De drie gradaties van gekte

In onze dorpstaal, die zo oud was dat je de Vandalen, Feniciërs en Moren er nog in kunt horen doorklinken, bestaan drie gradaties van waanzin. Je bent nerveus, gek, of verloren.

’Es un poco nervioso’’, zei men over iedereen die een beetje, tot ernstig chronisch gespannen of overspannen was. Variërend van wat tandenknarsen op te veel cola, tot bijvoorbeeld iemand als Pepe de Razende die soms spontaan een paar tafels en lampen in diggelen sloeg als hij verloor met dominospelen en dan naar zijn moeder ging om daar een snuif coke te nemen om vervolgens met zijn Jeep net niet in een ravijn te rijden en in het buurdorp voorgaande tafereel te herhalen. Of Juan de Trieste, waarvan ik overigens nooit begreep waarom ze hem niet Juan de Nerveuze noemden, die zijn jachtgeweer ging halen als iemand iets over zijn knappe dochter zei, of het woord Franco in de mond nam. ‘’Juan is nerveus. Hij koelt wel af.’’ Niemand werd nog warm of koud van een beetje spanning onder de TL-balken, of een schuimbekkende buurman met een rokende karabijn.

De tweede categorie was: ‘’loco’’. Ofwel gewoon ronduit gek. De dorpelingen die gek waren, zagen er ook gek uit, of deden op z’n minst heel vreemde dingen waardoor ze erg opvielen in het toch al uitgedunde roedel. Had je er bijvoorbeeld een krom been bij, dan werd je mank en gek genoemd. Wel heel duidelijk allemaal. Wie afweek wist meteen zijn plek.

Onder loco viel bijvoorbeeld Paquito die door de weeks een gewone boer was in de gebruikelijke ton-sur-ton van bruin op grijs of een smoezelige blauwe overall. In de weekenden en tijdens de dorpsfeesten droeg hij hakjes, een grote Engelse strohoed met bloemen en soms een jurk met stroken, maar meestal een broekpak. Als boer nam hij volledig deel aan het sociale verkeer. Niet dat dat veel meer inhield dan af en toe wat gebrom over het weer op de zandweg, maar hij deed wat alle mannen deden; boer zijn overdag en ’s avonds bier drinken en TV kijken in de kroeg. Als hij half vrouw was, zoals Pepa van de bakker hem noemde, dan was hij alleen. Niemand praatte dan met hem, de tien kinderen die het dorp nog rijk was, jouwden hem na. De minder expliciete dorpsgekken bestonden uit een dove, een vrouw met smetvrees, een Engelse alleenstaande kunstenares op leeftijd en een handjevol verstrooide kluizenaars die zich door de eeuwen heen altijd in en rond dit gehucht wisten te nestelen. Ook ikzelf bungelde aan de tweede dorpsladder van de gekte. 

De verlorenen waren de meest eenzamen. Perdido. Als men dat over iemand zei dan was het foute boel. Want eenmaal verloren, deed niemand meer de moeite om nog echt naar ze te kijken, of een gesprek met ze aan te gaan. Perdido zijn stond gelijk met verdwijnen. Exclusie was een heel normaal verschijnsel, want gekte bracht ongeluk, wie omging met gekken, werd besmet. Wel waren de gekken en verlorenen (de nerveuzen niet, die waren vreemd genoeg heel populair in het dorp) bron voor vele, vaak spannende of zelfs gruwelijke dorpsverhalen. Incidentjes en insinuaties werden tot mythische proporties uitvergroot en in smeuïge verhalen doorgegeven. Zo kon het zomaar gebeuren dat iemand door de generaties heen van een doodgewone gek, of verlorene, kon groeien tot een heilige of held.

In dit dorp huisden meer gekken dan elders, zo vertelde men mij steevast in de buurdorpen. De een dacht dat het door de hoge wind kwam, de ander het lot. Ik denk dat het de doodlopende weg was die naar het dorp leidt en die eindigt op die grote rots met 200 nazaten van de Vandalen, Feniciërs, Moren en Franco-soldaten. Een oeroud levend monument van exclusie en angst. Ofwel de grote boze wereld in een notendop. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s