mooi uit.

 

 

 

Een droom in el Puerto de Santa Maria

imagesf2dyn8c6

De Atlantische winterwind rukt aan de dikke plastic zeilen van el Castillito. Ik eet kleine scholletjes met zeezout en citroen, gekneusde olijven en brood. Ik eet herinneringen aan de bergen en de zee. De donkerblauwe nacht jaagt schuimkoppen in de verte van el Puntillo, de lucht kleurt zwart met verre, knipogende lichtjes van Cadiz aan de overkant. Ik kan het beeld wel dromen, wilde er duizend foto’s, schilderijen en gedichten over schrijven. Maar steeds als ik hier een visje eet, lijkt dat alles zo overbodig.

Het verkleumde hart laat even los van de koude winterwind. Het leven lacht in de felle, trillende lichten van de TL balk en in die warme omhelzing van herrie die ik alleen hier verdragen kan. Rukkende wind, kletterende borden, roepende obers, hun kokende moeders en tantes, de gasten die dit alles proberen te overstemmen met woorden en soms een schaterlach. Altijd voel ik mij hier de perfecte vreemdeling. Omhelst door warme herrie van vreemden.

Met de wind in de rug loop ik langs duizend slapende paleizen en herinneringen. De stad slaapt, behalve de hoertjes uit Colombia en de mannen van de visafslag. Ik was vergeten hoe eenzaam en gelukkig tegelijkertijd ik me kon voelen tussen zoveel gebroken schoonheid. En hoe stil het kan zijn in het midden van alle herrie.

Er is niemand meer die ik ken, al tel ik alle stenen en deuren blind. De meeste van mijn oude vrienden zijn dood of verhuisd. Naar betere tijden of plekken. Julio, Cabeza, de jongens van Bar Luna, Antonio, Mercedes. Ook de reigers zijn weg van de gebroken torens van de kathedraal. De stad lijkt stiller, minder kleurrijk zonder mijn paradijsvogels. Maar de wind is er nog. En de vage geur van zeewier, vis en het licht zure hout van duizenden eiken sherryvaten en zoete Oloroso.

Op de geluiden en geuren van de haven val ik in slaap. Nog net voordat ik in duizend dromen van zand en wind verdrink, hoor ik een dronkaard op straat zingen:

 

Que se me importara a mi

que se sequen las salinas

mientras yo te tenga a ti.

 

En zo is het maar net.

 

Alle dingen met een A

 

10958726_499563703515910_7122651598902611824_n (1)

 

 

De A van alles dat gewoon doorgaat

Het was Aswoensdag. Mijn zusje Astrid was niet meer. Ik had haar zojuist in de lange lijkenwagen zien wegrijden. Een grote leegte maakte zich van mij meester. De familie druppelde in een grijze waas, net als de regen, terug naar hun auto’s, flats en gebroken levens.

Ze wilde iets heel eenvoudigs. Dat was gelukt. Mijn zus was altijd een beetje aan de luie kant geweest als het om haar eigen feestjes ging. Wel veel wierook. Mijn vader had het hele pakje wierook dat bij haar kist lag, in een keer aangestoken. Amber. Onze ogen traanden toch al. ‘Die penetrante geur, weet U, daar houden niet alle mensen van.’ De begrafenisondernemer vond het geen goed idee, want het was een drukke dag vandaag. Astrid zou zich niets hebben aangetrokken van de gevoelige neuzen van de volgende stoet rouwenden. Ik hoorde haar zeggen: Hoezo, ik betaal toch godverdomme voor die zaal? Het was haar feestje. Haar Aswoensdag.

Thuis werd ik bedolven onder de grijze stilte. Ik snakte naar mensen, vreemde mensen, buitenlucht. Iets troostends. Ik pakte de auto en reed naar de binnenstad waar de schoonmaakwagens de laatste restjes vasteloavend weg poetsten. Uit de kerk kwam een klein groepje vrouwen met een askruisje op het voorhoofd. Hun mollige lichamen deinden stevig gearmd voor me uit, in hun benen nog de kadans van vier dagen feest. Ik kende dat gevoel. Zwaar en heerlijk.

Ik slenterde de Martinuskerk binnen. Sinds mijn kinderjaren niet meer geweest. Een vage geur van wierook en boenwas. Amber-achtig, maar toch te veel Mirre voor mijn zus. De kerk was leeg, op een oude vrouw na, die geknield op de tweede bank bij het gangpad zat. Het was vastendag, maar ik vermoedde dat iedereen was eten. De carillonist had vrij vandaag. Ook geen klokken. Ik haalde geen askruisje, want veertig dagen vasten was ik niet van plan. De oude dame stond op en liep naar pastoor die murmelde: “Gedenk, mens, dat je stof bent en tot stof zult wederkeren”

(in het Latijn“”Memento, homo, quod pulvis es, et in pulverem reverteris”)

Ik hoefde daar vandaag door niemand aan herinnerd te worden.

De oude vrouw liep met gebogen hoofd de kerk uit. Ze had het deinen, net als ik, dit jaar duidelijk overgeslagen: haar tred was stram en stil.

In mij deinde er ook niets. Mijn binnenste was zo stil als de verlaten parkeergarage waar ik even later in mijn auto ging zitten. In de kraag van mijn winterjas rook ik een vleug amber. Thuis had ik nog een flesje Apfelcorn in de diepvries liggen. Ik lustte het niet, maar Astrid wel – ze werd er altijd zo gezellig van.

Astrid, Aswoensdag. Amber. As. Apfelcorn. De A van alles dat gewoon doorgaat. Afgelopen. Absurd.

 

Gefingeerde verjaring nummer 45

strand

 

Het was lachen in Spanje. Ik sprak B* die niet gesproken wilde worden, filmde H en T en U die niet gefilmd wilden worden, danste de polonaise met Elvis die eigenlijk J heette en in de vleeshandel zat, sjanste met K die liever PP* genoemd wilde worden en snapte tegen middernacht niet meer goed waar ik mijn lensje op moest richten tot T een geweldige afleidingsmanoeuvre bedacht door in een strak gifgroen worstelpakje zijn borsthaar in brand te steken. ‘Doettie altijd – het groeit heel snel weer aan.’ Stelde zijn vriend mij gerust.

De rest van de avond heeft mijn geheugen – heel verstandig – zorgvuldig uitgewist.

Maar het was zo gezellig. De kramp gelachen. Echt waar.

Een perfecte plek ook om mijn 45ste verjaardag te vieren. Dacht ik. Ik zwaaide moedig en nog 44 lentes jong mijn lieve collega’s uit, huilde een kwartiertje mijn aanzwellende ID-crisis weg op mijn hotelkamer en toog fris en bijna 45 naar de boulevard.

Bij strandbar Antonio bestelde ik een tinto verrano en een paar tapa’s. Een dronken Schot met Quilt en een bezweet gezicht vroeg of ik met hem wilde poseren tegen betaling. Ik begreep niet goed wie nu wie zou moeten betalen en ik vertrok. Wrong scenery. Nog 23 minuten en dan moest ik op een perfecte plek zijn om te verjaren. Ik gaf Antonio een dikke fooi. Omdat ik bijna jarig was en de helft van mijn racion sardientjes had laten staan.

Plan B

Wat is er nou mooier en dramatischer dan met je tenen door de branding waden op de valreep van je verjaring. Lekker zwelgen in een zonnig oord. Ik zie de selfie al voor me.

Dus ik met mijn tenen helemaal naar de branding. Tasje vast – je weet maar nooit, vrouw alleen, donker strand. Ik waadde een honderd meter en loerde stiekem op mijn telefoon hoe laat het was. Nog een dik kwartier. Het waden vertraagde de tijd. Er dreef glimmende troep in de branding en er haakte iets vettigs aan mijn tenen. De brandingen waren vroeger schoner. Ik weet zeker, als je zulke dingen denkt dan word je oud.

Toen hoorde ik flarden Corrie Konings en voelde, een kort moment, plotsklaps weer alles gladtrekken.

Terug op de boulevard sloop ik op handen en voeten langs cafe X en B om niet weer in de vrolijke feestklauwen te vallen van B, K, T en de jongens.

Vijf voor twaalf. Typisch. Ik sloop door een onooglijk straatje ergens in een onooglijk stadje aan de Costa del Sol, met iets glibberigs tussen mijn tenen, tikje aangeschoten van de zon en de tinto, een liedje van Corry in mijn hoofd en bang dat Elvis op elke straathoek op zal duiken.

Klokslag twaalf keek ik in de spiegel van mijn hotelkamer en kreeg de slappe lach. Omdat alles zo gek en vreemd en grappig is als je 45 bent. Zelfs ikzelf. Een verjaardag om nooit te vergeten.

De kramp gelachen.

 

* de gebruikte initialen zijn gefingeerd

Bruno’s ark op wielen

Elke en Bruno dweepten niet met hun verleden, want ze hadden besloten alleen nog maar te leven in het NU. Hij was ooit een gevierd antropoloog en altsax-speler en zij psychiater, gespecialiseerd in erfelijke psychiatrische aandoeningen. Beiden kinderen van invloedrijke Duitse families. Hun prachtige kasteeltje in de bossen bij Koblenz prijkte in menig Duits inrichtingsblad, want beide hoogleraren hielden van mooie antiek en hadden een verzameling prachtige schilderkunst uit de jaren 50-70.

Bruno, die sinds zijn jonge jeugd worstelde met de foute politieke geaardheid van zijn vader, verzette zich op zijn 57e nog steeds tegen alles dat ook maar iets aan zijn vader deed denken. Zijn riante jazzmuziekverzameling bestond uit bijna louter zwarte jazzmusici en hijzelf veranderde in een figuurlijke neger als hij zijn sax speelde.
Elke was een mooie vrouw geweest; ze had de klassieke, pezige contouren van een Slavische balletdanseres en Bruno was haar grote fysieke tegenwicht: Een kolossaal, massief lichaam, lichte blauwe ogen en vierkante kaken wiens spieren altijd op en neer rolden alsof hij zich chronisch ergerde.

In 1987 werd Elke overspannen en drongen de dranklustige genen van haar Russische grootvader zich op, om nooit meer weg te gaan. Ze stopte met werken en sloeg serieus aan de drank. Geld was er nog voor drie generaties, oud geld, nieuw geld, landerijen en huizen. Dat brak Bruno’s hart. Beiden beseften dat ze een arm rijk leven hadden geleid dat niet het hunne was. Het enige waar ze nog echt van konden genieten was het samenzijn in de stille bossen, samen met hun honden en elkaar, de muziek en de drankroes die het verleden oploste in de mist van katers of aangeschoten roes.

In 1988 namen ze een rigoureus besluit: Ze verkochten hun kunst- en antiekcollectie, zetten hun kasteel en landerijen te koop en organiseerden 3 weekeinden lang een grote carbootsale in de tuin van het kasteeltje. Van de opbrengst kochten ze vier Unimog vrachtwagens en een paar legerjeeps en tenten. Met een oproepje in de krant trommelden ze binnen enkele weken een klein leger aan jonge, avontuurlijke convooi-rijders op en vertrokken met de noorderzon.

Hun echte leven, hun lang gekoesterde droom ging beginnen: Een reis door de wereld met hun eigen konvooi. Bruno’s Ark op wielen.

Elke: ‘’Ik herinner me de eerste paar weken als een mooie droom; jonge mensen met veel energie, kampvuren en gitaren, de vastberadenheid die we voelden bij elke kilometer die ons verder weg bracht van Duitsland. We waren licht, bevrijd, alsof we de verloren tijd eindelijk mochten inhalen en alles dat zwaar woog achter ons hadden gelaten.’’

In de woestijn van Marokko ontstond er onenigheid in de groep, over de route. Het was te onrustig in Algerije om door te reizen, maar een boottocht of alternatieve route zou het grote reisplan van Bruno in de war schoppen. Bruno en Elke wilden rechtdoor. Ze waren onbevreesd als kinderen en in de waan dat geen oorlog hen kon raken in hun gepantserde Unimog vol dromen en jazz. Na een felle discussie brak de groep uiteen. De deelnemers en een zestal auto’s verdwenen in de nacht, met medeneming van de water- en voedselvoorraad en een van Elkes geliefde herdershonden.

De lichtvoetige vrijheid waarmee de missie was doordrenkt, was in één klap verdwenen.

De drankvoorraad van Elke was op de heenweg al ter hoogte van Zuid Frankrijk er doorheen gejaagd en haar verlangen naar een borrel dreef het echtpaar terug naar Zuid Spanje. Daar, vlak bij de plek waar ze hun laatste moment van energie, gitaren en kampvuren hadden meegemaakt, nestelden ze zich in een oude vervallen boerderij aan de rand van een klein dorp in de Serrania de Ronda. Twee Duitse vogels met gebroken vleugels, een Unimog vol zwarte jazz en drie honden. Ze verruilden hun droom van reizen in voor de gelofte van armoede en de wind in hun haren voor de bedompte duisternis van een koud, donker huisje onder de Andalusische zon.

Alsof ze niet alleen de rijkdom, maar ook het daglicht hadden afgezworen.

De Unimog staat sindsdien op de finca van Paco en Lola, aan de ingang van het dorp. Overwoekerd door bramen en jasmijn en vol kippenstront. Bijna verdwenen in het landschap als een oud, vergeten oorlogsmonument. Elke en Bruno verdwenen ook; ze werden kluizenaar en de dorpelingen vonden dat prima. Ze waren niet de enige vreemde vogels in het dorp en bovendien waren kluizenaren een welkome bron van speculatie- en intrigevermaak in de sfeer van ‘wel de lusten, maar niet de lasten.’

Eens per drie weken bezocht ik Elke en Bruno om wat boodschappen uit de grote stad en fruit van onze boerderij te droppen. We dronken oploskoffie met goedkope cognac en ik mocht op Bruno’s schapenvachtje zitten, in de enige comfortabele stoel die het keukentje rijk was. Elke lag meestal, als een stoffige oude prinses uit een middeleeuws schilderij, op het grote bed vol kussens. Ze dronk haar cognac zonder koffie, maar wel in een koffiekopje. We rookten zwarte tabak zonder filter.

Alles was bitter in het donkere keukentje; de koffie, de sigaretten, Bruno’s toon.

In stilte luisterden we muziek uit de gigantische muur van cassettebandjes. Albert Ammons, Django Reinhardt, naar John Cage en Sun Ra. Bruno rolde zijn kaakspieren op het ritme van de muziek en Elke aaide afwezig de honden aan haar voeten.

Ik hield het nooit langer dan twee uur vol bij Elke en Bruno. De teleurstelling over hun eigen bestaan trok in mijn ziel, als sigarenrook in een wollen trui. En ik kreeg koppijn van vrije jazz en het gebrek aan daglicht.

Elke en Bruno zijn inmiddels dood. Hun laatste jaren hebben ze geleefd in een grotwoning bij Granada, vlak bij het ziekenhuis waar Elke werd opgenomen met ernstig lever-falen. Ik vermoed dat ze beiden uiteindelijk zijn gestorven aan teleurstelling. Bezweken onder de zwaarte van hun nooit verworven vrijheid.

Alleen in de werkelijkheid te leven – wie van ons hield dat op den duur uit? Otto Weiss

Send me a rainbow instead of a postcard, een gezongen verhaaltje uit SPanje

Afscheidsconcert, de dag voor mijn definitieve vertrek uit Spanje. Een verrassing van onderbuurman Leonardo en mijn vrienden van bar Luna. We speelden op een benefietconcert in het prachtige auditorium van Monesterio San Miguel van El Puerto de Santa Maria.
Ik vond het een grote eer om ‘zingend’ Spanje te mogen verlaten.

Zes uur later zat ik in een volgepakte auto op weg naar Venlo en zong ik in mijn hoofd: Send me a rainbow instead of a postcard. En dat klinkt leuk in een liedje, maar is in de realiteit verdomd lastig. Ik heb tot aan Madrid zitten snikken als een kind. Instant heimwee.