Het weer (Uit het boek van Blas)

‘Wie eenmaal in dit dorp woont zal er altijd blijven wonen.’ Zuchtte Rosa terwijl ze haar derde sigaret opstak. Catalina vond het onzin. ‘We zijn vrije mensen; wie wil vertrekken, vertrekt gewoon.’ Ik vroeg aan de twee vrouwen of ze wel eens over vertrekken gedacht hadden. Rosa lachte cynisch en zweeg. Catalina ging koffie zetten en zuchtte.

‘Waar zou je ook heen moeten, met deze hitte.’ Zei Catalina en we gaven haar gelijk.
We rookten en klaagden de hele middag over de hitte. Het was zo’n dag waarop de zomerhitte ging inwerken op het gemoed van de dorpelingen; een collectieve zomerdepressie. Een vermoeidheid sloeg toe na weken van te korte bloedhete nachten, we leden allemaal aan insomnia en verlangden naar regen en zee die beiden onbereikbaar leken. De honden huilden ’s nachts, de ezels en muildieren, de hanen en spechten werden bij het eerste koele briesje om 5 uur ’s ochtends al opgewonden, terwijl wij mensen net pas in slaap sukkelden.
Behalve Balta en Paco, die zichzelf elke dag buiten westen dronken en door alle weersomsandigheden door sliepen. En Paqui, die ’s zomers zware slaappillen slikte en dan wekenlang versuft in haar winkel stond met een gezicht als een gezwollen wit broodje.

Blas had helemaal geen last van de hitte. In een donderbruin wollen jasje met een gebreide acryltrui eronder en een t-shirt, wollen pet op, sjokte hij zonder een druppel zweet door het bos, heuvel op en heuvel af. Hij werkte, zweeg, dronk water uit zijn purschuimveldfles of de bron en werkte door. Af en toe stond hij op, schoof zijn pet half voor zijn ogen, keek in de felle zon en zei: ‘We krijgen nog veel meer hitte deze zomer.’ Blas kon lijden, ik was daar minder goed in. Ik had meer talent voor klagen in die tijd.

Als je in Nederland woont (het land waar klagen is uitgevonden) heb je de neiging om te verlangen naar hitte, zon, strakke blauwe luchten. In Spanje droomde ik regelmatig ’s nachts dat ik door een bos over een oranje verhard fietsenpad fietste in de plensregen. Ik had een hekel aan fietsen en een hekel aan regen, behalve in mijn Spaanse dromen.
Dus het klopt toch; het gras is groener, geler, natter, beter bij de buren. Altijd en overal.

Na de zomer kwamen de regens en de harde koude wind uit het noorden. En dan klaagden we weer steen en been. De oudjes klaagden over koude reumabotten en jicht, de rest over lekkende daken en gebrek aan werk. Waarom nou zo belachelijk veel regen ineens? Zodra het verwoestend water omlaag kwam donderen uit El Riesgo en de wolken zich boven het dorp transformeerden tot stormen, doken we weer collectief in de Calimero-stand. Hulpeloos keken we toe hoe de regenbuien die gisteren in Ronda vielen, een dag later onze vallei veranderde in een modderige bende. We keken naar de beelden op TV over Malaga waar mensen geëvacueerd werden en voelden ons verongelijkt dat niemand van ons collectieve regenlijden afwist in de wereld. De grote weg was soms dagenlang afgesloten en we waren volledig geïsoleerd, maar daar leek niemand zich druk over te maken. We voelden ons slachtoffer van de weergoden, continue. Al na een paar eindeloze dagen van grijze stormen en druppende dakgoten, verlangden we weer naar de zomer. Het lamme lijden onder de hete zon leek het paradijs als je tot op je botten verkleumd was en niet naar buiten kon.

Van de regen had Blas ook geen last. Zijn bruine kleren dampte als de huid van een oud, zwetend paard als hij de keuken binnenkwam. Hij hing zijn pet en jas bij de haard, ging zitten, dronk zwijgend zijn dampende koffie en wachtte tot zijn pet droog was, zijn jas half. Een uur later verdween hij weer in het regengordijn, om in zijn hut weer opnieuw op te gaan zitten drogen. Urenlang kon hij met een tevreden grijns naar buiten staren vanuit de deur van zijn hut.

Later besefte ik me dat hij waarschijnlijk dacht aan de lente die komen ging. Onze uitgedroogde, gebarsten aarde die gegeseld was door de hete zomer, kreeg nu de tijd om zich vol te drinken, zijn bronnen te vullen, de oude bomen tot hun diepste haarwortels te verwennen, de steenharde klei van de groentetuinen weer tot leven te brengen voor de volgende duizenden olijven, tom
aten, kruiden en al het andere moois dat hier in ons hofje groeide. En dat allemaal geheel zonder onze bemoeienis.

Technisch gezien was ik hier als bewoner nog maar 4 lentes jong. Een bergbroekie. Als ik maar lang genoeg zou blijven, zou ik mij uiteindelijk, misschien ook niet meer laten verzwelgen door de weergoden, net als goeie oude Blas. Maar toen dacht ik aan Catalina die al 82 was en nog steeds alle seizoenen rond klaagde. En vroeg me af of het zin had om nog een winter, zomer of lente te testen of ik een goeie bergbewoner was of niet.

3 Lentes later zou blijken van niet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s